De torens


 overzicht
Inhoud
Start
Wat in Dokkum tot stand kwam.


WIE Dokkum zegt, denkt aan den moord op Bonifacius, en dat is doorgaans het eenige dat de doorsnee-Nederlander van Dokkum weet te vertellen. Sinds ik in Dokkum geweest ben, denk ik bij het hooren van den naam van de Noordelijkste Nederlandsche stad aan een kleine oudheidkamer, of aan een meisje dat ik achter het spinnewiel zag zitten, vóór dat dit bijna vergeten handwerk weer in eere hersteld werd, of aan een stapel goudgele pannekoeken, zoo rijk besuikerd.... Maar neen, ik behoef niet alle persoonlijke herinneringen te vertellen. Wie het beste van Dokkum wil leeren kennen, moet er maar zelf naar toe gaan. Evenwel, van die oudheidkamer, dát moet ge toch weten.
   Dat die oudheidkamer bestaat, kunt ge lezen in een dun boekje, dat een jaar of wat geleden is uitgegeven door het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen over de Nederlandsche Musea. Er zijn maar weinig boekjes van drie kwartjes, waar een mensch zooveel profijt van kan hebben. Want daar is geen museum in ons land, zoo klein of verborgen, of het staat er in. Wie nu naar Dokkum gaat en niet vergat in dat boekje te kijken, weet dus dat daar een oudheidkamer is. Wie leest, wat er in dat boekje over vermeld wordt, zal wellicht met een gekrulde bovenlip zeggen: "Hm, niet veel bijzonders!" Immers, daar staat:

OUDHEIDKAMER DOKKUM EN OMSTREKEN
Waagstr. B. 88. Tel. 83.
Eigenaar: Vereeniging a.v.
Penningmeester: D.J. Kamminga, tel 83.
Geschiedenis: De Vereeniging is in 1937 opgericht. De verzameling werd in hoofdzaak door D.J. Kamminga bijeengebracht.
Gebouw: Voorloopig opgeslagen in een woonhuis, 1849. Eigenaar D.J. Kamminga.
Inhoud: Voorwerpen betreffende Dokkum en omstreken, (terpvondsten; topografische prenten, gevelsteenen; folklore, e.d.) en verdwenen bedrijven (bierbrouwerij, pottenbakkerij, e.d.)
Bezoek: Den geheelen dag.
Entree: Gratis.

   Maar wie een beetje tusschen de regels van deze zakelijke opsomming doorleest, ziet, dat die heele oudheidkamer in Dokkum een particuliere liefhebberij is van den heer D.J. Kamminga, die hem den een of anderen dag over het hoofd is gegroeid, zoodat hij er een vereeniging van heeft gemaakt, die het werk kon voortzetten. En zoo reist ge dan naar Dokkum met het voornemen niet alleen de oudheidkamer te gaan zien, maar in elk geval ok den heer Kamminga te bezoeken. Ge behoeft u niet af te vragen of de heer Kamminga wellicht een druk leven heeft en of hij wel tijd zal hebben u te ontvangen. Verzamelaars zijn eigenaardige menschen. Men vindt ze in alle kringen der samenleving en in alle beroepen. Maar altijd leven ze meer voor hun liefhebberij dan voor hun gezin of hun arbeid. Soms staan ze bekend als lastige menschen, als zonderlingen, als menschen zonder conversatie. maar begin met zoo iemand over zijn verzameling te spreken. Laat hem merken, dat ge wezenlijk belang stelt in zijn collectie. Toon dat ge iets van het onderwerp afweet, of zeg ronduit dat ge er nimmer van gehoord hebt. En op welk uur van den dag ge bij den verzamelaar aankomt, hij zal zijn huis in den steek laten, zijn werk er bij neergooien en zijn etensuur verzuimen. Hij zal u al zijn preciosa laten zien, hij zal hun geschiedenis vertellen en het verhaal hoe het in zijn handen kwam. Hij zal u zeldzame stukken in handen geven en u uitleggen, waarom deze thans zoo zeldzaam zijn geworden. Ge zult iets vernemen van de jacht, die verzamelaars hun gansche leven maken op deze kostbaarheden. Ge krijgt respect voor de volharding die enkele menschen daarbij aan den dag kunnen leggen. Ge leert zien dat achter iedere verzameling een schat van kennis, van wetenschap verborgen ligt. En dan komt onvermijdelijk ook het oogenblik, dat ge het bijzondere an zoo een mensch ontdekt. Dat ge u afvraagt, wat er van al deze dingen geworden zou zijn, had hij er zijn begeerige en tegelijk behoedende hand niet naar uitgestrekt; had hij er niet de uren aan besteed die een ander in den familiekring doorbrengt; had hij er niet het geld voor neergeteld, dat gij uitgeeft voor sigaren of voor uw tuin of dat ge oppot voor uw kleinkinderen.
   Zoo kunt ge dan met een gerust hart den boekhandelaar vragen, indien ge in de oudheden van Dokkum en omgeving belang stelt, al is de verzameling dan sedert eenige jaren naar een ander, - nog verre van ideaal ingericht! - gebouw overgebracht. Het was in die Dokkumer oudheidkamer dat de heer Kamminga mij een paar doorboorde steentjes en een beenen ringetje in handen gaf: spinstentjes of spinwervels, die bij terpafgravingen in het Friesche land gevonden waren. Met deze primitieve voorloopers van het spinnewiel wisten de eerste bewoners plantaaridge en dierlijke vezels tot een draad te vormen. Zoo kwamen wij te spreken over het spinnen, een oeroud handwerk, dat ten tijde van Mozes al beoefend werd door alle vrouwen, "die wijs van hart waren", nu een kunst, die nog maar door enkelen wordt verstaan. Op het platteland is deze huisnijverheid het langst blijven bestaan. Maar ook in de Friesche steden werd nog gesponnen, zoowel door jongens als door meisjes, totdat in het begin van de 19e eeuw de opkomende machines de huisarbeid hebben gedood. Eenige jaren voor de Fransche revolutie besloot de Oeconomische tak der Heerlemsche Maatschappij om elk jaar in ieder departement prijzen uit te deeln aan jongens beneden twaalf jaar en meisjes beneden tien jaar, die den besten draad sponnen. En hoezeer het bevorderen van deze huisnijverheid door de overheid wordt gewaardeerd blijkt, als in 1780 deze wedstrijd in het wolspinnen op het groote en het kleine wiel gehouden wordt in de Vroedschapskamer van het Raadhuis. In Hindeloopen werd in dienzelfden tijd een "spin- en leerschool" opgericht.

   "Ga mee", zeide heer Kamminga, "en je zult zien dat het spinnewiel weer een plaats heeft gekregen in de huskamer, niet als een antiek sieraad, maar als een gebruiksvoorwerp". Een kwartier later zaten we bij den heer K. van Dijk, ook al een man met een verzamelaarshart, ook iemand die in de oprichting van de oudheidkamer een werkzaam aandeel heeft gehad. Hij vertelde, dat bij een partijtje oude spullen, die ze voor de oudheidkamer hadden aangekocht, eens een oud spinnewiel had gestaan.
   "Ik had het ding al menigmaal in handen genomen om te zien of het niet meer te repareeren was, want zoo'n kapot ding, dat jindert je elken dag dat je het ziet. Maar ik zag wel dat daar een draaibank aan te pas moest komen, en die had ik niet. Maar op zekeren dag hooren we dat er hier een oude klokkemakerswinkel wordt opgeheven. Het was en echt oud zaakje, dus wij er op af. En jawel hoor, voor vijftien gulden waren we eignaar van de hele werkplaats. Allerlei werktuigen kregen nu een plaats in onze verzameling, maar een mooi koperen klokkenmakersdraaibankje heb ik zoolang in bruikleen gekregen om te zien of er nog wat mee te beginnen was. Het duurde niet lang of ik had het draaien aardig onder de knie, en zoo kreeg ik het spinnewiel ook weer op gang. Toen we eenmaal zoover waren, zeiden we: we moeten verder! En we hebben net zoo lang gezocht, tot we iemand vonden die nog de kunst van spinnen verstond. Mijn dochter heeft daarop spinnen geleerd en heeft nu al haar eigen spinnewiel." In de kamer daarnaast stond een heele verzameling spinnewielen, alle verschillende modellen: met één spoel, met twee spoelen, een zoogenaamd schipperswiel dat verticaal gebouwd is om weinig plaats in te nemen. En ook hier toonde de verzamelaar zijn aanwinsten en zijn kennis. Merkwaardige liefhebberij, dachten enkelen toen, spinnewielen verzamelen.... Een jaar later was er geen spinnewiel in Friesland of het was in bedrijf. En wie in het Noorden zijn oogen den kost gafm zag meisjes en kinderen langs de weilanden gaan om de wol op te zamelen, die de schapen aan het prikkeldraad langs de weiden lieten hangen. En wat iemand, die van de verzamelwoede eenmaal bezeten is, bijeenbrengen kan, dat is voor een buitenstaander altijd weer even onbegrijpelijk! En misschien is dat maar ook goed ook....

   Misschien is het u wel eens opgevallen, dat er onder de dominees zoo weinig verzamelaars zijn. Gebrek aan tijd, noch gebrek aan geld vormen daarvoor een voldoende verklaring. Lang niet elke verzameling kost geld, en wie ergens tijd voor wìl vinden, vìndt hem.
   Zijn al deze voorwerpen wellicht te stoffelijk, te vergankelijk, is het bijeenbrengen daarvan een te ijdel spel voor den man die zijn geest moet meten aan onstoffelijke dingen? Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Een prettige uitzondering was dominee Muntingh van Harich. Zesenveertig jaar lang diende hij deze zelfde gemeente, en zoozeer voelde hij zich thuis op de oude Minnema-state, dat hij alle beroepen afsloeg, zelfs van de rijkste gemeenten in Friesland. Voorzeker een trouw dominee. Ook een trouw vaderlander; hij was in den Franschen tijd de eenige kerkedienaar die steeds geweigerd heeft de doopboeken af te geven! Maar ook een trouw speurder naar oudheden van Frieslands bodem. Moest er ergens een kanaal aangelegd of een terp afgegraven worden, steeds hoorde Ds. Mutingh tot de eerste bezoekers en hij loofde een premie uit voor de arbeiders, die bodemvondsten voor hem bewaarden. Hij had een muntenverzameling, die hij op deze wijze gestadig uitbreidde en correspondeerde met den Leeuwarder historicus Wopke Eekhoff lange jaren. Een minder gelukkig amateur op archeologisch terrein was de bekende dominee Bakels, die ongeveer vijfentwintig jaar geleden in het bezit kwam van een steenen beeldje, dat gevonden werd bij de afgraving van de Hantumerterp bij Dokkum. Ge kunt dit beeldje van de heilige Dionysius nu zien in het Friesch Museum te Leeuwarden. Hij was de stichter van het bisdom Parijs en was een der eerste Fransche martelaren. Met vele anderen werd hij op Montmartre onthoofd en de legende verhaalt dat hij daarna zelf zijn hoofd naar de plaats heeft gedragen, waar hij is begraven. Als alle afbeeldingen an deze heilige heeft ook dit kleine beeldje in zijn kamer en toonde het aan al zijn bezoekers. Hij nam het eens van het kastje en legde het een vertrouwd vriend in de voorzichtige hand. Ja, ja in zoo'n terp kan heel wat moois uit het grijs verleden verborgen zitten. Maar het is bijna een wonder als het er na eeuwen nog zoo gaaf uitkomt, nietwaar.
   Maar dominee Bakels deed meer. Hij was zoo gelukkig met zijn beeldje, dat hij het wel aan de heele weereld wilde laten zien. Want zóó zijn verzamelaars. En toen schreef dominee er een stuk over in een groot geïllustreerd blad en toen kregen alle Nederlandsche families die zich respecteerden het vroeg of laat in de leesportefeuille. Maar een geleerde professor, die dat blad ook in handen kreeg, schreef toen al gauw dat dominee de plank heelemaal mis was, door te meenen dat het beeldje ongeveer duizend jaar oud was en beweerde: nog niet de helft! Zoo iets is natuurlijk helemaal niet erg. Ieder, die de pen op papier zet, vergaloppeert zich wel eens. Dat gebeurt niet alleen in groote geïllusteerde bladen.... En elke verzamelaar kan u in zijn eigen collectie wel een paar stukken toonen, waaraan voor hem een minder prettige herinnering verbonden is, en die hij betaalde met schede en met schande. Maar dominee Bakels erkende zijn ongelijk niet en hield stijf en strak vol, dat het beeldje duizend jaar oud kon zijn. Een dorpsdominee is nu eenmaal niet gewend tegengesproken te worden. Dominee heeft het gezegd. Dominee heeft het ja zelf gezegd! ALs dominee 't zegt, zal 't wel zoo wezen. Daar wordt verder niet over gediscussieerd.
   Gelijk gezegd, het beeldje staat sinds lang in het Friesch museum en ze kunnen u daar precies vertellen hoe oud het wel is. Dominee heeft nog altijd geen gelijk gekregen. En dominee die daar niet tegen kunnen, moeten maar nooit een verzameling aanleggen.

   In Dokkum heeft men een vrijzinnig christelijke gemeente, zooals er geen tweede in ons land te vinden is. Zij heet "de Vereenigd Christelijke Gemeente" en zij kan beschouwd worden - om het zoo te zeggen met de woorden van een oude naamlijst van Friesche predikanten - als een overblijfsel van "het kwade zaad, 't welk twee Dockumer Leeraars voor de Synode van Dordrecht aldaar hadden uitgestrooid". Over de vraag wie hier in Dokkum het zaad der verdeeldheid strooide valt nog te praten. En wanneer men dat doet, bemerkt men dat men vrij spoedig uitgepraat raakt. Want het staat als een paal boven water, dat de beide Dokkumer predikanten Petrus Hermanni en Hajo Lamberti zich in het geheel niet verwant voelden aan de principieele remonstranten uit het gewest Holland. Hun gevoelens aangaande het destijds actueele vraagstuk der praedestinatie weken maar een kleinigheid af van hetgeen de Friesche synode in een formulier ter onderteekening voorlegde, en zij waren rondborstig genoeg om die afwijking te vermelden. Toen daarop de een wat vroeger, de ander wat later uit zijn ambt werd ontzet, duurde het nog lang genoeg voor ze zich bij de remonstranten voegden: ze waren er door de officieele kerk heen gedreven. De Dokkumer gemeente had gedaan wat zij kon om de beide geliefde predikanten te behouden, maar alle voorspraak voor de synode was vergeefs geweest. Geen wonder, dat een groot deel der gemeente de leeraars volgde: binnen Dokkums muren was geen strijd over de leer geweest. Teleurgesteld en verontwaardigd verlieten velen de kerk, en toen de predikanten genoodzaakt waren de stad te verlaten, zocht een deel van hen aansluiting bij de doopsgezinden. Anderen verzamelden zich om Dirk Raphaelszoon Camphuyzen, die zich omstreeks dienzelfden tijd in Dokkum vestigde. Na zulk een voorgeschiedenis verbaast het niemand meer, dat in Dokkum de remonstranten en de doopsgezinden elkander na aan het hart lagen. Dat bleef zoo door alle tijden heen. De Friesche geschiedschrijver Foeke Sjoerds verhaalt: "Doorgaans waren de vergaderingen der Remonstranten te Dockum tamelijk talrijk, wijl hier vele doopsgezinden wonen, die met de leerstellingen der remonstranten veel overeenstemming hebben, en in welker kerk Zondags voormiddags dienst wordt gedaan, zulks dat zoowel de remonstranten als doopsgezinden over en weder in beide kerken gaan en zeer vriendelijk en vreedzaam met elkander verkeeren". Maar zoo goed als de Friesche doopsgezinden zich verdroegen met het handjevol Dokkumer remonstranten, zoo veel te meer ketterjacht legden de gereformeerden aan den dag. Toen de remonstranten de vacante doopsgezinde gemeente te Leeuwarden door een moeilijke tijd heen hielpen door voor die gemeente eens in de drie weken een preekbeurt door een remosntrantsch predikant te laten verrichten, stookten de Leeuwarden predikanten van de gereformeerde kerk net zoo lang tot de vroedschap een resolutie daartegen uitvaardigde:

   "allsoo de leraer der Arminijaansche Gemeente binne de stad Doccum sich nit ontsiet om, om de darde Sondag in dese stad te koomen en in de Mennonite Vergader-plaats op de dijk wordende geholden publiq te prediken, strijdende tegens de Placcaten op dat subject bij de Heren Staten van den Lande genomen, soo is geresolveerd bij de Heren Preses te commiteren, gelijk geschiet bij deesen, om de Mennonyte Leraers binnen dese stad boven te ontbieden, en deselve tot stoitinge van dat quaad aen te seggen, dat de E. Raad geensints sal tolereren en gedoogen, dat gedachte arminiaanse Leraer wederom het sy in 't publiqs, oft in 't privat in deze Stad predikte, off dat de E. Raad tegens hem sal procederen in dier voege de wetten van lande en coustumen van den stad koomen meede te brengen."

   Voor de remonstranten waren de wetten en coustumen niet gemakkelijk in Friesland. Maar in Dokkum wisten ze zich toch staande te houden, dank zij het gematigd en voorzichtig optreden van hun voorgangers. De hoogleeraren van het Remonstrantsche Seminarie te Amsterdam zonden ook maar niet iedereen naar Friesland! En wie er dan tenslotte heengezonden werd, kreeg nog een heele lijst van regels en raadgevingen mee, die men nu nog kan terugvinden in een geschriftje van Philippus van Limborch: "Instructie voor de proponenten, die naaar Friesland gaan". Tot aan den Franschen tijd krijgen de proponenten dit mee op de lange reis naar Friesland. Daarna vaart een wilde wind over het land en alle wetten en coustumen worden aan snippers gescheurd en dwarrelen als confetti om den hoogten boom der vrijheid. In Dokkum vraagt dn zekere Hendrik Isacks van der Werff aan de municipaliteit van de stad of hij voortaan in de kerk van de vroedschapsbank gebruik kan maken, en de nieuwe overheid, begeerig de nieuwe orde met alle consequenties door te voeren, besluit de bijbels en kussens uit de vroedschaps-, militiare-, officiers- en bodebanken weg te laten halen en beveelt aan de kerkedeurwachten deze voorwerpen tezamen met alle kerkestoven op het stadhuis te bergen, ten einde alle onderscheiding van personen weg te nemen. Zes weken later bemerkt men, dat men toch nog iets vergeten heeft. Want op het Bildt worden dan ook alle wapens, "hangende aan de muren of geschilderd op de glaasen mitsgaders alle zoodanige Tekenen en Wapenen die minkundige denkbeelden aangaande de gelijkheid van den mensch in zijn natuurrecht kunnen inboezemen" uit de kerk verwijderd, en reeds den volgenden dag besluit men ook in Dokkum dat die laatste onderscheidingen door belanghebbende weggenomen moeten worden, daar ze anders vernietigd zullen worden.

   Het was in dienzelfden tijd dat er door de jaarvergadering van de Remonstrantsche Broederschap stappen ondernomen werden, die voor Dokkum belangrijke gevolgen zouden hebben. De beide remonstrantsche predikanten van Leiden hadden op de vorige vergadering de vraag geopperd of de tijd niet rijp was om pogingen te doen tot vereeniging van alle protestantsche kerkgenootschappen. Het denkbeeld was in studie genomen en de voorzitter van de vergadering van 1796 sprak de aanwezigen als volgt toe:

  "Wij hebben, God zij gedankt, geen kwadwilligen meer te duchten en over het geheel zijn de denkbeelden der meeste christenen thans meer verlicht en gematigd en hunne harten naar den waren geest des christendoms meer tot vereeniging gestemd....
   .... Kunnen wij, zoo als de vermenging van onze geldmiddelen met die van anderen ondoenlijk of onraadzaam zijn moscht, ons met hen niet verdragen ten aanzien van gemeenschappelijke godsdienstoefening en avondmaalhouding? Eischen dit vooral in dezen tijd en in den tegenwoordigen staat van zaken, onze belangen en de belangen des gemeenen protestantendoms niet, opdat wij vereenigd, des te beter in staat mogen zijn tot wederstand van allen, die iets tot zijn nadeel zouden mogen willen ondernemen?"

   Als gevolg van deze vergadering wendde de Remonstrantsche Broederschap zich eenige weken later met een langen, langen brief tot alle protestanten in Nederland, en daarin werd met tal van argumenten op samenwerken aangedrongen. Behoeft het nog gezegd te worden dat de ontvangst in kerkelijke kringen uiterst koel was? Dat na tweehonderdjarige scholing in leertucht en praktijk van verkettering de nijd en de naijver en het wantrouwen te groot waren om met een dergelijk voorstel iets anders op te roepen dan achterdocht omtrent de "ware" bedoelingen? Alleen in Dokkum, waar de remonstrante gemeente vacant was en de doopsgezinde vacant werd, is het op initiatief van de doopsgezinden tot een combinatie van beide gemeenten gekomen. Zonder dominees ging het blijkbaar vlotter! Het ging in Dokkum zelfs zoo vlot, dat men het spoediger onderling eens was dan met de Broederschap, van wie toch de oproep was gekomen. En met de Doopsgezinde Societeit is men het heelemaal nooit eens geworden. Maar de gecombineerde doopsgezinde en remonstrante gemeente, genaamd de Vereenigd Christelijke kwam toch tot stand. En tot op de huidigen dag heeft men de samensmelting nimmer betreurd. Het werd een nieuwe gemeente langzamerhand, waarvan niet iedereen meer zeggen kan of hij nu van huis uit doopsgezind of remonstrants is. Maar de predikante van die gemeente herkent binnen deze merkwaardige groep de beste eigenschappen van beide deelen: gelijk de remonstranten stelt zij zich open voor de cultuur en tracht zij bruggen te slaan tusschen geloof en wereld; van de doopsgezinden erfde zij een sterk ontwikkeld gemeentebesef, dat zijn uitdrukking vindt in onderling hulpbetoon en een groote offervaardigheid. En al is de gemeente na den wereldoorlog dan ook weer een arme gemeente, al moet zij weer evenals in de eerste twintig jaren van haar bestaan een belangrijk subsidie ontvangen om de eigen huishouding te kunnen voeren, zij is toch een levenskrachtig lichaam met een eigen karakter. Ge zult misschien vragen van welke kerk deze gemeente haar predikanten betrekt? De eerste predikant was hervormd, de tegenwoordige, Da. A. Frevel, is remonstrants. Doopsgezinde predikanten zijn meermalen beroepen, maar namen nimmer een beroep aan, daar zij bezwaar hadden tegen het doopen van jeugdige kinderen, op verzoek van remonstrantsche ouders. In de keuze is de gemeente, die zoowel bij de Remonstrantsche Broederschap als bij de Doopsgezinde ring is aangesloten, geheel vrij.
   Wanneer gij dan thans door Dokkum drentelt, door de smalle hellende straten, langs de molens op den schaduwrijken vestingwal, en stil staat voor stadhuis, waagt of admiraliteitsgebouw, loop dan niet onverschillig verder langs dien gevel, waarop te lezen staat: "Eén is uw Meester en gij zijt allen broeders!" Want al is het geen fraai gebouw, het is toch een uniek monument in de kerkelijke geschiedenis van ons land.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline
→