Waar gaan wij heen?


 Inhoud
 Overzicht boeken
Overzicht
Begin
PERSONEN: Aartsbisschop.
De Baron.
Monseigneur.
De Professor.
Barend
, huisknecht.
OP STRAAT: Arbeidersoptocht, studenten, bereden- en onbereden politie.
TIJD DER HANDELING: De jongste Kabinetskrisis
TOONEEL: een helder verlichte deftige zitkamer, waarin in den achtergrond een venster.


Aartsbisschop:

De nood der tijden bracht ons hier bijeen,
Dwingt Kerk en Staat tot ernstig overleg.
De liberale staat brak eenmaal het verband
Van geestelijk met wereldlijk gezag.
Zoo wierp hij d'invloed op de ziel der massa
Als onnut weg - en werd daarvan de dupe.
In onzen kring slechts vindt die band zich zelf terug.
Een nieuwe drang, een nieuw geloof kwam op,
Veroovrend zielen, hunkrend naar nieuw leven,
Van Kerk en geestlijkheid vervreemd, vergapend zich
Aan hemelsch heil op aard, bewust van eigen wil en macht.
Het is de tijd van d'Antichrist, met lokkend masker
Betoovrend ook in onzen kring wat lijdt, ontbeert,
En aangetast is door begeertedrang van d'eeuw.

Dies roept de heilge Moeder, onze Kerk, u samen
Tot ernstig overleg voor sterk verweer.
Ondanks al' uiterlijken bloei ziet zij haar aanhang slinken
En voedt in eigen ingewand het moordend gif.
Noch kerk op kerk in elke nieuwe buurt,
Noch ruimbetaalde Katholieke school,
Noch burcht der wetenschap, onz' universiteit,
Noch strenge scheiding op haast elk gebied,
Noch groeiënd'invloed in Gemeente en Staat
Kon dit proces van ondermijning keeren.

Voor 't liberale Staatsrecht week de Syllabus.
'tGezag van Kerk en Overheid ruimt immer meer
Zijn plaats voor 't machtwoord der Demokratie,
't Nieuw ideaal van dezen donkren tijd,
Dat knagend vreet aan 't hart ook der geloov'gen.
Demokratie, het volk zich zelf regeerend,
Elk burger, man en vrouw, tot eigen keuze roepend,
Dwingt tot zelfstandig denken elken kiezer,
Leidt tot verwerping van het geestelijk gezag.

Wel doet de priesterschap haar plicht en bindt de zielen
Met biecht en sakrament, verbod en streng bevel,
Gewijd door banvonnis uit kerk en hemel.
Vergeefs! Steeds wijken nieuwe scharen uit de rijen,
Den schoot der Kerk ontsproten. 't Roode spook,
Hoe ook in onzen kring gevloekt, geweerd,
Dringt sterker op. Satanisch biedt het ons
Zijn bondgenootschap aan, zijn vriendschap,
Waar vijandschap niet baatte.
't Steunt ons verlangen op zoo menig punt;
Treedt op als hoeder onzer heilge rechten;
Drukt aan zijn hart den katholieken werkman
In naam der éénheid van het proletariaat,
der macht van d'arbeid tegen 't kapitaal.

Vergeefs verboden wij de schaapkens onzer kudde
Te luistren naar die lokstem. Ontrustend wordt die stille uittocht
Naar 't roode veld, waar bloem en vrucht,
Waar vrijheid en waar veiligheid hen wenkt.
't Bederf werkt dubbel: afval, eerst politiek, dan geestlijk,
Naast groeiënd willen, dat de Staatspartij
Den rooden vijand roepe als bondgenoot,
Zooals helaas in menig land geschiedde.

't Is dit dilemma dat steeds meer
De massa die ons volgt beroert, verdeelt,
Hoe ook in kerk en politieke leiding
't Gevaar geweerd, beslissing uitgesteld werd.
Maar hoe, ik zou U leeren, welke rampen
Ons dreigen in deez' jammervollen tijd,
U, die zoo trouw 't bevel volvoerdet
Vóór drie jaar uitgevaardigd door 't Episcopaat;
U, die de katholieke massa's wist te scharen
Spontaan rondom 't plechtanker onzer éénheid,
Rondom 't gezag en d'eer der Heilige Stoel;
U, die in de beslissende ure elk denkbeeld
Van steun aan Rood ver van U wierpt,
En slechts als "uiterst' noodzaak" open hield, als schrikbeeld
Voor 't antipapisme, dat de Koalitie breken wil,
Of daarin onze macht en wenschen tegenstaat?
Laat ik veeleer U danken, mijne vrienden,
Voor de éénheid en de trouw, ons op dit stuk betoond.
En laat mij thans uw aller meening hooren.


De Baron:

Doorluchtig Kerkvorst, hoogeerwaarde Vader,
Heb dank, dat gij ons hier ontboden hebt,
Om in de woeling van deez' bangen tijd
Ons 't pad te wijzen dat wij moeten gaan.
Voorzeker is uw schets van 't heden juist;
't Dilemma, waar ge op wijst, brengt menig katholiek in 't nauw;
Afval en ongehoorzaamheid aan kerkelijk gebod
Bedreigen onze kracht in Kerk en Staat.

Maar des te meer richt zich mijn hoop en die van velen
Op U en den gewijden kring die U omgeeft.
In alle ding van hemel en van aarde
Aanbid ik uw gezag. Vertegenwoordiger
Der eeuwge wijsheid zijt gij. U behoort
De hoogste zeggenschap op elk gebied.
Wie anders oordeelt (met den blik naar Monseigneur)
Stort de grondzuil onzer kracht
Omver. Dit was steeds richtsnoer mijner politiek.
En daarom juichte ik, toen 't doorluchte Episcopaat
Aan onze scharen Koalitiesteun
En weigering van roode hulp gebood.

Waar vindt het zondig hart, door vuige lust geprikkeld,
Gedreven her en der door waan des daags,
In onkunde opgegroeid, zijn eigen heil miskennend,
Waar vindt het licht en raad zoo niet bij U?
Terecht verwierpt gij de demokratie,
Een vrucht des booms van zonde en ongeloof,
Te kwader tijd in onzen kring gehuldigd.
Dit is de bron van verder kwaad geweest.
Dat wordt al meer ook buiten ons begrepen
En bij den strijd er tegen wenkt de Kerk een grootsche taak,
Met vreugde zal ik hare roepstem volgen,
Als tot dien strijd zij 't sein geeft.
Dan gesp ik fluks mijn ridderharnas aan,
Ons te verlossen van de tirannie der domme menigt.

Thans is daarvoor het oogenblik gekomen:
De kiesstrijd schiep ons geen regeeringsmooglijkheid,
De krisis bracht een chaos over 't land.
Nu onder 't merk van "uiterst' noodzaak" wij
Verwierpen 't eenig middel, een regeering op te bouwen
Op krachen uit het Parlement, is feitelijk reeds
Aan d'afbraak der demokratie de hand geslagen.
Thans kome uit dezen chaos Colijn terug,
Als redder blij begroet door alles wat
Zich wil ontworstlen aan den grijpklauw van 't kanaille,
Dat bij de dreiging van den wereldoorlog
En de paniek der omwenteling daarna,
Ons dezen weg van ondergang opvoerde.

Toen was het, dat een katholiek bestuur
Zijn steun zocht bij ons eigen werkersvolk,
Zich tegen Revolutie te beveilgen.
Het schonk dien steun - doch tegen betaling slechts:
't Nam van de rooden al hun eischen over...
Zoo weerden wij den Duivel met Beëlzebub.
Sindsdien beheerscht de geest van 't socialisme
De harten onzer werkers; werd demokratie
Ook onder hen het wachtwoord, woedde ook daar de klassenstrijd,
In naam geloochemd, inderdaad gehuldigd,
Zoowel door meester als door knecht.

Maar thans is vol de maat, uit allen kring
Breekt sterker tegenstand zich baan.
Het intellekt eischt zijne rechten tegen 't onverstand
Der massa, tegen de vereelte vuist;
Om vrijheid roept weer d'industrie; 't financie-wezen
Voekt zijne macht en weet die te gebruiken.
De jeugd is niet meer prooi van sociaal gedroom,
Maar wijdt zich aan de sport, leerschool der daad,
En wordt steeds meer bereid, de waan van parlement en kiesrecht
Te breken met de scherpe waapnen van 't geweld.
Beraden mannen, politiek ervaren,
Sieraad eenmaal van staat en parlement,
Eischen een staatsgreep. Daar is kentring van 't getij,
Hier, overal - de wereld wacht een wonder
Van sterke mannen, van de diktatuur.

Laat dus, eerwaarde Vder, u door zorg en vrees
Niet al te zeer ontrusten. In deez donkren tijd
Daagt schooner licht, dan lang ons werk bescheen.
Een roeping heeft de Kerk: Zij neemt de leiding -
Een nieuwe toekomst wenkt haar.


Aartsbisschop:

Ik dank U. Wenscht nu Monseigneur -?


Monseigneur:

Mijn plaats is in het midden; licht waar 't beter,
Dat vóór mij de professor 't woord nam.


Aartsbisschop:

Het zij zoo.


De Professor:

Hoogeerwaarde Vader,
Het is met diepen schroom dat ik het waag,
Naast bei mijn andere ambtgenooten U
Mijn meening uiteen te zetten, afwijkend zeer
Van die des eersten sprekers. Alleen op één punt
Zijn wij het eens en wel het uitgangspunt
Van zijn en mijn beschouwing en 't heilig doel
Waarnaar wij beiden streven. 't Is de eer der Kerk,
D'eerbied voor haar gezag; 't is d'onderdanigheid
Aan haar geboden, de gehoorzaamheid aan haar vertegenwoordigers.
Dit alles leidt ook mij bij 't streven naar
Eenheid der Partij. Haar kracht en glorie is
Ook mijn doel, zelfs waar ik zeekre vrijheid wil
Voor hen, die zonder deze teveel blootstaan
Aan 't alomloerende gevaar van dezen tijd,
Te vallen in het net des rooden vooglaars.
In één woord, Hoogeerwaarde, tusschen ons
Is geen verschil van katholiek bedoelen,
Maar slechts van middel, om het doel te naadren.
Voor den Baron is 't vraagstuk hoogst eenvoudig:
Der geestlijke eenheid in de Kerk dreigt schade,
Zoodra de grondslag onzer politiek niet meer de christlijke is,
Zoodra de sociale strijd die politiek beheerscht;
Dus moet uit onze politiek de sociale strijd geweerd.
Ook ik erken 't gevaar, doch stel de vraag:
Is 't mooglijk, uit de politiek dien strijd te weren?
En, indien niet, wat is 't gevolg, indien aldus
De politiek van 't sociale leven vervreemd wordt,
Van wat in 't volk de geesten bindt of scheidt?

Hoe diep is niet de klove tusschen arn en rijk,
Hoe teistert werkloosheid niet groote groepen
Des volks, gedoemden tot gedwongen ledigheid,
Tot peinzen en tot morren gedreven door 't systeem
Dat enklen rijkdom gaf en macht en velen
Afhanklijkheid, ja onderdanigheid, armoede,
Onzekerheid, gebrek aan licht en lucht,
Stoflijk en geestlijk.


Aartsbisschop:

Vergun me - 'k mis in uw betoog, zoo vurig,
Het geestlijk uitgangspunt - stempel, bid ik U,
Tot meetingzaal niet deez gewijde woning!
Het is een raad slechts dien 'k U gaf, 't is geen bevel.


De Professor:

Ik dank U voor dien raad; 't is mijn bedoelen slechts,
De diepte van het sociaal verschil te peilen,
Dat in de werklijkheid van 't leven de geesten scheidt,
En aan Paus Leo's Encykliek het aanzijn gaf.
Ik klaag niet aan, ik pleit niet, maar ik konstateer;
Ik stel slechts vast, dat ondanks alle leniging
Van sociale nooden sinds dat Maanwoord klonk,
De tegenstelling bleef, daarin geteekend,
Ja erger werd gevoeld, hoe meer de katholieke werkman,
Tot strijd gedwongen, 's pausen richtsnoer volgde.
't Solidarisme tusschen kapitaal en arbeid,
Hoe schoon gedacht ook en in Leo's lijn,
Bleek ook bij ons een vrome wensch, werd tot eeh hoon
Bij vriend en vijand. Zoo ontviel onze aktie
Haar eigen beginsel; met illusies regeert men niet.
En wat bood ons de koalitie-politiek,
Sinds Aalberse kapituleerde voor Dresselhuis,
De Visser eigen hand sloeg aan zijn werk,
Gedwongen door Colijn; de "gave gulden"
't Symbool werd van ons christelijk bestuur,
Voor woordbreuk zelfs niet werd teruggedeinsd?


Aartsbisschop:

Wij kennen de moeilijkheden, waarvoor de dwang des tijds
Bestuur en Kamer plaatsten. Plicht van elk, die leiding geeft,
Is, 't volk te wijzen op dien dwangtoestand.


De Professor:

't Zij ver van mij, het oog daarvoor te sluiten.
Toch blijft de vraag, of niet te veel geofferd is
Op 't altaar van der tijden nood en niet teveel vergeten,
Dat zeed'lijke en verstandlijke verheffing des volks
In zware tijden juist het beste bolwerk is,
Om 't volk te schutten tegen d'ondergang.
Of 't aangaat, 't leeuwendeel van noodige offers
Te staaplen op den staatsdienaar,
Wien lust en ijver en vertrouwen in den meester
De beste prikkel is voor plichtsbetrachting en besef,
Dat slechts rechtvaardigheid zijn lot beheerscht.
Zeer zeker was financie-nood de drijfveer
Tot menig daad van zelfbeperking van
Regeering en Parlement. Maar destemeer
Had wijs beleid geboden, te voldoen.
Aan eischen van den tijd, die niet op geldnood
Behoefden af te sluiten.


Aartsbisschop:

Gij meent?


De Professor:

Ik meen dat medezeggenschap, publieke
Bedrijfsorganisatie, streven naar inschakeling
Van krachten, in de maatschappij gegroeid,
In 't raderwerk van parlement en staat,
Het streven naar hervorming had kunnen
Bevredigen, 't bewijs had kunnen leevren,
Dat niet reaktie d'eigenlijke drijfveer
Was van 't regeerbeleid der Koalitie.
Maar wat een wijl in katholieke kringen
Op dit stuk werd geopperd, ontworpen, uitgewerkt,
Bleek snel vervluchtigd, een roze schijn
Van 'd uchtend, in het nuchtre licht
Van triesten dag vervaagd. Nog spreek ik niet
Van vlootwet en militarisme - 't katholieke volk
Neigt naar ontwaapning - "Koalitie" beteekent
Negatie van dit alles.

- De koalitie terug? Wij waren 't zelf die haar verbraken,
Toen Monseigneur -


Monseigneur:

Ik voerde slechts der fraktie opdracht uit,
Tijdig vooraf genomen, in ernstig overleg
Met geestelijke leiding, gelijk te denken is,
Waar 't gold de eer der Krek, het aanzien
De Heilge Stoel -


De Professor:

Ja zeker, 't was een katholieke kwestie - wij allen
Stonden achter U. Thans echter loopt alles vast.
De Koalitie dood; een droom de christlijk politieke eenheid.
En d'eenheid, die ons bond rondom 't Gezantschap,
Is niet meer bron van vruchtbren politieken arbeid,
Doch hinderpaal voor verdre ontwikkeling.

De Koalitie groef haar eigen graf in 't hart
Der massa, die haar steunde uit sleur en volgzaamheid,
Doch steeds meer innig van haar werd vervreemd.
Toen brachten zelf wij den genadestoot haar toe,
En wie haar wekken mocht tot nieuwen schijn van leven
Zal 't kwaad, dat zij ons wrocht, verlengen en verergren.
Ik kan dus, Hoogeerwaarde, in zijn aandrang,
't Symbool der afgedane Koalitie, Colijn, terug te roepen,
Mijn ambtgenoot niet steunen;
Dit waar roeklooze politiek, begeerlijk slechts
Voor wie aan 't huidig stelsel wanhoopt,
En daarom haakt naar diktatuur en revolutie.


De Baron:

Gij spreekt wel boud.


De Professor:

Ja, daartoe dwingt gij mij.
Of is 't geen revolutie wat gij predikt
Met Uw beroep op macht slechts en geweld,
Uw aanval op demokratie en reedlijkheid?
Die beide vormen het cement van onzen staat,
Den waarborg dat steeds grooter deel des Volks
Het staatsgezag voele als een eigen zaak,
Als hoeder van zijn belang, als bron van rust en orde.
Leert niet d'ervaring dezer laatste jaren,
Hoe elke diktatuur, 't zij uit het revolutionair beginsel ontsproten,
't Zij door reaktie tegen 't vrije leven des Volks gewekt,
Bron is van tirannie, verkrachting der gewetens,
Van politieken moord en zedelijk bankroet?


Aartsbisschop:

Dus uw konklusie, Professor?


De Professor:

Het uur der "uiterste noodzaaklijkheid" is daar;
De Kerk ga vóór in haar erkenning,
Steun' tegen reaktie en egoïsme van 't bezit
Het streven naar sociale rekonstruktie,
Drijv' niet de massa van ons volk naar Rood,
Door star verbod van wat toch komen moet,
En helpe ons, in 't verbond met Rood,
Excessen te vermijden, eenzijdigheid te weren,
Het sociaal proces van verdre ontwikkeling
Langs d'ingeslagen weg, te houden
Op banen van geleidelijk. Dat
Is de taak, den katholieken waardig,
In dezen tijd - geen taak van afbraak, van negatie,
Maar een van positiieven opbouw, te zamen
Met andre sociale krachten in ons volk.


Aartsbisschop:

Ik dank u, dat g'uw meening eerlijk zeidet,
Al is 't m'ook moeilijk, haar te deelen. Misschien
Dat Monseigneur. - Enfin, wij zullen hooren


Monseigneur:

't Is, Hoogeerwaarde, bekend, dat ik geen drijver ben,
Ik haat excessen - vredelievend
Is mijn natuur, meer 't stil studeervertrek
Dan politieke arena zoekend en beminnend.
Ik ben een nuchter mensch, heb weinig fantasie,
Zie liefst niet al te ver vooruit, houd m'op den vasten grond.
'k Ben uit mijn aard konservatief gezind,
Met oog voor zeed'lijk sociale wenschen,
Als ons paus Leo leerde. Zoo heb ik d'erfenis
Van Schaepman aanvaard. Was hij profeet,
Ik werd een rustig bouwer aan 't sociale werk,
Dat voortsproot uit den vruchtbren bodem der Encykliek.
Mijn leidsman was steeds Thomas van Aquino,
Een grondslag gaf mij zijn natuurrecht.
Ik leg mij gaarne bij 't bestaande neer,
Dat aan zijn reedlijkheid meestal 't bestaan dankt
En niet in hypothesen of in profetiën,
Maar in 't gewordne zelf 't bewijs vindt zijner juistheid.
Zoo zie ik ook de Kerk, gewrocht der eeuwen,
Onwrikbaar wortlend in de ziel des menschen,
Die zucht naar rust en vrede en veiligheid,
Vastklampend zich voor tijd en eeuwigheid
Aan haar, de rots van Petrus, heilge Moeder.
Zij heeft de wiss'ling vn systemen, wetenschaplijk,
Sociaal en politiek met glans doorstaan
En kan gerust den huidgen nood des tijds in 't aanzicht zien,
Aanvaardend wat de noodzaak eischt, in 't wisslend spel
Der krachten haar weg zich banend, haar autoriteit
Handhavend met beleid en menschenkennis, heffend haar geestlijk wezen
Hoog en verzekerd steeds boven 's werelds wiss'lend-spel.
Dat zij aldus de macht blijft, die zij was en wezen
Is mij gewisheid. In deez overtuiging
Pas angst noch vrees voor tijdelijk bezwaar,
Past slechts de rust des sterken, die zijn macht kent.


Aartsbisschop:

Ik deel die zelfverzekerdheid, mits niet ontaardend
In apathie en daadloos toezien. "Bid en werk".


Monseigneur:

De Kerk heeft niets te vreezen, weet haar weg,
Zich plooiend naar de feiten der ontwikling,
Die zij niet schiep, maar in haar geest beïnvloedt.
Dit is mijn credo en de sleutel der nuchtre politiek,
Die 'k voer in naam der Katholieke partij.
Ik weet: de stembus bracht geen overwinning ons
De laatste maal - d'omstandigheden waren ons
Ongunstig - beter konjunktuur zal maken
Dat 't ons vergund is, meer de sociale lijn
Te volgen, die sinds d'Encykliek de richting wees.
Intusschen won de roode vloed terrein
Bij ons, maar hoe zou 't anders kunnen?

De Kerk omvat in 't werken op de zielen
Der massa niet alles, wat in dezen tijd het hart beheerscht.
Het socialisme heeft óók zijn terrein,
Zijn kans in 't hart van velen. Het kan alleen den drang naar d'eeuwigheid
Der menschen niet bevredigen - daar heerscht de Krek.
Maar tijdlijk zwijgt bij menigeen die drang,
Als 't wereldsche bestel zijn zucht naar recht en welvaart
Te veel laat onbevredigd. Komt beter tijd,
Dan drijft weer geestlijk willen menig schaap terug
In d'oude kooi, waar warmte en rust hen wacht.
Gevaarlijk slechts is 't, door te scherpe strijdbaarheid
De grenzen al te nauw te trekken; elke daad
Van ander inzicht, tijdlijke afwijking, te stemplen tot
Gewetensfout, tot misdaad tegen God en Kerk,
Te straffen met banvonnis en vervloeking.
Zacht, maar vol zekerheid, in hoog gezag, klinke immer
't Vermaan der Kerk; maar wie dit make tot
Een dwang der zielen, een bedreiging met Eeuwge straffen,
Werkt in de hand geheime en open afval,
Drijft daarheen, waar de Kerk alle invloed
Verloor en 't hart der afgeweeknen
Ten prooi is aan de "diepere beginselen",
Die wij in naam der Kerk verfoeien en bestrijden.

Ik wil het recht der Kerk op zeggenschap
In politieke zaken niet ontkennen, doch verwerp
Inmenging op dat gebied, met name in Nederland.
Zij voert tot klerikale politiek, de voedster
Van anti-klerikalisme, bemoeilijkt de partij
In 't reekning houden met noodzaaklijkheden,
Die politieke ervaring, niet een kerklijk dogma,
In hun beteeknis weet te schatten, te waardeeren,
Aan ons 't gewurm in Kamer en verkiezing;
Hoog sta de Kerk in onbewogenheid
Voor wereldsch klein gedoe: de Rots der Eeuwen


Aartsbisschop:

Dit sluit kritiek in op 't Episcopaat.


Monseigneur:

Het zij zoo - wie haar bracht tot dat besluit,
Heeft meer zijn eigen eer dan die der Kerk gediend.


De Baron:

Impertinent.


Monseigneur:

Ja vriend, dit moest gezegd.
De Kerk wordt niet gediend door haar aansprakelijk
Te stellen voor besluiten, die toch spoedig moeten
Teruggetrokken of verwaarloosd.
Nog erger is 't advies,
Dat zij de leiding nemen zou in uw reaktie
Tegen demokratie en sociale ontwikkeling.
Wilt gij dien kant uit, doe 't op eigen naam,
Maar niet in dien der Kerk, die alle zielen open moeten vinden
En zich slechts schaadt door haren naam te leenen
Aan wat historische evolutie tegenstaat.

Of ik dan meega met het tegengesteld
Advies van den professor? Der Kerk de leiding toedenk
Der linksche politiek door hem gepredikt?
Dit ware inkonsekwent. De katholieke demokratie
Is filantropisch-sociaal van aard
En ligt reeds daarom in de lijn der Kerk;
Maar politiek beginsel is zij niet. Demokratie,
Algemeen kiesrecht, zijn vruchten van 't moderne staatsrecht,
Direkt ontleend aan 't stelsel van Rousseau
En allerminst aan dat der heilge Kerk.
Wij hebben het zoolang het mogelijk was geweerd,
Maar 't pleit verloren - en, wil 't een recht betreft,
Aan man en vrouw geschonken, deel van d'inventaris
Van 't huidig staatsburgerschap, sedert d'Oorlog
Erkend in alle moderne landen, blijft niets over,
Dan dit historisch produkt t'aanvaarden als basis
Van verd'ren arbeid - Zeker is 't volk niet rijp
Voor zelfbewust gebruik ervan. Aan voorlichting
Ontbreekt het echter niet, ook niet van onze zijde,
Waar sterker macht van overreding bestaat dan waar ook.
En sinds d'invoering der demokratie
Was onze politieke macht steeds groeiend. Nooit
Was onze macht zoo groot als onder de werking
Van 't algemeen kiesrecht, laat men dit niet vergeten.
Alleen schept deze macht verplichting,
En dat het ons tot heden is gelukt,
Ons daaraan te onttrekken, is geen bewijs,
Dat op den duur dit mooglijk blijven zal.


Aartsbisschop:

Onttrekken? Aan verplichting? Ik begrijp u niet.


Monseigneur:

Zoo legge ik u de kaarten open van 't spel,
Door mij gespeeld - waarvan 't de vraag is,
Hoe lang 't is vol te houden.
Twee werelden te binden tot één, twee tegengestelde
Krachten te vereenen tot één aktie,
Ziedaar de taak van leider onzer Staatspartij.
Een taak, die zelfverloochening vordert en geduld
En vaak met zwijgen meer gebaat is dan met spreken.

Als deel der Christelijke meerderheid,
Werd d'eenheid steeds geschraagd door d'atmosfeer,
Die deze Koalitie schiep rondom zich.
Wel botsten sterk de geesten op elkander,
Wel dreigde steeds weer scheuring de Partij,
Vooral van hen, wien de hervormingen
Na d' Oorlog onder drang van ond'ren te snel
Waren gegaan; maar steeds nog bleek de breuk te mijden.
Thans valt die christlijke suggestie weg
En sterker wordt de drang naar ander bondgenootschap.


De Baron:

De vrijgestelden -


Monseigneur:

Och als het die slechts waren!
Goedmoedig volkje, aan schikken en aan plooien
Gewend; bij tijdlijk springen uit den band
Zelf 't meest ontsteld; als politieke kind'ren
Verlangend naar den leiband; blijde met
Een lintje in 't knoopsgat; zich 't veiligst voelend
In het beproefd milieu der Staatspartij,
Waar buiten leiding hun en zelfvertrouwen
Ontbreekt. Zij zijn onschaadlijk, ook waar zij mopp'ren ex professo.


De Professor:

Gij schijnt ze goed te kennen -


Monseigneur:

Ja, o ja
De brave zielen (algemeen gelach)


De Baron:

Toch bleek November '18 hoe zij, eenmaal tot sociale aktie gedreven,
In revolutietijd een kracht ten kwade kunnen zijn.


De Professor:

Hm. Of ten goede.


Monseigneur:

't Hangt alles af
Van d'aandrang die hen drijft van uit de massa.
Daar zijn ten eerste d'organisaties,
Steeds meer teleurgesteld de laatste jaren.
Opluchting is de val der Koalitie hun.
Zij wachten van vast of tijdlijk samengaan
Met rood thans sterker weerstand tegende
Reaktie en haken naar vervulling
Van demokratisch sociale eischen.

Zoo komt het oogenblik der keuze steeds nader:
Of voor den socialen vooruitgang in verbond met rood,
Of voor 't behoud van wat reaktie wrochtte,
Verbonden met Colijn en Vrijheidsbond,
Door kapitaal en ondernemerdom gerugsteund.
Zoo komt de sociale breuke in onze éénheid
Naakt aan het licht in al haar tegenstrijdigheid,
Nu 't christelijk cement is afgebrokkeld.
Ik heb die keuze niet gewild, zou haar ontgaan,
Als 't moog'lijk ware; wacht nog af
Den verd'ren drang des tijds - maar dit weet ik:
Als eens de keuze dient gedaan ken ik mijn plaats.

Thans ligt als een blok steen de Staatspartij
Te midden van den stroom des tijds, die haar omspoelt
Met spattend, spottend hooge golven, schaatrend
Over haar onmacht om zich te bewegen.
Dit is geen toestand die lang duren kan.
Grootste partij des lands, is zij wel 't meest aanspraaklijk
Voor vorming der regeering en voor leiding des volks,
Hetzij in d'een of d'andre richting. Wat deze richting zijn zal?
Ik zoek hiervoor niet naar éénzijd'ge voorkeur
Voor d'een of andre klasse der maatschappij.
Regeeren eischt een sterk gezag, hoe dit te scheppen?
Is mij de hoofdvraag, 't volk leiding te geven,
Eischt voldoening aan eischen des tijds. Ziehier mijn uitgangspunt.
Hiervoor is op den duur 't verbond der beide
Grootste partijen onmisbaar - hierheen wijst regeeringsnoodzaak.
Geen afbraak dus van wat hervorming wrochtte,
Maar stadig voortgaan op den ingeslagen weg.
Een sociaal program van den vooruitgang,
Ook waar dit stuit op egoïsme van 't bezit,
Kan grondslag slechts van verdere aktie zijn.
De moeilijkheden zie ik: 'k vrees ze niet; maar 'k wacht
Liefst af tot zich deez uitkomst opdringt.


De Baron:

Ik. Monseigneur, pas in uw plannen niet.


Aartsbisschop:

Met groote aandacht heb ik aangehoord,
Wat Monseigneur uiteengezet heeft. 't Vraagstuk
Heeft vele kanten, eischt zorgvuldige overweging.
Mijn dank voorloopig voor uw waardi woord,
Woord van eeen trouwen zoon der Kerk,
Woord van den staatsman.
Men hoort in de verte trongeroffel.
Welk gerucht is dat?
Hij belt.

Barend, klopt, komt binnen.
Hoogeerwaarde!


Aartsbisschop:

Wat is dat tromgeroffel buiten?


Barend:

De socialen houden een optocht.


Aartsbisschop:

Een optocht. Waarvoor?


Barend:

Ik hoorde, Hoogeerwaarde, voor Kamerontbinding.


Aartsbisschop:

Komen ze hierlangs?


Barend:

Ja, Hoogeerwaarde. Met fakkels en vaandels.


Aartsbisschop:

Het venster open en draai uit het licht.
Wij willen ongezien het schouwspel gadeslaan.
Barend volbrengt het bevel en zet stoelen aan beide kanten van het breede venster.
Hier, heeren, als 't u blieft - u ziet hier veilig.
Van d'optocht dreigt u geen overlast; maar men zegt,
Er komt een tegenoptocht van studenten.


De Baron:

Ha! Dat is 't begin.


Aartsbisschop:

Je kunt wel weggaan, Barend.

Barend buigend af.

De arbeidersoptocht komt steeds naderbij, het tromgeroffel houdt op; kreten klinken:

"Kamerontbinding, op voor Kamerontbinding!"

Men vangt aan, de Internationale te zingen - plotseling is alles stil. Een studentenoptocht nadert om den hoek eener straat. Geschreeuw:

"Terug, slaat ze uiteen, de schooiers."

Uit den arbeidersoptocht komt hevig gebrul.
"Vooruit, vooruit",
klinkt het. Dan weerklinkt en schot. Geroep uit de arbeiders:
Bloed! Moord! Wapens!"

Een peloton bereden- en andere politie komt tusschenbeide - beide optochten worden naar verschillende kanten uiteengedreven, alles onder geschreeuw, kommandogroep, 't getrappel van paarden en het krijschen van vrouwen en kinderen. De vier heeren trekken zich terug in 't midden der kamer.


De Professor:

Ontzettend!


De Aartsbisschop:

Waar gaan wij heen!


De Baron:

Met volle zeilen naar de diktatuur!


De Professor:

Dat waar een bange weg van bloed en vuur.


Monseigneur:

Waarhein wij gaan? Naar wederzijdsch geweld,
Als niet een wijs bestuur hier perk en paal aan stelt.
Waarheen? Naar volksverzet en revolutie,
Licht afgewisseld door een schrikbewind,
Niet passend bij den vrijen geest des volks,
Gedoemd tot ondergang in chaos en ellende.
De tijd is ernstiger nog dan wij dachten. Niet naar eigenrichting,
Niet naar de waapnen der barbaren gaat de weg,
Maar naar kultuur en opbouw van nieuw leven.
Twee krachten zijn er in ons volk die dit vermogen,
Telang reeds wachtten wij - 't is hoogste tijd -
't Is 't uur der uiterste noodzakelijkheid.

Het gordijn valt.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline