|
|
 |
Willem Hubert Vliegen
De schrijver van dit boek heeft van de meeste op den voorgrond staande personen in de sociaaldemocratische arbeidersbeweging een portret in woorden gegeven, hun levensloop geschetst, hunne daden beschreven, hunne waarde voor den strijd der arbeidersklasse doen blijken, hunne eigenschappen geteekend, hunne verdiensten geprezen, hunne tekortkomingen met kieschheid behandeld.
Nu moet hij er zelf aan gelooven. Het kwaad wreekt zijn meester. Heeft hij anderen ontleed, thans gaat hij zelf onder het mes en mij is de taak opgedragen, de operatie te volbrengen - een taak, die ik met vreugde op mij genomen heb en voor welke ik mij ook wel eenigszins geschikt acht. Want ik behoor tot de betrekkelijk weinigen in onze Partij, die Vliegen van nabij gekend hebben vóór het bestaan der S.D.A.P., namelijk sedert ongeveer vijf-en-dertig jaren.
|
Als ik dit tijdperk in mijne gedachten overzie, in verband met den man, over wien ik nu ga schrijven, dan verrijst uit de massa mijner herinneringen het beeld van een zeldzaam gave figuur, van een kerel uit één stuk, van een arbeidersjongen, voortgekomen uit eene orthodox-katholieke omgeving, die zich zelf gevormd en ontwikkeld heeft tot een man van groote, grondige en veelzijdige kennis, een man van vaste en onwrikbare overtuiging, die gedaan heeft al hetgeen de beweging vorderde dat hij doen zou, met volledige toewijding en nimmer falende trouw, die in tijdperken van inwendige beroering in het partijleven helder zag hetgeen geschieden moest en dit onwankelbaar vasthield, het beeld van een logischen denker, betrouwbaren wegwijzer en geduchten aanvoerder.
Laat ik trachten dit beeld te schetsen.
Willem Hubert Vliegen werd op 20 November 1862 te Gulpen, in Limburg, heel in het Zuiden van dat gewest, geboren. Zijn vader was hetgeen men, voorheen meer dan thans, een schrijnwerker noemde, met andere woorden: een werker in hout, meubel- en kistenmaker. Het gezin telde vijf kinderen, van welke Willem de middelste was. Zijn moeder heeft hij nauwelijks gekend; zij stierf namelijk in September 1867.
Zijne opvoeding droeg wèl een proletarisch karakter. Hij werd op den gebruikelijken leeftijd naar de openbare lagere school gezonden, die hij bezocht tot ongeveer zijn elfde jaar. Daarmede was Vliegen's academische opleiding voltooid en ging hij het groote leven in, dat zich aan hem vertoonde in den vermoedelijk weinig aantrekkelijken vorm van de boedrukkerij der firma M. Alberts, te Gulpen, alwaar hij met de waardigheid van letterzetters-jongmaatje werd bekleed. Vliegen's arbeid aldaar is echter niet geheel zonder beteekenis geweet voor zijn latere leven. Want het werk bij Alberts bestond voor een aanzienlijk gedeelte uit kerkelijke boeken, meestal in de Duitsche taal geschreven door Paters-Redemptoristen, die in het naburige klooster te Wittem een toevluchtsoord gevonden hadden, nadat zij, uit hoofde van de zgn. Meiwetten (1873-'75) van minister Adalbert Falk, het voornaamste incident in de Pruisischen strijd om het oppergezag van den Staat tegenover de Katholieke Kerk, den "kulturkampf", hun land hadden moeten verlaten. Ongeveer zeven jaren lang verrichtte hij dat werk, waardoor hij de Duitsche taal goed meester werd, hetgeen hem den weg om later een figuur van internationale beteekenis te kunnen worden, vergemakkelijkte.
Op circa 19-jarigen leeftijd verliet hij Gulpen en begaf zich naar Luik, alwaar hij ruim een jaar zijn vak uitoefende en daardoor tevens aardig wat kennis van de Fransche taal opdeed. Begin 1883 keerde hij die stad den rug toe en trok naar Amsterdam. Wellicht was hij reeds te Luik met de socialistische beweging in aanraking gekomen; zeker as dit te Amsterdam het geval en wel in zulk eene mate, dat hij er reeds in September van hetzelfde jaar toetrad tot den Sociaal-Democratischen Bond. In den aanvang van 1884 keerde hij naar Limburg terug en vestigde zich te Maastricht, waar hij als letterzetter werk gevonden had.
Toen begon zijn optreden als propagandist. Weldra had hij een kring van aanhangers, uit welke hij eene afdeeling van den toenmaligen Nederlandschen Bond voor Algemen Kies- en Stemrecht vormde, die hem tot haren voorzitter benoemde. Met groote activiteit vervulde hij dit ambt; met zóó groote activiteit, dat het in die dagen, en zeker in de streek, zoo goed als onvermijdelijke gevolg niet lang uitblijven kon: in October 1885 werd hem ontslag uit zijne betrekking aangezegd.
Een tijdperk van zwerven en zwalken door Nederland en België volgde. Hij werkte te Brussel, te Houthem, te 's-Gravenhage en te Maassluis, maar nergens duurde het lang. Doch daarna volgde een rustiger periode. Hij vond namelijk werk op de Drukkerij Belinfante te 's-Gravenhage, in welke stad hij dus zijn tenten opslaan kon. Hier kon hij gevolg geven aan den in hem levenden drang tot het propageeren der beginselen, aan welke hij zich gewijd had. Hij had reeds van Maastricht uit in "Recht voor Allen" geschreven, zette dit nu voort en trad herhaaldelijk als spreker op, werd in de Haagsche afdeeling van den Sociaal-Democratischen Bond weldra een figuur van beteekenis en na korten tijd gekozen tot lid van den Centralen Raad van dat lichaam.
Het duurde echter niet zeer lang. De Centrale Raad besloot namelijk hem in Maastricht te plaatsen, om vandaar uit de propaganda voor de sociaaldemocratie in Limburg te voeren. Er waren echter geen middelen, om een propagandist te bezoldigen. Doch er was kort te voren door den Bond een begrafenisfonds gesticht, van welks te verwachten baten men belangrijke resultaten voor de bondskas tegemoet zag, en van dat fonds maakte men Vliegen administrateur, op een tractement van f 12.-- per week, dat weliswaar zelfs voor die dagen niet schitterend was, doch waarvan en althans, zij het ook uiterst sober, leven kon.
Met hart en ziel wijdde Vliegen zich nu aan de propaganda - en moeilijke taak overal in den lande in die dagen, een bijna bovenmenschelijke in het toen waarlijk wel zéér "donkere" Zuiden. Met stalen energie zette Vliegen door - men moet het meegeleefd hebben, om te weten wat het beteekende - en bracht het waarlijk zoo ver, dat het in October 1890 mogelijk werd een weekblad uit te geven, hetwelk "De Volkstribuun" genoemd werd.
Hoe dat zijn werk ging, is voor de tegenwoordige partijgenooten nauwelijks te begrijpen. Geen drukkerij kon gevonden worden, die het blad gereed wilde maken. Derhalve was men genoodzaakt een eigen drukkerij in te richten, een primitief zaakje, eenige letterkasten, een opmaaktafel, het onontbeerlijkste gereedschap en materiaal, plus een door handkracht in beweging te brengen pers. Zooals in de bekende operette De Mikado een van de personagiën, Pooh-Bah, minister van alles is, zoo was Vliegen alles aan zijn krant. Hij schreef en verzorgde den inhoud van het blad; geholpen door een wegens zijne socialistische gevoelens ontslagen fabrieksarbeider, onzen welbekenden ouden vriend G.H. Pieters, zette hij de copy en drukte hij de krant; en als deze gedrukt was, nam hij een pak bladen op den arm en ventte deze in de straten van Maastricht. Onderwijl zette hij de mondelinge propaganda onverflauwd voort. Een afdeeling van den Sociaal-Democratischen Bond was te Maastricht weldra in wezen en werd gevolgd door eene te Roermond. Zalen waren natuurlijk niet beschikbaar, zoodat men zich voorzien moest van een eigen huis, waarin een zaaltje gemaakt werd en dat ook de drukkerij van "De Volkstribuun" herbergde; het was, als mijn geheugen mij niet bedriegt, gelegen in de Batterijstraat.
In den Sociaal-Democratischen Bond was het intusschen onrustig geworden. Het anarchisme had er, onder leiding van Domela Nieuwenhuis, zijn intrede gedaan en woekerde er voort. Er kwam verzet, vooral te Amsterdam, onder de geestelijke leiding van Van der Goes, die alras uitgeworpen werd, doch ook in Friesland, onder leiding van den kort te voeren ten tooneele verschenen Troelstra. Op het Congres van 1893 te Groningen kwam het tot een crisis. Daar besloot men tot het prijsgeven van alle politieke en parlementaire actie. Dit was voor sommigen aanleiding, om den intusschen in Socialistenbond herdoopte organisatie te verlaten. Anderen voegden zich weldra bij hen, o.a. Vliegen. Voor geen hunner was dat een aangenaam tijdperk, doch voor Vliegen wel het minst van allen. Het bracht hem, die voor zijn bestaan geheel afhankelijk was geweest van den Bond, in stoffelijk opzicht in een hachelijke positie, doch bovendien werd hij het mikpunt van de aanvallen de leiders van dien Bond, die geen middel ontzagen om hem in discrediet te brengen. Het was een zware tijd voor den Limburgschen propagandist. Doch hij wankelde niet in zijn trouw aan de beginselen, welke hij tien jaren te voren tot de zijne had gemaakt. Weldra ontstond het overleg tusschen de uit den ouden Bond getredenen, hetwelk leidde tot het plan van het vormen eener nieuwe sociaaldemocratische partijorganisatie. Aan Vliegen werd opgedragen de circulaire op te stellen, door welke geestverwanten opgeroepen werden tot eene vergadering, alwaar getracht zou worden eene nieuwe partij in het leven te roepen. Dit stuk is het befaamde manifest der Twaalf Apostelen.
De genesis had plaats op 26 Augustus 1894, te Zwolle. Vliegen presideerde de vergadering en onzer zijne leiding werd aldaar de Social-Democratische Arbeiderspartij gesticht, in welker Partijbestuur hij onmiddellijk gekozen werd. Utrecht werd de zetel der Partij, doch Vliegen bleef te Maastricht gevestigd als propagandist en redacteur-uitgever van "De Volkstribuun", welken titel hij, volgens Domela Nieuwenhuis c.s. "gestolen" had.
Het was er voor hem niet gemakkerlijker op geworden. Het was en bleef een onafgebroken tobben om het blad en zich zelf boven water te houden. Ik kwam in die dagen nogal eens te Maastricht (o.a. in verband met de werkstakingen van de arbeiders in Regout's glasfabrieken in 1894 en 1895, van welke vooral de laatste van langen duur en grooten omvang was en een zeer verbitterd karakter droeg, een episode in den klassenstrijd, zooals Limburg nog nimmer had aanschouwd) en meermalen was ik er de gast van Vliegen en zijne vrouw. Daar woonde het gezin in een van de kille, holle, vele huurders herbergende on-Nederlandsche huizen, van de soort als er in de Belgische en Duitsche industrie-gebieden tallooze zijn, in een paar ongezellige, uiterst sober gemeubileerde kamers, gespeend van alles dat op comfort gelijkt en daar verrichtte hij zijn journalistiek en ander werk - een milieu, waarmede thans geen enkele stedelijke arbeider genoegen zou nemen en zooals zelfs toen in het eigenlijke Holland onbekend was. Doch het deerde Vliegen niet. Met opgewektheid vervulde hij zijn taak en meer dan eens was ik er getuige van, hoe hij, na een dag vol zwaren arbeid en na tot besluit een redevoering te hebben gehouden, des avonds met zijn vrouw in het zaaltje in de Batterijstraat zat, te midden der Maastrichtsche getrouwen, en er uren achtereen met groote geestdrift, zichtbaar ontroerd en daardoor ontroerend, het eene lied na het andere uit de Socialistische Liederenbundels zong, van elk lied alle coupletten, De Tyrannie, De Vrouwen der Commune, Marianne en andere revilutionaire sentimentaliteiten. Vliegen, overigens de bescheidenheid zelve, had nogal wat dunk van zijne muzikaal-vocale prestaties; doch op dit stuk heb ik hem nu juist nooit bijzonder kunnen bewonderen. (Het is een bekend feit, dat vele bekwame menschen heelemaal niet prat gaan op hetgeen zij voortreffelijk kunnen, doch zich bijster druk maken om het een of ander, waarin zij knutselende dilettanten zijn.) Maar zijn voordracht gloeide van liefde
voor het gezongene en het bezongene; hoe hij met lijf en ziel verknocht was aan het socialisme, dat klonk en trilde er in en maakte haar tot schoonheid.
Tot 1897 bleef Vliegen zijn taak te Maastricht vervullen. In dat jaar besloot het Partijbestuur der inmmiddels niet onaardig gegroeide S.D.A.P., die reeds twee vertegenwoordigers in het Parlement had weten te plaatsen, tot het uitgeven van een partij-orgaan, dat "De Sociaal-Democraat" heeten en te Rotterdam verschijnen zou. Vliegen werd benoemd tot hoofd-redacteur en dientengevolge verhuisde hij in September van de echte naar de zoogenaamde Maasstad. Bovendien werd hij tot voorzitter van het Partijbestuur benoemd. Twee jaren vervulde hij deze ambten, terwijl hij ook een werkzaam aandeel had in de mondelinge propaganda. Doch in 1899 trok hij er zich uit terug en ging zich vestigen te Parijs, waar hij ongeveer twee jaar lang werkzaam was voor "Het Volk" (in de eerste maanden van 1900 voorbereid en verschenen), en als correspondent van de "Leipziger Volkszeitung" en de "Hamburger-Democratische Partij en van welke vooral het eerstgenoemde in die dagen grooten invloed had, ook in internationaal opzicht.
In September 1901 keerde hij naar Nederland terug en vestigde zich te Amsterdam. Van toen af ontwikkelde hij groote en veelzijdige werkkracht. In Maart 1902 werd hij, onder Troelstra's hoofdredactie, benoemd tot redacteur van "Het Volk"; hij had de rubriek buitenland te verzorgen. Hij bleef daarnevens ijverig propagandist, publiceerde ook ander werk van agitatorischen en wetenschappelijken aard en was in 1903 lid van het Comité van Verweer tegen Kuyper's stakingswetten. In 1906 werd hem weder een plaats in het Partijbestuur verschaft, van welk college hij tevens voorzitter werd, hetgeen hij tot heden gebleven is. Na Troelstra's aftreden als hoofdredacteur kreeg de redactie van "Het Volk" een collectieven of "republikeinschen" vorm; Vliegen trad daarin als politiek redacteur op. In Juni van het zelfde jaar werd hij gekozen tot lid van den Gemeenteraad van Amsterdam, een jaar later tot lid van de Provinciale Staten van Noord-Nederland. Op 23 Juni 1909 zond het toenmalige Amsterdamsche Kiesdistrict IX hem, die reeds eenige malen cadidaat was geweest, o.a. te Hoogezand en te Zuidhorn, naar de Tweede Kamer.
In ons Lagerhuis werd hij spoedig een figuur van beteekenis, zooals hij het in den Raad van Amsterdam eveneens in korten tijd geworden was. Dit uitte zich ook hierin, dat men hem in September 1914 tot wethouder koos; de afdeeling Publieke Werken werd hem toevertrouwd, later verwisseld met die van Financiën en later weer met die van Onderwijs. Bij zijn optreden als wethouder trok hij zich uit de redactie van "Het Volk" terug, want tegen de combinatie Kamerlid-Wethouder-Redacteur waren zelfs de vlijt en de werkkracht van een Vliegen niet opgewassen. Doch op den duur bleken ook het lidmaatschap van de Kamer en het wethouderschap niet vereenigbaar. Voor de keuze gesteld, belsoot hij het eerstgenoemde op te offeren, hetgeen in September 1915 geschiedde. Zeer lang zou hij echter niet buiten de parlementaire sfeer blijven, want in October 1917 zonden de Staten van Noord-Holland hem naar de Eerste Kamer. Doch het was slechts voor een overgangstijdperk. Want bij de algemeene verkiezingen van 1922 werd hij weder tot lid van de Tweede Kamer gekozen, ditmaal voor den kieskring, tot welke zijn geboorteland, Limburg, behoort. Opnieuw stond hij voor de keuze tusschen het wethouderschap en het lidmaatschap van de Kamer. Hij koos thans het laatste en gaf in Januari 1923 zijn wethouderszetel prijs.
Nevens al het voorafgaande behoort hier nog vermeld te worden, dat Vliegen in 1889 den toenmaligen Sociaal-Democratischen Bond vertegenwoordigde op het Internationaal Socialistisch en Vakvereenigings-Congres te Parijs (het eerste, dat na den ondergang van de Internationale van 1864 gehouden en waar de 1 Mei-viering ingesteld werd). Op het daarop gevolgde Congres van 1891 te Brussel vertegenwoordigde hij de Nederlandsche Typografen; op het derde Congres, in 1893 te Zürich gehouden, was hij weer voor den Sociaal-Democratischen Bond aanwezig. Daarna kwam de scheuring in onze socialistische beweging, zoodat Vliegen op het Congres te Londen, in 1896, een van de afgevaardigden der S.D.A.P. was, evenals in 1900 te Parijs (waar het Internationaal Socialistisch Bureau ingesteld werd), in 1904 te Amsterdam, in 1907 te Stuttgart, in 1910 te Kopenhagen, in 1920 te Genève en in 1923 te Hamburg. Daarnevens zijn dan nog te boekstaven allerlei andere internationale bemoeiingen, o.a. gedurende het oorlogs-tijdperk, te veel en te veelsoortig om hier op te sommen.
Vliegen heeft ook, afgezien van zijn langdurigen journalistieken arbeid, vrij veel geschreven. Reeds in zijn eersten Maastrichtschen propaganda-tijd waagde hij zich op het gebied der schoone letteren. Er verschenen toen van zijn hand eenige verhalen uit het Maastrichtsche volksleven. Ronduit gezegd: veel zaaks was het niet; de schrijver zelf zal ook wel ingezien hebben, dat hij voor zulk werk niet in den wieg gelegd was; want het is bij deze eerste producten gebleven. Hij gaf verder in het licht een bundel opstellen en schetsen, getiteld "Klanken van Strijd", het groote geschiedkundige werk "De Dageraad der Volksbevrijding" en een bewerking van Robert Blatchford's "Merry England" (van hetwelk ik reeds vele jaren te voren eene vertaling bezorgd had), zóó dat Nederlandsche in stede van Engelsche toestanden, verhoudingen en cijfers er in verwerkt waren, getiteld "Gelukkig Holland". Voorts zijn er ettelijke kleine geschriften en monografiën, handelende over financiëele politiek, algemeen kiesrecht, staatspensionneering, koloniale politiek, gemeente-politiek en vele andere onderwerpen; en eindelijk dit boek, hetwelk, zooals gehoopt mag worden, niet het laatste van Vliegen's hand zijn zal.
Als spreker is Vliegen geen "constante waarde", voor zoo ver het vorm en voordracht betreft. Uit de vele redevoeringen, die ik van hem hoorde in en buiten het Parlement, in congressen en bijeenkomsten, in groote en kleine propaganda-vergaderingen, heb ik den indruk gekregen, dat deze schijnbaar steeds zoo rustige en bezonnen mensch vaak sterk beïnvloed wordt door aandoeningen en gemoedsgesteldheden. Nu eens is zijn voordracht mat en komen de volzinnen moeilijk, zoodat er weinig of geen contact is tusschen den spreker en zijn gehoor; doch gewoonlijk wordt dit met den loop van het betoog beter. Op andere tijden is zijn redevoering van begin tot einde boeiend van inhoud en fraai van uitingsvorm; meermalen rijst zij tot de hoogte van echte welsprekendheid en dan vormt zelfs het min of meer zangerige van het accent, dat een Limburger nooit schijnt kwijt te raken en hetwelk een Hollander, Fries of Groninger wel eens wat raar in de ooren klinkt, een element, dat tot de schoonheid van de voordracht medewerkt. Doch in welke stemming en op welke wijze Vliegen ook spreekt, de inhoud van hetgeen hij zegt heeft altijd beteekenis, zijn betoog is immer zin- en leerrijk, getuigt steeds van kennis, zelfstandig denken en bezonnenheid - om een gangbare uitdrukking te bezigen: Vliegen heeft altijd iets te zeggen. En daarbij heeft hij de eigenschap, die in mijne oogen een deugd is, van nimmer te jagen naar uiterlijk succes, naar handgeklap op het einde van eene strofe en zich niet te bedienen van te voren beraamde "gijntjes" en woordspelingen, om lachen te verwekken. Het is hem te doen om het verwekken van een blijvende indruk van ernstig karakter. Hij wil een leider en leeraar zijn, niet een zwijmelaar in op goedkoope wijze verkregen toejuichingen. Hij verstaat het, moeilijke vraagstukken en stellingen duidelijk en begrijpelijk te maken en heeft het ver gebracht in de kunst van het bezigen van cijfers en van statische gegevens, zonder dat het den toehoorders groen en geel voor de oogen wordt.
Vliegen is, ik zeide het reeds, in zijn diepste wezen een voor aandoeningen zeer vatbaar mensch en kan het zich zeer zwaar aantrekken als hij gehoond en gegriefd wordt - hetgeen hem in zijn leven maar al te vaak overkomen is. Als ik dit schrijf, denk ik, bij voorbeeld, aan de vergaderingen van de beide Paaschnachten in het gebouw van den A.N.D.B., na het mislukken van de algemeene werkstaking van April 1903. Vliegen was in het geheel geen voorstander van die staking geweest, doch had niettemin het lidmaatschap van het Comité van Verweer aanvaard, toen het Partijbestuur hem daartoe aangewezen had. De op grond van allerlei opzettelijk of onopzettelijk verkeerde of onvolledige, uit alle deelen des lands afkomstige berichten omtrent de revolutionaire gezindheid der arbeiders geproclameerde werkstaking, die op geen stukken na algemeen was, stortte na het aannemen van Kuyper's stakingswetten snel ineen. Syndicalisten en anarchisten brulden, dat de arbeiders verraden waren door het Comité van Verweer, bijzonderlijk door Oudegeest en Vliegen. Dat zou in de genoemde nachtvergaderingen uitgevochten worden. Domela Nieuwenhuis, Van Emmenes, Van Ersel, Kolthek en hunne aanhangers gingen op ontzettende wijze te keer - zij dachten nu de S.D.A.P. en de niet bij het N.A.S. aangesloten vakbonden te kunnen verpletteren en zagen derhalve tegen geen enkel middel, om daartoe te geraken, op - vooral tegen Oudegeest en niet het minst tegen Vliegen, die tot mikpunt van de ongehoordste gemeenheden werd gemaakt. Toen de eerste der beide vergaderingen, die tot het krieken van den dag geduurd had, afgeloopen was en de tierende bende het Bondsgebouw verlaten had, kwamen de achtergebleven partijgenooten in een naast de vergaderzaal gelegen vertrek bijeen, om den toestand te bespreken en daar viel Vliegen in een stoel en barstte, het hoofd gebogen op de tafel, in hevige snikken, die zich scheurden uit het gebeukte gemoed van den man, die zijn zwaren plicht volvoerd en dien men met de waanzinnigste beschuldigen,
de laaghartigste aanvallen, de tergendste beleedigingen overstelpt had. Ontstellend was het schouwspel, dat te zien gaf welk een emotioneele ziel er huisde in dezen schijnbaar kalmen, nuchteren en alle quasi-revolutionnaire romantiek schuwenden mensch.
Trouwens, wie de kunst van waarnemen en luisteren verstaat, zal, als ik, menigmaal getroffen en ontroerd zijn geworden door de wijze waarop Vliegen het leed van het proletariaat kon schilderen. Dan trilde de stem, dan vlamde het woord, dan laaide de verontwaardiging op, echt, zuiver, ongekunsteld, doorleefd, zóó dat zelfs de koelste toehoorder niet ontkwam aan den sterken indruk, dat de spreker sprak zooals hij spreken moest en niet anders spreken kon.
"Nun sang er, wie er musst';
Und wie er musst', so konnt' er's."
Zoo standvastig als Vliegen steeds is geweest in zijn trouw aan de klasse, tot welke hij behoort en aan de beginselen der sociaaldemocratie, zoo standvastig was hij ook in zijne inzichten en opvattingen binnen de beweging. In de jaren van de zgn. Marxistische fronde tegen het "reformisme" was hij een der betrekkelijk weinigen, die inzagen waar het met de Partij en de beweging heen zou gaan, indien de toen "Marxistisch" genoemde richting ingeslagen zou worden; en onder dezen was hij de meest beginselvaste, de onwrikbaarste. Bij hem geen aarzelen en geen weifelen, geen spoor van transigeeren. Aan Vliegen's vaste overtuiging, vasten wil en vaste leiding is het wellicht het meest te danken, dat de ziekte uitgebannen en het lichaam der Partij gezond en levenskrachtig werd. Aan hem vooral is het te danken, dat velen in de Partij, die toen "Marxisten" waren - ik onder hen - behoed werden voor verdwazing en thans de S.D.A.P., de arbeidersklasse, in allerlei ambten dienen. Zijn kennis, zijn inzicht, zijn opvatting, zijn beleid zegevierden. Hij wees den weg. Hij hield het roer stevig vast, zoodat het schip, dat wij bevaren, niet te pletter liep op de rotsen, doch ongedeerd en krachtig zijn vaart voortzet naar de veilige haven.
Zóó staat daar nu vóór ons het beeld van den schrijver van dit boek - het beeld van een mensch met een zachte ziel, een voor aandoeningen zeer vatbaar gemoed, met rijpe en veelzijdige kennis, met onwrikbare overtuiging en onbuigzamen wil, het beeld van den bekwamen vertolker van het streven van het proletariaat, van den begaafden spreker en schrijver, den rijpen parlementariër, den onbevangen denker, den onbevreesden, geduchten strijder voor al dat goed en schoon is, voor de bevrijding der menschheid uit den greep van het kapitalisme bovenal.
Zoo moge het nog lang staan in de geslachten der levenden.
Zoo zal het blijven staan in de annalen van den vrijheidsstrijd van het proletariaat. |
| Laren, October 1924. |
Henri Polak. |
webdesign & copyright © 2003-2005 Eveline |
→ |
↑ |
|