Gedenkboek [deel I]

 gedenkboek  Inhoud deel I  Overzicht S.D.A.P.

Inhoud
Start
J. Oudegeest Jan Oudegeest

In de woelige dagen van 1903 lieten de christelijke demagogen, die tegen de arbeidersbeweging ophitsen, de kinderen zingen:

Weg met koning Oudegeest,
Te lang reeds is hij vorst geweest!
   Zijn naam was op aller lippen. Hij werd door de bourgeoispers voorgesteld als de demon, de kwade geest, die het spoorwegpersoneel tot revolutionaire gedragingen opstookte. Op hem vloekte het reizigerspubliek dat te vergeefs op treinen stond te wachten, hij werd door Dr. Kuyper voorgesteld als de man die in zijn hoofd had de staatsmacht lam te slaan, de koningin van haar macht en glorie te berooven, ja het land machteloos aan den buitenlandschen vijand over te leveren.
   Over 't algemeen wischte de tijd vrij snel de sporen van 1903 uit, de vergetelheid spreidde over een en ander een zachter oordeel. Maar de haat tegen Oudegeest heeft nog lang nagewerkt. Zoodra zijn naam hier of daar genoemd werd, werd alles weer opgerakeld. Tien jaar later nog, in 1913, toen hij de Kamer-kandidaat der partij was bij een na-verkiezing in het oogenschijnlijk vaste distrikt Amsterdam III, wist men de oude haat weer op te poken en liep alles te hoop om hem uit het parlement te weren. En het gelukte.
   Wat heeft men dezen eenvoudigen, rustigen, doodnuchteren en heelemaal niet heethoofdigen Jan weinig begrepen en weinig gekend!
   Het was hoofdzakelijk aan zijn tusschenkomst te danken dat de staking van 31 Januari zoo spoedig een goed georganiseerd einde nam en het was totaal zijns ondanks datt in April de politieke staking uitbrak. Hij heeft toen de fout begaan - indien het dan een fout was - die alle S.D.A.P.-ers begingen, om, hoewel tegenstander van de staking, de gelederen niet te willen verlaten, ook al ging men een nederlaag te gemoet. Slachtoffer, als men wil, van overdreven solidariteitsgevoel, maar een bewust slahctoffer, wetend wat hem wachtte, maar trouwe, ook bij tegenspoed, ja bij tegenspoed vooral!
   Natuurlijk heeft men zijn toekomst toch niet kunen breken. Velen die in 1903 plotseling een rol kwamen spelen, waren dra vergeten, hadden niet de kracht om weer op te bouwen wat toen ineengestort was. Maar Oudegeest was van ander hout. Hij is gebleven en heeft ten slotte vertrouwensposten gekregen als maar voor weinigen zijn weggelegd.
   Een korte levensschets moge hier een plaats vinden.
   Geboren 5 Augustus 1870 te Utrecht uit een ouderpaar, tot den arbeidersstand behoorend, vreloor hij zijn vader, een wagenmaker, reeds op 3-jarigen leeftijd. De moeder moest voor zich en haar 3 kinderen met wasschen en strijken het brood verdienen. Dat er weinig op was, ligt voor de hand. Jan, genoot dus geen ander dan lager onderwijs en was nog geen 12 jaar, toen hij als volontair bij de administratie der Staatsspoorwegen een plaatsje kreeg. Op 15-jargen leeftijd deed hij examen als surnumerair en op 16-jarigen leeftijd als klerk. Als zoodanig later aangesteld, bleef hij bij de S.S. tot in 1903, toen hij, vóór de tweede staking uitbrak, zijn ontslag nam, ten einde zijb geheel te wijden aan de organisatie van het spoorwegpersoneel, die toen met ontreddering bedreigd werd.
   De opvoeding was streng christelijk, ook het onderwijs. Op 14-jarigen leeftijd deed hij druk mede aan de verspreiding van traktaatjes en gaf al onderwijs op een Zondagsschool in een volkswijk, waar hij getroffen werd door de groote ellende en verwaarloozing van de arbeidersjeugd. Op 15-jarigen leeftijd werd hij lid van een christelijke jongelingsvereeniging, die tot de doleerende Calvinistische richting behoorde. Heel soedig werd hij in het bestuur gekozen en hield lezingen in verschillende onder-afdeelingen.
   In 1892, dus op 22-jarigen leeftijd, werd hij lid van de afdeeling Utrecht van de Nederlandsche Vereeniging van Spoorwegambtenaren, een vereeniging die niets wilde weten van het strijdstandpunt der in die dagen bestaande Spoorwegvereeniging S.V. Toen de S.V. door de overwoekringen der anarchistische elementen in verval geraakte, waardoor alle vereenigingsleven onder het lagere spoorwegpersoneel weer te niet ging, was het Oudegeest, met Harms en Dijkstra en enkele anderen, die poogden om de Nederlandsche Vereeniging van Spoorwegambtenaren om te zetten in een algemeene vakvereeniging voor het geheele spoorwegpersoneel. In 1896 werd een propaganda-kommissie uit het hoofdbestuur gevormd om in die richting werkzaam te zijn.
   In dienzelfden tijd was Troelstra in Utrecht en had onder de jonge spoorwegambtenaren nogal aanhang gevonden. Deze zelfde jonge ambtenaren hielpem Oudegeest in zijn pogingen tot omzetting der Ambtenaren-vereeniging. In 1898 kreeg men zoodoende de meerderheid in die vereeniging, de oudere leiders trokken er uit. Oudegeest werd voorzitter van het hoofdbestuur en redakteur van het maandblad der vereeniging. Intusschen was de S.V. opgeheven en het terrein dus vrij.
   In hetzelfde jaar werd Oudegeest door het personeel der Staatsspoorwegen gekozen als lid van de Kommissie van Beheer van het pensioenfonds, tegenover een der hoogere ambtenaren der maatschappij. Dat was nog nooit gebeurd. Tot dan toe was dat beheer een monopolie der hoogere ambtenaren geweest. Oudegeest werd bij een der direktieleden geroepen die hem de vraag stelde hoe hij zijn nieuwe funktie zou opvatten, met de bijvoeging: "het spreekt van zelf dat uw antwoord van invloed zou kunnen zijn op uw promotie". Het antwoord was dat hij, indien zich mocht voordoen dat de belangen van maatschappij en personeel in een bepaald geval tegenover elkaar zouden staan, hij als gekozene door en dus vertegenwoordiger van het personeel, natuurlijk daarnaar moest handelen.
   Met de promotie was het toen inderdaad mis. Hij was en bleef klerk.
   In 1901 werd hij met ontslag gedreigd, omdat schaper in de Kamer, bij de behandeling van de Ongevallenwet, gegevens gebruikte die hij van Oudegeest gekregen had en dat mededeelde. Maar het kwam er nog niet van, omdat men blijkbaar liever geen martelaren maakte, en een ontslag van Oudegeest, die in Utrecht al een bekende openbare persoonlijkheid was, een sensatie zou hebben verwekt, die men liefst maar vermijden wilde.
   Want in 1896 was Oudegeest lid van de S.D.A.P. geworden, na een paar jaar van aarzeling, wijl de christelijke opvattingen hem nog in den weg stonden. Enkele maanden na zijn toetreden, Troelstra was nog in Utrecht, was Oudegeest al voorzitter van de afdeeling. In 1897, hij was toen 26 jaar, was hij al kandidaat voor den gemeenteraad. Toen lukte het nog niet. Maar in 1899, bij een tusschentijdsche verkiezing, lukte het wel, en trad hij als eerste sociaaldemokraat den Utrechtschen gemeenteraad in.
   De geschiedenis van deze kandidatuur was eigenaardig genoeg. De liberale kiesvereeniging wilde graag een werkmanskandidaat stellen en noodigde Oudegeest uit om op een vergadering van die kiesvereeniging te verschijnen. De vergadering was druk bezocht. Hem werd toen de vraag gesteld: indien de liberale kiesvereeniging u kandideert en u wordt in den Raad gekozen, zult gij dan daar de liberale beginselen verdedigen? Het antwoord bracht nogal ontstentenis, want het was zeer beslist ontkennend, de gevraagde dacht er niet aan zijn sociaaldemokratische gezindheid onder stoelen of banken te steken. Het gevolg was nu wel dat de liberale kiesvereeniging hem niet kandidderde, maar de zaak maakte veel gerucht en de poging van de liberale heeren om een bekend sociaaldemokraat plechtig uit te noodigen in hun midden te verschijnen om hem daar af te vragen of hij bijgeval ook liberaal was, had nogal een belachelijken indruk gemaakt.
   De S.D.A.P.-ers togen als echte ijveraars voor Oudegeest aan het werk. Het liberale "Utrechtsch Dagblad" dat geijverd had voor een werkmanskandidatuur, bleef dat standpunt trouw en beval Oudegeest tegenover den liberalen kandidaat aan. Oudegeest werd lid van den Utrechtschen gemeenteraad. Hij moest al in 1899 aftreden. De afdeeling der partij stelde hem toen in alle vier distrikten, waarin Utrecht voor de Raadsverkiezingen verdeeld was en het merkwaardige feit deed zich vor dat hij in alle vier gekozen werd.
   Bij de Kamerverkiezingen van 1901 werd hij in Utrecht II gekandideerd en zat den liberalen Roëll al dicht op de hielen. Oudegeest kreeg 903, Roëll 1059 stemmen. Het was duidelijk dat bij den volgenden keer hij den liberaal een eind zou voorbijschieten.
   Maar nu kwam 1903.
   De spoorwegorganisatie was allesbehalve een eenheid. De categorische vereenigingen stonden onder leiding van "vrijen" en het uitbreken van de staking van 31 Januari geschiedde op het terrein van de Rietlanden wat door twee van die vereenigingen werd beheerscht. Maar ze greep dadelijk om zich heen en toen werd de door Oudegeest geleide Nederlandsche Vereeniging er in betrokken, en werd hij naar Amsterdam geroepen. Een der eerste dingen die hij toen wist te bewerken was dat de verschillende vereenigingen den Bond van Spoorwegpersoneel vormden en door zijn geestelijk overwicht was hij toen de voornaamste leider van het spoorwegpersoneel.
   In het vorig hoofdstuk is de rol die hij in de daarop volgende woelige dagen speelde, voldoende beschreven. Onberispelijk is die rol zeker niet geweest. De bedreiging met een tweede staking, indien de regeering het waagde wetteljke maatregelen voor te stellen tegen het recht van staking, was zeker een fout die hij niet had behoeven te maken. Een miskenning van de werkelijke machtsverhoudingen, die Dr. Kuyper een welkome gelegenheid schonk om als redder van de hoogheid van den Staat op te treden. Maar op zijn verdere houding zal weinig af te dingen zijn.
   Na de mislukking van de Aprilbeweging was Oudegeest een tijdlang zeker de meest gesmade man in het Nederlandsche publieke leven. De bourgeoispers overstelpte den overwonnene met ezelstrappen, de anarchisten raasden tegen hem met hun onzinnige verraad-beschuldigingen. Zijn betrekking had hij terwille van de organisatie moeten opgeven en de Nederlandsche Vereeniging lag, als alle andere spoorwegorganisaties, in duigen.
   Hij heeft toen de stukken bijeengebracht en de Vereeniging weer opgericht, met de weinige getrouwen die er nog waren, en hoewel natuurlijk deze organisatie in de eerste jaren niet de kracht had om tegenover de nu schier almachtige maatschappijen een macht te vormen, het was toch weer een begin. Het orgaan der Vereeniging, het "Weekblad voor het Spoorwegpersoneel" stond onder zijn uitstekende redaktie. Het spreekt wel van zelf dat Oudegeest, na de opgedane ervaringen, nu een van de hardnekkigste bekampers van het anarchistische syndikalisme in de vakbeweging was en dat hij krachtig deelnam aan de oprichting van het Nederlandshc Verbond van Vakvereenigingen, dat eindelijk tegenover het machtelooze N.A.S. ewrd geplaatst. Van dit N.V.V. werd Oudegeest als sekretaris de eerste bezoldigde bestuurder, waardoor hij feitelijk uittrad uit de beweging van het spoorwegpersoneel, en tegelijkertijd naar Amsterdam verhuisde.
   Toen Henri Polak in 1908 als voorzitter van het N.V.V. aftrad, volgde Oudegeest hen op. In deze funktie heeft hij toen een tiental jaren zijn krachten aan de Nederlandsche Vakbeweging gewijd, die onder den naam van "moderne vakbeweging" een steeds hooger vlucht nam.
   Na den oorlog bleek de vakbeweging der verschillende landen spoediger dan de socialistische partijen, in staat tot internationale aaneensluiting. Reeds in 1919 kwam het Internationaal Verbond van Vakvereenigingen (I.V.V.) tot stand en het is zeker voor een niet gering deel aan het voorhanden zijn van een paar goede krachten als Oudegeest en Fimmen te danken dat het Hoofdbestuur van deze Vakbewegings-Internationale te Amsterdam werd gevestigd.
   Toen het Internationaal Arbeidsbureau van den Volkenbond, krachtens het Vredestraktaat van Versailles, werd opgericht, nam Oudegeest als Nederlandsch gedelegeerde, aan die oprichting deel, en het pleit zeker vóór zijn beteekenis, dat hij tot vice-president van den "Conseil d' Administration" werd gekozen.
   Vermelding verdient nog zijn lidmaatschap van het bestuur van het Nationaal Steuncomité, dat in 1914, bij het uitbreken van den oorlog, werd gevormd, en van zoo groote beteekenis is geweest ter bestrijding van de ekonomische gevoljgen van den oorlog.
   Op het politieke terrein is zijn loopbaan verder niet meer, wat men noemt "hervorragend" geweest. Door het te hoop loopen van alle tegenstanders, zoodra een kandidatuur-Oudegeest te bestrijden viel, bleef hij nog lang buiten het parlement. Wel werd hij in 1907, als opvolger van P.L. Tak, door Amsterdam III tot lid van den gemeenteraad gekozen, maar toen hij in 1909 in Amsterdam II voor de Tweede Kamer in een herstmming stond die hij had moeten winnen, deed zich het verschijnsel van het te hoop loopen van alle tegenstanders weer voor en hij bleef tegenover den kerkelijken kandidaat in de minderheid. En, zooals reeds vermeld, zelfs in het vaste roode distrikt Amsterdam III herhaalde zich dit nog eens in 1913.
   Toen in 1918 de Evenredige Vertegenwoordiging was ingevoerd, plaatste de partij Oudegeest als No. 1 op haar kandidatenlijst voor Noord-Brabant en Zeeland en nu trad hij het Nederlandsche parlement binnen. Maar kort nadien werd hij secretaris van het I.V.V., wat wel nog geen eind maakte aan zijn Kamerlidmaatschap, maar feitelijk wel aan zijn werk als zoodanig. Want de nieuwe funktie nam hem in zulk een mate in beslag en bracht zooveel afwezigheid mede, dat hij bij de volgende verkiezingen van een nieuwe kandidatuur moest afzien.
   Als secretaris van het I.V.V. is Oudegeest thans een der voornaamste figuren in de Internationale Arbeidersbeweging geworden. Praktisch gesproken is hij de man die het doet. Fimmen bleek een te onevenwichtige natuur om van het hoogst moeilijke werk van het I.V.V. op den duur de reëele opvatting te kunnen volhouden en moest zijn funktie opgeven. Oudegeest heeft, zeker niet het minst door de onzachte ervaringen van heel zijn leven, die evenwichtigheid en het juiste begrip van wat kan en van wat niet kan, in groote mate. In het bestuur van het I.V.V. is hij in den regel de man die beseft hoe 't moet en zijn opvattingen weet te doen zegevieren. Hij is zeker ook een dergenen geweest die 't meest heeft bijgedragen tot het weder doen ineensmelten van de beide sociaaldemokratische Internationale organisaties, die van Londen en die van Weenen, welke zich na den oorlog hadden gevormd. De taktiek van het I.V.V. om te weigeren metéén dezer beide organisaties samen te werken, hoewel onbillijk tegenover de Londensche, die steeds bereid was tot samensmelting, terwijl Weenen weerbarstig bleef, heeft zeker de hereeniging, wel niet veroorzaakt, maar wèl bespoedigd. En de promotor van dat standpunt, was Oudegeest.
   Jammer genoeg, is Oudegeest, door deze belangrijke taak in de Internationale, uit de Nederlandsche beweging, praktisch gesproken, zoo goed als verdwenen. Zijn goede propagandistische kracht, maar vooral zijn bestuurstalenen, hadden haar zeker nog goede diensten kunnen bewijzen. Maar ook in deze geldt 't zwaarst moet wegen, wat 't zwaarst is.
   De direkteur van het Arbeidsbureau, Albert Thomas, heeft mij persoonlijk eens verzekerd dat Oudegeest, door zijn uitmuntende kennis van de verhoudingen in schier alle landen van Europa, tot de beste bestuurskrachten van dat Bureau behoort, en tegenover de tegenwerkende krachten een pal staand, maar tevens soepel en strategisch buitengewoon bekwaam element.
   De Nederlandsche arbeidersbeweging mag er trotsch op zijn, voor de Internationale deze goede kracht te hebben gekweekt en geleverd.


webdesign & copyright
© 2003-2005 Eveline