Na tien jaar


 Inhoud 10 jaar  Overzicht boeken
Inhoud
Start
UIT DE OUDE DOOS (1870-1872)

Waar ter wereld ik mij ook bevond, kreeg altijd een plaats dicht bij mijn schrijftagel een vuil geel cartonnetje, met het opschrift: "Internationaal Werklieden-Verbond" en waarop mijn bewijs van lidmaatschap is ingeschreven. Dat papiertje is nu al 33 jaar oud!....
Reeds op de Hoogere Burgerschool te Roermond voelde ik mij, ten gevolge van al het onrecht en de ellende die ik te zien kreeg, bezield door een onbestemd verlangen naar een schoone toekomstmaatschappij. Door een student der Polytechnische school te Aken had ik kennis gemaakt met de geschriften van Lassalle, en ik was meegesleept door den vurigen stijl van dezen grooten agitator. Later las ik De Egalité van Genève, l'Internationale van Brussel, en kocht ik de eerste uitgave van Karl Marx' Das Kapital, zonder er veel van te begrijpen. Het meeste heb ik echter geleerd uit het orgaan - door Liebknecht te Leipzich gedurende zijn ballingschap uitgegeven - Der Volksstaat. Bij toeval vernam ik te Delft het adres van een der leiders der Nederlandsche Internationale (30 Augustus 1869 opgericht), en door dezen Franschman, Charles Rodenbach (alias Monterossi), kwam ik in aanraking met den typograaf Michon, die mij verwees naar den kleermaker J.G. Ekhard. Aldus werd ik (September 1871) aangenomen in de sectie den Haag.
En weldra pronkte mijn studenten-kamer te Delft met de in groote, zware plakletters gedrukte spreuken: "Proletariërs aller landen, vereenigt U!".... "Geen rechten zonder plichten, geen plichten zonder rechten!".... en de "Vrijmaking der arbeiders behoort hun zelven toe." In het Studenten-Weekblad schreef ik een aansporing tot deelname aan deze wereldbeweging, en 9 studenten traden toe. Echter niet voor lang, want na een onderhandsche "waarschuwing" van Minister Jolles, namen er 7 hun ontslag, werkte de achtste niet meer mede, en bleef ik over "heelemaal alleen".... In de Vox Studiosorum had ik onder het pseudoniem Astora een uitvoerig dispuut over het socialisme met den lateren professor d'Aulnis de Bourouil, en nòg verschillen wij hemelsbreed van elkander.
De Toekomst van Victor Dave en Speyer-Klerk was, met de democratische Rotterdamsche Lantaarn van den ouden van der Voo, mijn dagelijksche lectuur, doch veel heb ik te danken aan de heldere studie "de Internationale en haar beoordeelaars" van den kleermaker H. Gerhard, dien ik een enkele maal ontmoette, en aan wien ik steeds met hooge achting blijk denken.
De vergaderingen onzer "sectie" bepaalden zich tot het bespreken van allerlei revolutionaire plannen; ja wij slepen reeds de bajonetten, en hadden Den Haag tot eiland bestemd om er een nieuwe stad volgens het stelsel van Fourier, te bouwen. Het eenige nuttige werk dat wij, op een zolderkamertje op "het Zieken" gezeten, hebben verricht, was het zorgvuldig opmaken van een arbeiders-budget, dat in De Werkman van 23 December 1871 is opgenomen. De Vrijheid van Rodenbach, waarvan Jac. Rademacher een verdienstelijk medewerker was, werd geregeld door ons besproken; het kanailje-lied van Hendrik van Offel te pas en te onpas gezongen, en menig woord van spijt over den val der Commune geuit.
Gedurende die gedenkwaardige dagen van 18 Maart tot 28 Mei 1871, verslond ik alle bladen, en ondanks alle laaghartige aanvallen der groote pers, was ik in mijn ziel overtuigd dat die Parijsche Commune het goede wilde, hoeveel er ook aan de uitvoering ontbrak. Dag en en nacht had ik rust noch duur, en eindelijk en de gevaren van den kamp te deelen. Doch nog vóór wij de Fransche grens hadden bereikt, werd de val van Parijs bekend, en vierde in die "bloedige Meiweek" de bourgeoisie haar orgieën. Met tranen in de oogen lazen wij het van Karl Marx: "De namen uwer martelaren zijn gegrift in het groote hart der arbeidende kalsse." En nooit kom ik te Parijs, of ik betaal nog altijd den tol van mijn eerbied aan de gevallenen op Père Lachaise. Doch de invloed der Internationale was gebroken; het Haagsche Congres van 2 tot 9 September 1872 gaf haar den genadestoot....
Nog zie ik ze voor mij, die talrijke vergadering in een onaanzienlijk gebouw van de Lombardstraat. Het publiek was woelig, opgehitst als het was door de pers, vooral door het Dagblad, dat sprak van "het bloed dat er werd geroken aan de handen der Commune-mannen". En dat waren mannen als Arnaud, Dereure, Leo Fränkel, Longuet, Ranvier, Vaillant; helden die ter nauwernood aan den dood waren ontsnapt. In die dagen maakte ik kennis met Johann Philip Becker, Fr. Engels, Brismée en anderen, met wie ik in aanraking bleef zoo lang zij leefden. In het hôtel De Zeven Kerken van Rome logeerde ik te gelijk met Karl Marx, zijn vrouw en twee dochters, benevens Lafargue, en diende hun nu eens als tolk, dan weer als gids; doch later, - hoe tragisch was het einde dier toenmaals zoo lachzieke Eleonora! Op het Congres zelf werd, grootendeels niet openbaar, de nog altijddurende strijd tusschen anarachisme en socialisme gestreden; en ontstonden er twisten tusschen "heeren-" en "arbeiders-socialisten". Vaillant verdedigde er den politieken strijd tegen de alleen-heerschappij der economische actie, nog altijd niet uitgevochten; en de forsche Désiré Brismée, met zijn langen baard, uitte de woorden: "pour avoir une omelette, ik faut casser des oeufs!" na dien nog zoo dikwijls gehoord! Doch de eenmaal zoo gevreesde Internationale verdween na een kortstondige schijnbestaan te New-York; zij ging aan innerlijke verdeeldheid te gronde, om eerst 28 jaren later op het Congres te Parijs te herleven. Ik stond aldus aan het sterfbed der eerste en bij de wieg der herrezen wereld-federatie der arbeidende klasse.
De Haagsche sectie ging te gronde; een manifest in Mei 1873 tegen de voortzetting van den Atjeh-oorlog, was het eenige teeken van leven der flinkste afdeeling Amsterdam; doch dat was alles: de reuzeboom was geknakt; Maar zijn zaad was aan de winden overgeleverd, die het naar alle oorden verspreidden.
Het meeste kwam terecht op dorre, onvruchtbare rotsen, doch een enkel zaadje viel in goede aarde, ontkiemde en wies op; en onder de schaduw van nieuw boomgewas stroomen steeds grooter drommen van arbeiders bijeen, om te spreken van nieuwen strijd, en zich voor te bereiden op de onafwendbare zegepraal van de sociaal-democratie. En daaraan heb ik in al die jaren geen oogenblik getwijfeld.
PRINSENHAGE, 15 MEI 1904. H. VAN KOL


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline