Na tien jaar


 Inhoud 10 jaar  Overzicht boeken
Inhoud
Start
PERSOONLIJKE HERINNERINGEN UIT DEN GEBOORTETIJD DER S.D.A.P.


Iets zeer persoonlijks mag 't wezen, vertelde mij de samensteller van dit werkje, iets waarbij je desnoods je would-be bescheidenheid in den zak mag houden en veel over je zelf praat.
Ik weet nog niet wat ik doen zal. Wij sociaal-democraten hebben in hooge mate geleerd onze persoonaadjes weg te duiken in de groote beweging. Wij zijn in zóó groote mate stukken geworden van het groote geheel, dat het eigen ik op den achtergrond blijft staan als een jongen die voor 't eerst om werk gaat vragen en door zijn begeleider naar voren geschoven of door wie hem ontvangt naar voren gelokt moet worden.
Maar dan lukt het ook vaak hem los te doen komen en doet hij wel eens heel goed zijn woord.
't Kan best dat mij dat ook lukken gaat.
Een der merkwaardigheden van de scheuring van 1894, een merkwaardigheidl die waarschijnlijk door slechts enkelen onzer is gevoeld, ik noem Fortuijn, Helsdingen, Schaper, is dat ze zoo verbazend plotseling kwam. Dat klinkt v.d. Goes, die een paar jaar in den kijktoren had gestaan om te zien of er nog niets kwam, misschien zonderling in de ooren. Hij zag de groote verschilpunten tusschen de sociaaldemocratie zooals ze zijn moest en de sociaaldmeocratie zooals ze in Nederland was, en hij moet in een zekre angstige spanning de wording der nieuwe beweging hebben gadegeslagen. Hij zag de teekenen van ontbinding der oude, wij wilden ze niet zien.
In Augustus 1893 was ik nog met Nieuwenhuis en Cornelissen te Zürich als afgevaardigde van den Soc. Dem. Bond. Op dat oogenblik was de persoonlijke verhouding tusschen hem en mij juist op haar allerbeste. Ik vocht met hem mede tegen de meerderheid van het Züricher kongres.
Maar....
Als ik mij goed rekenschap geef van het gebeurde en ik vraag me af: wanneer heb je voor 't eerst de mogelijkheid gevoeld dat 't tusschen jelui mis zou kunnen loopen, dan zeg ik: te Zürich.
Bij het behandelen der verschillende voorstellen in de Hollandsche delegatievergadering, deed zich tusschen Nieuwenhuis en mij vaak verschil van meening voor in dezer voege dat ik aan de hervormingen waarvan sprake was: algemeen kiesrecht, referendum, achturendag, enz. meer waarde hechtte dan hij. Zeer levendig was o.a. de diskussie over den achturendag waarvoor hij niets, ik enorm veel, voelde.
Het feit dat ten slotte ik en niet Nieuwenhuis zelf op dat kongres in zake het parlementarisme namens de Hollandsche delegatie sprak, was het gevolg van een diskussie in onze delegatie, sekuriteitshalve gehouden enkel onder ons drieën, waarbij Cornelissen zich ten slotte aansloot bij mij, die wèl en Nieuwenhuis die niet aan verkiezingen wilde deelnemen.
Er was te Zürich nog meer gebeurd. Tegelijk met het Internationale sociaaldemokratische kongres, des avonds, werd ook een kongres van revolutionnaire socialisten en anarchisten gehouden. De eerste zitting daarvan woonde ik toen bij, de verdere niet meer. Nieuwenhuis en Cornelissen waren er trouw, ik bleef er even trouw weg. Ik zeg niet dat ik dat uit volle bewustheid deed, ik voelde dat ik daar niet moest wezen, en het schelden op Bebel, Liebknecht en de andere mannen der sociaaldemocratie en vooral de idiote bijval die de lafste scheldwoorden vonden, stonden mij tegen. Er werd een openbare propagandavergadering belegd, waar ook Nieuwenhuis sprak, ik ging er niet heen. Verder kon ik het nog niet brengen, maar ik herinner mij juist op een dezer avonden mij duidelijk rekenschap te hebben gegeven van de toekomst. Ik was naar het anarchistisch kongres gegaan, ten einde daar Nieuwenhuis en Cornelissen te vinden, om samen naar huis te gaan. De zitting was nog aan den gang en ik woonde er een deel van bij. Een Engelschman, een kleermaker, ik meen, dat hij Mowbray heette, was aan 't woord en ging als een gek te keer tegen de "officieelen" van het sociaaldemokratisch kongres. Hij stak den draak met de politieke aktie, sprak op een zeker oogenblik van "Singer and his puddles", en schold als een vischwijf op al de deelnemers aan het "officieele" kongres.
Het gezwets van dien kerel had mij misschien koud gelaten, maar de houding van Nieuwenhuis en Cornelissen, die de grootste pret hadden en hard klapten om dien laffen nonsens, ergerde mij, en ik vertrok weer zonder dat zij mij gezien hadden. Bij het naar huis gaan door de stille nachtelijke straten werd het mij helder, dat toch eigenlijk een groot verschil van inzicht ons scheidde en één ding stond toen reeds bij mij vast: aan verwerping van de politieke aktie zou ik niet meedoen. Men mocht het gebruikmaken van het stembiljet in waarde verkleinen, ik vond ook wel dat er meer nadruk moest worden gelegd op het revolutionaire karakter en was een oprecht voorstander van de gewelddadige taktiek, maar in het wegwerpen der politieke aktie zag ik de overschrijving der grens tusschen sociaaldemokratie en anarchisme. Ik geloof te mogen zeggen, dat ik op dit stuk in 't geheel geen oude plunje heb, eene aan het algemeen kiesrecht vijandige frase zal men niet vinden bij al wat ik ooit schreef.
Nieuwenhuis zelf bemerkte mijn niet-geheel-met-hem-meegaan heel goed en toen wij na het kongres met z'n drieën een kort plezierreisje maakten, om iets meer van Zwitserland te zien Zürich, waarbij het natuurlijk wel eens tot een debatje kwam, zei Cornelissen, dat ik toch eigenlijk een parlementair was, in elk geval het meer van Van Kol eens was dan met Nieuwenhuis. Ik ontkende dat niet, doch zeide niet naast Van Kol te staan omdat hij verdeeldheid bracht in de partij.
Enfin, uit die dagen dateert mijn bewustzijn, dat er tusschen Domela Nieuwenhuis' en mijne inzichten, een klove gaapte.

Op de agenda van het kongres der Soc. Dem. Bond van 1893 stond van de afdeeling Maastricht het volgende voorstel:
"Overwegende dat de socialistische partij op elk gebied haren strijd moet voeren, die ten doel heeft de ekonomische bevrijding van het proletariaat; overwegende, dat het deelnemen aan verkiezingen als propagandamiddel; het zenden van afgevaardigden als zaak-gelastigden der partij en het ingrijpen in de wetgeving, mits strenge handhaving der socialistische beginselen, onze strijdkrachten zullen versterken en die der bourgeoisie zullen verzwakken, besluit het kongres voorloopig ook op politiek terrein den klassenstrijd te voeren en door het veroveren van een deel der staatsmacht, de socialie revolutie te bevorderen."

De toelichting tot dit voorstel luidde:
"Deze gewichtige vraag van taktiek welke tot veel strijd aanleiding gaf, moet eindelijk eens rondweg besproken worden. Vele vermeende verschillen zullen dan verdwijnen.
Het strijdprogram werd reeds een vol jaar uitgesteld, en een behandeling daarvan is niet wel mogelijk, indien niet vooraf bovenstaande beginselen zijn besproken.
Lang vóór de aanstaande uitbreiding van het kiesrecht wet is geworden, moeten alle voorbereidingen getroffen zijn. Ook aan de thans bij verkiezingen heerschende verwarring en willekeur moet een einde worden gemaakt.
Indien wij in werkelijkheid eene handelende partij willen vormen, moeten wij weten wat wij zijn en wat wij willen; moeten wij hebben een afgerond program en een goed overwogen taktiek."

Dit voorstel werd door de afdeeling Maastricht op den beschrijvingsbrief gebracht, evenwel tegen mijn zin. Het was op de afdeelingsvergadering voorgesteld door Van Kol. Ik bestreed de plaatsing op den beschrijvingsbrief, erbij zeggende, dat ik het met den inhoud eens was. Ik kende de partij vrij goed en wist vrij zeker dat, als het kongres deze kwestie behandelen ging, de meerderheid niet op dit, maar op een precies tegenovergesteld voorstel zou worden verkregen. En dat beteekende de scheuring, die voor Van Kol niets afschrikwekkends had, maar voor mij een ware nachtmerrie was. De leden der afdeeling Maastricht oordeelden echter dat dit geen reden was om het voorstel niet op den beschrijvingsbrief te plaatsen, mijn argumenten, strekkende om de verschilpunten te vermoffelen ten einde de "eenheid" niet te verstoren, sloegen niet in, het voorstel Van Kol werd op den beschrijvingsbrief geplaatst.

Daar stond het alleen tusschen een zestal precies tegenovergestelde voorstellen, waaronder het bekende voorstel Hoogezand-Sappemeer, luidend:
"Het kongres besluite, onder geen voorwaarde hoegenaamd, ook niet als agitatiemiddel, mee te doen aan verkiezingen.
Toelichting: "Daar de ondervinding omrent het meedoen aan verkiezingen in enkele landen, geleerd heeft, dat het revolutionaire standpunt door dat meedoen op den achtergrond komt, zou het noodzakelijk wezen, zich hierover uit te spreken."

Het resultaat was zooals ik het voorzien had: de meerderheid was vóór het voorstel Hoogezand-Sappemeer. Die meerderheid was heel klein: 47 tegen 40 stemmen en 14 onthoudingen.
Ik had het kongres van 1893 niet kunnen bijwonen, wegens huiselijke omstandigheden en het viel mij eenigszins koud op het lijf toen ik van Pieters, die als afgevaardigde van Maastricht gegaan was, hoorde hoe het afgeloopen was.
Toen eenige dagen later de verschillende, toen nogal talrijke partijbladen kwamen, kreeg ik nog eenige hoop, dat er nog wel wat aan te doen zou zijn. De Wachter van Groninger, Vrijheid van Rotterdam, De Volksvriend van Zwolle, De Klok uit Wolvega, De Toekomst uit Middelburg, benevens De Volkstribuun die ik zelf redigeerde, betreurden allen het gevallen besluit, terwijl Recht voor Allen het lang neit vierkant verdedigde.
Na een paar weken ried het zelfs aan, bij referendum het voorstel-Hoogezand-Sappemeer weer te verwerpen. Het vierkant partijkiezen vóór de politieke aktie van Helsdingen en Schaper had Domela Nieuwenhuis nogal gefrappeerd/ Van mij wist hij het wel.
Men heeft het wel eens doen voorkomen alsof wij, Schaper, Helsdingen, Fortuijn en ik toen zoowat plotseling onzen draai hebben genomen, en Nieuwenhuis insinueerde op zijn gewone liefelijke manier over het geld van Van Kol. Ik heb een bewijs, dat dit ten mijnen opzichte onwaar is, in een brief waarin hij mij schrijft: "met het genomen besluit zult gij wel niet instemmen, doch de meerderheid wil dien weg op."
Maar, zooals gezegd, ook Recht voor Allen ried verwerping van het besluit tot geheel-onthouding bij de stembus, aan het referendum aan.
Evenwel, het hielp niet. Met 1300 tegen 900 stemmen werd het aangenomen. Nu was de kogel door de kerk, en het duurde niet lang of de toestand werd onhoudbaar.
Ik kan de gebeurtenissen, allemaal kleinigheden op zich zelf, hier niet in bijzonderheden nagaan. Doch ik wil wel met een enkel woord vertellen hoe het bij mij met de oprichting der S.D.A.P. in zijn werk is gegaan.
De eerste die uit den Soc. Dem. Bond trad was W.P.G. Helsdingen. Die zat in Rotterdam met een meerderheid van anarchisten in de afdeeling, en was daar niet meer veilig voor de platste persoonlijke beleediging. Wie voorstander was van deelname aan verkiezingen, was dat enkel om persoonlijk vooruit te komen, om op de ruggen van de arbeiders in de Kamer te worden gebracht.
Het uittreden van Helsdingen frappeerde mij sterk en ik gevoelde behoefte hem even een briefje te schrijven, waarin ik hem zeide op hetzelfde standpunt te staan. In dat briefje sprak ik ook het vermoeden uit dat het wel tot scheuring komen zou. Helsdingen schreef mij terug en deeld emij daarbij mede dat hij een gelijk schrijven als het mijne had gekregen van Schaper. Dit gaf aanleiding tot een briefwisseling tusschen Schaper en mij, terwijl ik verder nogal drukke konnekties had met v. Kol.
Ter gelegenheid dat ik op een meeting te Sappemeer sprak, had ik toen te Groningen met Schaper een bijeenkomst en - vooral onder den indruk van die Sappemeersche meeting, die een gewoon anarchistisch stelletje was, en waar ik onhebbelijk werd behandeld omdat ik met De Sociaal Democraat ventte, een blad waarvan enkele nummers door Van Kol zijn uitgegeven - toen was ik bereid tot doortasten met de oprichting van een nieuwe partij.
Troelstra, Van der Goes, Polak en de anderen, hadden een eenigszins afwachtende houding aangenomen. Zij wisten dat het nu niet meer lang kon duren, en de ontvangst van de uitnoodiging om te Utrecht een voorbereidende vergadering bij te wonen, zal voor hen geen groote verrassing geweest zijn.
Die vergadering vond plaats op Zondag 4 Juli 1894.
Op 5 Augustus was een buitengewoon kongres van den Sociaal-Democratischen Bond bijeengeroepen te Almelo, dat uit te maken had wat er met den Bond zou gebeuren indien de Hooge Raad een vonnis van het Gerechtshof te Leeuwarden bevestigde, waarbij de Bond tot een verboden vereeniging was verklaard. Een deel der vergadering op 4 Juli wilde dadelijk overgaan tot het stichten der nieuwe partij; een ander deel, ik was daarbij, wilde wachten of het kongres van 5 Augustus ook soms eenige verandering bracht in de politiek van den Soc.-Dem. Bond. Dit gebeurde echter niet en op een tweede vergadering, gehouden op 12 Augustus, werd besloten door te tasten.
Van die twee voorbereidende vergaderingen is niet veel te melden. Er waren twee nogal van elkander verschillende groepen. Tusschen de groep Troelstra-Van der Goes-Polak aan de eene en Helsdingen-Schaper-Fortuijn-Vliegen aan de andere zijde heerschte nog een zeker vreemd-aan-elkaar zijn, dat zich niet openlijk toonde, maar dat er toch was. Van Kol had het volledig vertrouwen, ook van die tweede groep.
Intusschen was nu aller aarzeling verdwenen en werd besloten tot snel en krachtig handelen. Het manifest waarbij de sociaal democratische partij, waarvoor het koncept door mij, te zamen met Van Kol, was klaar gemaakt, werd vastgesteld en de vergadering werd bijeengeroepen op 26 Aug. 1894 te Zwolle. Bij de keuze van dag en plaats was het feit dat op dien dag te Zwolle een groote open luchtmeeting "voor afschaffing van het privaat-bezit" zou plaats hebben, van invloed.
Van die konstitueerende vergadering zelf wil ik niet veel zeggen. Ik zal den samensteller aanraden een verslag ervan uit het een of andere blad in dit werkje op te nemen. Ik wil echter op één feit wijzen waaruit blijkt dat tusschen de beide groepen die de nieuwe partij vormden, toch nog niet alles koek en ei was.
Toen het bestuur moest gekozen worden, daar te Zwolle, werden gekozen:
Helsdingen met 58, Vliegen met 57, Schaper met 53, Troelstra met 48, Fortuijn met 41, Israël met 40, Cohen met 32 stemmen. Uit deze cijfers blijkt dat de uit den Soc.-Dem. Bond overgekomen propagandisten schier alle stemmen hadden, terwijl zelfs Troelstra er minder kreeg. Er was bij onze soort lui eenige tegenzin tegen de "heeren", liefst hadden we het oprichten eener nieuwe partij zonder hen gedaan.
Toen we deze stappen deden, wisten we wel dat er wat komen zou, dat Recht voor Allen van leer zou trekken, dat er een geduchte kampagne tegen ons op touw zou worden gezet.
Ik kan deze kampagne niet geheel schetsen, maar waar wij in het vorige jaar nog onze anarchisten als lasteraars aan het werk zagen met de verraadbeschuldiging, daar is het niet oninteressant om eens te laten zien hoe die lui in 1894 al in die kunst thuis waren.
Er waren eenige speciale redenen om tegen mij wat erger van leer te trekken dan tegen de andere partijgenooten die de Soc.-Dem. Bond verlieten. In de eerste plaats wijl ik in dienst was van den Bond als administrateur van het Begrafenisfonds en men mij daarvan dadelijk ontsloeg toen men hoorde dat ik den Bond zou verlaten. Toen daartegen protest kwam, voornamelijk van de agenten, enz. in dienst van het fonds, wierp men het over een andere boeg en zette een lasterkampagne op touw om dat ontslag door te drijven en te dekken. In de tweede plaats had Nieuwenhuis al 't mogelijke gedaan om mij vast te houden - tal van brieven die ik nog heb kunnen dat bewijzen - en het ergerde hem geducht toen dat mislukte. In de derde - en zeer voorname - plaats bevond ik mij in een andere positie als de meeste andere vrienden. Schaper, Helsdingen, Fortuijn, ze hadden in hun woonplaats een minderheidje achter zich, het leek niet moeilijk ze onder den duim te houden. Met mij daarentegen scheidde zich de geheele, tamelijk bloeiende afdeeling Maastricht van den Soc.-Dem. Bond af en sloot zich aan bij de S.D.A.P.

Met 48 stemmen en 2 onthouden, nam de afd. Maastricht de volgende motie aan:
"De huishoudelijke vergadering der afd. Maastricht van den Soc.-Dem. Bond; Verklarende te staan en te willen blijven staan op het standpunt der internationale sociaaldemokratie;
verderfelijk achtende de tegenwoordige taktiek van den Sociaal-Demokratischen Bond;
zich niet langer verantwoord achtende met dezen Bond samen te werken;
Besluit: zich af te scheiden van den Soc.-Dem. Bond; en
mede te werken tot stichting eener nieuwe sociaal-demokratische organisatie en daartoe een afgevaardigde te sturen naar de konstitueerende vergadering te Zwolle, op 26 Augustus a.s."

Vóór 26 Aug. had ik mijn ontslag al als administrateur van het Begrafenisfonds, d.w.z. ik kreeg van den secretaris van den Centralen Raad S.W. Coltof, het volgende schrijven:
"Naar aanleiding van uwe mededeeling dat gij zeer spoedig zult ophouden lid van onzen Bond te zijn, wenscht de C.R. van u te ontvangen al datgene wat tot het beheer van het Begrafenisfonds behoort.
Hij verzoekt u iiefst dadelijk op te geven op welken dag in de aanstaande week die overdracht kan geschieden."

Dit schrijven kreeg ik twee dagen vóór de Zwolsche vergadering en vatte het op als een ontslag op staanden voet. Immers een administrateur die "al datgene wat tot het beheer behoort" moet afgeven, is er uit gezet, en dat moest gebeuren in "de aanstaande week".
Tegelijk met dat schrijven echter werd het gerucht verspreid dat ik van plan was het heele fonds te stelen, wat vóór mij eens gebeurd was door een administrateur Van Reens. Dat werd mij onmiddellijk overgebracht en ik haastte mij dus de boel af te dragen. Op 3 September droeg ik te Amsterdam eigenhandig aan den Cetnralen Raad de boeken, kas enz. over. Bij die gelegenheid beweerde men dat men de administratie heelemaal niet opgeëischt had omdat ik partijgenoot-af was, o, neen, 't was alleen gebeurd omdat ik gedreigd zou hebben, het heele fonds te annexeeren. Van dergelijk dreigen was geen waar, maar blijkbaar was er een storm opgestoken tegen mijn ontslag wegens het uittreden uit den Bond, en men moest andere smoesjes zoeken. Later, ook thans nog, werden in verband met dat Begrafenisfonds lasterlijke praatjes tegen mij uitgestrooid. Ik wil daarom een feit mededeeelen dat zeker wel geschikt is om aan te toonen dat de heeren die op 3 Sept. 1894 van mij de boeken, kas enz. overnamen, deze volkomen in orde achtten.
Gesteld dat een patroon of een directie iemands kas overnemend, daarin een tekort vindt. Wat doet ze dan? minstens hem ontslaan zonder veel praatjes.
Wat deed echter de Centrale Raad? Hij schorste mij met behoud van salaris, tot het kerstkongres toe, dat was 14 weken. En blijkens een kwitantie, die ik nog heb, droeg ik op dien 3 Sept. aan den penningmeester Oudkerk af de som van f 553,41. Zonderlinge dief, die conscientieus boeken, kas, enz. afdraagt, en zonderlinge bestolene, die een tekort in de kas vindend, bij die ontdekking den dief bij het gestolene een kleine tweehonderd gulden bijgeeft, als had hij spijt ervan dat de diefstal zoo gering was!
Ik zit nu eenmaal op mijn praatstoel over deze zaak en het kost mij steeds, als er over geïnsinueerd wordt, zooveel moeite om er niet op door te gaan, dat ik 't nu voor dezen enkelen keer, maar eens doen zal.
Er was dan in de kas van het fonds werkelijk een tekort. Dat tekort was er met wetenschap van en ingevolge besluit van den Centralen Raad.
Toen ik in 1890 te Maastricht De Volkstribuun oprichtte heb ik daartoe uit geen enkele kas ook maar een roode cent gekregen, ook geen bedrijfskapitaal. Het drukkerijtje werd door den Centralen Raad betaald. Het geld daartoe was voor een deel door bijdragen van particulieren verkregen, o.a. f 200 van Van Kol. Het heele drukkerijtje kostte kant en klaar f 514. Ik heb de factures nog. Met medeweteen en met goedvinden van den Centralen Raad gebruikte ik dus geld van het fonds, voor De Volkstribuun, als bedrijfskapitaal.
Toen De Volkstribuun werd opgericht liet het Begrafenisfonds mij veel vrije tijd. Behalve de redactie deed ik de administratie en zelfs het overgroote deel van het typografenwerk dat noodig was. Als een bijzonderheid deelde de pers mede dat er een blad was dat door denzelfden persoon werd geschreven, gezet, gedrukt en gekolporteerd op straat, dat blad was De Volkstribuun. Voor al dat werken kreeg ik geen roode cent betaling.
Maar het Begrafenis groeide en naarmate het groeide, moest ik andere werkkrachten hebben voor het drukkerijtje, en dat veroorzaakte ten slotte een zeer klein tekortje. Toen ik na vier jaren de administratie in 1894 neerlegde, was er in 't geheel ingestoken de som van f 622. Daar was in begrepen het heele bedrijfskapitaal en alle tekorten, terwijl er nog van moest worden afgetrokken ongeveer f 285 die nog te innen waren en die natuurlijk niet binnen kwamen toen de Centrale Raad mij voor een dief begon uit te schelden, want àl dat geld zat bij de "revolutionaire", kolporteurs en boekhandelaren. Een enkele die aan mij betalen wilde, heb ik natuurlijk naar den Centralen Raad verwezen.
Die f 622 nu, die op deze wijze in De Volkstribuun waren gestoken, ontbraken in de kas van het fonds. Wat te weinig was in de eene, was te veel in de andere kas, de beide kassen waren van denzelfden eigenaar, die kwam dus geen cent tekort.
Bij deze kwestie vervaardigde de Centrale Raad een nieuwe, nl. de eigendomskwestie van De Volkstribuun en het daarbij behoorende drukkerijtje. Ten laste van De Volkstribuun liepen op dat oogenblik dat ik de administratie neerlegde (dit gebeurde reeds in het voorjaar van 1894 en de Centrale Raad droeg toen de administratie aan Pieters op) een civiel-proces dat ik verloren had aan zekeren Schuttelaar. Ik was veroordeeld om aan dezen heer een schadevergoeding te betalen van f 100, daarbij waren gekomen f 101 kosten, dus een totaal bedrag van f 201, en een papierwissel à f167. De Centrale Rad erkende - ik heb de brieven nog - deze bedragen te moeten betalen. Daartegenover kreeg de Centrale Raad nog ongeveer f 268 van het lokaal te Maastricht, waarvoor ik borg was.
Volgens een brief van Coltof die ik 17 Januari 1895 kreeg, erkende de Centrale Raad verplicht te zijn tot betaling van papierwissel en proces, eischte van mij daartegenover de f 268.27. De Centrale Raad wilde nu den papierwissel betalen, en eischte van mij het bedrag van f 103.27, zijnde het verschil tusschen deze beide sommen; als ik dat betaalde en het drukkerijtje afgaf, dan zou de Centrale Raad daarna de som van f 201 deponeeren voor het proces. Toen ik daartegen bedenking makkte en eischte dat het geld van het proces eerst gedeponeerd werd, had de Centrale Raad daartegen zulke gewichtige bedenkingen dat hij de heele onderhandelingen afbrak. Ik bleef zitten met het drukkerijtje dat zoo goed als geen verkoopwaarde had (vraag maar eens aan een drukker wat vier jaar lang gebruikte drukletter waard is) en met de te betalen papierwissel en proces.
Het drukkerijtje werd vernield in den brand die in het lokaal der Volkstribuun te Maastricht plaats had tijdens de koninginnefeesten op 25 Mei 1895. Toen heette het spoedig dat ik het assurantiegeld had opgestreken; natuurlijk een leugen, want het was niet verzekerd. Verzekers was door mij alleen het drukkerijtje wat gebruikt werd om De Volkstribuun te drukken en uit de exemplaren van dat blad, die nog bestaan, kan blijken dat van het oude materiaal geen letter gebruikt werd. Het stond ongebruikt in een hoek en meermalen had ik er al met Pieters over gesproken, om 't maar eens op te sturen.
Tot het betalen van den papierwisel werd ik in Juni 1895 gedwongen door den advokaat Bauduin te Maastricht; het proces werd geëxecuteerd in 1897 door den advocaat Ruijs van Beerenbroek die mijn faillietverklaring aanvroeg, eenige dagen nadat de nieuwe faillissementswet in werking was en dat door meerdere kosten tot een bedrag van f 265 opliep. Ziedaar mijn diefstallen.
Er zit in de beschuldigingen aan mijn aandres iets ongewoon ploertigs. Een organisatie-bestuur als de Centrale Raad laat mij opdraaien voor schulden die hij zelf erkend had, en begaat bovendien de gemeenheid mij uit te maken, alsof ik niet de bestolene, maar de dief zelf was.
Coltof heeft later een bewijs gevonden van mijn diefstal, een bewijs dat ik erkennen moest. Ik had nl. den naam van het blad Volkstribuun behouden en die naam was, met de rest, eigendom van den Soc. Dem. Bond. Dit is de eenige beschuldiging die waar is. Ik heb dien naam behouden, echter niet dan nadat ik verklaard had: àls de Soc. Dem. Bond vóór ! Oktober 1894 verklaart den naam weder te zullen gebruiken, een ander blad met dien naam uit te zullen geven, dan zal ik mijn nieuw blad een anderen naam geven. Toen dit niet gebeurde, behield ik den naam.
Hierbij dien ik nog even te wijzen op de zonderlinge manier van handelen van den toenmaligen Centralen Raad ten opzichte der verantwoording. Toen ik met de uitgave van het blad zou ophouden, vroeg ik den C.R. om een commissie die mijn boeken enz. zou nazien. Het was toen in den tijd dat de Soc.-Dem. Bond door het gerechtshof te Leeuwarden tot een verboden vereeniging was verklaard en die Bond om de verschrikkelijke gevolgen daarvan te ontgaan (drie bestuursleden waren tot f 50 boete veroordeeld!) voor den vorm ontbonden werd.
Ik kreeg op mijn schrijven van Coltof ten antwoord dat hij persoonlijk dergelijke besluiten niet kon nemen. Ik kreeg dus geen kommissie. Toen benoemde ik er zelf eene, bestaande uit A. Schouten te 's-Hage, de toenmalige administratieve specialiteit in den Bond, J. Pieterson te Enschedé, een anarchist, en G. Bennink, die ik dacht dat zoo ongeveer op ons standpunt stond, doch die niet kwam en zijn taak overdroeg aan den afgevaardigde van Hengeloo naar het kongres, waarop de zaak behandeld zou worden. Deze kommissie zag de boel na, ze bevond alles in volmaakte orde, dus ook het cijfer van f 622, hierboven genoemd. Op het bewuste kongres echter, werd deze kommissie niet aan het woord gelaten. Later heeft Pieterson in Recht door Zee het zijne over het geval gezegd.
In Sept. 1895 sprak Domela Nieuwenhuis te Maastricht en wijl in Recht voor Allen voortdurend deze zaken tegen mij gebruikt werden, dwong ik hem met veel moeite en met behulp van de vergadering er mee op de proppen te komen.
Het slot van het debat was dat Nieuwenhuis zich redde met de betuiging dat hij er eigenlijk niet van wist; hij toch was geen lid van den Centralen Raad en door een voorstel te doen om de zaak door een kommissie te laten beslechten, waarin de Centrale Raad twee, ik twee, en deze vier een vijfde lid zouden benoemen.
Ik was opgetogen over dat resultaat; nu toch zou de kwestie beslist worden en de laster een eind nemen. Ik benoemde dadelijk de twee leden in de kommissie, Fortuijn en Loopuit. De Centrale Raad heeft de zijne nooit benoemd! Een dergelijk voorstel, later gedaan, toen ik in Rotterdam was, suitte eveneens af op den onwil van den Centralen Raad.
Zoo werd alle publieke uitspraak over de zaak voorkomen, de kwestie bleef voor de groote massa duister en de geheel op persoonlijke afmaking gerichte taktiek van van Domela Nieuwenhuis en de zijnen, kon naar hartelust worden botgevierd.
Thans, na zoovele jaren, gaat dat nog aldoor zijn gang, vervolgt men politieke tegenstanders met zaken waarvan men de afwikkeling zelfs systematisch onmogelijk heeft gemaakt.
Ik heb mij nu hiermede weer eens lang genoeg bezig gehouden. Het kongres ontsloef mij uit mijn betrekking van administrateur van het begrafenisfonds. Terwijl men in de anarchistische bladen mij en aderen, o.a. Helsdingen en Schaper te lijf ging met de kiesche bewering dat wij "parlementair" geworden waren met het oog op onze stoffelijke positie, begon dat "parlementair" worden voor mij juist met een ontzetting uit de stoffelijke positie die ik had.
Keeren wij nu naar de op het punt van geboren worden staande S.D.A.P. terug. Over de stichtingsvergadering heb ik het mijne al gezegd.
Den avond van dien dag waren we met een 20-tal partijgenooten bij elkaar in het hotel de Zon in zeer opgewekte stemming.
Het gevoel van gemeenschappelijk een daad te hebben gedaan, een noodzakelijke daad, waarvan wij te voren wel zagen dat ze voor de Nederlandsche arbeidersbeweging een daad van beteekenis zou zijn, maakte dat alle kleinigheden die nog hier en daar in ons klein klubje minder goed waren, wegvielen en een gevoel van groote solidariteit en broederschap over ons allen kwam. Wij hieven onze liederen aan uit zoo vrije borst als we in langen tijd niet gezongen hadden.
Een nieuwe stemming, de stemming van onderling vertrouwen, van de negeering van het kleine, van het persoonlijke, die sedert dien zoo vaak groote oogenblikken aan de S.D.A.P. heeft bezorgd, kwam toen voor 't eerst over ons en wij voelden ons allen innig met elkander vereend en bespraken tusschen de liederen door wat wij nu gingen doen.
Hierbij was ik wel degene onder het geheele gezelschap voor wie de zaken het minst veranderd waren. In den loop van den namiddag hadden de 's morgens gekozen partijbestuurders besloten mij in de gelegenheid te stellen de uitgave van De Volkstribuun voort te zetten. Het ging met ons blad goed in die dagen en we hadden net plannen gemaakt om in Noord-Brabant een flinke kampagne te beginnen. De afd. Maastricht van den Soc. Dem. Bond was geheel overgegaan tot onze partij, anarchisten waren er niet, of wel ze bestond uit menschen die blijkbaar gemakshalve anarchist geworden waren om niet langer zedelijk verplicht te zijn hun steentje bij te dragen aan de propaganda. Alleen in Venloo leden wij een verliesje, doordien een paar soldaten en een paar spoorlui, met wie ik had gehoopt binnen kort een afdeeling op te richten, meer neiging naar den anarchistischen dan naar onzen kant hadden, spoedig afzakten, weinig of niets meer van zich lieten hooren. In de positie dat hij ten minste in eigen stad geen paria was, bevond zich ook Troelstra die te Utrecht woonde. Minder goed stonden Helsdingen er te Rotterdam en Schaper te Groningen voor, maar vooral beklagenswaardig waren de Amsterdammers, die het volle gewicht van den anarchistenhaat niet enkel bij feestelijke gelegenheden, maar dag in dag uit te dragen hadden, die vaak niet met rust over straat konden gaan en aan de ruwste beleedigingen en lafsten spot bloot stonden.
Bovendien velen der bekendste partijgenooten verkeerden ook persoonlijk in ellendige omstandigheden. Polak was zonder werk, Loopuit was zonder werk, Helsdingen was zoo goed als geheel buiten midden van bestaan. Cohen van Zwolle was arm als 'n mier, Schaper zocht vergeefs naar verfwerk. Ik was dus nog de ongelukkigste niet. Wel was mijn ontslag als administrateur vast en zeker, doch dan zette ik mijn Volkstribuun maar weer zelf en we zouden 't wel redden.
We besloten nog spoedig een groote meeting te houden in Amsterdam, waar onze propaganda tegen kapitalisme en anarchisme zou aanvangen.
Die avond te Zwolle, in de Zon, gaf aanleiding tot een allerleukst praatje van anarchistische zijde, dat bewijst hoe men ons gezind was.
In het hotel de Zon bevond zich ook Dijkstra, een jong anarchistisch onderwijzer, een echt heethoofdje, die ons allen een welgemeenden haat toedroeg. Toen hij hoorde hoe luidruchtig het in die kamer waar wij waren, toeging, hoe daar de liederen schalden en een uitbundige vroolijkheid heerschte, redeneerde hij bij zich zelf dat zulk een geestdrift bij "parlementairen", dat zijn toch allemaal koude, egoïstische, versteende wezens, nooit zonder buitengewone hulpmiddelen kon zijn tot stand gebracht en met behulp van deze gegevens kwam hij tot de konklusie, die onmiddellijk in heel de anarchistische pers de rondte deed, dat daar in dat gezelschap de wijn had gestroomd. Bahlman en Van Kol, de twee menschen die, volgens de anarchistische legende, zoowat de heele sociaaldemocratie subsidieerden, hadden zich daar niet laten lompen. De waarheid was natuurlijk dat de heele konsumptie bestaan had uit een kop thee of een glas bier en dat de geestdrift van heel wat beter gehalte was dan de arme Dijkstra had vermoed.
Intusschen stak de storm tegen "die parlementiaren"nu toch pas op. Bij de groote minachting die er al heerschte voor die zich-zelfzoekers - want 't was ten slotte alle parlementairen om niets anders te doen dan om in de Kamer te komen en de daaraan verbonden 2000 pop op te strijken - kwam nu ook bij de minder laag bij den grondschen het gevoel, dat we toch echte spellebrekers waren.
Vooral zij - en die waren talrijk - die tusschen de beide richtingen niet vierkant partij durfden kiezen, die met hun hersens bij ons, maar met hun hart bij Nieuwenhuis waren, klampten zich daaraan vast. Wij hadden de "eendracht" verbroken, de scheuring bewerkstelligd; dat laatste was waar, maar het eerste? Het was een prachtige eendracht, die wij verbroken hadden!
De eerste meeting te Amsterdam werd op 1 October 1894 belegd. Onze Amsterdamsche partijgenooten hadden er Constantia voor gehuurd. Het schijnt dat de houders van de andere zalen wel in de gaten hadden dat 't met die meeting niet zoo geheel vriendschappelijk zou afloopen.
Op den dag hadden we partijbestuursvergadering, bij Fortuyn thuis. Op de vraag wat 't van avond worden zou, zei Jan: "nou, herrie natuurlijk!" Nu, er wàs herrie!
Toen wij tegen een uur of acht Constantia binnen kwamen, was 't al vol, maar vol met een menigte die ik nooit vergeten zal. Wel vijftig kolporteurs bulderden 't uit en er heerschte een stemming zóó opgewonden, in die blikken lag zooveel haat en fanatisme, dat 't toch was om er bang van te worden.
Toch was het niet de eerste maal dat ik 'n vijandige menigte voor mij had. Ik had de oranjefurie van '87 meegemaakt, en met knuppelslagen dronken gevoerde Haagsche lompenproletariërs ons van 't lijf gehouden. Ik had een jaar te voren in Roermond twee- of driemaal voor 'n half razende massa gestaan, en er door heen gebroken onder een regen van steenen. Nog weinige maanden tevoren, in April 1894, hadden we te Heerlerheide op een propagandatocht een aanval te verduren van woedende boeren, waarbij ik geranseld was geworden als 'n hond. Doch dat waren fanatieke Roomsche boeren geweest, of systematisch dom gehouden lompenproletariërs, die hadden nooit van vrijheid hooren spreken, het woord waarschijnlijk nooit in den mond gehad. Hier zaten we tusschen een menigte die zoo vaak zich een roes had gedronken aan vrijheidsfrases, een menigte die mijzelf vaak had toegejuicht als ik voor haar dezelfde beginselen verdedigde die ik nu weer zou gaan verdedigen.
Toen gejuich en nu toorn, toen handgeklap en nu vuistgebal, toen oogengeflikker van geestdrift en nu van haat....
Helsdingen presideerde. Als sprekers waren aangekondigd Troelstra, Van Kol en ik. Van Kol was verhinderd, wij zouden dus maar met z'n tweeën spreken. Ik trad eerst op.
Er staat mij niet veel meer van voor, hoe ik dien avond gesproken heb. Ik geloof slecht. 't Kan me ook niet schelen. Een menigte die gewoon bevooroordeeld is, kan getroffen worden door de taal die ze hoort. Ik herinner mij een vergadering te Sittard, in 1891, waar Van der Veer en ik een dolle, opgewonden menigte voor ons hadden, die echter ten slotte blijkbaar toegaf aan een gevoel van nieuwsgierigheid, om eens te hooren, wat of die onzinnige kerels toch wel te vertellen zouden hebben. En toen wij gesproken hadden, juichten ze ons toe. Zulk een resultaat is te bereiken als men iets kan zeggen wat inslaat door zijn nieuwheid, een lang gevoeld iets onder nooit gehoorde woorden bracht. Maar deze menigte hoorde uit onzen mond niets anders dan wat ze al vaak gehoord had, 't kon haar niet schelen wat wij zeiden, onze redevoeringen waren bijzaak, straks zouden Cornelissen, Hermans, Coltof en anderen ons te pakken nemen. Dit zou 't hoofdpunt worden van deze avond!
Eindelijk kwam dat.
Cornelissen debatteerde. Hij was niet pittig, en verveelde de lui vrij gauw. Toen kwam Hermans. Die was op dreef en maakte 't werkelijk bont, hing een langen keten van personaliteiten op, en zweepte de vergadering op tot op een gevaaarlijke hoogte. Vooral toen hij uit een verslag in De Baanbreker zonneklaar wist te bewijzen, dat Troelstra een politiespion was. In dat verslag werd de naam van Havers uit Den Haag genoemd, voluit, met alle letters. Dat was te doen geweest om hem aan de politie over te leveren. Ten slotte stelde Hermans de berucht motie van "innige verachting" voor, aan het adres van die mannen die daar zaten, achter de bestuurstafel, dat partijbestuur, die het waagden sociaaldemokraten te zijn.
Bulderende toejuichingen vielen Hermans ten deel. Harttorff sprak nog en ook Reijndorp.
Ik geloof dat het een verheven wraakgevoel is, dat mij doet glimlachen bij het denkbeeld, dat drie van de vier debaters van dien avond, op het oogenblik leden zijn van de S.D.A.P.!
Toen de debaters klaar waren, liep de boel spaak. Langzamerhand waren er al meer Constantianen op het tooneel gedrongen. Wij waren 't gezag daar kwijt. Er waren tezamen misschien geen dozijn partijgenooten in de zaal; in elk geval gingen ze totaal verloren in de massa. Een half dozijn waren op de tribune, waar we ten slotte omringd werden door de schreeuwende en tierende menigte.
De voorzitter werd van zijn plaats gedrongen. Wij werden van elkaar gescheiden. Schaper werd van de tribune gedrongen, de zaal in, maar bereikte toen, hoewel onder duwen en stooten, spoedig den uitgang. Het bestuur van Constantia en enkele zich ontfermende anarchisten wisten ons in een zijkamertje van het tooneel te bergen.
De bijzonderheden hiervan herinner ik mij niet meer. In zulke oogenblikken duizelt 't een mensch. Men heeft geen besef van eenig lichamelijk gevar, een slag is in zulke oogenblikken geen pijnlijk iets. Wat boven drijft is een intens gevoel van leed, van het diepe leed, dat hij voelt die beleedigd en gehoond wordt door een wezen dat hij innig lief heeft.
Eindelijk was 't uit.
Constantia was ontruimd, ik weet niet hoe, en wij gingen naar buiten.
Een aantal politie-agenten had de menigte verstrooid en wij gingen ongehinderd heen.
Alleen onze Zwolsche partijgenoot Cohen had een onbeteekenende wonde aan zijn hoofd. Wij anderen waren allen ongedeerd.
Het tooneel van Constantia werd nergens zóó herhaald, maar toch kon men vanwege de S.D.A.P. in niet veel plaatsen optreden of men had de vergadering tegen zich en beleedigingen en hoon ontgingen wij niet.
Er is in die dagen door de voormannen der S.D.A.P. veel doorleefd. Allereerst de gruwelijke lastercampagne, dan het gescheld en de beleedigingen op de vergaderingen.
De vakvereenigingskringen verklaarden zich eenparig tegen ons. Twee volle jaren later, op het kongres te Londen, was dat nog het geval.
Ik herinner mij een partijbestuursvergadering, niet lang na Constantia, gehouden te Arnhem.
Wij waren daar met zeven partijbestuurders; en eigenlijk was er geen één bij die te eten had. Ik was er nog wel het beste aan toe. Ik was nog altijd maar geschorst als administrateur van het begrafenisfonds en had dus nog salaris. Maar de naaste toekomst was toch zeer donker, want van De Volkstribuun hadden schier alle abonné's buiten Limburg, een drie- à vierhonderd, bedankt, wij hadden dus een leelijken klap gekregen. Maar met de anderen was het veel erger.
Schaper kon De Wachter niet houden, had zelf geen enkel middel van bestaan' Cohen bracht bericht, dat De Volksvriend te Zwolle stervende was. Wij besloten van de twee één te maken, een organisatie- en concentratie-maatregel! Helsdingen met zijn reusachtig gezin, was absoluut op zwart zaad; Fortuijn werd natuurlijk te Amsterdam totaal geboycot en had niets te doen in zijn boekwinkel: Troelstra leefde van 15 gulden per week die De Baanbreker hem als redacteur betaalde.... als ze er waren.
Wij waren in een begrafenisstemming. Vooral Troelstra, die was de dag te voren in Leeuwarden geweest en had daar een geweldige herrievergadering te doorstaan gehad.
Recht voor Allen buitte ons gebrek aan bestaansmiddelen tegen ons uit: "Waarvan leeft Helsdingen? Waarvan leeft Schaper? Waarvan leeft Vliegen? schreef het. Ja, waarvan? Natuurlijk van 't geld, waarmee ze zich hadden laten omkoopen. De S.D.A.P. bestond in de oogen van Recht voor Allen en zijn aanhang op dat oogenblik uit tweeërlei soort leden: uit omgekochten en uit omkoopers.
In Maastricht werden we op een allerleukste wijze uit 't gedrang gered. Ik was, om te pogen De Volkstribuun er weer wat boven op te brengen, begonnen met zelf, met behulp van een abonnement op 't spoor dat - o omkooperij! - door Van Kol betaald was, te kolporteeren te Venloo en Sittard; de verkoop daar ging vrij goed. In Roermond werd geregeld gekolporteerd. Spiekman vestigde zich te 's Bosch en kolpoteerde o.a. te Eindhoven en Helmond. Die kampagne scheen de katholieke pers schrik aan te jagen, want plotseling zette men een hevige polemische kampagne tegen ons op touw in de pers. De Limburger Koerier, De Noord-Brabanter, Limburg van Sittard, en verschillende anderen grepen ons bij den kop.
Ik sloeg natuurlijk pootig terug en dat werd een goeie boel. De bladverkoop te Maastricht alleen steeg met meer exemplaren dan wij abonnées hadden verloren.
Als men ons in die dagen in ons vet - bij wijze van spreken! - had laten gaar koken, had de heele Volkstribuun geen half jaar meer geleefd, en nu kregen we daarom dat ik tot vandaag toe geen kwaad van den man kan hooren.
Wat zal ik nog vertellen?
De S.D.A.P. groeide, maar langzaam. Op het eerste kongres te Deventer, Paschen 1895, waren 14 afdeelingen vertegenwoordigd die, op papier, 500 leden telden. Een zonderling kongres was dat. In heel Deventer was één man, één geestverwant die zich wat van de zaak aantrok. We zaten daar zoo rustig, in zoo'n soort glazen gebouwtje, dat op de IJssel uitzag, zoo ongehoord rustig, zoo schrikwekkend rustig, met het gevoel dat de roeper in de woestijn heeft, als zijn stem zich verliest in de verre verte.
Doch toen is de groei gekomen. Het volgend jaar in Utrecht was de partij nog zooveel niet grooter, maar er zat fut en gloed in.
En die is erin gebleven tot op den huidigen dag.
Tien jaren zijn sinds die stichting al voorbij. Tijd die voorbij is, lijkt altijd zoo kort. Maar als wij zien hoe het met de partij gegaan is, lijkt 't toch zoo kort niet.
Er is veel veranderd sindsdien. Vooral in het personeel der partij. Er zijn er gegaan, er zijn er gebleven, er zijn er gekomen.
Jongeren hebben ouderen overvleugeld, in kracht en in populariteit, weinigen bevinden zich nog in dezelfde omgeving, maar met velen reeds staan we om den breeden, solieden stam die er geworden is van het zwakke boompje dat we hebben geplant. Wij wisten dat de soort goed was, dat hij groeien moest. Wij hebben niet 't minste gevoel van beklemdheid als wij een belager zich zien uitsloven om hem om te hakken, wij weten dat hij tijd en kracht verspilt.
En al gaat niet altijd alles zooals men 't wenschen zou, al groeit de eene tak naar ons oordeel een beetje te snel en de andere te langzaam, al wordt er misschien wel eens gekibbeld over de plaats, die de een of ander inneemt of niet inneemt, voor wie in onze wereld een levenstaak wil hebben die gelukkig maken kan en de honger aan mooi en groot idealisme kan stillen, die zal toch moeielijk een beter plekje vinden dan onder zijn bladeredak.
W.H. VLIEGEN


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline