Na tien jaar


 Inhoud 10 jaar  Overzicht boeken
Inhoud
Start
DE BAKERMAT


Wanneer na een tienjarig bestaan, in welk tijdperk heel wat stormen over de S.D.A.P. zijn heengegaan, er reden is om een gedenkboek uit te geven en er dus met grond verwacht mag worden, dat de sociaal-democraten verheugd zijn hun partij nog springlevend te zien, dan spreekt het vanzelf, dat dit niet minder het geval is met de partijgenooten te dier plaatse, waar de oprichter en leider zijn hoofdkwartier had opgeslagen en van waaruit hij niet alleen zijn naasten omtrek, maar ook het geheele land begeesterde, nieuwe hoop schenkend door zijn machtig woord, telkens moed gevend door zijn onovertroffen goed humeur, aanvurend menigen lauwe, wien de geestkracht ontbrak zich door de tallooze bezwaren heen te worstelen welke zich vooral in de eerste jaren voordeden.
En die waren werkelijk niet gering.
"Utrecht is een stil stadje, een rustig stadje, waar geen ontevredenheid is, en wij moeten geen sociaal-democraat kiezen," sprak in '98 nog de voorzitter van de liberale Utrechtsche kiezersvereeniging, toen schrijver dezes door eenige liberalen gecandideerd was voor den gemeenteraad, en dit gevoelen, nog in '98 levendig onder een deel er burgerij, heerschte in '93 over 't algemeen en met recht.
Toen was Utrecht niet alleen een stil, het was ook een dood stadje, behalve op 't gebied van wetenschappelijke lezingen en peperdure concerten.
Maar het volk?
Het sleepte zich voort in de dagelijksche naargeestigheid van het arbeidersbestaan, hièr nog verergerd door een loonstandaard, welke eerder aan het donkere Zuiden dan aan de vierde stad des rijks deed denken; het sleepte zich voort, voorgelicht door enkele z.g. neutrale of door katholieke bladen, waartusschen een anti-revolutionair weekblaadje den broeders en zusters in den geloove de geestelijke spijze bracht, terwijl hte orgaan van den Oranjebond van Orde: Sta Pal! in menig gezin met liefde gelezen werd.
Eenige malen was beproefd van de zijde van den Soc. Dem. Bond om vasten voet te krijgen in Utrecht.
Domela Nieuwenhuis was er een paar keer geweest in eenige koffiehuizen van minderen rang, doch dan verscheen "Oranje-Ka" (Ka Blommers) als een tweede Catharine van Leemputte aan het hoofd van een stoet mannen en vrouwen uit de oranje-buurt (wijk C), omwonden met een Oranjevlag, en dan werden de vergaderlokalen gesteenigd en de socialen verjaagd als wilde beesten.
En de arbeidersbevolking (behalve een hoogst enkele) juichte over de heldendaden van Ka; men bracht haar bloemen en geschenken en de studenten gingen haar visites en complimenten maken over haar dapper optreden tegen de rustverstoorders.
Arme Oranje-Ka! Waar is uwe glorie; waar zijn de dappere ridders, die om uwen zetel geschaard stonden in de dagen dezer minder-ridderlijke tournooien tegen het volk, hetwelk zich trachtte te ontworstelen aan den verpletterenden druk die werd uitgeoefend; waar zijn de telgangers, die, daar gij neit kondt paard rijden als zoo menige andere edelvrouwem voor een landauer gespannen werden om u in triomf te doen rondrijden door de straten der stad; waar zijn de tropeeën, opgericht voor u na eene behaalde zege uit de stukgeslagen stokken en de verscheurde kleederen dergenen, die het onderspit moesten delven; waar zijn de guirlandes, de nationale vlaggen en de talrijke oranjeboomen, welke om uwe woning te zien waren, zoodra een oranjefeest werd gevierd?
Vergeten zijt ge, Ka, als zoovele andere grootheden, en er is niemand meer of hij denkt met een spotlach aan uwe zoo kortstondige glorie; uwe ridders zijn naar alle windstreken verstrooid; uwe telgangers loopen thans voor de vuilniskar, en het groen en de vlaggen.... van de laatste werden er in Januari bij het feest van de koningin-moeder in wijk C slechts elf geteld. Elf, Ka, waar er vóór 10 jaar nog honderden hingen.
Elf, een teekenend nummer.

* * *

Het was in het laatst van '93 dat het stille, doode Utrecht in rep en roer gebracht werd op zekeren Zaterdagavond door eenige colporteurs met De Baanbreker. Dat was wat nieuws.
Een socialistische krant in Utrecht beteekende in de oogen van bijna de gansche bevolking den ondergang der wereld. Maar het mooiste was, dat na eenige weken men hunkerde naar den Zaterdagavond, om weer dat blaadje machtig te worden; dat men zijn centen reeds vooraf klaar maakte om maar gauw en maar al te dikwijls steelsgewijze naar den colporteur te wippen en hem spoedig de krant uit de hand te halen, waaruit een nieuw licht zou tegenstralen aan die oogen, zoo jarenlang gewens aan de duisternis van het bestaan.
De Baanbreker's vlogen weg 's Zaterdagavonds.
Nog zie ik in gedachten den reus Tap door de Elizabethstraat stappen, vlak achter een politie-agent, die juist dien dag wegens mishandeling van een arbeider in 't blad gesignaleerd was en hoor ik zijn tergend geroep: "Nou ken je lezen hoe de diender No..... de arbeiders behandelt"; - en langzaam, stap voor stap, in gelijken pas achter zijn deerniswaardig slachtoffer, klonk helder in de winterlucht de roep als een verpletterende aanklacht in de ooren van den drom volk, die dit tweetal omringde; nog zie ik Pieter Jelles zelf met zijn jekker aan en de wollen muts over de ooren, zijn kranten verkoopen bij "de stad Parijs"; nog hoor ik de gedempte vraag der vrouwen, beladen met de Zaterdagavondboodschappen, aan hare mannen: "Is 'm dát nou?"
Er lag eenige teleurstelling in den toon dezer vaag, die ik herhaaldelijk hoorde en waarin zich duideljik uitsprak: wij hadden van dien oproermaker wat anders verwacht; wij hadden hem willen zien half verscheurend dier, half mensch; maar een gewone neus en een gewone mond en een gewonen knevel, wat is daar nu aan! En de ouderen van dagen schudden meewarig het hoofd, omdat het fatsoen zóó de wereld uit was, dat een "advocaat? met een wollen muts op kranten stond te verkoopen in een sneeuwbui. 't Moest bepaald een verloopen advocaat zijn, want anders zou-die wel een hooge hoed op hebben en niet krantenjongen spelen.
Mij dunkt, dergelijke opmerkingen zal Troelstra als ik, in die dagen menigmaal gehoord hebben en waarschijnlijk nog wel erger.
Maar de Baanbreker's werden na eenige weken niet meer bij honderden, maar bij duizenden verkocht en ik zelf herinner mij nog levendig, hoe ik, eerst met een onuitsprekelijk afschuw het blad bekijkende, hetwelk onder de ambtenaren van de Staatsspoor druk gelezen werd, ten laatste op den Zaterdagmiddag, als de abonné's ze verspreidden op de bureaux, er het eerste naar greep.
Het was dan ook werkelijk wat nieuws: de rijke inhoud van het blad met zijn scherpe kritiek op de mannen, die, hoog verheven, door den arbeider waren gevreesd en ontzien, - met zijn overvloedige uiteenzetting van misstanden, waarover lang was gemopperd, doch die thans pas openlijk en op de juiste manier werden aan het daglicht gebracht, - met zijn krachtige, mooie hoofdartikelen, die een nieuw verschiet openden in het gedachtenleven der Utrechtsche arbeiders; het was wat nieuws en het was wat beters dan men tot dusverre gehad had en binnen zes maanden schommelde de normale straatverkoop tusschen de 4000 en 5000 exemplaren, was alle vrees om bij het koopen gezien te worden verdwenen en werd het zaad van het socialisme overgedragen in duizenden harten, wie het troost en bemoediging schonk in den zwaren strijd om het bestaan.
Dat dit ten laatste de burgerlijke partijen begon te vervelen is te begrijpen; men zag dat meer en meer het socialisme ook in Utrecht om zich heen greep en de R.K. Arbeidersvereeniging verrezen onder leiding van den bekenden heer Overdijk. Maar daarmede verdween ook de rust van Utrecht's straten en werd een tijdperk van straatgevechten ingeluid, hetwelk eenige weken geduurd heeft.
Had de bourgeoisie eerst gemeend dat in Utrecht het socialisme geen wortel zou schieten, de doorloopende uitgave van De Baanbreker, de oprichting van neutrale vakvereenigingen, de herhaalde debatten van Troelstra, waartoe de toen in gang zijnde kiesrecht-actie aanleiding gaf, en het onvermogen om daarten iets te doen, openden de oogen der kapitalisten voor het dreigend gevaar en voor het feit, dat ook de Utrechtsche arbeiders genoeg begonnen te krijgen van de uitbuiting en de berusting daarin; en het was dan ook de Roomsche geestelijkheid, onder wier aanvoering getracht werd het socialisme te Utrecht, hetwelk zich openbaarde als eene welbewuste en zedelijke macht, in discrediet te brengen en aanleiding te geven, dat daarop kon worden gescholden als op eene beweging, levend van schandaal, onrust en onzedelijkheid. Het optreden was scherp, maar zoodanig, dat niemand iets onfatsoenlijks er aan ten laste kon leggen en het is juist de groote kracht der burgerpartijen en voornamelijk der klerikalen, als ze het socialisme kunnen voorstellen als onzedelijk en misdadig. Uit dat oogpunt waarschijnlijk is het te verklaren, dat ook te Utrecht straatschandaaltjes werden uitgelokt en dat gepoogd werd de rust in Utrecht's straten te verstoren.
Want op zekeren Zaterdagavond in 1894 omringden een aantal leden van St. Jozeph den reus Tap, die als gewoonlijk te colporteeren liep, en trachtte hem onder den voet te werken, hetgeen echter met een persoontje van meer dan zes voet lengte en eene evenredige breedte niet zoo heel gemakkelijk kon gebeuren. Dringend en duwend verplaatste zich het relletje van den Steenweg naar de Neude, waar onze partijgenooten, na wat klappen te hebben opgeloopen, zich redden in het vereenigingslokkal in de Loefbrgmakerstraat, dat toen hoofdzakelijk in handen der "vrijen" was.
Doch, staande in de Potterstraat, zag ik ze in gelid met V.d. Wallen voorop, met stokken gewapend, weer voor den dag komen, waar ze werden aangevallen door een korperaaltje met een stuk of wat soldaten, waarna een verwoed gevecht gevoerd werd, waarbij eenigen belangrijke verwondingen bekwamen. Na den slag werden er door heel wat vreesachtigen, die nog niet goed een krant durfden koopen, eenige exemplaren uit den modder gehaald en zorgvuldig weggestoken.
Ik zou nog wel eens angstvallig rondkeek of geen bekende haar zag en toen een greep deed naar een stapeltje in de worsteling verloren Braanbekers, geregelde lezeres van het blad geworden is.
Dit eerste gevecht bij gelegenheid van de colportage (ik zal straks de eerste Meiviering gedenken, welke aan deze gebeurtenissen voorafging) gaf de politie, die zich tot nu toe onzijdig gehouden had, aanleiding om daadwerkelijk op te treden.
Eene politie-verordering werd gemaakt tegen volksoploopen en van deze gelegenheid maakten de officiëele handhavers der orde den volgenden Zaterdag gerbuik om er op eene verschrikkelijke manier op in tehakken, waarbij een onzer partijgenooten op eene schandalige wijze werd mishandeld.
Laat mij nog een aardig staaltje geven van de verlegenheid, waarin eeenige schoonen uit de Oranje-buurt, bij eene poging om een relletje te schoppen, kwamen.
Op een dezer Zaterdagavonden staat Troelstra op het Vreeburg rustig te colporteeren, toen een troep vrouwen uit wijk C verscheen met de blijkbare bedoeling een relletje te hebben. Dat kan men zien aan den loop. Men spreekt bij de Françaises van haren eigenaardigen loop, waarbij de heupen in voortdurend wiegelende beweging zijn. Soortgelijke eigenschap vertoonen de vrouwen bij ons in wijk C, wanneer ze op eenigerlei wijze verhit raken. Dan sluiten zich bij den troep de armen vast in elkaar, het hoofd beweegt zich bij voortduring in ja-knikkende beweging, de bovenrok wordt halverwege opgeslagen en tusschen den bovenband van den rok of van de schort vastgekneld, en zingens gaat men op het doel af, om beurten de rechter of linker heup een weinig naar achter draaiend, wat minder elegant dan ongemakkelijk is.
Ziet men zulk een stelletje aankomen, dan heeft men slechts te luisteren naar de liederen welke gezongen worden, om te weten of de dames een familielid gaan opzoeken, om bruiloft te vieren of wegens onderlingen oorlog, die ook hier meestal zijn oorsprong vindt in economische oorzaken, daar de eene gekomen is op het afzetgebied van de ander; - de meeste wij-C'ers waren toentertijd straathandelaren.
Welnu, men zong dien avond onder heupgedraai "weg met de socialen, leve-de-Willem III," hetwelk den kenner van Utrecht's volksleven bij zulk een troepje als onvervalscht krijgsgezang in de ooren klinkt.
Troelstra ziet het aankomen, dekt zich in den rug door een café, waarvoor hij zich posteert, en gaat kalm voort met zijne colportage. Van uit de Willemstraat komend naderen de volgelingen van Oranje_ka meer en meer en zijn eindelijk vlak bij hem, wien ze een standje zullen maken.
Maar het is opmerkelijk welk een invloed persoonlijke zelfbeheersching en kalmte op opgewonden gemoederen heeft. De dames zongen een poosje om hem heen, zagen blijkbaar geen kans iets tegen de onverstoorbare kalmte van hun gewaand slachtoffer te doen en, heur liedje veranderend in: "hij is gaan varen, zoo ver van hier", maakte de leidster rechtsomkeert en verdwenen de moderne Kenau's weer naar hare krotten, zonder iets te hebben uitgericht.

* * *

Dit eerste jaar, in hetwelk de partij werd opgericht, was rijk aan zulke ervaringen. De voormannen moeten toen een tijd beleefd hebben van voortdurende slingering tusschen hoop en vrees; nu eens wat moed krijgend door vernieuwde blijken van afhankelijkheid en dankbaarheid onder de arbeiders, dan weer verguisd en vertrapt door de vuilste lasteringen, welke toen omtrent hen werden verspreid.
Want, zooals boven gezegd, de eenige taktiek, welke nog een weinig proefhoudend gebleken is in den loop der tijden om de groote massa van het socialisme verwijderd te houden, is de laster.
De godsdienst is slechts dàn een onfeilbaar wapen tegen de geestelijke en zedelijke macht van het socialisme, wanneer kan worden beweerd, dat socialisten, omdat ze ongodsdienstig zijn, ook onzedelijker zijn dan godsdienstigen, en alleen met een beroep op den godsdienst zijn de bezitters in staat het proletariaat van hun waarachtig belang af te houden.
Jammer genoeg voor hen (de bezitters nl.) echter is op het zedelijk leven van de meeste sociaaldemocraten en althans van de voormannen niets af te dingen; ze zijn in de praktijk des levens de hoogststaanden, waar het op vervulling der plichten als ondergeschikte, als huisvader, als burger en als mensch aankomt en, zijn geene feiten te verzamelen waaruit te bewijzen zou zijn, dat het door de klerikalen op zeker oogenblik gekozen slachtoffer inderdaad een zedelijk misdadiger is, zooals men hem wil voorstellen, dan moet de laster er maar wat dikker worden opgesmeerd en de groote massa, niet kunnende denken dat hunne geestelijken met opzet en uit kracht van hunne verplichting om het kapitalisme te verdedigen, bij gebrek aan feiten waaruit de onzedelijkheid kan blijken, genoodzaakt zijn tot verdachtmaking en laster hun toevlucht te nemen, gelooft maar al te gaarne deze praatjes.
Zóó ook die welke omtrent Troelstra en Tap in die dagen werden versrpeid. Wanneer al de praatjes omtrent maintenees en verlaten meisjes, die voor hunne rekeing kwamen, waar zouden geweest zijn - werkelijk, ze zouden door de talrijke liefdesavonturen waarbij ze betrokken heetten, niet in staat geweest zijn eenig nuttig werk te doen. - En de inhoud van De Baanbreker gaf steeds weer opnieuw het bewijs, dat er voortdurend al de kracht aan besteed werd, waarover een hard werkend man kan beschikken.
Voor den ingewijde waren die praatjes des te belachelijker, daar dezen wisten van welk een onnoozel beetje geld het gezin van Troelstra toen moest leven en aan welk een chronisch geldgebrek onze voorvechter en zijne huisgenooten leden.
Op een dag zou Wildschut gaan colporteeren in Hilversum. Maar Wildschut had geen geld en niemand had geld; Troelstra's vrouw had nog voor haar huishouden één rijskdaalder en Wildschut vertrok naar Hilversum met dit geld ter wille van de propaganda. Dergelijke staaltjes zouden er veel te geven zijn, doch kieschheidshalve acht ik het beter, daarover niet verder te spreken.
Geconstateerd mag echter worden dat, werden in den aanvang door dezen of genen die praatjes al geloofd, - het zien van wat de sociaal-democraten werkelijk deden, sloeg al deze pogingen om door laster het socialisme te Utrecht dood te maken, den kop in.

* * *

Waar het eerste vuur onder Utrecht's eigen bevolking begon te dooven, en zoo zoetjes aan er de eerste storm om Baanbrekers te bemachtigen afnam daar groeide het bewust verzet in den organisatievorm zoowel in Utrecht als in het gansche land.
Het zal voor menigeen onbegrijpelijk zijn hoe Troelstra er toe gekomen is, zich als basis voor zijne propaganda voor de sociaal-democratie eene plaats te kiezen, welke hem schijnbaar zeer weinig waarborgen gaf voor slagen.
Te Utrecht toch was de arbeidersbeweging zoo goed als onbekend; men vond er eenige, doch zeer weinige socialistische elementen; vakbeweging was er zoo goed als in 't geheel niet; ze werd vertegenwoordigd door eene afdeeling van den Typografenbond en van den Metaalbewerkersbond.
De verklaring is dan ook uitsluitend te zoeken in de propaganda der Spoorwegorganisatie (Steeds Voorwaarts), welke vereeniging toentertijd sterk om zich had heen gegrepen en voor een deel haar kracht vond in een groot aantal jonge ambtenaren te Utrecht. Behalve van de afdeeling der S.V. maakten deze elementen ook deel uit van eene vereeniging voor vrije ontwikkeling, waarin verschillende onderwerpen besproken werden en die Troelstra op zekeren dag uitnoodigde eene spreekbeurt te vervullen, hetwelk tengevolge had, dat hij, met zijn scherpen blik op personen en toestanden, begreep dat hier de kern aanwezig was, van waaruit eene goede agitatie mogelijk zou zijn. Daar werden heel wat jonge mannen gevonden, die tijd, geld en kracht hadden om te helpen bij het moeielijke werk, hetwelk te doen stond.
Op de bureaux vond men een uitnemend propagandaterrein, de ontevredenheid steeg er met den dag en de werkzaamheden lieten toe wel eens met elkaar te praten. In doorsnede waren de ambtenaren een weinig meer ontwikkeld dan het gros der hand-arbeiders; zij hadden een inkomen, waarvan hoofdzakelijk de ongetrouwden beter een deel konden missen dan anderen; zij hadden tijd om wat te werken: - wat natuurlijker dan dat onder die omstandigheden Utrecht werd uitgekozen om de bakermat te worden van de toekomstige S.D.A.P.
En het was verbazend welk eene werkkracht er toen werd ontwikkeld. In een paar maanden waren niet alleen Utrecht, doch ook de voornaamste plaatsen in de provincite bewerkt door de herhaalde propagandatochten naar Maarsen, zeist, IJselstein, Driebergen, Veenendaal en Amersfoort, waarbij heel wat klappen vielen, doordat de gemeentebesturen met behulp der politie alles deden om de prediking der "neije leere" tegen te houden.
Toch werd het zaad gestrooid.
Vergaderlokalen werden geweigerd - men zegde in een plasregen huis aan huis op zulk een dorp aan, dat over een paar uur eene vergadering zou worden gehouden op een stuk weiland, of in en boerenschuur; - men werd door de bevolking en de politie het dorp uitgeranseld - 't gaf niets, op de grens der gemeente gaf de stam van een gevelden boom of een hoopje zand gelegenheid om de dorpelingen toe te spreken; - men mocht niet colporteeren of verspreiden, men verspreidde toch onder de oogen van de burllende politieagenten en zóó onverstoorbaar waren onze mannen toen, dat terwijl Tap te Hilversum door een politieagent werd opgebracht, hij onder de hand nog doorging met te roepen en te verkoopen.
Zoowel op 't gebied der organisatie in den politieken strijd, als in dien van den vakstrijd vloog de beweging vooruit, zooals steeds, wanneer het eerste jonge vuur oplaait in eenige streek, waar langen tijd het proletariaat aan zichzelf is overgelaten geworden, zoodat na een halfjaar arbeids ook de vakbeweging aardig begon vooruit te gaan. Omstreeks de helft van 1894 waren, behalve de reeds genoemde, kleermakers-, timmerlieden-, sigarenmakers- en schildersvereenigingen gesticht, die alle op een flink aantal leden konden rekenen. En dat, niettegenstaande herhaaldelijke tegenwerking van de zijde van politie en soldaten.
Wie b.v. heeft deelgenomen aan de 1e Meibetooging te Utrecht in den jare 1894, zal dien avond niet licht vergeten. In samenwerking met de radicalen was het zaaltje van "de Nijverheid" gehuurd, doch op het laatste oogenblik werd dit geweigerd.
Men besloot dus maar eene wandeling te maken door de stad, doch de klaarblijkelijk daartoe opgehitste geniesoldaten (mineurs) waren weer aanwezig om relletjes te maken, zoodat het, dank zij eenige halfdronken studenten, die op de Neude met biljartqueues gewapend uit een café kwamen stormen, weer spoedig in een algemeen straatgevecht ontaardde.
Dit geheele eerste jaar van het bestaan der beweging in Utrecht is er een van rusteloozen strijd naar binnen en naar buiten geweest.
Hadden onze mannen te vechten tegen den laster en het vooroordeel der bourgeoisie, niet minder moesten zij zich wapenen tegen den laster en het vooroordeel, komende uit de kringen der z.g. bewuste arbeiders, n.l. uit die der "vrijen". Want evenals de andere groepen of partijen, die brugerlijk denken, zagen ook de Nieuwenhuis-mannen met leede oogen den voortgang der sociaal-democratie en met den moed der wanhoop zochten ze deze te stuiten.
Vandaar herhaaldelijke debatten met Cornelissen, welke in het kleine zaaltje in de Loefbergmakerstraat werden gehouden; vandaar een boycot van De Baanbreker door de Jonge Garde, een clubje jongetjes, welke tot het socialisme waren gekomen door de werkzaamheid van Troelstra.
Maar naast deze invloeden welke werkzaam waren om den voortgang der jeugdige beweging tegen te werken, waren er niet minder die medewerkten om de jonge partij vooruit te brengen, nadat ze in Augustus 1894 was gesticht.
Want 1894 is het jaar van de verwerping der kieswet-Tak en in dat jaar gingen alle democratische elementen nog samen in ééne actie voor een verbeterd kiesrecht.
En zóó warm was men in die dagen nog voor het kiesrecht, dat toen op 9 Dec. 1893 eene vergadering was uitgeschreven door het Utrechtsche Comité voor Algemeen Kies- en Stemrecht, hetwelk nog hoofzakelijk door radicalen geleid werd, de groote zaal van Tivoli gevuld was.
Opmerkelijk, dat het toèn aan de christelijke partijen wèl mogelijk was om met de socialisten, die thans zoo pikzwart gemaakt worden, samen te werken.
Op 9 Maart 1894 werd de kieswet-Tak ingetrokken en op 19 Maart had eene stikvolle protestvergadering plaats in Tivoli, belegd door alle democratische partijen, en het lijstje van de sprekers zal zeer zeker dienen om de overtuiging te schenken, dat de christelijke arbeiders er, sinds christenen het ministerie vormen, in democratie niet op zijn vooruitgegaan. Op dien avond traden als sprekers op: Overdijk, de bekende voorvechter van den R.K. Volksbond, Herdes, een anti-rev. uitgever, Zélvelder, toen nog liberaal, Trosée, v. Luin en v. Hassel, radicaal, en Troelstra.
Men ziet, de St. Jozeph-mannen met de Patrimonium-mannen hadden nog heel wat meer "fut" dan tegenwoordig en schroomden niet om eenige actie te voeren tegen de liberale reationairen. Broederlijk werd een motie van afkeuring aangenomen tegen de kamerleden, die tot den val van het kiesrecht-ontwerp hadden meegewerkt.
In deze dagen trad de Utrechtsche Sociaal-democratische kiesvereeniging, welke tot geen partijverband behoorde en half Maart was opgericht, voor 't eerst in 't krijt.
Voor de Kamerverkiezingen welke op 10 April moesten plaats hebben werd Troelstra gecandideerd en de uitslag?.... Hij kreeg over de geheele stad.... 42 stemmen, hetgeen niet weinig veroorzaakt werd 1e door het beperkt kiesrecht en 2e door de omstandigheid dat alle zalen, waar hij zou optreden als spreker, geweigerd werden.
Onder die medewerkende invloeden behooren ook genoemd te worden eenige onlusten, welke ontstonden naar aanleiding van den bouw der nieuwe overkapping van het Centraalstation.
Omstreeks de helft van het jaar 1894 bleek het den aannemer van het werk, dat hij met de Nederlandsche werklieden niet snel genoeg kon voortkomen en hij liet dus uit België een ploeg arbeiders komen, waardoor een twintigtal Hollandsche werklieden op straat gezet werden. Natuurlijk waren de laatsten daarover allesbehalve gesticht en zochten naar middelen om in relatie te komen met de Belgen, teneinde eens te kunnten spreken over de wederzijdsche belangen.
Zoowel de aannemer als de politie schenen nog al wat zenuwachtig te zijn, althans toen 's Maandagsmorgens de Hollanders zich aan het station vervoegden, hakte de politie er zonder vorm van proces op in, waardoor sommige van de werklieden op een verschrikkelijke manier werden toegetakeld.
Vroeger hadden deze menschen niemand tot wien ze zich in zulke omstandigheden konde wenden; thans echter was de eerste gedachte aan Troelstra, die dan ook binnen eenige dagen de zaak tot wederzijdsch genoegen had opgelost in eenige vergaderingen, waarin de Hollandsche en Belgische werklieden elkander leerden verstaan. Deze relletjes, onder ons bekend als "de Kapbeweging", droegen er niet weinig toe bij om Troelstra den naam te bezorgen van de taktische hulp voor de arbeiders en onder de burgerij waren er niet weinigen, die, vertoornd over de ongemotiveerde mishandelingen, waaraan de politie zich had schuldig gemaakt, het openlijk Troelstra dankten, dat de rust in het vroeger zoo rustige Utrecht was weergekeerd.
En de arbeiders waren opgetogen, dat ze thans iemand hadden bij wien ze zonder vrees van uitgelachen te worden, hun hart eens konden luchten, van wien en wisten dat met kalmte en verstand hunne zaak zou worden beslecht.
Een aardig staaltje van den spoedigen omkeer bij sommigen deed zich op een dezer vergaderingen met de kapwerkers voor.
Een der zoons van "Oranje-Ka", in die vergadering tegenwoordig, was het blijkbaar eens met de wijze waarop door de socialisten deze zaak werd aangevat en behandeld, terwijl zijn broer, in het voetspoor van zijn moeder, probeerde herrie te maken. Toen de laatste na herhaalde aanmaningen niet rustig wilde zijn, werd hij door zijn bloedeigen broeder eigenhandig buiten de deur gesmeten.
"In die dagen zullen twee in een gezin verdeeld zijn; de troon zal opstaan tegen den vader en de dochter tegen de moeder" heeft Jezus gezegd en Utrecht zag het binnen hare conservatieve muren.
Er was letterlijk niemand, die zich aan de krachtig om zich heen grijpende beweging kon onttrekken en niettegenstaande er heel wat gemopper was over de onrust, welke in de gemeente was gekomen met de komst der socialisten, niettegenstaande de blijvende kritiek welke op verschillende toestanden, waaraan ieder gewend geraakt was, werd uitgeoefend, - allerwege moest men erkennen, dat dit socialisme toch wat anders was dan de vechtpartijen, waarvan men in de bladen voortdurend gelezen had, als zijnde uitgelokt door de socialisten in andere plaatsen en, zooals in Augustus 1894 het Handelsblad met zuurzoet gezicht de oprichting der S.D.A.P. toejuichte, zoo moesten de machthebbers te Utrecht ook toegeven dat, afgezien van die vervloekte colportage, welke tot zooveel onrust aanleiding gaf, dàt socialisme toch wel iets goeds had.

* * *

Inmiddels zaten de patroons ook niet stil.
Met schrik zagen ze den stijgenden verkoop van couranten en liederenbundels en met ontzetting ontwaarden ze dat de onder hen werkende arbeiders lang niet zoo afkeering waren van eenige loonsverhooging en verbetering van toestanden, als ze wel gedacht hadden.
Het zaad der ontevredenheid wies hun te welig en Troelstra, als uitstekend agitator, wist opd e van hem bekende wijze overal munt uit te slaan voor de propaganda. De groote werkeloosheid in die dagen en de stakingen ter typografen en sigarenmakers in Amsterdam vormden een agitatie-materiaal, hetwelk door de handen van onzen voorvechter werd omgesmeed tot vruchtbare actie en duurzame organisatie.
En, wat voor den propagandist van onschatbare waarde bij zijn werk is, te midden van de meest drukkende zorgen wist hij zijn goed humeur te bewaren, te midden van de meest tot wanhoop stemmende omstandigheden wist hij nog licht te zien, te midden van de grootste ontmoediging wist hij nog nieuwen moed te gieten in de harten en hoe meer de vijanden zich vereenigden tegenover de sociaaldemocratie, hoe meer troepen hij telkens weer in het veld wist te brengen en hoe harder hij om zich heen sloeg. Natuurlijk, dat de pas gevormde sociaal-democraten nog wat zwak waren in de leer, nog wat beduisd keken van de tegenwerking, welke van alle zijden kwam, nog wat spoedig teleurgesteld waren. Troelstra's gelukkig optimisme wist alle bezwaar te overwinnen, waarbij hij terdege geholpen werd door zijn broer Dirk, die, zwak van lichaam en niet zoo doordrongen in het agitatie- en propagandawerk als zijn broer, met hem de volle kracht gaf aan de organisatie.
Hij, de thans ontslapen dichter, met zijn warm voelend hart en zijn groot geloof in de zegepraal van het proletariaat, met zijne hartstochtelijke liefde voor het volk en zijne bevrijding, met zijn sterk gevoel voor gerechtigheid, hij stond nacht en dag zijn broeder en diens vrouw ter zijde en verving hem, waar het bij de vele propagandareizen, welke de eerste moest maken, noodig was -; de oudere Utrechtsche partijgenooten denken nog met weemoed terug aan den zachten Dirk, die zoo gaarne de menschen, ook in hun dagelijksche leven, goed en edel zag handelen.
De patroons voelden wel, dat, naast de lasteringen van de klerikalen en het onderbrengen van arbeiders in Christelijke vereenigingen, er toch nog wat anders moest gebeuren om hunne zoo zoete werklieden zoet te houden. En tegenover de rechtmatige kritiek op het overlaten aan hun lot van de talrijke werkeloozen, voelden de christelijke liefdadigheidsmenschen dat er iets gedaan moest worden.
Doch dit mocht volstrekt niet in samenwerking met de sociaal-democraten gebeuren.
Die samenwerking ging nog een jaar geleden, toen de partij nog geen kracht had en men tegenover eigen geestverwanten het moest doen voorkomen, alsof er geen gevaar te duchten was; - nadat in Augustus de partij was opgericht en De Baanbreker iedere week opnieuw sprak van de nieuw opgerichte afdeelingen en de werkstaking bij v.d. Weijer onder de typografen de oogen meer en meer voor de bewustwording van het proletariaat opende, was iedere samenwerking met de burgerlijke partijen voortaan uitgesloten en werd door deze vierkant front gemaakt in 't openbaar.
De patroons namen het initiatief tot een arbeidsraad, een soort van ding als later de Kamers van Arbeid geworden zijn. Zij noodigden verschillende vereenigingen uit, doch lieten de onafhankelijke vakvereenigingen en de S.D.A.P. er buiten, niettegenstaande herhaalde protesten.
Het ding mislukte.
Uit de Christelijke vereenigingen werd een comité voor werkverschaffing opgericht en natuurlijk negeerde men de onafhankelijke vakvereenigingen en de S.D.A.P.
Individueel echter waren de christelijke en burgerlijk denkende arbeiders zelf niet zoo bang om met sociaal-democraten samen te werken, want bij de oprichting der coöperatieve broodbakkerij "de Eendracht" vinden we als bestuursleden in het eerste bestuur den bekenden v.'t Klooster, bondspresient der anti-soc.- dem. vereeniging "Recht en Plicht", en den heer v. Hassel, den anti-soc.-dem. radicaal-typograaf, die, aan het hoofd der vereeniging "Nut en Genoegen", zijne leden van alles, wat naar onafhankelijkheid en strijd riekt, terughoudt.
Dit optreden der patroons mocht, zooals van zelf spreekt, niet veel baten tegenover de onvermoeide propaganda der sociaal-democraten en met verbazing werd waargenomen, hoe alles wat werd aangewend om die gehate partij den kop in te drukken, meewerkte om immer meer voordeel voor haar te behalen.
Want kort na deze pogingen om, door uitsluiting der partij, aan de arbeiders te toonen, hoe goed de patroons en de christelijke werklieden toch zorgden en hoe het zonder de sociaal-democraten ging, - pogingen, welke natuurlijk moesten mislukken, omdat het zonder die sociaal-democraten nu eenmaal niet gaat - kort daarna verloor, dank zij de ketterjagerij der Hollandsche Spoor, v.d. Wallen zijn brood en kreeg de partij te Utrecht een propagandist meer.
Nù zouden toch de Utrechtsche spoorwegmannen den moed wel laten zakken, dachten de heeren, want iedereen wist wel, dat in die dagen heel wat spoorwegambtenaren, 't zij openlijk, 't zij in het geheim, de sociaal-democratei begunstigden.
En ziet, - v.d. Wallen staat nog geen paar maanden op straat of Alex. Dörr opent een nieuw volksgebouw vlak naast de deftige woning van een der commissarissen der Staatsspoor.
En Dörr was ambtenaar bij die maatschappij, was redacteur van De Seingever, het orgaan van den bond van spoorweg-personeel en was warm voorvechter van de sociaal-democratie.
Dit Volksgebouw, evenals het tegenwoordige, staande aan een der deftigste grachten te Utrecht, gaf een nieuw blijk van de macht der uitgesloten partij, was een nieuw brandpunt voor de beweging, was een nieuwe nagel in de doodkist der bourgeoisie.
Wat wonder dat haar de schrik om het hart sloeg. In het eind van 1894 het eerste slachtoffer der beweging te Utrecht, v.d. Wallen; in Februari 1895 oprichting der coöperatie, in Mei d.a.v. stichting van het Volksgebouw in een groot pand en ziet, in Juli daarop verscheen door samensmelting met De Vrijheid, De Baanbreker in vergroot formaat.
En toch, - de menschen hadden nog niets geleerd, zooals zij waarschijnlijk nooit zullen leeren.
Door een voorstel van het werkman-raadslid Pijpers, gecandideerd en gekozen door de liberalen, die ook deze veiligheidsklep meenden te moeten aanwenden om het stijgende socialisme in de laagte te houden, was de kwestie van minimum-loon en maximum-arbeidsduur in den Raad aan de orde gekomen. Het beruchte rapport van prof. d'Aulnis verscheen en het voorstel tot invoering werd verworpen.
Groote toorn onder de arbeiders, ook onzer de christelijken, en een protestvergadering werd belegd, waarbij weer de onafhankelijke vakvereenigingen en de S.D.A.P. werden uitgesloten, hetgeen echter niet verhinderde dat de sociaal-democraten bij het debat de winst van den avond wegdroegen.

* * *

Laat mij besluiten. Mijn doel was niet eene geschiedenis te schrijven van de Utrechtsche beweging; slechts wilde ik eenige tafereeltjes in vogelvlucht laten zien.
En met de vermelding, dat in het laatst van 1895 De Baanbreker op zijn laatste beenen begon te loopen en de verkoop al minder werd, doordat het blad niet meer plaatselijk orgaan was, zoodat de oprichting op 1 Januari 1896 van De Sociaal-Democraat noodzakelijk geworden was, wil ik eindigen.
Doch laat mij dit niet doen, voordat ik hulde gebracht heb aan de slachtoffers van dezen eersten strijd, gevallen, deels tengevolge van hunne zwakke constitutie, deels door der vervolgingszucht en de overspanning, waaraan zij ter prooi waren in deze eerste tijden.
In dit bestek eene laatste gedachtenis aan Dirk Troelstra, v.d. Wallen en Dörr, doch ook eene levendige herinnering aan de vrouw, die door hare heldhaftigheid geregeld haar man wist te steunen en die toch zoo zwak was. Nog zie ik mevrouw Troelstra voor mij, hoe ze op een kouden winterdag met haar zoontje een wandeling maakte en hoe ze, voor haar opvoeding en afkomst schamel gekleed, zich in de winterkou waagde. Het was toen voor het eerst, dat ik haar zag, haar, de vrouw van den toen ook door mij nog vervloekten opruier Troelstra. Wat zij heeft geleden in die eerste jaren, wat zij voor stillen arbeid heeft verricht.... ik geloof niet, dat veel vrouwen in staat zijn, dit alles te dragen, zonder geheel onder te gaan.
Zij is dezelfde wakkere strijdster gebleven, zij dient in deze korte schets herdacht, zij heeft ook een groot deel bij gedragen aan de opkomst en den bloei der Utrechtsche arbeidersbeweging.
Mogen deze weinige bladzijden voortdurend weer eene aansporing zijn tot volhoudend en geduldig, maar vurig strijden, hopen en vertrouwen voor allen van beiderlei kunne, en mogen zij er opnieuw uit leeren dat, hoe zwart de nacht rondom ons moge zijn, het licht telkens weer doorbreekt en dat, hoe fel de slagen van de tegenpartij mogen neerkomen, hoe sterk de verdrukking moge zijn, aan ons de wereld is, trots alles!
J. OUDEGEEST
Utrecht, Maart 1904


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline