|
|
De wording der S.D.A.P. [2]
VII
|
Was de strijd over de taktiek door de aanneming der Zwolsche resolutie, onder den invloed der sterke reaktie, in de eerste maanden van 1893 op den achtergrond geraakt - diezelfde reaktie deed een "onkruid" opschieten, dat de Nieuwe Tijd wel moest trachten te "wieden". Onder het opschrift "Dikke woorden" werd o.a. tegen de volgende uitlating geprotesteerd, waarmede Van Emmenes in zijn Arnhemsch blad De Voorwaarts de geesten zijner lezers verhelderde:
"Dwazen! Gij verhaast het oogenblik waarop de laatste kolf van het laatste geweer op het duivelenhoofd van den laatsten uitzuiger zal worden stukgeslagen.
Dag der vergelding! Dag, waarop de beurt is aan het vertrapte proletariaat om zich te verlustigen in het doodsgerochel zijner tyrannen; grootsche dag, gij nadert met rasse schreden."
Met de afkeuring van deze en dergelijke onziinigheden in De Nieuwe Tijd van 1893 begon opnieuw een polemiek over de taktiek, die van de zijde van Recht voor Allen in een hatelijken personenstrijd oversloeg, toen De Nieuwe Tijd van 1893 begon opnieuw een polemiek over de taktiek, die van de zijde van Recht voor Allen in een hatelijken personenstrijd oversloef, toen De Nieuwen Tijd, wegens mijne verhuizing naar Amsterdam, met ingang van 3 Juni 1893 te Amsterdam verscheen.
Dit feit wekte blijkbaar bij de officieële partijleiders aldaar de bezordheid, dat het den invloed van het partijorgaan zou schaden. Drie huishoudelijke vergaderingen werden door de afd. Amsterdam van den Soc. Dem. Bond aan die simpele verhuizing gewijd; drie vergaderingen in Constantia, stampend druk bezocht, waar ik voor het eerst "de Partij" leerde kennen. Dat het een aangename kennismaking was, kan ik niet zeggen. Ook konden de debatten niet verheldering van denkbeelden bijdragen, daar Domela Nieuwenhuis op den voorgrond stelde, dat hij mij niet als "parlementair", doch als persoon bestreed. Het was dus slechts een ontketening der hartstochten tegen mij, blijkbaar om mij aldus klein te krijgen. Alleen Fortuijn nam het uitdrukkelijk op voor mijn recht op oppositie.
Op de laatste dier drie vergaderingen trad ik, in plaats van verdedigend, aanvallend op en wel tegen Cornelissen, den kwaden geest van Domela Nieuwenhuis, jezuïet van aanleg, zich beroemend op zijn boosheden, die de Partij wel het meest heeft geschaad door de kronkelingen van taktiek, waarin hij Domela Nieuwenhuis steeds wist mee te slepen en die, toen hij het einde zag naderen, de eerste rat is geweest die het zinkende schip heeft verlaten. Die scène in Constantia, toen we van het tooneel waren weggeregend en ik onder donder en bliksem, van een paar vrienden vergezeld, beneden in de zaal die opgehitste massa nog razender maakte door mijn aanvallen op hare afgoden, zal ik nooit vergeten.
Intusschen werd, op aandrang van Domela Nieuwenhuis zelf, de motie van afkeuring, door Götze voorgesteld, niet in stemming gebracht.
En ook in zooverre trof deze bestrijding geen doel, dat zij nog meer de aandacht vestigde op ons blad en ons daardoor meer lezers onder de partijgenooten bezorgde.
Toen Poutsma was gevangen genomen, had ik de administratie van het blad in der haast moeten overnemen; in partijgenoot Kenther, die vroeger in Winschoten De Volkszaak had geredigeerd, vond ik een administrateur en hij was dan ook als zoodanig mede naar Amsterdam getrokken. Als hoofd der kolportage was Marten van den Tempel uit Leeuwarden mede gekomen en onze merkwaardigste kolporteur was wel een Leeuwarder vischventer, die in Amsterdams straten het blad uitriep op denzelfden toon, waarmede wij hem vroeger in Leeuwarden avond aan avond zijn sprot hadden hooren venten.
De strijd over taktiek en beginselen, in pers en vergaderingen gevoerd, uitte zich ook bij de kolportage met de bladen op straat. Er was daar zware konkurrentie tusschen De Nieuwe Tijd en Recht voor Allen, die op hun berut weer een edelen wedstrijd voerden met Sta Pal, De Anarchist en gewoonlijk werden overvluegeld door De Roode Duivel. Het was een strijd, wie de beste keel en op de borden de meest pakkende opschriften had. Vooral de Damstraat was het tooneel van dezen konkurrentie-strijd, die soms zoo hevig werd, dat op zekeren Zaterdagavond de borden slaags raakten, waarbij een stuk gaas van de trouwjapon mijner vrouw, over het parlementaire bord gespannen, het tegen de revolutionaire taktiek moest afleggen. Adressen van Damstraat-bewoners, die hunne nering bedreigd zagen, lokten een zeer geanimeerd politie-optreden uit en zoo verdwenen nu en dan zoowel parlementaire als revolutionaire kampioenen, door politievuisten bij de kraag gegrepen, van het strijdtooneel.
Het bureau van De Nieuwe Tijd was, evenals mijn kantoor, gevestigd aan den Nieuwendijk No. 55 en met de bewoners en bezoekers van het naburige café Voorwaarts in de Nieuwstraat hielden wij vrij goede nabuurschap. Die bezoekers waren voor een groot deel leden van de joodsche soc. dem. vereeniging "Het Centrum"; in die dagen van slapte in de diamant-industrie waren zij veelal werkloos; bij de herhaalde opstootjes in de stad speelden zij nog al een rol; in de jodenbuurt begonnen zij goede propaganda te maken, waarbij Henri Polak en De Levita als sprekers optraden en zij vormden ook de kern van de Diamantbewerkers-vereeniging, die in de laatste helft van 1893 een 140 leden telde.
Laat ik hieraan toevoegen, dat Polak in die dagen een reeks van artikelen over het diamantvak in De Nieuwe Tijd schreef, later in zijne bekende brochure nader uitgewerkt, die zeker ook voor de latere organisatie in dat vak van beteekenis zijn geweest.
De strijd tusscen de beide richtingen in de Partij werd niet weinig verscherpt door het Internationaal Kongres te Zürich op 5-12 Augustus 1893. De Hollandsche delegatie bestond uit een groote meerderheid "revolutionairen" (Domela Nieuwenhuis, Cornelissen en Vliegen) met eenige vakvereenigingsmannen) en een kleine minderheid van twee "parlementairen" (Van Kol en J.W. Gerhard). Voor de redaktie van De Amsterdammer woonde ik als verslaggever het Kongres bij.
Had Domela Nieuwenhuis reeds in Parijs (1889) tot de oppositie behoord en in 1891 (Brussel) hevige debatten met Liebknecht gevoerd, in Zürich zou hij zijn grooten slag slaan tegen de Duitsche partij. Een deel der Fransche socialisten en de Duitsche "jongen" zouden daarbij aan zijn zijde staan, terwijl ook eenige Engelsche socialisten hem steunden. De "jongen" hadden op het Erfurter kongres (1892) juist totaal fiasco geleden en de Partij verlaten; zij zagen in Domela Nieuwenhuis den man, die hen in Zürich wreken zou. De hoop van al wat anarchist was in de internationale beweging was op Domela Nieuwenhuis gevestigd. Niet alleen om zijn persoon; maar ook, omdat hij in de buitenlandsche pers en in de rapporten over den stand der beweging hier te lande den indruk had weten te wekken, alsof hier "het proletariaat: met zijne revolitionaire taktiek wonderen deed. Mocht men hem en Cornelissen gelooven, dan stonden de Hollandsche arbeiders vooraan in den internationalen klassenstrijd; dan waren "de boeren" hier kommunisten van aanleg; dan was hier het antimilitarisme reeds toen bezig, de grondzuilen van den Staat te ondermijnen; dan deed de aktie à la Reens, bestaande in 't doen mislukken van exekuties, de regeering met de handen in 't haar staan; dan was Holland het paradijs der revolutie. Deze opsnijderij was toen nog niet door de feiten gelogenstraft, zoodat Domela Nieuwenhuis als hoop en troost aller utopisten ten kongresse toog.
Natuurlijk moest hij nu ook het noodige revolutionaire vuurwerk meebrengen. Dat bestond in twee ontwerp-resoluties, een omtrent de parlementaire aktie en een ter aanbeveling van de militaire werkstaking.
Het eerste voorstel luidde:
"Het Kongres, overwegende, dat de klassenstrijd niet door het parlementaire optreden uitgevochten zal worden, vordert de arbeiderspartijen aller landen op: |
| a. |
zich van de verkiezing alleen te bedienen als agitatiemiddel; |
| b. |
om hunne eventueele vertegenwoordigers slechts in het parlement te doen optreden, om daar te protesteeren tegen de kapitalistische orde der maatschappij, maar niet om hen te veroorloven, aan den parlementairen arbeid deel te nemen door het doen van wetsvoorstellen, enz." |
| Het schijnt, dat de buitenlandsche vrienden dit toch wat al te mal vonden; althans begin Juli kwam Recht voor Allen | plotseling uit den hoek met een gewijzigd voorstel, dat aldus luidde:
"Het Kongres, overwegende dat de klassenstrijd niet door parlementair optreden kan uitgestreden worden, maar beslecht moet worden door de ekonomische macht, waardoor het optreden in het parlement beheerscht wordt, verklaart:
| a. |
dat de verkiezingen moeten aangewend worden hoofdzakelijk als een middel tot agitatie; |
| b. |
dat de leden der partij, in het parlement gekozen, zich hoofdzakelijk moeten bepalen tot de taak, te werken tegen de kapitalistische orde der maatschappij en slechts moeten deelnemen aan dien parlementairen arbeid, die door hun kiezers uitdrukkelijk is goedgekeurd." |
Hoewel een vergelijking van de gespatieerde woorden in beide resoluties aantoont, dat de eene precies het tegenovergestelde is van de andere, werd de laatste toch als "verduidelijking" van de eerste aan de Partij voorgelegd.
Hiertegen kwam De Nieuwe Tijd met kracht op, betoogende dat men, indien men tot het inzicht was gekomen van de onhoudbaarheid dier eerste resolutie, deze ronduit moest erkennen en dat voorstel behoorde in te trekken.
Maar in de Partij, opgeroepen om tegen deze knoeierij te protesteeren, liet ook dit over haar kant gaan. Zij was trouwens aan dergelijke ondemokratische praktijken gewoon.
Zoo werd ook in deze dagen door de afdeeling Amsterdam plotseling een nieuwe Centrale Raad benoemd, zonder dat de Partij er iets van vernam, waarom de oude voor een nieuwe moest plaats maken. De geheimdoenerij was zoo sterk in de Partij, dat het verboden, was, iets publiek te maken van wat in de huishoudelijke vergadering der Amsterdamsche afdeeling over deze algemeene partijaangelegenheid was verhandeld. |
VIII |
Dat de Hollandsche vlieger te Zürich niet opging, ligt vóór de hand. De eigenljke strijd over de taktiek werd reeds gevoerd bij de behandeling der mandaten.
Volgens het besluit van 't Brusselsche voorkongres (voor Holland door Cornelissen bijgewoond) zouden tot het kongres worden toegelaten alle arbeiders-vakvereenigingen, evenals de afgevaardigden van de socialistische partijen en vereenigingen, die de noodzakelijkheid van de organisatie der arbeiders en van het politieke optreden inzien. Het debat liep voornamelijk over eene nadere verklaring der woorden "politiek optreden", dat volgens een motie-Bebel-Adler-Kautsky aldus moest worden opgevat: "het gebruik maken der politieke rechten en van de wetgeving (parlementarisme en stemrecht) ter verheffing van het proletariaat en ter verovering der politieke macht". Deze motie werd met groote meerderheid aangenomen, evenals het voorstel der Duitsche delegatie, om de "jongen", als niet aan dezen eisch voldoende, niet toe te laten. Hadden de Hollanders hunne motie ter verwerping van het parlementarisme niet gewijzigd, of waren zij konsekwent geweest, dan hadden zij na dit votum het kongres behooren te verlaten.
Maar dit zou eerst in 1896 te Londen gebeuren. Bij de behandeling van het punt: politieke aktie, bleek het, dat de Hollanders hun voorstel hadden ingetrokken ten voordeele van een kommissie-voorstel, door Vandervelde toegelicht, dat volkomen inging tegen de hier gepredikte taktiek van Recht voor Allen, daar het zelfs aandrong op de verovering der politieke machtsmiddelen en op 't verkrijgen van hervormingen door middel der politieke machtsmiddelen en op 't verkrijgen van hervormingen door middel der politieke aktie. Vliegen bestreed dit voorstel, doch verklaarde, dat de Hollanders zich van stemming zouden onthouden.
Het voorstel tot militaire werkstaking stond tegenover een Duitsch voorsel, waarbij de nadruk werd gelegd op het wezen van het militarisme als gevolg van het kapitalisme, zoodat de strijd tegen het laatste moet gaan. Slechts vier nationaliteiten (Holland, Frankrijk, Noorwegen en Australie) stemden vóór het Hollandsche voorstel en 14 tegen.
Dat de uitslag van dit Kongres ons nieuwen moed gaf, behoeft niet nader betoogd. Het verschafte ons vele en nieuwe argumenten voor het eerstvolgend Kerstkongres ten gunste onzer opvattingen en om te verhoeden, dat de polemieken, die scherper en scherper werden, den geest der Partij zóó zouden bederven, dat zakelijke debatten op het kongres onmogelijk werden, deelde ik in De Nieuwe Tijd van 9 September mede, tot het kongres de behandling van alle min of meer persoonlijke geschilpunten te zullen uitstellen, op geene persoonlijkheden te zullen antwoorden en tot het kongres alleen opbouwend, niet aanvallend, te zullen propageeren voor onze inzichten, waar deze van die der officiëele aprtijhoofden afweken. Met ziet hier steeds hetzelfde streven, om zoo weinig mogelijk vat te geven aan de taktiek van Recht voor Allen: door het opwerpen van persoonlijke kwesties de ooren der partijgenooten voor ons te sluiten en ons als vijanden der organisatie voor te stellen.
Inmiddels kwamen de persoonlijke kwesties onder ons kleine groepje zelf. In De Nieuwe Tijd, door ruime verspreiding der brochure Moderne Ketters, door een groote vergadering der Amsterdamsche "Unie" was geprotesteerd tegen Poutsma's gevangenhouding en aangedrongen op gratie, die door zijne vrouw was gevraagd. Het gevolg bleef niet uit: 30 Augustus werd Poutsma uit de gevangenis ontslagen en dienzelfden avond door een groote menigte "onder donderend hoera en vreugdegeroep", zooals hij 't in De Nieuwe Tijd beschreef, in zijne woonplaats Sneek ontvangen. Toen hij eenigen tijd alter in Amsterdam kwam, om de administratie van De Nieuwe Tijd, door Kenther zoolang gevoerd, over te nemen, begon hij al spoedig eene houding jegens mij aan te nemen, die mijn verontwaardiging opwekte en mij verhinderde met hem samen te werken. Wie de brochure Moderne Ketters heeft gelezen, zal begrijpen, hoe mij dit smartte. Ik kreeg van mijn beide mede-redakteuren (sedert 9 Sept. was ook Henri Polak in de redaktie getreden) bij die gelegenehid niet den steun dien ik wenschte en er volgde een correspondentie, waarin ik verklaarde, onder die omstandigheden de redaktie te zullen moeten verlaten.
Nu Polak in de redaktie was, scheen Van der Goes, die na Zürich verlangde, dat de voorstanders der taktiek van het Zürische Kongres zich afzonderlijk zouden organiseeren, het wel wenschelijk te vinden, de leiding van het blad van mij over te nemen, om zijne taktiek jegens den Bond te kunnen toepassen.
Zoo leidde in den grond der zaak het verschil van taktisch inzicht, dat steeds tusschen ons beiden bestond, tot eene scheuring, ja zelfs tot een tijdelijke vervreemding, die mij deed omzien naar andere middelen, om langs den door mij gekozen weg ons gemeenschappelijk doel te bereiken.
In die dagen hoopten zich de moeilijkheden in mijn leven op. Het bleek mij onmogelijk, de praktijk, waarvoor ik mij had geassociëerd, verder te voeren; de associatie moest worden ontbonden; ik had te kiezen of te deelen, of ik mij nu verder geheel aan de propaganda zou geven dan aan de advocatuur. Dat viel samen met de breuk met de administratie en redaktie van De Nieuwe Tijd.
In die omstandigheden besloot ik, een geheel nieuw terrein zelfstandig te gaan bewerken; mij ergens als propagandist te gaan vestigen, waar ik een stuk organisatie van onderen op kon bouwen, dat dan later verder kon uitgroeiën, over het land heen. En daardoor viel mijn aandacht op Utrecht, waar reeds De Sneeker Courant onder de spoorwegambtenaren was gelezen, terwijl in de "Debat- en Ontwikkelingsclub" eenige geestverwanten zaten, die daarin dapper propaganda begonnen te maken voor de sociaal-demokratie en mij reeds eenmaal daarvoor hadden laten optreden.
Werkelijk was het zaad, door ons tusschen zooveel onkruid in gestrooid en bijna overal verstikt, hier in stilte opgeschoten onder een groepje flinke, intelligente jonge mannen, die niets liever wilden dan onder krachtige leiding hier den strijd ter hand nemen. Niet alleen den politieken-, óók den vakstrijd; want de Spoorwegorganisatie "Steeds Voorwaarts", die juist in die dagen weer druk in aktie begon te komen, had hier haar aangewezen centrum. De direktiën waren bezig, een zwaren slag tegen de "Steeds Voorwaarts" te beramen. De oprichting van "Recht en Plicht" (in 't laatst van 1893) zat in de lucht; een groote aktie tegen de voormannen dreigde.
Na mijne zaken in Amsterdam aan kant gedaan en onze beste spullen te gelde gemaakt te hebben, togen wij in November naar Utrecht. Op Kenther's naam werd een huis gehuurd, waarin onze gansche kolonie, zooals ze indertijd van Leeuwarden was gekomen, ging wonen, thans met Kenther's jonge vrouw verrijkt, die spoedig op haar beurt weer tot nieuwe uitbreiding der kolonie medewerkte. Met de f 180.- door de partijgenooten te Utrecht daarvoor bijeengebracht, werd De Baanbreker opgericht; overigens werd de toekomst ingegaan met dat optimisme, dat de geloovigen "vertrouwen op den Heere" noemen en zonder hetwelk ik nooit den moed zou hebben gehad in die donkere dagen zulke moeilijke dingen te ondernemen. Een vertrouwen op de historische noodzakelijkheid, de rechtvaardigheid en de eindelijke zegepraal der sociaaldemokratie, dat nooit beschaamd is geworden en dat ik allen partijgenooten ook in dezen tijd nog toewensch.
Op een andere plaats in dit boek wordt een overzicht gegeven van de Utrechtsche beweging; ik kan daarover dus zwijgen en zal haar alleen behandelen in zooverre zij een stuk wording der S.D.A.P. vertegenwoordigde.
Tot nu toe kon men niet zeggen, dat een der "parlementairen" een stuk arbeidersbeweging achter zich had. Dit veranderde met mijne vestiging te Utrecht, waar ik een afdeeling van den Soc. Dem. Bond vond, die sedert mijne toetreding verscheidene leden van onze richting opnam en mij dan ook afvaardigde naar het beruchte Kerstkongres van 1893, om daar onze taktiek te verdedigen. Daar was verder een afdeeling van den Bond van Alg. Kies- en Stemrecht en de "Debat- en Ontwikkelingsklub", met de vakvereenigingen van spoor- en tramwegpersoneel, typografen, timmerlieden en schilders, die met elkander een flink stuk beweging vormden en door onze propaganda, vooral ook door den stun van De Baanbreker bij de werkstakingen die er uitbraken, al spoedig aan onze zijde stonden. Ook richtte ik een afdeeling van den Metaalbewerkersbond op, terwijl de sterke afdeeling van den Sigarenmakersbond, die nog geruimen tijd anarchistisch gezind bleef, op den duur in den harden en mooien strijd dien wij hier tegen het kapitaal hadden te voeren, met ons werd samengesmeed in dat ééne groote verband der beweging, waarin elk der deelen zijn eigen taak zelfstandig heeft te volbrengen, doch waar binnen één geest van klassestrijd en solidariteit en één inzicht omtrent den te volgen weg alle deelen verbindt tot één groot leger, welks zegepraal op de machten die thans heerschten in staat, werkplaats en fabriek de vrijmaking der gansche arbeidersklasse beteekent. |
IX |
We zijn thans genaderd tot het Groningsche Kongres van den Soc. Dem. Bond op Kerstmis 1894, en de aanneming van het voorstel-Hoogezand-Sappemeer, aldus luidende: "De Partij besluit onder geene voorwaarde hoegenaamd, ook niet als agitatiemiddel, mee te doen aan de verkiezingen."
De aanneming geschiedde met 47 stemmen vóór, 40 tegen en 14 buiten stemming. De afdeeling Amsterdam, die 8 stemmen uitbracht, had zich vóór het voorstel verklaard, evenals de meeste Groningsche en 11 Friesche afdeelingen. Tot de tegenstemmers behoorden o.a. de afdeelingen Groningen (Schaper), Maastricht (Vliegen, Pieters Van Kol), Middelburg (Van der Veer), Rotterdam (Helsdingen), Utrecht (Troelstra), Hengelo (Bennink), Gorredijk (Bruinsma), Wolvega (Van der Zwaag), Zwolle, Alkmaar (Joh. Visscher), Enschedé (Tusveld, Pieterson), Assen, Sneek, enz.
Tegenover de motie-Hoogezand-Sappemeer stond de volgende, die door de afdeeling Maastricht voorgesteld en door de "parlementairen" verdedigd werd: |
| 1. |
"Overwegende dat de Sociaal-demokratische partij op elk gebied haren strijd moet voeren, die ten doel heeft de ekonomische bevrijding van het proletariaat; |
| 2. |
Overwegende dat he deelnemen aan de verkiezingen als propagandamiddel; het zenden van afgevaardigden als zaakgelastigden der partij en het ingrijpen in de wetgeving, mits met strenge handhaving der socialistische beginselen, onze strijdkrachten zullen versterken en die der bourgeoisie zullen verzwakken; |
| 3. |
Besluit het kongres:
VOorlopig ook op politiek terrein den klassenstrijd te voeren en door het veroveren van een deel der Staatsmacht de sociale revolutie te bevorderen." |
Niet slechts de cijfers der stemming, ook de diskussiën over de taktiekkwestie toonen, dat de Partij in haar geheel volstrekt niet "anti-parlementair" was. Dat had niet slechts onze propaganda, maar het gansche verleden van den Bond en het gezond verstand der arbeiders bewerkt, dat het anarchisme niet geheel hun kijk op de noodzakelijkheden der propaganda, niet geheel hun soc.-dem. instinkt had doen verdwijnen.
Er was veel tegenstand tegen het voorstel-Hoogezand-Sappemeer; niet slechts mannen als Schaper, Bennink en Van der Veer ontrieden de aanneming; maar ook Cornelissen kon het niet in al zijn konsekwenties verdedigen, daar hij het was, die sinds 1891 te vergeefs had getracht, Domela Nieuwenhuis op den weg naar het anarchisme ergens op een tusschenstation te doen halt houden, waar het meedoen aan de verkiezingen en aan een zeker deel der wetgeving nog wel werd toegelaten. Daar hij blijkbaar niet met Domela Nieuwenhuis in botsing wilde komen, verzette hij zich niet tegen het voorstel, maar gaf hij er terstond een draai aan, waardoor voor de leden der Partij de mogelijkheid openbleef, om ook bij aanneming van het voorstel aan de verkiezingen mede te doen. Hij wilde nl. het niet deelnemen aan de verkiezingen slechts voor "de partij als zoodanig" laten geldem, waartegen Schaper aanvoerde, dat het er juist op aankwam, als Partij dit middel tot verovering der politieke macht te blijven gebruiken.
Domela Nieuwenhuis werd door het voorstel-Hoogezand-Sappemeer voor een moeilijke keuze geplaatst. Indien hij werkelijk de taktiekkwestie op deze principieele wijze had willen oplossen, zou hij wel hebben gezorgd, dat de afdeeling Amsterdam een dergelijk voorstel had ingediend. Maar dat was niet gebeurd.
Wel stond er een voorstel-Amsterdam op de agenda, maar dit bevatte slechts een afkeuring aan het adres dier afdeelingen, die aan de verkiezinggen hadden deelgenomen - geen afzwering van de verkiezingen, óók voor den tijd dat de arbeiders het kiesrecht zouden hebben verkregen.
Maar nu de kwestie eenmaal principieel werd gesteld, kon Domela Nieuwenhuis moeilijk ontkomen aan de noodzakelijkheid, om dit logisch gevolg van zijne antiparlementaire afdwalingen der laatste jaren te aanvaarden. Zelf bovendien geneigd tot uitersten, steeds bezield door de zucht, om onder de broederen als de meest zuivere te gelden, liefst nog een haartje zuiverder dan de zuiverste, kon hij zich niet tegen dit voorstel verklaren. Wèel bleek hij min of meer te vermoeden, dat daarmede "de parlementairen" niet van den aardbol zouden worden weggevaagd; hij erkende zelfs, dat 't deelnemen aan de wetgeving "als doorziekingsproces" noodig was; maar hij wilde nu eenmaal geen ziekenoppasser zijn, al nam hij ook aan, dat "de naaste toekomst" aan de parlementairen zou zijn. Had Domela Nieuwenhuis dit standpunt blijven innemen, ook toen die voorspelling van de naaste toekomst zich begon te verwezenlijken, dan ware hij bewaard gebleven voor de beklagenswaardige uit- en inleggingen à la Cornelissen van het Groninger besluit, waarmede hij op de Kongressen van den Socialistenbond van 1894 tot 1897 diens onvermijdelijken ondergang heeft trachten te verhoeden.
Dat het besluit van 1893 den ondergang van den Bond zou beteekenen, hebben zijne leiders niet vermoed: volgens Cornelissen had het ten doel, "de weinige bourgeois-socialisten te dwingen, uit de partij te gaan" en zou, als het referendum het besluit bekrachtigde, het waarschijnlijk zijn, "dat een klein getal afdeelingen (misschien twee of drie of meer) zich van de socialistische partij zullen afscheiden en zij zullen worden vervangen door andere in dezelfde gemeente".(†2) Hieruit blijkt de bedoeling, om de "parlementairen", die zich door hun strijd tegen Domela Nieuwenhuis de ongenade der partijgenooten op den hals gehaald hadden, van de andere voorstanders van deelneming aan de verkiezingen te scheiden - een dom en kortzichtig pogen, waarvan ik in Januari 1894 schreef: "Met totale gerustheid kunnen wij den uitslag dezer pogingen afwachten, daar niet het drijven van enkele personen, maar de omstandigheden, scheiden wat niet, en bijeenbrengen wat wel bij elkaar hoort. En 't zal meer en meer blijken, dat de ware scheidingslijn op het Kongres is getrokken.
Om de vereeniging tusschen de mannen van Nieuwe Tijd en Baanbreker, en de sociaaldemokraten die tot dien tijd toe niet tot de oppositie hadden behoord, te verhinderen, werd op het kongres partij getrokken van een onhandigheid der redaktie van De Nieuwe Tijd, die naar de gewoonte dier dagen werd opgeblazen tot een kabaal, bekend onder den naam van "het Panamaschandaal", dat gedurende eenige maanden de reeds zoo onweerzwangere atmosfeer in de socialistische beweging met nieuwe electriciteit geladen en onder nog zwaardere drukking gebracht heeft. Zoodra ik de redaktie van De Nieuwe Tijd had verlaten, brak deze met het door mij aangekondigde streven, om tot het kongres alle persoonlijke polemiek te ontwijken en onze inzichten meer in den vorm eener positieve propaganda, dan in dien van aanvallen op de partijleiding ingang te doen vinden.
Toen nu, bij een onderling overleg tusschen Van Kol, Van der Goes en mij, Van der Goes op zich had genomen, bij een bespreking van het te houden Kongres op openbaarheid in de zaken van den Bond aan te dringen, deed hij dit niet slechts aanvallenderwijze, maar óó fel insinueerend, zoo beleedigigend voor den Bond, als alleen op zijn plaats zou zijn geweest, indien hij in staat ware geweest, van zijne beschuldigingen het bewijs te leveren.
In De Nieuwe Tijd van 1 April 1893 was ik in een artikel "Betere Menschen" te velde getrokken tegen het bederf, dat ik in de Partij had opgemerkt. "Diefstal en verduistering van geld, door arbeiders bijeengebracht - een pralen met groote woorden, om gemis aan diepheid van denken en aan werkelijken moed door uiterlijken schijn te bedekken - een treurig speculeeren op de klasse-vooroordeelen der arbeiders, alleen om bij hen "de mooie man" te zijn en hen, die men voor eigen standpunt in de partij gevaarlijk acht, buiten te keeren - zietdaar eenige zonden in het partijleven", schreef ik. Ik wees verder op "menschen, die bijv. vóór twee jaar nog een grooten mond hadden over de noodzakelijkheid van "wantrouwen" te koesteren tegen anderen, en die reeds nu wegens gepleegd bedrog aan de arbeiderszaak uit de partij verwijderd, of zelfs door zelfmoord om het leven gekomen zijn" en kwam daarop tot de konklusie: "Daar is ook Panama in onze eigen partij en de toekomst zal aan de opruiming daarvan overal waar zij bestaat, allereerst moeten gewijd zijn."
"Wij zouden willen, dat in de partij omstandigehden wierden gschapen, die het voor de Panamisten in de partij onmogelijk maken, langer te panamaën", liet ik daarop volgen. "Die omstandigheid: openbaarheid. De valsche vrees voor het oordeel der bourgeoisie heeft de openbaarheid te dikwijls tegengehouden. Er is veel te veel met den mantel der liefde bedekt. Wanneer men de demoralisatie wil tegengaan, dan late men de partij wonen in een glazen huis, waar de geheele wereld haar in haar doen en laten kan bespieden. Maar van nog meer belang is eene andere omstandigheid, die wij zelve ook voor een groot deel kunnen scheppen.
Men richte zijne propaganda zóó in, dat de degelijksten en eerlijksten, de soliedsten onder de proletariërs en den middenstand, er door worden aangetrokken. In een degelijke partij kan het bederf niet voortwoekeren."
Toen nu Van der Goes in De Nieuwe Tijd van 16 December over de noodzakelijkheid van openbaarheid schreef, paste hij dat woord "Panama" toe op het beheer der partij-zaken zelve, waaromtrent ons - dat is waar - zeer slechte berichten hadden bereikt en schreef ervan:
"De financiëele zaken van den Hollandschen Bond worden zogvuldig geheim gehouden, en dit is meer dan een vormkwestie. Ik begrijp, dat desnoods eenige cijfers beter in huishoudelijke bijeenkomst behandeld worden, maar de totale verzwijging van alle geldelijke gegevens, gevoegd bij het schrikbewind, dat door een of twee leiders van den Bond werd gevoerd, heeft alleengs een klein Panama gekweekt, dat bij openbaarheid van beheer aanstonds gefnuikt ware geworden. De financiëele geschiedenis van het blad Recht voor Allen, van de drukkerij Excelsior, is een tegenhanger van de politieke historie. Tijd is het en meer dan tijd, dat het Congres een gestrenge enquête opent, de knoeiers en hunne handlangers naar huis stuurt, en een eind maakt aan een toestand die reeds menig gemoedelijk partijgenoot met afschuw vervult, en waarvan de geruchten velen van het partijleven en de arbeidersbeweging hebben afkeerig gemaakt. Iemand die deze opmerkingen misplaatst acht, bedenke, dat de dingen, welke wij bedoelen, niet zullen verdwijnen vóór dat zij ter sprake worden gebracht - dat het geen toevalligheden zijn, maar het gemis aan morele ernst aanduidt, waarmede in den Bond door sommige hoofdpersonen de zaak en de belangen der arbeiders behandeld zijn - en dat de betere elementen in den Bond, misschien weinig of niet bekend met de verkeerdheden in het hoofdkwartier, slechts deze aansporing behoeven om door dezen Augias- of zwijnenstal de reinigende wateren van hunnen toorn te spoelen."
In hetzelfde artikel noemde Van der Goes verschillende feiten, die aantoonden, dat onze stem weerklank in den Bond begon te vinden: afkeuring van de manieren der redaktie van Recht voor Allen, door verschillende afdeelingen op den beschrijvingsbrief gebracht; een protst der afdeeling Kiel-Windeweer tegen "de blinde persoonsvereering, die niet zelden influenceert op 't persoonlijk oordeel der leden" en van de afd. Hengelo tegen De Roode Duivel. Voeg daarbij, dat de meerderheid der Bondsleden alleen uit persoonlijke aanhankelijk aan Domela Nieuwenhuis en uit liefde voor de in haar eenheid bedreigde organisatie, zoo fel tegen ons was - dan begrijpt men, hoe verkeerd het gezien was van de redaktie van De Nieuwe Tijd, om enkele vóór het Kongres zulke beschuldigingen te uiten tegen de eerlijkheid in het beheer der Partij, zonder daarvoor zelfs een zweem van bewijs aan te voeren.
Natuurlijk wisten de beunhazen in schandaaltjes, die de Amsterdamsche beweging destijds telde, hieruit munt te slaan tegen de "parlementairen". Op een zekeren avond in Constantia wist de meest sinistere intrigant, die eenige Partij ooit vergiftigde, nl. San Coltof, een der onzen er in te laten loopen, door aan hem de verklaring te ontlokken, dat hij het "Panama" zou bewijzen. Het was A.S. de Levita, die als oud-lid van den Centralen Raad dat werk op zich nam; met een valiesje vol bewijsstukken naar Groningen kwam; in de huishoudelijke vergadering, die aan de diskussie over de taktiek voorafging - men ziet, hoe netjes de komedie in scène was gezet! - daarmee een volkomen fiasko leed en daarna een brief richtte aan het Kongres, waarin hij zijne excuses maakte.
Welken invloed Van der Goes' aanvallen hadden op de elementen, die krachtens hunne inzichten bij ons behoorden, doch als goede partijgenooten hunne organisatie liefhadden, bleek reeds den eersten kongresdag bij de bespreking van het partijorgaan, toen Schaper de hatelijkheid der redaktie onder een stuk van Van Kol afkeurde, maar tevens zei, dat de redakteur vrij moest blijven, "om zich te verdedigen tegen vuilakken als V.d. Goes". Het gevolg van de mislukte bewijsvoering was bovendien, dat er nu geen sprake van was, op de zoo noodige openbaarheid aan te dringen - de stemming was bedorven.
Deze Panama-geschiedenis deed den afkeer der partijgenooten tegen de mannen der oppositie tot een waar fanatisme stijgen en verklaart schandalen als onmmiddellijk na de oprichting der S.D.A.P. in Constantia plaats vonden. Meer dan eens is het mij gebeurd, dat ik, te Amsterdam zijnde, op straat werd nageroepen met den hatelijken deun: Poainemoai! Maar het gekste van het geval was wel, dat wij "parlementairen" maanden na het kongres, in Juni 1894, toen de redaktie van De Nieuwe Tijd plotseling weer met deze zaak uit de lucht kwam vallen, in de kolommen van dat blad elkaar daarover in het haar vlogen op een manier, die wel wat al te duidelijk onze herkomst uit "de oude beweging" aantoonde. De voorbereiding tot de stichting der Partij heeft aan dat onvruchtbaar gekibbel gelukkig terstond een einde gemaakt. |
X |
"Van Hoogezand-Sappemeer begint de victorie!" riep Polak uit in het tweede nummer van De Nieuwe tijd van 1894. En werkelijk, de stemmen die er in de socialistische pers over het nieuwe kongresbesluit opgingen, toonden duidelijk, dat de anarchistische ziekte in Groningen haar krisis had bereikt en dat we de periode van genezing waren ingetreden.
Zoo schreef de Zwolsche Volksvriend (red. L Cohen) over de oprichting van een nieuwen soc. dem. bond "welke, naast den tegenwoordige bond staande, alleen met dezen daarin zou verschillen, dat hij aan de verkiezingen meedeed. In geen enkel opzicht mag deze nieuwe bond vijandig tegenover den anderen staan, want alleen is de eerste een noodzakelijkheid geworden voor hen, die de kwestie betreffende het parlementarisme niet opnieuw weder in de afdeelingen aan de orde willen brengen." Evenals dit blad hoopte ook de Rotterdamsche Vrijheid (red. W.P.G. Helsdingen), dat het referendum het noodlottige besluit zou vernietigen; het blad achtte het parlementarisme even noodzakelijk als de sociaaldemokratie zelve en was van oordeel, dat bij bekrachtiging van het besluit door het referendum de verbrokkeling der partij niet zou kunnen uitblijven. Ook De Wachter (red. J.H. Schaper) verwachtte, dat de Bond zou verloopen, dat de partij tot een klubje menschen zonder invloed op het volk zou verschrompelen en achtte het gevaar, dat de arbeiders door de "parlementairen" zouden worden "ingepalmd", door aanneming van het besluit vergroot.
Het kwam er nu op aan, de elementen voor de nieuwe partij te organiseeren. Zij behoorden bijna zonder uitzondering tot den Soc.-Dem. Bond, waarin zij als socialisten "geboren en getogen" waren; de mogelijkheid, hen voor de politieke aktie te organiseeren zonder hen te dwingen tot een strijd op leven en dood tegen den Bond, diende dus onzerzijds te worden overwogen. Een vorm daarvoor werd door mij in De Baanbreker van 30 Dec. 1893 en in mijne brochure "Het Kiesrecht en de Sociaaldemokratie" (Januari 1894) aan de hand gedaan; ik wees er in die brochure echter met nadruk op, dat een dusdanige partij-vorming wenschelijk was, doch dat het een andere vraag was, of zij mogelijk zou zijn. En de onmogelijkheid ervan zou blijken uit de houding der leiding in den Bond zelf, die eerlang de ontrouwe vrienden evenveel ging bestoken en verdachtmaken, als zij het de oorspronkelijke oppositie had gedaan en in die pepersaus van haat en verguizing de elementen, die men zoo fel tegen elkander had opgehitst, tot één stevig sociaaldemokratisch gerecht bereidde, waaraan later het aan de oude domheden ontgroeide proletariaat een voedzame spijs zou hebben.
Intusschen bleek mijn wenk tot oprichting van soc. dem. kiesvereenigingen aan de eischen van het oogenblik te voldoen. Rotterdam ging voor; daar besloot de afdeeling van den Bond voor Alg. Kies- en Stemrecht reeds in Januari, om zich in een kiesvereeniging om te zetten onder den naam van "Volkskiesvereeniging de Unie", terwijl de Zwolsche afdeeling van dien Bond mij uitnoodigde, op 4 Febr. het onderwerp mijner brochure aldaar te komen behandelen. En 12 Februrari hield de nieuwe Rotterdamsche kiesvereeniging hare eerste openbare vergadering, waarop ik een socialistisch beginsel- en strijdprogram behandelde, dat door die vereeniging is overgenomen. Te Franeker trad ik eveneens op voor de afd. van den Kiesrechtbond; daar werd door een openbare vergadering met 180 tegen 20 stemmen de volgende motie aangenomen:
"De openbare volksvergadering te Franeker op 4 Maart 1894,
overwegende, dat het kiesrecht een machtig wapen is in den klassenstrijd, zoowel om de niet-bezittende klasse tegen de bezittende te organiseren, als om de wetgeving in het voordeel der niet-bezitters te wijzigen;
overwegende, dat het meedoen aan de verkiezingen alleen dan de organisatie der niet-bezittende klasse versterkt, wanneer deze daarbij als een zelfstandige partij met een sociaaldemokratisch program optreedt;
spreekt de wenschelijkheid uit, dat in het distrikt Franeker de arbeidersvereenigingen een dergelijk program aannemen en als eene afzonderlijke partij met eigen kandidaten alle burgerlijke partijen bij de verkiezingen bestrijden."
De oprichting eener soc. dem. kiesvereeniging op de jaarvergadering der Friesche Volkspartij (April 1894) voorstelde, dat deze zich als Arbeiderspartij zou organiseeren.
Te Utrecht werd in de tweede helft van Maart eveneens een soc. dem. kiesvereeniging opgericht en te Arnhem een "onafhankelijke soc. dem. vereeniging", terwijl in Baarderadeel het Rotterdamsche Unie-program door de Kiesrecht-afdeeling werd aangenomen.
De redaktie van De Nieuwe Tijd had de opvatting, die mij bij de oprichting van afzonderlijke kiesvereenigingen naast de Partij leidde, aan herhaalde gronidge kritiek onderworpen. Zij had gewild, dat men van den aanvang af de onmogelijkheid van vreedzame samenwerking met den bestaanden Bond zou voorop stellen; ik was daarentegen van oordeel, dat, indien die samenwerking onmogelijk bleek, dit uit de feiten, uit het optreden der "revolutionairen" zelf moest voortvloeien.
Dezen zorgden daarvoor zóó uitstekend, dat W.P.G. Helsdingen 7 April uit den Soc. Dem. Bond trad en dit in De Vrijheid aldus motiveerde:
"Met leedwezen neem ik afscheid van de partij, maar sinds het voorstel Hoogezand-Sappemeer is aangenomen, is het partijleven vergald. Veertien jaren streed ik mee, zoo goed ik kon; nu ik voorstander ben der parlementaire aktie, zou men mij als wrijfpaal willen gebruiken der revolutionnairen in de afdeeling. Het is zoover reeds gekomen, dat zij, die van het kiesrecht gebruik willen maken, remtoestellen, baantjesjagers, enz. werden genoemd, terwijl Recht voor Allen den heer Rutgers van Rozenburg een man van karakter noemt. Het lust mji niet, den strijd tegen de zoogenaamde revolutionnairen te voeren, zooals zij dien tegen de parlementairen voeren; daarom leg ik het bijltje neder. Mogen anderen mijne plaats innemen."
En 18 April schreef Schaper onder den titel "Meedoen" een frisch artikel in Van Kol's blad De Sociaaldemokraat (verschenen in 8 nummers van 4 April tot 11 Juli 1894) waarvan de aanhef aldus luidde:
"Met een soort van wellust, waarde redakteur, zet ik mij aan het schrijven van een artikeltje voor uw blad. Ik doe dat des te liever, omdat daarvoor hoe langer hoe meer moed begint te behooren. Wanneer men zoo in het orgaan der S.D. Partij, Recht voor Allen, telkens de schimpscheuten en verdachtmakingen leest, wanneer gij en de uwen blootstaan aan de voortdurende ignobele aanvallen van dat blad en op openlijke of bedekte wijze worden uitgemaakt voor verraders, omgekochten, jagers naar een kamerzetel o.i.d.; wanneer we zien, dat om de kroon op het werk te zetten, Fortuijn, Van der Zwaag e.a. worden uitgemaakt voor "heeren" en vrij duidelijk wordt te kennen gegeven, dat ze verstandig doen, om maar uit de partij te stappen - daar begint men er een eer in te stellen, ook een weinig op te vangen van het slijk, dat over het hoofd van u en de uwen wordt uitgestort."
Dat Schaper op deze eer niet lang behoefde te wachten, zal men wel willen gelooven; Recht voor Allen wist al spoedig te vertellen, dat hij door Van Kol voor f 100 was omgekocht. Wat Helsdingen betreft, deze werd met een meewarig ooggedraai, dat een "griffermeerd" blikken dominé goed zou gestaan hebben, beklaagd, omdat hij, de eertijds zoo eerlijke arbeider, óók al door het bederf was aangetast.
In De Sociaaldemokraat van 18 Juni kwam ook Vliegen uit den hoek; hij verkaarde, na rip nadenken te zijn gaan behooren "tot de socialisten, die niet schromen te zeggen, dat wij arbeiders, willen we in den strijd tegen de bourgeoisie geen half werk doen, moeten streven naar de verovering der staatsmacht". Reeds op een propagandareis in Twente had hij deze "stoutheid" uitgesproken en waar "de heeren" uit de partij het denkwerk, dat de arbeiders te veel aan hen hadden overgelaten, nu juist niet altijd even fraai hadden afgewerkt, was hij van plan, in 't vervolg zijn denkbeelden over de dingen stoutweg aan de groote klok te hangen. Dat hem deze brutaliteit niet best is bekomen, kan ieder lezen, die de geschriften van Domela Nieuwenhuis sinds dien tijd naslaat.
Vliegen was beambte der Partij: administrateur van het Begrafenisfonds, en hoewel de onmisbare "Commissie", daarvoor benoemd, niets tegen hem heeft kunnen vinden, is - en wordt - hij herhaaldelijk door deze edele zielen als "dief" gebrandmerkt, omdat hij het door hem geredigeerde blad De Volkstribuun, na de afscheiding der Maastrichtsche beweging van den Bond, is blijven uitgeven.(*2) Zoo de ouden zongen, piepten de jongen.
Zondag 18 Februari hield de spoorwegvereeniging "Steeds Voorwaarts" te Amsterdam een protestmeeting tegen de H.IJ.S.M., wegens het ontslag van Van der Wallen en van eenige arbeiders an de Centrale Werkplaats te Haarlem, die biljetten voor een vergadering der S.V. hadden aangepakt. De sprekers (Fortuijn, Van Kol, Troelstra) behoorden alle tot de parlementaire richting; er werd een motie voorgesteld, waarin werd aangedrongen op organisatie op elk gebied, als middel om zich tegen dergelijke aanslagen te kunnen verzetten. Dat was niet naar den zin der talrijk opgekomen "revolutionairen", die in deze meeting meer een "parlementaire" propaganda, dan een uiting van verweer tegen de spoorwegdirektie zagen en bij monde van Reens en Samson een andere motie voorstelden, waarin "innige verachting" over de spoorwegdirektie werd uitgesproken en die door de meerderheid der vergadering - zeker tot groot vermaak der Direktie! - werd aangenomen. Het kabaal, waarin deze meeting eindigde, zou een paar weken later nog worden overtroffen, toen Samson met behulp der "revolutionairen" een protestmeeting wegens de intrekking van het kiesrechtontwerp-Tak zoodanig deed mislukken, dat zij met een vechtpartij eindigde.
Zoo werd door groot en klein in den betaanden Bond getoond, dat men geen "parlementaire" richting naast zich duldde, haar zelfs het werken op het door den Bond verlaten terrein niet gunde. Door deze feiten werden wij niet slechts gerechtigd, maar zelfs verplicht, aan te sturen op een organisatie tegen den Bond, wiens plaats wij in een zwaren maar succesvollen strijd van enkele jaren voor de nieuwe partij zouden veroveren. |
XI |
Om te begrijpen, hoe nodlottig deze gebeurtenissen waren voor de politieke ontvoogding der Nederlandsche arbeiders, dient men ze te plaatsen in de lijst der keisrechtbeweging.
Minister Tak van Poortvliet had 22 September 1892 zijn kiesrecht-ontwerp ingediend, waarbij het kiesrecht voor de Tweede Kamer werd toegekend aan de mannelijke, meerderjarige ingezetenen, tevens Nederlanders, die een eigenhandig geschreven aanvraag indienden ter plaatsing op de kiezerslijst en gedurende het laatst verloopen jaar geen onderstand hadden genoten van een instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur.
Men moet erkennen dat dit voorstel gaf, wat binnen de grenzen der grondwet door de arbeiders kon worden geëischt, al is het ook vrij zeker, dat die "schrijfproef" in de praktijk de uitbreiding van het kiesrecht op de laksheid en onverschilligheid van vele minder ontwikkelden zou hebben doen afsluiten.
Op 23 Juli 1893, twee dagen voordat het onderwerp-Tak in de Kamer in openbare behandeling was gekomen, had er te Amsterdam aan den Oetewalerweg een openluchtmeeting ten gunste van algemeen kies- en stemrecht plaats gevonden, waar als sprekers waren opgetreden Schaper, Mevr. School-Haver, Hermans, Helsdingen, Van der Zwaag, Mej. Keller, Troelstra, A.H. Gerhard, Polak en Dr. Bruinsma. In den Haag hield dien dag het Werkliedenverbond een betooging ten gunste van het ontwerp, waarvan het de sociaaldemokraten had buitengesloten. Ook te Zwolle en Deventer werd voor het ontwerp gedemonstreerd.
Van deze betoogingen maakte die van het Werkliedenverbond den meesten indruk; vooral F. Mol uit Workum had daar groot succes. Maar toen het artikel van het ontwerp, dat de eigenlijke eischen der kiesbevoegdheid bevatte, in behandeling kwam, werden er zulke ingrijpende amendementen ingediend, dat de Kamer op 16 Augustus besloot, de openbare behandeling te schorsen en de amendementen in de afdeelingen te onderzoeken.
De lomp-beleedigende uitingen van sommige kamerleden, vooral die van den heer Rutgers Van Rozenburg, aan 't adrs van het volk achter de kiezers, wekten onder de arbeiders veel verontwaardiging. Een protestmeeting te Amsterdam waar o.a. Piet Nolting en Willem Helsdingen spraken, besloot aan het eind, een protestmotie tegen de "stemvee"-uitdrukking aan de woning van den heer Rutgers van Rozenburg te overhandigen, wat groote herrie en het gebruikelijke "optreden" der Amsterdamsche politie veroorzaakte. Het is teekenend voor den geest der Amsterdamsche socialisten, dat hun aktie naar aanleiding der mishandeling van het kiesrecht-ontwerp in de Kamer, haar sterkste uiting vond in het inwerpen van een glasruit in de woning van dien konservatieven afgevaardigde.
Deze uiting droeg meer het karakter van verontwaardiging over enkele woorden van kamerleden, dan van een poging, om de kans te vergrooten van het ontwerp, dat men niet afbrak, op onverkorte aanneming waarvan men aandrong, maar voor hetwelk men den eisch van algemeen kies- en stemrecht niet op den achtergrond stelde.
Een ernstige politieke agitatie om Tak te steunen tegen de konservatieven, was echter niet mogelijk, daar de partij, die deze had moeten leiden, jusit over het kiesrecht zoo hopeloos verdeerld en voor elke duurzame aktie dus lamgeslagen was.
Zelfs de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht kon het op zijn jaarvergadering van 10 Dec. 1893 te Zwolle niet verder brengen dan tot aanneming der volgende motie: "De algemeene vergadering protesteert tegen die kamerleden, welke het ontwerp-Tak trachten te beknibbelen, en spreekt als haar meening uit, dat alleen door het geven van algemeen kies- en stemrecht aan den volkseisch is voldaan."
De verslapping der kiesrechtbeweging bleek wel het duidelijkst uit het feit, dat op deze algemeene vergadering, onder zoo gewichtige omstandigheden bijeengekomen, slechts 27 afdeelingen tegenwoordig waren, waarvan 13 uit Friesland. Toch was onder het volk zelf de belangstelling in de kiesrechtvraag nog groot genoeg; dat was voldoende gebleken door het uitstekend bezoek der Haagsche en Amsterdamsche meetings en ook door die op 9 Dec. te Utrecht was belegd, waar dr. Bruinsma, Helsdingen, Van der Goes en Troelstra voor een stampvolle Tivoli-zaal het ontwerp-Tak en het algemeen kiesrecht behandelden.
De lankmoedigheid des volks werd overigens wèl op een zware proef gesteld. Van 20 tot 29 September duurde het nieuwe onderziek in de afdeelingen, waarvan het Verslag op 21 November verscheen en het werd 20 Februari 1894, voordat de openbare behandeling werd voortgezet. Geen wonder dat de heer Roëll toen met een zucht van verlichting konstateerde, dat de vertraging geen ontstemming onder het volk had gewekt - waaruit hij afleidde, dat men met de bestaande volksvertegenwoordiging nog zoo ontevreden niet was. Hoe geheel anders zou de stemming in de Kamer zijn geweest, als men eene herhaling had gezien van de nationale betoogingen van 1884 en 1885 en wanneer de sociaaldemokraten den tijd tusschen Augustus en Februari hadden besteed aan het bewerken der volksopinie ten gunste eener demokratische kieswet, in plaats van het kiesrecht gladweg over boord te werpen!
Naar aanleiding van het verhandelde in de afdeelingen had de regeering de vereischten voor het kiesrecht eenigszins uitgebreid, o.a. er een woning-kenmerk, het betaald hebben van den belasting-aanslag en 't niet veroordeeld zijn tot bepaalde straffen aan toegevoegd. Maar dit bevredigde de konservatieve oppositie niet en toen op 9 Maart een amendement tot verzwaring van den woning-eisch van den heer De Meyier was aangenomen, trok de Minister het ontwerp in.
De groote politieke strijd, die nu ontbrandde - de zuiverste, die ons land nog gekend heeft, daar hij de oude partijverdeeling in liberaal en klerikaal brak, om de konservatieven uit alle partijen tegenover de demokraten uit alle partijen te stellen - die mooie, voor de arbeidersklasse zoo belangrijke strijd vond haar onmachtig om iets te doen.
De Amsterdamsche "Unie" belegde een protestmeeting tegen de intrekking van het ontwerp, die door de "revolutionairen" in de war werd gestuurd; het Hoofdbestuur van den Bond voor Algem. Kies- en Stemrecht belegde een groote meeting naar aanleiding der verkiezingen in het Circusgebouw te Rotterdam, waar Mol en ik voor een klein getal menschen spraken; alleen waar de burgerlijke partijen meetings belegden, slaagden ze, in sommige plaatsen met onze hulp.
De Friesche Volkspartij besloot, geen eigen kandidaten te stellen, maar de voorstanders der wet-Tak te steunen; de Amsterdamsche "Unie", evenals die te Rotterdam, kwam met eigen kandidaten; te Utrecht verrees in allerijl onze soc.-dem. kiesvereeniging, om door zelftandige deelneming aan den strijd op de verkiezingsmeetings propaganda voor onze zaak te maken, wat te meer noodig was, omdat wij voor onze eigen vergaderingen geen zaal konden krijgen. Ook in Wolvega en Schoterland traden de arbeiders afzonderlijk op.
Het succes dezer arbeiders-kandidaturen was zeer pover. "Wanneer de zgn. demokratische kiezers, die zeggen den werkman in de gelegenheid te willen stellen, ook zijn man naar de Kamer te zenden, dit werkelijk meenden," zoo schreef ik in De Sociaaldemokraat van 18 April, "dan hadden zij op verschillende plaatsen die mannen kandidaat moeten stellen, die groepen en richtingen in de arbeidersbeweging vertegenwoordigen. Maar waar dezen kandidaat zijn gesteld door arbeidersvereenigingen - als Nolting, Fortuijn en Vitus Bruinsma te Amstersam, De Rot te Rotterdam, Troelstra te Utrecht, Van der Zwaag in Wolvega - daar hebben die voorstanders van "het kiesrecht aan den werkman" die arbeiderskandidaten ten gunste van kandidaten der bourgoisie tegengewerkt.
De raad van De Amsterdammer, om vooral hoofden van werkliedenvereenigingen te kandideeren is zelfs door de radikalen bijna niet in praktijk gebracht."
De uitslag der verkiezingen was, dat 56 distrikten tegenstanders en 44 voorstanders van het ontwerp-Tak verkozen; maar treuriger nog dan deze uitslag was het feit, dat slechts de helft der kiezers ter stembus was opgekomen en an de 23000 kiezers te Amsterdam nog geen 10.000. Het was in alle opzichten: Holland op zijn smalst!
Daarmede was het ministerie-Tak gevallen en begon de periode-Van Houten, waarvan de vruchten in onze menschelijekrwijze volmaakte kieswet zijn te vinden. |
XII |
Het jaar 1894 was een jaar van ondergang. Dat de Soc. Dem. Bond zou ondergaan aan de "revolutionaire" krachttoer, die men hem had laten verrichten, zagen de leiders te laat in. Te vergeefs zocht Domela Nieuwenhuis den slag af te wenden, door onder het gezochte voorwendsel van "niet de vrijheid aan banden te leggen" openlijk aan te raden, bij referendum de door hem zelf verdedigde resolutie nog te verwerpen. Het mocht niet baten; het besluit werd door het referendum bekrachtigd. En toen gingen al diegenen, die met hun talent en toewijding het gebouw van den Bond hadden gedragen, de een na den ander eruit: het gebouw verloor de pijlers waarop het steunde en slechts wrakke palen en gebinten bleven over, zoodat instorten onvermijdelijk werd. Het ligt niet in mijn bestek, het lijdensproces te schilderen, dat aan de totale ruïne is voorafgegaan; alleen wil ik zeggen, dat de verkiezing van 1897, die onze Partij in de Kamer bracht, voor den Bond de genadeslag is geweest.
Ook de Kiesrechtbond kon zich niet meer staande houden. Wel gingen er stemmen op - o.a. van J.W. Gerhard - om hem om te zetten in een soc.-dem. organisatie.
Maar wat zou het nieuwe leven doen in dit half doode lichaam, door dezelfde kwaal gesloopt, die de gansche arbeidersbeweging teisterde?
Neen, in een nieuw lichaam alleen kon "de nieuwe geboorte", waaraan het strijdende proletariaat behoefte had, plaats vinden, die wedergeboorte uit onzin en fraze, uit utopisme en ontaarding, uit laffe nalooperij van den een tegenover nog laffer verguizing van anderen - uit dien poel van jammer en wanhoop, waarin het zoo diep was weggezonden.
Een nieuw huis moest worden gebouwd, klein maar zindelijk, op een droge plek, waar de wind doorheen kon waaien en de zon goed schijnen kon, opdat geen rot en schimmel er in zou kunnen tieren.
Van Kol en ik waren reeds vroeger overeengekomen, dat we zouden trachten, in den loop des jaars een meeting in zake het kiesrecht te beleggen en deze dienstbaar te maken aan de vorming eener nieuwe Partij.
De gelegenheid hiervoor scheen nu door den afloop der verkiezingen geboden. In een bespreking daarvan in De Sociaaldemokraat van 18 April 1894 schreef ik met het oog daarop: "Inmiddels zweven er plannen in de lucht om op 16 Mei, den dag der Kameropening, eene demonstratie van wege de arbeiderspartij te doen plaats hebben. Indien niet de Bond voor A.K. en S. die demonstratie op touw zet, zou zij misschien kunnen uitgaan van een komité, gekozen uit de Soc.-Dem. Kiesvereenigingen, die zich gevormd hebben of bezig zijn zich te vormen te Rotterdam, Utrecht, Arnhem, Franeker, Zwolle, Winschoten en nog enkele plaatsen meer."
Inmiddels ging mijn broeder, die sinds eenige weken bij mij woonde, een rondreis maken naar enkele geestverwanten, met wie ik geen voeling had, om hunne medewerking voor een dergelijke betooging in te roepen, terwijl Van der Wallen en Kenther zich met de eigenlijke organisatie daarvan belastten. Het resultaat was, dat verschillende "parlementaire" bladen 5 Mei 1894 het volgende "Manifest" bevatten, dat als historisch dokument een plaats in dit Gedenkboek verdient: |
MANIFEST |
AAN DE ARBEIDERS EN ARBEIDSTERS IN NEDERLAND DIE HET KIESRECHT BESCHOUWEN ALS EEN NOODIG EN NUTTIG WAPEN IN DEN KLASSENSTRIJD. AAN ALLE POLITIEKE EN VAKVEREENIGINGEN, DIE WENSCHEN, DAT DE ARBEIDERSKLASSE IN NEDERLAND DOOR VERKRIJGING VAN HET KIESRECHT IN DE GELEGENHEID ZAL ZIJN, DE WETGEVING OOK AAN HARE BELANGEN DIENSTBAAR TE MAKEN! |
Mederburgers!
Door de sociaal-democratische kiesvereenigingen "Utrecht" en "Franeker", de volkskiesvereeniging "de Unie" te Rotterdam, de "onafhankelijke soc. dem. vereeniging" te Arnhem en de afdeeling Zwolle van den Ned. Bond voor Alg. Kies- en Stemrecht is het initiatief genomen tot de vorming van een Sociaal-democratisch comité ter belegging van een: "Groote Nationale Protestmeeting" naar aanleiding van den uitslag der verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Sociaal-democraten uit verschillende plaatsen des lands zijn uitgenoodigd, deel van dit comité uit te maken, opdat deze meeting een nationaal karakter krijge.
Het comité heeft besloten, in overleg met de arbeidersvereenigingen aldaar, deze meeting te doen plaats hebben Pikster-Zondag te Deventer op een uitstekend geschikt open terrein.
Deventer is van alle kanten des lands gemakkelijk en vlug te bereiken en de georganiseerde arbeiders aldaar hebben onmiddellijk hunne sympathie met deze meeting te kennen gegeven door eene regelings-commissie uit hun midden te benoemen.
De uitnoodiging om op te treden als sprekers op deze meeting is tot heden aangenomen door: W.P.G. Helsdingen, H. van Kol, J.H. Schaper, H. Spiekman en P.J. Troelstra.
Medearbeiders!
De nederlaag van het ministerie-Tak tegenover de conservatieve meerderheid der 280.000 kiezers, aan wier handen onze geheele wetgeving is toevertrouwd, is een kaakslag in het aangezicht onzer klasse.
Wij mogen alles voortbrengen, wat de maatschappij noodig heeft; voor lage loonen en vaak slechte behandeling moeten wij de rijkdommen der bezitters vergrooten; op onze schouders is van alles de last; met plichten worden wij overladen.
Jarenlang streden wij in ons land, evenals onze broeders daarbuiten, om daartegenover ook het recht te verkrijgen, zelven mede onze zaken te regelen. De zware strijd voor het algemeen kiesrecht is door ons met ernst en volharding sinds jaren gevoerd.
Eindelijk wordt er en wetsontwerp ingediend, waarin slechts gedeeltelijk aan onzen billijken eisch wordt eghoor gegeven en wij vragen, althans dat ontwerp aan te nemen!
En toch durft men zelfs dat verwerpen, op eene wijze en na redevoeringen, waardoor het volk achter de kiezers gruwelijk is beleedigd. Thans zal door een conservatief Ministerie een nieuw kiesrecht-ontwerp worden ingediend.
Onze plucht is het nu, te zorgen, dat onze vijanden in de Kamer zich niet op ons stilzwijgen en gebrek aan agitatie kunnen beroepen, om ons met schijn-uitbreidingen, als door De Meyier en Roëll zijn voorgesteld, af te schepen.
Krachtig moet ons protest zijn tegen de overwinning van het conservatisme onder de kiezers.
Zal het krachtig zijn, zoo dient het algemeen te zijn, zoo dienen over geheel het land alle arbeiders-organisaties, die prijs stellen op de verkrijging van het kiesrecht, aan dat protest deel te nemen.
Medestrijders!
Doet daaraan mede, door naar de groote nationale protestmeeting op den Eersten Pinksterdag te Deventer een of meer vertegenwoordigers met het vaandel uwer vereeniging te zenden en door het zenden van telegrammen, opdat ieder wete, dat het protest, daar uitgesproken, u uit het hart is gegrepen.
Stroomt van alle kanten toe om de "Groote Nationale Protestmeeting te Deventer" te maken tot eene grootsche betooging der verdrukten, tot eene waarschuwing voor de verdrukkers, tot eene opwekking voor de strijders in de gelederen van het proletariaat!
Leve het Algemeen Kiesrecht! Leve de Arbeiderspartij!
Allen op naar d "Groote Nationale Protestmeeting" op Pinksterzondag te Deventer! |
Het soc.dem. comité voor de Groote Nationale Protestmeeting:
B. Goudswaard (Volkskiesvereeniging "de Unie", Rotterdam), J.P. van der Wallen en H. Kenther (Soc. Dem. Kiesver. "Utrecht"), G. Dijkstra (Soc. Dem. Kiesver. "Franeker"), G. Israëls (Onafh. Soc. Dem. Vereen. te Arnhem), H. Smits (Afd. Zwolle A.K. en S.), J.A. Fortuijn en G. van Duivenbode (Amsterd.), M. Malon (Gouda), G. Nanninga (Groningen), G. Smid (Winschoten), A. Doesburg (Almelo), D. Boersma (Assen).
Het Regelings-comité te Deventer:
J.H. Peters, G.W. Peusken, A. Kelderman, A. Nijhof, A. Herbst en C. Snelders. |
Aanvang der meeting nam. 2 uur. Adres voor de toezending der banieren:
J.H. van Houten, Buiten de Noorderberg, Deventer.
Op de "Groote Nationale Protestmeeting" te Deventer zal worden voorgesteld de volgende Motie:
"De Groote Nationale meeting van arbeiders op Pinksterzondag 13 Mei te Deventer; verklaart zich ten diepste beleedigd door de overwinning der tegenstanders van finale kiesrecht-uitbreiding bij de jonste kamerverkiezingen;
waarschuwt de heerschende klasse, het volk niet meer te tergen, door een uitbreiding van het kiesrecht, minstens even ver gande als het ontwerp-Tak van Poortvliet, tegen te houden;
en roept de arbeiders van Nederland op, zich krachtig te organiseeren om het kiesrecht te veroveren en het, na zijn verovering, in hun eigen voordeel te gebruiken."
Inmiddels was er op Woensdag 2 Mei door onze Amsterdamsche geestverwanten een kommissie benoemd, om de oprichting van een Soc.-dem. Vereeniging op internationalen grondslag voor te bereiden en De Nieuwe Tijd deelde dan ook onder het manifest mede, dat Polak zich namens die kommissie bij het Komitee der meeting had aangesloten en dat Loopuit en Van der Goes er mede als sprekers zouden optreden. De redaktie sprak tevens den wensch uit, dat deze bijeenkomst er toe zou mogen bijdragen, de broederschap onder de internationale socialisten hier te lande te bevorderen en hunne organisatie in de hand te werken.
Voordat de meeting plaats had, vergaderde het komitee met de sprekers en enkele afgevaardigden. Na goedkeuring van hetgeen ter voorbereiding van de meeting was gedaan, werd besloten, een vasten band tusschen de komiteeleden te vormen, met welk doel een korrespondentie-adres werd gekozen, waaraan ieder, die aan de totstandkoming eener socialistische organisatie voor de politieke aktie wilde meewerken, zich kon wenden. Dit adres was: G. Israël te Arnhem, de eerste sekretaris onzer Partij, sedert overleden.
De meeting, door 3500 personen en een 50-tal vereeniging bijgewoond, slaagde uitnemend en gaf goeden moed voor de toekomst. Alleen Amsterdam was zeer slecht vertegenwoordigd.
Recht voor Allen had terecht opgemerkt, dat dit "de eerste daad" der parlementairen was; sommige geestverwanten hadden zich nog teruggehouden, maar het doel, om een begin van aktie en organisatie te krijgen, was bereikt.
Nu kwam er ook een streven, om wat meer eenheid te brengen in de soc.-dem. pers. Op een conferentie, 4 Juli te Utrecht gehouden, waar de meeste der "12 apostelen" bijeen waren, werd besloten. De Nieuwe Tijd en De Sociaaldemokraat tot één centraal orgaan te kombineeren. De bestaande redakties zouden aftreden en alle "parlementaire" journalisten, Van Zinderen Bakker en Bruinsma incluis, zouden aan de redaktie medewerken.
Dit lukte echter niet. Wel hield De Sociaaldemokraat 11 Juli en De Nieuwe Tijd 21 Juli 1894 op te verschijnen; maar het nieuwe blad bleef achterwege.
Inmiddels nam de Soc.dem- Kiesvereeniging te Utrecht op 25 Juli het besluit, het "Soc.-dem. Komitee" op 12 Augustus samen te roepen en op den beschrijvingsbrief der dan te houden vergadering het voorstel te brengen: "Het Soc.-dem. Komitee konstitueere zich onder den naam van Soc.-dem. Partij als landelijke organisatie van allen, die, om welke reden dan ook, het kiesrecht willen veroveren en het na zijne verovering als een wapen in den klassenstrijd willen gebruiken."
"Op verzoek van eenige bekende propagandisten", zooals De Baanbreker mededeelde, werd deze bijeenkomst later gesteld op 26 Augustus, "en wel te Zwolle, waar dien datum toch verscheidene propagandisten, organisaties en komiteeleden op de groote meeting tegenwoordig zullen zijn." Bedoeld werd de meeting voor de opheffing van het privaat bezit, van wege de afd. Zwolle van den Soc.-Dem. Bond aldaar belegd en door de "revolutionaire" propagandisten grootendeels gemeden, omdat ook verscheidene bekende "parlementairen" als sprekers waren uitgenoodigd. |
En hiermee zijn wij genaderd tot het manifest der "twaalf apostelen", in dit Gedenkboek afgedrukt, en tot de oprichting der S.D.A.P. in 't hôtel "De Atlas" te Zwolle, waar wij ons vóór den aanvang der meting hadden verzameld.
De formule van toelating was door 54 personen geteekend, waaronder afgevaardigden van den soc.-dem. vereenigingen te Franeker, Arnhem, Utrecht, Amsterdam, Amersfoort en Warga en van de afd. Maastricht, die zich van den Soc.-Dem. Bond had afgescheiden.
Vliegen presideerde. Twaalf jaren had hij in den ouden Bond medegestreden: "Dan kost het moeite, u los te scheuren. Maar nu dit eenmaal is gebeurd, dienen de handen aan het werk geslagen, om ons te redden uit het moeras van begripsverwarring en onzekerheid, waarin we zijn verzeild geraakt.
Daarna werd het bestuur gekozen uit eprsonen, wonende in verschillende deelen des lands: Schaper, Cohen,
|
 |
Israël, Troelstra, Helsdingen, Fortuijn en Vliegen, die later op het meetingterrein de funkties verdeelden.
Tevens werd een program-kommissie benoemd: Van der Goes (die reeds voor de Soc.-Dem. Vereeniging te Amsterdam een program had ontworpen, dat de Program-kommissie later tot leiddraad zou dienen), Helsdingen, Troelstra, Vliegen en Van Kol.
Besloten werd verder, eerstdaags een meeting te Amsterdam te houden, om onze beginselen uiteen te zetten.
Schaper sprak een woord over den laster van de zijde der officiëele bondsleden. "Nu wij zelven dezen laster voelen, begrijpen wij volkomen hoe het gekomen is, dat sommige personen, die reeds jaren lang een strijd tegen den officieëlen Bond hebben gevoerd, onhandigheden hebben kunnen begaan. Wij moeten alles nu vergeven en vergeten en solidair blijven." Dit drukte hij nader uit in een motie, waarin tegen het verketteren der werkelijke sociaal-demokraten door den Bond geprotesteerd, het revolutionair karakter der nieuwe Partij op den voorgrond gesteld en een oproep tot aansluiting aan de Nederlandsche arbeiders gericht werd.
Daarop werd de naam vastgesteld: "Noem het kind: Soc.-Dem. Arbeiderspartij", zei Fortuijn. "Partij is zoo weidsch voor het kleine groepje", zei Van der Goes, "noem het Soc.dem. Vereeniging." "Hoe klein, 't is in elk geval de vertegenwoordiging der internationale partij in ons land", zei ik: "noem het dus Soc.-dem. Arbeiderspartij in Nederland". En aldus werd besloten.
Tijd om veel te spreken hadden we niet. Een paar zaken werden nog haastig afgedaan en toen Vliegen de bijeenkomst sloot met een woord aan de kapitalisten, dat ze spoedig zouden inzien, geen reden te hebben, om zich over dezen dag te verheugen - toen daverde de donkere zaal van ons gejuich en toen gingen die belasterde, bespotte, gesmade mannen overeind en hieven het oude vrijheidslied aan met tranen in het oog en het hart vol van wat zij ter bereiking van dit oogenblik hadden doorstaan. En toen keerde het Ideaal der Internationale proletariërs weer naar onzen grond en liet zijn vleugelslag over ons ruischen en liet wuiven over onze hoofden de heerlijke belofte, dat wij nu voortaan in deze woestijn van kapitalisme een thuis en trouwe vrienden zouden hebben en en mooi arbeidersveld voor onze krachten en talenten en een wassende beweging, waardoor de besten van ons volk aangetrokken, het proletariaat bezield en georganiseerd, nieuw leven in ons duffe landje gebracht zou worden.
En deze belofte is vervuld. |
| P.J. TROELSTRA |
(†1) Zie voor de Friesche: mijn Almanak voor de Friesche Volkspartij 1892.
(*1) Reeds voor 1894 opgehouden.
(†2)In het Engelsche partijblad "Justice", 6 Jan. 1894.
(*2) Daarover geïnterpelleerd verklaarde Domela Nieuwenhuis eens, dat vliegen den naam van dit blad had gestolen! |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
→ |
↑ |
|