|
|
De wording der S.D.A.P. [1]
I
|
Aan het verzoek, om in dit gedenkboek een bijdrage te leveren tot de herdenking van eht tienjarig bestaan onzer partij, voldoe ik gaarne.
Daar in dat gedenkboek niet een korte schets van het ontstaan en de opkomst der partij mag ontbreken en het levendig aandeel, dat ik in die voor ons volk zoo belangrijke gebeurtenis heb genomen, mij den plicht oplegt, die te schrijven is het onderwerp mijner bijdrage als vanzelf aangewezen.
Ik moet echter den lezer waarschuwen, dat hij hier geen opstel heeft te verwachten, dat het rijke onderwerp ook maar eenigszins volledig behandelt.
De wording der S.D.A.P. is de overgang van het strijdend deel van het Nederlansche proletariaat van utopisme tot klassenstrijd, van individualisme tot organisatie, van anarchisme tot sociaaldemokratie.
De geweldige beteekenis van dit proces voor de toekomst van ons volk zal eerst later worden begrepen, wanneer de arbeidersklasse de richting aangeft van landsbestuur en maatschappelijke leiding. Dan zal het blijken, hoe noodig en zegenrijk dat proces van zelf-vorming en scholing, die overgang van gevoelssocialisme naar sociaaldemokratisch inwerken op de maatschappelijke verhoudingen is geweest.
Dan zal de neerdaling der socialistische arbeiders uit de luchtverhevelingen der fantasie op den grond der feiten, hun langzame bekendwording met de werkelijke machtsverhoudingen, noodig om hun de keuze en de kracht van elk wapen in den strijd te leeren - dan zal deze vaak proefondervindelijke opvoeding van een eertijds in kinderljke onbewustheid verkeerende klasse tot mannelijke daadkracht en beleid, als de groote voorwaarde voor de mogelijkheid van het proletarische tijdperk worden erkend.
Het socialistisch proletariaat van een zuiver negatieve en afbrekende in een herscheppende macht te hebben omgezet - de sociaaldemokratie hier te hebben geplaatst op den bodem der Zürische resolutie (1893), die in de revolutie iets meer ziet dan "omverwerping" van het bestaande; die haar ziet als "omvorming", transformatie, in tegenstlling al weer tot gewone "hervorming" of reformatie - dat zal in later tijden als de groote beteekenis der S.D.A.P. met dankbaarheid worden erkend.
Niet alleen is de ruimte, mij verleend, te beperkt, om dit wordingsproces hier volledig weer te geven; maar de tijd voor de geschiedschrijving van die, zoo kort achter ons liggende gebeurtenissen is ook niet gekomen - daargelaten dat hij, voor wien de wording onzer partij tevens een stuk ziel- en lichaamberoerend persoonlijk leven is geweest, wel niet de meest onpartijdige historicus van dat feit zal kunnen zijn. Ook bloeden daar nog enkele wonden na of zijn pas versch geheld en nog gevoelig, bij velen die in de gisting dier verloopen jaren elkaar slechts moeilijk hebben kunnen vinden en begripen, waardoor het niet gepast schijnt, alle fijne vezelen bloot te leggen en het mes van het historisch onderzoek te zetten in zoovele nog zoo springlevende persoonlijke verhoudingen van het oogenblik.
Daarom zal ik mij tot een beknopt overzicht van de voornaamste toestanden en feiten beperken, opdat ook de nieuw-gekomenen in onze beweging en de buitenwacht eenig idee zullen krijgen van den strijd, door ons gestreden, en van het werk, door ons verricht. |
II |
De politieke organisaties van het Nederlandsche proletariaat, voor zooverre zij althans aan den strijd voor zijne rechten actief deelnamen, waren vóór 1894: de Soc. Dem. Bond, de Ned. Bond voor Alg. Kies- en Stemrecht, het Comité der Friesche Volkspartij, het Groningsche Comité voor de Volkszaak, de Kiesvereenigingen "de Unie" te Amsterdam en Rotterdam en het Alg. Ned. Werkl. Verbond.
Zuiver proletarisch was van deze organisatie slechts de eerste, de Soc. Dem. Bond, ontstaan uit de Smedenvereeniging te Amsterdam, die, na in 1877 op de jaarvergadering van het Alg. Ned. Werkl. Verbond te vergeefs getracht te hebben, dien Bond in een soc. dem. organisatie om te zetten, zich 7 Juli 1878 als "Sociaal-Demokratische Vereeniging" constitueerde en het program van Gotha woordelijk vertaald overnam, welkeé program tot December 1893 dat van den Soc. Dem. Bond is gebleven.
Het Alg. Ned. Werkl. Verbond, 29-30 Oct. 1871 uit reaktie tegen de Internationale opgericht, was anti-socialistisch, uitgesproken burgerlijk; maar ijverde mede voor algemeen kiesrecht en arbeidswetgeving.
Tusschen deze beide polen der arbeidersbeweging in stonden gemengd burgerlijk-proletarische vereenigingen als: de Ned. Bond van Alg. Kies- en Stemrecht, de Provinciale Combinaties van dosc. dem., democratische en vakvereenigingen in Friesland (†1) als "De Unie".
Het Radicaal Weekblad (*1) was in Groningen, het Friesche Volksblad in Friesland het orgaan dezer gemengde bewegingen, waarin gevoels-socialisme, landnationalisatie, vrijdenkerij, anarchisme, demokratie in één grooten pot door elkaar stonden te pruttelen.
Het eenige wat deze verschillende elementen gemeen hadden, dat was hun ijveren voor het algemeen kiesrecht.
De totale uitsluiting der arbeidersklasse van het kiesrecht en de onmogelijkheid, om zonder het - zij het dan ook gedeeltelijk - bezit van het kiesrecht een duurzame politieke akte te voeren, maakte echter dat ééne punt van het kiesrecht van zoo groot belang, dat daarvoor een gemeenschappelijk optreden dier verschillende elementen mogelijk en geboden was.
De kiesrecht-kwestie heeft ten ontzent een ware lijdensgeschiedenis. Terwijl in Frankrijk sinds 1848 en in Duitschland sinds 1870 (voor den Noord-duitschen Bond reeds vroeger) het algemeen kiesrecht door Louis Napoleon gehandhaafd en door Bismarck ingevoerd is, zijn de machthebbers in Nederland steeds met kwalijk verborgen schrik voor die instelling bezield geweest.
In 1848 voerden de liberalen in de grondwet een hoogen census in: van f 20- en f 160 aanslag in de rijks directe belastingen. In 1869, 1874, 1877 en 1882 werden mislukte pogingen beproefd, om de kieswet van 1850, door verlaging van den census, te verbeteren. In 1876, naar aanleiding der kiesknoeiereijen te Elst, waar men zich, ter verkrijging van het kiesrecht, in de patentwet liet aanslaan, werd een commissie benoemd, wier meerderheid tot de conclusie kwam, dat de grondwet moest worden herzien, opdat het kiesrecht van de belasting-wetgeving kon worden losgemaakt. Mr. S. van Houten diende in die dagen een nota bij de Kamer in, waarin hij, als grondslag van kiesbevoegdheid, deze wilde toekennen aan alle meerderjarige mannelijke ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot hunner burgerlijke en burgerschapsrechten, die de laatste drie jaren geen bedeeling hebben genoten en de schrijfkunst verstaan. In 1879 kwam de bekende schets eener grondwet-herziening van Kappeijne, waarin hij voorstelde - wat thans in het rapport der Liberale Unie wordt aanbevolen - in de grondwet de regeling der kiesbevoegdheid aan den wetgever over te laten.
Al deze pogingen mislukten; ze waren nog geene utingen van den volksdrang. Maar deze begon opteleven. De ontwikkeling van ons koloniaal en handelskapitalisme sinds de opening van het kanaal van Suez; de agrarische wet, die de particuliere industrie in Indië en daarmede den koffie- en tabakshandel de cacao-industrie enz. in 't moederland zulk een stoot gaf; de fransch-duitsche oorlog met zijn gevolg: de opbloei der duitsche industrie, die hare waren voor een zoo groot deel over Holland verzendt - dat alles bracht nieuw leven, uitbreiding der groote steden, werkgelegenheid, verhooging der levensvoorwaarden en vooral der levens-eischen van onze arbeiders-bevolking. De sociale kwestie, die geen gevolg is van de materieele ruïne en ontaarding, doch integendeel van de eonomische en intellectueele verheffing der arbeidende massa, deed ook hier hare intrede. Behalve het armoedige en slecht toegepaste kinderwetje van Van Houten en de vrijheid van coalitie sinds 1872, bestond hier niets op dat gebied. Maar reeds hadden enkele werkstakingen plaats gehad, de Internationale had ook hier een paar "secties" geschapen en in 1872 haar laatste congres in den Haag gehouden; ook bestond een enkele vakbond, bijv. die der Typografen (1866), en er waren reeds een paar algemeene werklieden-congressen gehouden, terwijl in 1871 het Alg. Ned. Werkliedenverbond was opgericht.
In 1876 werd de eerste meeting voor het algemeen kiesrecht (te Amsterdam) gehouden: zij ging uit van de pas opgerichte vereeniging "Algemeen Stemrecht", die in 1883 door den Bond van Algemeen Kies- en Stemrecht werd vervagen. Het was deze Bond, die tot 1894 een geregelde agitatie voor het algemeen kiesrecht voerde.
Het eerste adres tot invoering van het algemeen kiesrecht in de grondwet was afkomstig van het "Comité voor Algemeen Stemrecht" en onderteekend door Veegens, Pekelharing, Rink, Heldt, Domela Nieuwenhuis, Pijttersen e.z. En de arbeiders zetten kracht bij aan dit adres door de indrukwekkende betoogingen in 1884 en 1885 in den Haag, die een sterken naklank hadden in de debatten over 't Adres van antwoord op de troonrede kiesrecht-regeling in stand te houden.
Deze toch sloot zeven achtste der meerderjarige mannen van alle deelneming aan de wetgeving uit; slechts 3.02 procent der gansche bevolking was kiezer. Een innerlijk zóó wrak gebouw moest wel vallen bij den eersten moker-slag. Te meer, nu de Kamer op het doode punt stond - de conservatief Wintgens kon den doorslag geven - en mede daardoor onbekwaam was, door oplossing der schoolkwestie den weg vrij te maken voor de sociale wetgeving.
Nadat de benoemde staatscommissie een niet-levensvatbaar ontwerp had ingediend, kwam het bij de adres-debatten in 1886 tusschen de regeering en de vooruitstrevende liberalen tot een compromis, waarbij zij den census opofferde en dezen er in toestemden de deur voor het algemeen kiesrecht in de grondwet te sluiten. Een en ander belichaamd in de "door de kieswet te stellen eischen van geschiktheid en maatschappelijken welstand" van art. 80 der grondwet van 1887, die in hare additioneele bepalingen voorloopig een kiesrecht invoerde, dat nog slechts aan 6.48 procent der bevolking ten goede kwam. Als men nagaat dat bij algemeen kiesrecht 23 à 24 procent der bevolking kiezer is, blijkt het, dat onder deze bepalingen ook nog een belangrijk deel der kleine burgers en boeren bleef buitengesloten.
Een dergelijk kiesstelsel moest wel vele burgerlijke elementen in de beweging drijven. Bovendien woedde vooral in koren- en vlasbouwende streken als Friesland en Groningen sinds de 80er jaren de agrarische krisis, die algemeen de aandacht vestigde op de nadeelen van het particulier grondbezit en de werken van Henri Geroge en Michael Fluerscheim ook hier deden inslaan, waardoor zelfs enkele groote boeren tijdelijk naast de landarbeiders tegenover het heerschende stelsel kwamen te staan en de strijd voor het algemeen kiesrecht vele aanhangers uit boerenkringen won.
Het was de taak der sociaal-demokratie, in dezen chaos licht, in dit mengelmoes scheiding te brengen. Maar dit moest niet geschieden ten koste van den strijd voor de demokratie en van de arbeidersbeweging! Opdat deze van die tijdelijke hulpkrachten voor hare politieke ontvoogding het noodige gebruik zou kunnen maken, zonder daarvoor het noodigste: hare beuwstwording en zelfstandige organisatie in den klassenstrijd te verwaarloozen, was bij de leiders een politiek inzicht, een mate van zelfbeheersching en beleid, een ruim en hoog standpunt boven de toevalligheden van het oogenblik noodig, die aan den toenmaligen leider volkomen ontbraken.
De stand der zaak was overigens eenvoudig genoeg; sedert 1880 was hier een groeiende beweging voor de demokratie, het eerste wat de arbeidersklasse noodig heeft, om den klassenstrijd in vollen omvang te kunnen voeren. Het streven der sociaal-demokratie moest dus zijn, die beweging te steunen, tot haar doel te brengen en intusschen door beslist soc.-dem. propaganda onder de elementen, door de beweging op de been gebracht, den grondslag te leggen voor een Arbeiderspartij die, na de toekenning van het kiesrecht aan een deel der arbeidersklasse, dat wapen voor haar zou kunnen hanteeren. Voor het eerste was noodig, dat men aan zijn bondgenooten geen eischen stelde, waaraan zij nu eenmaal niet konden voldoen, en ruimte liet voor krachtige samenwerking met hen tot hetzelfde doel, zoolang die noodzakelijk was; voor het laatste, dat er een degelijke soc.-dem. propaganda werd gevoerd, waardoor het proletariaat tijdens zijne voorbereiding voor zijn politieken strijd daarover werd opgevoed en geschoold.
Zoowel voor het een als voor het ander bleek Domela Nieuwenhuis op den duur niet de man te zijn. Het succes der kiesrechtbeweging in de eerste jaren harer opkomst was volkomen: de kiesrechtbond telde in het laatst van 1885 reeds 5000 leden; de Haagsche betoogingen in 1884 en 1885 brachten schrik onder de bourgeoisie. Zij hebben de grondwetsherziening "urgent" gemaakt; zij waren, wat de vooruitstrevende liberalen in de Kamer noodig hadden, om het konservatisme van Heemskerk te breken. Het eerste gevolg hiervan was, dat Domela Nieuwenhuis in 1888, bij herstemming tegen Heldt, door het sterk kleinburgerlijke district Schoterland naar de Tweede Kamer werd afgevaardigd.
Bij herstemming tegen Heldt! Hier komt een groote fout der kiesrechtbeweging aan het licht, waarvan de tegenstanders der arbeidersbeweging niet hebben nagelaten, gebruik te maken. In 1885 werd Heldt door de liberalen kandidaat gesteld in het district Sneek: een concessie aan de kiesrechtbeweging, die Domela Nieuwenhuis had moeten toejuichen. In plaats daarvan zag hij in deze verkiezing niets dan een poging om de sociaaldemokratie te bestrijden en werd Heldt uit den Kiesrechtbond gestooten, omdat hij op het punt van militairen beneden den rang van officieren en bedeelden tijdens zijne verkiezing concessie had gedaan. Hoe men ook over deze concessies moge denken, zoo hadden de tegenstanders der volksbeweging, indien zij met de kandidaatstelling van Heldt werkelijk het doel hebben gehad, deze te verdeelen, hun doel niet beter kunnen bereiken; het zoo noodige contact tusschen Heldt en de beweging was gebroken - hij kwam tegen en niet door haar in de Kamer.
Noodlottiger was voor de beweging de dreigende toon, die Domela Nieuwenhuis al spoedig begon aan te slaan en die bewijst, dat het aanvankelijk succes hem naar het hoofd begon te stijgen, zoodat hij blind werd voor de werkelijke machtsverhoudingen en onderhevig aan geweld-fantasieën, die de beweging moesten demoraliseeren en op niets dan teleurstelling konden uitloopen. Reeds na de groote demonstratie op 14 Sept. 1884, toen de Minister van Binnenlandsche Zaken (den dag daarna) een deputatie met het adres om algemeen kiesrecht ontving, schreef Recht voor Allen: "Of het helpen zal? Wij zijn overtuigd van niet en meenen dat het adres zoowel als de motie begraven zijn. Maar van onze zijde blijven wij den wettelijken weg bewandelen zoolang als wij kunnen en wil de regeering blind blijven voor de teekenen des tijds, welnu, men wete, dat de gevolgen komen op haar hoofd." En op de betooging van 1885 werd de motie aangenomen, dat men in 't vervolg niet meer om algemeen stemrecht zou vragen. Onder de arbeiders werd dit aldus opgevat, dat men het nu zou nemen.
Niet alleen sneed men zich zelf door zulke verklaringen den weg tot verdere agitatie af; maar bovendien werden daardoor meer nadenkende elementen van de beweging afgestooten, waardoor deze op den duur verdeeld en verzwakt moest worden.
Ook maakt het den indruk, alsof het Domela Nieuwenhuis meer is te doen geweest, door het mislukken eener "wettelijke" beweging het recht op een gewelddadige te verwerven. Het was immers in 't geheel niet waar, dat deze betoogingen niets uitwerkten; integendeel hebben zij grooten invloed gehad en als men wat minder den ketterjager tegen zwakke broederen als Heldt had gespeeld - den arbeiders niet had voorgehouden, dat het toch niets baatte, doch hun vertrouwen in de gevolgde taktiek had versterkt door hen op het aanvankelijke succes te wijzen - niet reeds bij de tweede betooging een ultimatum aan de regeering had gesteld, doch geregeld op dien weg ware doorgegaan en zich ten doel had gesteld, de sociaaldemokratie aan de spits te houden van de demokratische strooming onder het volk, dan zou er meer zijn bereikt met de grondwetherziening van 1887 dan thans.
In plaats echter van konsekwent op het eerst te bereiken doel: de verovering van het eerst noodige wapen in den klassenstrijd, te blijven aansturen, liet Domela Nieuwenhuis zich door den tegenstand der bourgeoisie, die immers te verwachten was, en door het gejuich eener uit zijn slaap wel opgeschrikte, maar daarom nog niet geestelijk ontwaakte menigte geheel van de wijs brengen.
Reeds in 1884, na de Duitsche verkiezingen, schreef Recht voor Allen, dat de verlossing nabij was, als men maar wilde. "Bereidt u voor op den grooten dag".... "De dag der zegepraal, de dag der wrake is niet ver meer", heette het reeds toen. Van dat oogenblik hoorde men onder socialistische arbeiders over niets meer spreken dan over "den grooten dag". Welke voorstelling de eenvoudigen zich daarvan maakten, begreep ik, toen ik in 1892 op reis naar de Haagsche kiesrechtmeeting een bekende vrouwelijke partijgenoote tot een vriendin hoorde zeggen: "Ja, nietwaar vrouw....., als de groote dag er is, dan reizen wij met z'n beiden met een galg het land af."
De Regeering, die sinds de weigering der rechtspersoonlijkheid aan den Soc. Dem. Bond in 1884, jaren aaneen een waar schrikbewind tegen de socialisten op touw heeft gezet, daarbij dapper door de rechterlijke macht geholpen, werkte er niet weinig teo mede om elke gedachte aan een normale strijdwijze te doen verdwijnen bij de onkundigen, die door de leiders met utopisme en het wondergeloof aan "het geweld" werden gevoed, in plaats van hen op de hoogte te stellen met de eerste beginselen der soc. dem. wetenschap. De gevangenisstraf, aan Domela Nieuwenhuis opgelegd, maakte hem, die zich van den aanvang toch reeds als een nagemaakte Messias gedroeg, tot een voorwerp van ware afgoderij voor dat deel der menigte, dat zich van de burgerlijke partijen begon af te wenden, en leider en partij demoraliseerden elkander wederkeerig, in plaats van elkaar op te heffen. |
III |
Niet alleen de kiesrechtbeweging, ook de Sociaal-Demokratische Bond zelf moest onder den invloed dezer omstandigheden op den duur vastloopen.
Dit werd verhaast door Domela Nieuwenhuis' fiasko in de Kamer, waar hij zoowel door zijn persoonlijk optreden als door zijne ongeschiktheid voor het parlementair debat geen kracht heeft kunnen uitoefenen; waar hij met name niet heeft gedaan, wat in die dagen op den voorgrond had moeten staan: de kiesrechtkwestie warm houden. Reeds in 1889 op het Parijsche kongres bleken zijne verwachtingen van de parlementaire aktie tot het vriespunt gedaald en toen hij in 1891 bij de verkiezingen in Schoterland door Treub was verslagen, ging hij meer beslist den anti-parlementairen kant uit. Op het kongres van dat jaar werd de beruchte motie aangenomen, dat de partij de revolutionaire taktiek "handhaafde" - een bron van verwarring, daar blijkens de artikelen, over die motie geschreven, niemand eigenlijk wist, wat men onder "revolutonaire taktiek" had te verstaan. Zij sloot, volgens Domela Nieuwenhuis, het deelnemen aan de verkiezingen niet uit, maar wèl het doen van wetsvoorstellen door de soc.-dem. afgevaardigden. Daar echter Domela Nieuwenhuis in de Kamer niet slechts vele amendementen, maar zelfs één wetsontwerp (tegen de gedwongen winkelnering) heeft voorgesteld, kon men, als dàt met de "revolutionaire taktiek" in strijd was, niet zeggen, dat deze "gehandhaafd" werd.
Het behoeft geen betoog, dat een sociaal-demokratische partij, die, bij een zóó week en vurig gemoed, over zóó weinig hersens beschikte, geen noemenswaarden invloed kon uitoefenen op de organisaties, die naast haar stonden in den strijd voor het kiesrecht en waaruit zij de beste elementen tot zich had moeten trekken.
Het eenige, wat de Soc. Dem. Bond kon, was, zijne afdeelingen verbieden, duurzaam met die organisaties samen te werken, waardoor uit combinaties als de Volkspartij ontijdig de revolutionaire elementen werden afgescheiden - ze met zijn geest bezielen, van burgerlijk op proletarisch standpunt overbrengen, dat vermocht hij niet. Daarom werd ook de strijd van soc.dem. zijde tegen het deelnemen der Friesche afdeelingen aan de meeting van Landnationalisatie in 1891 volstrekt niet begrepen; de voormannen der Friesche Volkspartij, in de praktijk vaak beter sociaal-demokraten dan die van den Soc. Dem. Bond zelven, voelden zich door de aktie tegen deze door omstandigheden noodige organisatie noodeloos gedwarsboomd en ontmoedigd; de aktie van den Kiesrechtbond leed onder de onophoudelijke twisten tusschen revolutionaire, parlementaire en burgerlijke elementen: de strijd tegen de bourgeoisie om het kiesrecht begon meer en meer plaats te maken voor den strijd tegen elkander over het kiesrecht.
Nog ééne poging werd beproefd, om, zij het met afscheiding van het zuiver burgerlijke deel der beweging, althans de beste en grootste organisatie, de Friesche Volkspartij met haar tuim 100 afdeelingen en 5000 leden, voor de sociaal-demokratie te bewaren. Op hare jaarvergadering in Februari 1892 werd echter het voorstel, een sociaaldemokratisch program aan te nemen, verworpen. Tegenstanders van dat voorstl waren eerstens de radikalen, tweedens de "revolutionairen", de vrienden van Domela Nieuwenhuis, die in een aldus herschapen Volkspartij een konkurrent zagen van den soc. dem. Bond. Deze poging, om een groote organisatie te behouden en tevens de sociaaldemokratie voor ondergang in het anarchisme te behouden, mislukte dus. |
IV |
In 1892 verscheen Kropotkine's werk "De verovering van het brood", die boeiende fantasie over de komende revolutie, waarin alles wel in orde zal komen, als men maar zorgt, geene nieuwe "regeering" in te stellen en alles over te laten aan de edelmoedige toewijding der massa en de edelaardige opwellingen der indivuduen. Een werk vol frisch optimisme, getuigend van groote belezenheid, sprekend met groote beslistheid en wel geschikt om proselieten te maken.
Dit werk vond hier een wel toebereiden bodem.
Domela Nieuwenhuis heeft nl. sedert 1889, in den aanvang - naar voor zijne eerlijkheid is te hopen - onbewust, later meer stelselmatig, het parlementarisme, daarna de politieke aktie, ten slotte de sociaaldemokratie afgebroken. Daarmede ging gepaard een toenemende nadering tot het anarchisme, dat eertijds principieel bestreden, daarna gevleid en onder de hand bevorderd en ten slotte openlijk omhelsd werd.
Wie de inkonsekwenties, de zwenkingen en tegenstrijdigheden, die dezen overgang vergezelden en dikwijls voor het oog bedekten, nader wil leeren kennen, die leze de voor de geschiedenis der oude beweging onmisbare brochure "Na twintig jaar", misschien de eenige, maar dan ook hoogst belangrijke daad van den Socialistenbond, toen deze door Domela Nieuwenhuis was verlaten.
Men kan deze brochure "de oude plunje" van Domela Nieuwenhuis noemen; maar niet daarin steekt haar belang. Behalve historische beteekenis heeft zij deze waarde, dat zij den sociaaldemokraat van thans de aanloopjes, de leuzen, de oppervlakkig vaak zoo aanlokkelijke doordraverijen op een beginsel leert kennen, waardoor de oude Bond van zijn eigenlijk beginsel is afgedwaald en in zijn tegenovergestelde, het anarchisme, is terecht gekomen.
Toen minster Heemskerk in 1885 de kiesrecht-deputatie ten antwoord gaf, dat hij aan hare zijde zou staan, indien hij wist dat de ekonomischen toestand zouden hebben. Dit was "te dwaas om van te praten"; "het zijn de wetten die zoo niet alleen, dan toch een overwegenden invloed uitoefenen op het wel en wee der burgers".
Later begon men "niets te verwachten van het parlementarisme". Wetten, heette het toen, zijn niets dan sankties, dan weerspiegelingen van ekonomische verhoudingen - op die verhoudingen komt het aan. Dat klinkt heel zuiver Marxistisch; maar degrondleggers onzer leer waren de eersten, om de beteekenis der wet voor de opkomst der arbeiderskalsse te erkennen. Men denke aan Marx' oordeel over de Engelsche 10-urenwet; aan de "revolutionaire maatregelen" van het Kommunistisch Manifest, meest altemaal van parlementairen aard; aan Engels' erkentenis, dat de wetten hunnerzijds weer invloed uitoefenen op de ekonomische verhoudingen. Deze verkeerde toepassing van een juiste (hoewel vaak gebrekkig en onvolledig geformuleerde) stelling ging gepaard met een andere dwaling, eene omtrent de beteekenis van het woord "ekonomisch", die dienen moest en gestrekt heeft, om de vakbeweging tegenover de politieke beweging te stellen. De ekonomische aktie, zoo werd in aansluiting aan bovenbedoelde stelling gezegd, is dus het eigenlijke; als die maar goed is, komt het politieke, het parlementaire, van zelf wel in orde. Hieraan vastknoopend werd vooral door Cornelissen de "algemeene vakorganisatie", los van politiek, ja zelfs los van socialisme, als het groote, ja haast eenige middel van revolutioniare aktie gepredikt. Het parlement werd in dezen gedachtengang hoogstens een tribune, vanwaar men tot het volk kon spreken. Nu en dan erkende men wel, dat daar ook nog wel eens iets verhandeld werd, waarbij de socialisten iets ten nutte der arbeidersklasse konden verwerven; maar dat werd dan later weer teruggetrokken en de motie der "revolutionaire taktiek" was feitelijk tegen het parlementarisme gericht.
Nu wordt het woord "parlementarisme" in meer dan ééne beteekenis gebruikt. Het kan beteekenen: opgaan in de aktie, zooals die in het parlement wordt gevoerd; de daar verkregen resultaten beschouwen als het einddoel van zijn optreden, inplaats van ze te toetsen naar hunne beteekenis voor de algemeene aktie van het proletariaat in den klassenstrijd. Mij wil het voorkomen, dat Jaurès, waar hij zijne daden in en buiten de Kamer blijkbaar geheel inricht naar hunne parlementaire gevolgen in verband met het compromis, door hem met een deel der burgerlijke partijen gesloten, een voorbeeld geeft van "parlementarisme" in die verwerpelijke beteekenis. Maar zóó vatten Domela Nieuwenhuis c.s. het niet op; zij verwierpen sedert 1892 feitelijk de verovering der staatsmacht als middel tot de ekonomische onteigening der bourgeoisie door de arbeiders; zij stelden die ekonomische onteigening der bourgeoisie door de arbeiders; zij stelden die ekonomische onteigening (door werkstaking enz.) voorop, als middel, om ook de politieke macht in handen te krijgen. En later, in 1893, toen "De Verovering van het Brood" zijn werk had gedaan, wilden zij ook van een politieke macht der arbeidersklasse niet meer weten; toen was de afkeer van bourgeois-wetten overgegaan in een afkeer van alle wetten; toen was de strijd tegen het privaar bezit geworden een strijd tegen "het gezag", toen waren de anti-parlementairen reeds anarchisten geworden.
Dat de arbeidersklasse haren bevrijdingsstrijd niet zonder en buiten het parlement kan voerden, bewijst haar optreden in alle landen, waar de klassenstrijd bestaat. Zonder parlementarisme, in den zin van deelneming aan den parlementairen arbeid, kan het proletariaat geen aktieven arbeid op het gebied der wetgeving verrichten; kan zijne politieke aktie zich slechts tot betoogen en adresseeren bepalen; hangt het voor de uitvoering zijner wenschen geheel van de burgerlijke partijen af; is de vorming eener zelfstandige arbeiderspartij feitelijk onmogelijk; heeft de aktie voor het algemeen kiesrecht geen zin, althans niet van soc. dem. standpunt en doemt de politieke arbeidersbeweging zich zelve, de rol van niet meer dan dwarskijker te vervullen.
Zeer zeker moet men de direkte vruchten der wetgeving, zoolang het kapitalisme overheerscht, niet overschatten; maar dit geldt evenzeer voor de direkte vruchten der vakbeweging, der koöperatie, van al wat binnen het raam van het burgerlijke régime door het proletarische te vervangen.
Overigens is het parlementarisme de noodzakelijke oefenschool, die onze Partij moet doorloopen. De botsingen en meeningsverschillen, waartoe het in elke eenigzins ontwikkelde soc. dem. partij aanleiding geeft, brengen de politieke gedragslijn van het proletariaat en de vraagstukken van den dag onder de aandacht der arbeiders, die langs dezen weg uit de algemeenheden, de formules van den klassenstrijd worden opgevoerd tot de uitwerking der beginselen in de praktijk. Wel verre dat de daaruit voortvloeiende diskussiën in de Partij noodlottig en schadelijk zouden zijn, zijn zij integendeel de gelegenheden, waarbij de arbeiders worden geschoold voor de taak, die de partij wacht, als zij eenmaal geroepen wordt, haar program uit te voeren; de politieke instellingen van elk land in haren geest verder te ontwikkelen; de baan vrij te maken voor den ongehinderden groei der maatschappelijke produktiewijzel de vormen te scheppen, waarin deze haar voortgang en bevestiging zal vinden.
Door deze beteekenis der parlementaire aktie over het hoofd te zien, heeft de oude beweging het wapen, waarmede zij eenmaal, na uitbreiding van het kiesrecht, had moeten strijden, reeds vooraf weggeworpen en daarmede aan den strijd voor het algemeen kiesrecht zijn beteekenis ontnomen, ja de sociaaldemocratie zelve den genadestoot toegebracht. Dat zij daarna besloot, niet meer aan de verkiezingen mede te doen, was noodzakelijk gevolg van het voorafgaande.
Een tweede fout in de redeneering was de beteekenis, die men gaf aan het woord "ekonomisch", waaronder men de vakbeweging verstond in tegenstelling tot de politieke beweging. De kwestie is, dat de eigenlijke arbeidersbeweging: politieke, vakaktie, koöperatie enz., in haar geheel is een deel van dien "bovenbouw" der maatschappij, die zich op haar ekonomischen grondslag, de produktiewijze, ontwikkelt. De wijzigingen in de produktiewijze zijn niet het gevolg van een vooropgezet doel, om nieuwe sociale, politieke, wijsgeerige, moreele systemen te scheppen; zij zijn eenvoudig gericht op gemakkelijker, winstgevender wijze van voortbrengen, met gebruikmaking van nieuwe machines, methodes, uitvindingen en ontdekkingen. Van algemeen sociaal-politiek standpunt is dit onbewust maatschappelijk werk.
De veranderingen echter in de eigendomsverhoudingen, door dien groei der produktiewijze noodig geworden, de vorming, vervorming en botsing der verschillende menschen-groepen onder den invloed der veranderde produktiewijze, geven den stoot aan bewegingen onder de menschen, die bewust aansturen op de nieuwe maatschappelijke en politieke organisaties, welke dienen moeten om den bovenbouw der maatschappij, de wetten, zeden en eigendomsverhoudingen, in overeenstemming te brengen met de eischen, uit de veranderde produktiewijze voortvloeïende. Tot die organisaties behoort zoowel de vak- als de politieke beweging der arbeiders. Beide zijn, ten opzichte van den ekonomischen ondergrond, van politieken aard, deelen der "politieke macht", dat is: der organisatie als klasse tegenover de bourgeoisie, van het proletariaat. Beide oefenen, door hun druk op de ondernemers, invloed uit op den ekonomischen ondergrond, daar zij eischen stellen, waaraan de moderne industrie beter kan voldoen dan het verouderde kleinbedrijf, zoodat zij de ontwikkeling der industrie naar het moderne bedrijf bespoedigen.
Er is dan ook geen reden, om de vakbeweging als iets specifiek anders voor te stellen dan de politieke; alleen is de laatste, die de gansche klasse in één gelid organiseert tegen het gansche systeem der bourgeoisie, bewustr, dieper, meer revolutionair dan de eerste. Precies andersom dan de mannen van den ouden Bond leerden, die aan de politieke aktie verweten, dat zij compromissen moet maken en het socialistisch beginsel niet "op den voorgrond" kan stellen en de vakbeweging, die leeft van compromissen en het socialistisch beginsel niet uitdrukkelijk kan propageeren, als de war revolutionaire aktie voorstelden.
Rondom deze dwalingen werd in de vereenigingen, de pers, de vergaderingen dier dagen een ware rondedans gedanst. Het was één en al verwarring, men begreep niet alleen niet de zaken, waar het om ging, maar zelfs niet de woorden.
Het woord "revolutionair" was de vlag, waaronder zij voeren, die met Domela Nieuwenhuis alle veranderingen meemaakten, wat voor de meesten geen kunst was, daar zij hem nòch vroeger, nòch later zoo precies hadden begrepen en in goed vertrouwen op hem "den grooten dag" bleven verwachten. Dat zij inmiddels van de sociaal-demokratie in het anarchisme belandden, bemerkten zij eerst toen het te laat was. Zij meenden steds dezelfden gebleven te zijn en verweten dien partijgenooten, die wat helderder zagen dan zij en die niet verkozen met een soc. dem. schip op anarchistisch zand te loopen, ruzie- en scheurmakers te zijn, die de heerlijke eendracht van vroeger braken.
Hoe de officieele leiders ten opzichte van het anarchisme waren veranderd, blijkt uit de volgende aanhalingen uit Recht voor Allen. De eerste komt voor in N0. 82 van den jaargang 1885, waarin wij lezen: "De heeren anarchisten willen niets weten van een staat, een regeering of wat ook, er mag geen gezag zijn. Goed zoo, maar met welk recht spreekt men dan van organisatie der gemeenschappelijke produktie? Dat moet "van zelf" gaan zonder organisatie, want organisatie onderstelt altijd gezag. Het anarchisme is dus niet een konsekwent socialisme, zooals sommigen beweren, maar iets geheel anders. Het socialisme wil organisatie onderstelt altijd gezag. Het anarchisme is dus niet een konsekwent socialisme, zooals sommigen beweren, maar iets geheel anders. Het socialisme wil organisatie, het anarchisme wil daarvan niet weten.... Het woord vrijheid brengt een ieder daarbij een heel eind ver.... Het komt ons voor dat de vorm waarin de staat zich steeds heeft doen kennen, nl. als een regeermachine van boven-af en die den rechtmatigen afkeer van de anarchisten opwekte, hen deed zeggen: weg met elken staat, zonder zich af te vragen, of dit de eenige beteekenis van den staat kan zijn. Zij handelden evenals iemand, die nauwe schoenen of nauwe kleeren aan heeft, en die nu uit afkeer zegt: Weg met alle schoenen en kleeren; Wij socialisten staat dus in theorie tegenover de anarchisten....."
Daarentegen heette het in N0 149 van 1893: De volksstaat is nog gevaarlijker voor de vrijheid, daar hij de geheele produktie en konsumptie regelt, dus almachtig is. Het individu gaat daarin op."
Over die "vrijheid" en dat "individu" had Recht voor Allen in 1888 nog geschreven: "Het anarchisme is het individualisme, waarbij geen gemeenschap mogelijk is, eene groepeering tot in het eindelooze, die ten slotte uitloopt op groepen van een persoon, allen naast en geen van allen met elkaar werkenden. Het socialisme daartentegen wenscht de verhouding van het individu tot de gemeenschap geregeld te hebben, m.a.w. behoud der gemeenschap, zonder teveel nadeel voor het individu. Dat die vrijheid iets moet verliezen ter wille van het gemeenschapsbegrip, dat dient ingezien te worden en nu is de groote vraag, dat het verlies van een deel der vrijheid geen grooter nadeel oplevert dan het zijn in de gemeenschap.... In elk geval de vrijheid van den eenen mensch heeft haar grens in de vrijheid van den ander, dus zij wordt daardoor beperkt. Vandaar dat absolute vrijheidsbegrippen voeren tot despotisme.... Het is dus de ergste Ik-zucht, den mond, veelal groote tirannen zijn in hunnen daden." |
V |
Ik meen hiermede de inzichten en omstandigheden, die aanleiding gaven tot de "revolutionaire" motie van 1891, voldoende te hebben toegelicht.
De verwarring door deze motie teweeggebracht - de verschillende uitleggingen, waartoe zij aanleiding gaf - de tegenstand, dien zij ontmoette in en buiten den Bond - de opkomst eener nieuwe richting, die zich in de kiem begon te vertoonen - dat alles bracht in den loop van 1892 blijkbaar een nieuwe zwenking teweeg in het hoofdkwartier van den Bond.
Reeds in 1884 was A.H. Gerhard in Recht voor Allen opgekomen tegen het speculeeren op de "dierlijke hartstochten" der massa dat hij in de beweging waarnam en het wondergeloof aan een plotselinge revolutie, door hem terecht een "onzinnig idee" genoemd. De vervolgingszucht der regeering, (men denke aan Croll's ontslag in 1886), de belchelijk zware vonnissen, met name dat tegen Domela Nieuwenhuis, die in 1886 tot één jaar celstraf werd veroordeeld, wakkerden deze opgewonden stemming steeds aan. De pers en de sprekers zagen in deze opwinding den waren revolutionairen geest, het vuur dat de burgerljke maatschappij in vlammen moest doen opgaan; Domela Nieuwenhuis reisde vóór en na zijne gevangenneming het land rond, om zich te laten bewonderen en beweenen; wraakzucht nam de plaats in van dec. dem. denken en persoonsvergoding die van trouw aan een beginsel. De "groote dag" werd binnen enkele jaren verwacht. De toon van redeneeren, de geest van onderzoek en overweging, de zelfbeheersching, die bijv. de Duitsche sociaal-demokratie door den zwaren vervolgingstijd heen heeft geholpen, werden hier uit den booze geacht. Zij, die zich er aan schuldig maakten, werden uitgekreten voor onbetrouwbare bangelingen, die om de een of andere min eerbare reden de verlossing der arbeidende klasse op de lange baan wilden schuiven; de grootste smaad voor een sociaal-demokraat werd geacht, dat hij voorstander was van "den ge-lei-de-lij-ken weg"; er was een verwildering ingetreden, die òf de meer dweepziekte, òf de domste en slechtste elementen onder de arbeiders aantrok, de intellektueelen op een afstand hield en de verstandigste, nuchterste arbeiders afstiet. De persoonspropaganda, met zooveel succes door Domela Nieuwenhuis gevoerd, bedierf, naast de massa, hem zelven; wie de tusschen sociaal-demokratie en anarchisme heen en weer slingerende beweging van den heerschzuchtigen leider niet medemaakte, werd als ontrouw jongere van den Messias buiten de zedelijke gemeenschap geplaatst;
nieuwe intelligente partijgenoooten, die opkwamen tegen hetgeen zij verkeerd achtten, werden op laag-demagogische verdacht gemaakt, vervolgd, uitgeworpen.
Dit lot trof in 1892 Frank van der Goes, die sedert den zomer van 1891 een beslist soc. dem. kritiek op de leiding in den Bond uitoefende en deswege door de Amsterdamsche afdeeling werd uitgesloten. Van der Goes was in die dagen misschien de eenige wetenschappelijke sociaaldemokraat hier te lande. Hij had voldoende kennis genomen van de ekonomische en filosofische theorieën, die bij Domela Nieuwenhuis, theoloog als hij in zijne methode van denken tot heden gebleven is, nooit in vleesch en bloed zijn overgegaan. In de Nieuwe Gids schreef hij belangrijke artikelen over de sociaaldemokratische opvattingen, die vele intellektueelen tot ons trokken, en door zijn verkeer met de Duitsche partij kreeg hij voor zijn optreden tegen de Nederlandsche afdwalingen een moreelen steun in den rug.
Het feit, dat de Partij hem uitwierp, plaatste hem daarbij op een zeer beslist standpunt tegenover deze half anarchistische organisatie; het deed hem afzien van elke poging, om in den Bond tot diens reorganisatie te werken - wat op den duur dan ook onmogeljik is gebleken - en het gaf aan zijne stem dat klare, zekere geluid, dat naast het organisatorisch werken van zijne geestverwanten in deze dagen wèl noodig was. Dat met zijne uitwerping zijn stem niet gesmoord, zijn invloed op de beweging niet gefnuikt was, zou spoedig blijken.
In denzelfden tijd, dat hij den Bond verliet, begon in Friesland het streven naar een nieuwe soc. dem. organisatie op te komen, een kwestie, aktueel geworden door het besluit van het Kerst-kongres van den Soc. Dem. Bond van 1891, dat afdeelingen van dien Bond geen deel konden uitmaken van organisaties als de Volkspartij.
Op de jaarvergadering van 14 Februari 1892 werd een motie-Troelstra door de Friesche Volkspartij aangenomen, waarbij op het blijven bestaan dier Partij werd aangedrongen, doch tevens werd verklaard, dat de vraag, of men een nieuwe soc. dem. partij zou oprichten, iets waartoe door mij in het Friesch Volksblad was opgewekt, buiten de Volkspartij moest worden beslist. Dr. Vitus Bruinsma, wiens roepstem ter vereeniging van alle demokratische groepen in zijne rede "Overtuigen en Opwekken" (1889) vruchteloos had weerklonken, sprak dan ook met dat doel dien dag te Franeker, waarbij hij onder veel bewijzen van instemming het verschil tusschen het "revolutionaire" socialisme van Domela Nieuwenhuis en wat hij noemde het "hervormingsgezinde" socialisme uiteenzette, Zijn succes maakte een hernieuwd optreden van Domela Nieuwenhuis noodig, dat dan ook op 22 Februari 1892 plaats vond, waarbij ik in debat kwam, evenals op 14 Februari te voren te Leeuwarden. Men vindt het verslag dezer merkwaardige vergadering in De Sneeker Courant van 3 Maart; het draagt tot opschrift de later zoo bekende woorden: parlementaire en revolutionaire sociaaldemokraten, en het eindigt met te konstateeren, "dat er eene nieuwe sociaal-demokratische partij in wording is, die rekening houdende met de organische ontwikkeling der maatschappij, de verwezenlijking der socialistische beginselen beoogt, en kans heeft, een grooten aanhang in den lande te krijgen."
Die beide debatten, van 14 en 22 Februari, verschaften de nieuwe richting in de Nederlandsche socialistische beweging èn een aktief propagandist èn een eigen orgaan. Ik dien hier een enkel woord over mij zelf te zeggen.
Pinkster 1885 traden Dr. Frowein en Dr. Vitus Bruinsma te Leeuwarden op om propaganda te maken voor het algemeen kiesrecht. Na de rede kwam mijn vader, toen hoofd der liberale partij aldaar, in debat en ... sloot ik mij aan bij de afd. Leeuwarden van den Bond voor Alg. Kies- en Stemrecht, die onder leiding stond van Dr. Bruinsma. Ik was toen student te Groningen, maar kwam dat jaar te Leeuwarden terug, om mijn doctoraal in te studeeren. Daar ik echter door 't schrijven eener friesche brochure tegen den anti-revolutionairen predikant Dr. L.H. Wagenaar dadelijk in een pennestrijd werd gewikkeld, die mijne gedachten meer in beslag nam dan voor mijne studie wenschelijk was, ging ik in 1886 weer naar Groningen terug, waar ik mij buiten de politiek wist te houden.
Warm voorstander van algemeen kiesrecht, maar van de sociaal-demokratie afgestooten door den vaak cynischen toon en het herrie-achtige der propaganda, voelde ik mij evenmin bevredigd door het optreden van mannen als Bruinsma, Stellingwerf e.a., die geen bepaald inzicht in den ontwikkelingsgang der maatschappij ten grondslag legden aan hun demokratisch streven en al hunne kracht richtten op het vormen van een "Volkspartij", die over het geheele land net zoo'n demokratisch allegaartje van socialisten, stemrechtmannen, landnationalisators, vrijdenkers en ontevreden burgers moest worden als het met ontbinding bedreigde "Friesch Comité der Volkspartij" voor Friesland was. Het gevolg was, dat ik mij na mijne vestiging te Leeuwarden buiten den politieken strijd hield, al waren ook mijne sympathieën met de Volkspartij. Een uitnoodiging van den Liberalen Bond in Friesland, om als propagandist voor de liberale partij op te treden, werd door mij afgeslagen.
Het jaar 1890 zou mij een sterken stoot in de goede richting geven: de landarbeiders-vereeniging "Broedertrouw" op het Bildt was in staking, haar beide voormannen Stap en Van Tuinenwerden wegen opruiing vervolgd en ik werd uitgenoodigd, hen voor de Leeuwarder Rechtbank te verdedigen - het erste der vele socialisten-processen, waarin ik van 1890 tot 1893 heb moeten pleiten.
Ik leerde in en door dit proces een verheffend stuk arbeidersorganisatie en mooie typen van socialistische arbeiders kennen; het bracht mij meteen in het centrum van den klassenstrijd, zooals hij in Friesland op het felst gevoerd werd; het plaatste mij in een oogwenk in dien strijd aan de zijde der arbeiders. TRouwens de groote werkstakingen in het Bildt en in de Beetster venen, waar zooveel ellende openbaar werd - de indrukwekkende Meibetooging der Friesche arbeiders op 27 April 1890 te Leeuwarden, met die zwarte, geduldig aanstappende bataljons mannen en vrouwen van uren ver van het platte land - daartegenover de hardheid en bekrompenheid der landheeren, der veenbazen en der machthebbers - dat alles was wèl geschikt, om een nog niet door klasse-egoïsme bedorven gemoed in opstand te brengen.
Het proces-Stap-Van Tuinen, dat met vrijspraak eindigde, plaatste mij op een midden in de arbeiders-beweging. Ik had reeds aanstonds tot die mannen gezegd, niet alleen van hunne strafzaak, maar ook van de beweging, wier voormannen zij waren, kennis te willen nemen en ik moest daarvoor de agrarische toestanden in hunne streek bestudeeren, waarbij ik in hunne woningen kwam, mede aanzat aan hun aardappelpot, dagen met hen verkeeder en vooral hunne socialistische opvattingen leerde kennen en waardeeren. Jan Stap, die later onder den indruk der teleurstellingen, in de door wantrouwen bedorven atmosfeer zijner omgeving, ontmoedigd het land en de beweging heeft verlaten, om voor zijn groot gezin in Amerika het brood te verdienen, was een man van breeden aanlag, zacht gemoed, type van den edelen gevoelssocialist, reeds socialist in daden, voordat hij den naam nog kende. Het was mij een genot, een openbaring en een bekeering, het leven en de ontwikkeling van dezen arbeider, tot in de stulp zijner oude moeder in het dorp Hallum, na te sporen; daar te hooren van zijn partijkiezen, reeds als kind, voor verongelijkten en zwakken en op die wijze ongemerkt in mij te voelen groeien het beeld van den arbeider, strijder voor zijne klasse, voor de zaak der armen en verdrukten, die hij dienen blijft trots armoe en vervolging, waar hij met lust en liefde alles aan offert, aldus uitlevend het volle warme leven van liefde en toewijding, de gloeiende zucht naar recht, den vlammenden haat tegen onrecht, tyrannie en onmenschelijkheid, dat in hem woelt en gist. Door hem kreeg ik voor het eerst dat onwankelbare vertrouwen in den arbeider, dat men hebben moet om te kunnen gelooven, dat hij in staat zal zijn, niettegenstaande zijne achteruitzetting en vernedering de groote historische taak, hem door de sociaaldemokratie toegedacht, te vervullen.
Men vergunne mij, dezen verloren strijder, thans den kamp om het dagelijksch brood voerend in Amerika, van uit de verte nog eens de hand te reiken. Nogmaals welt in mij die bitterheid op, die mij toen zoovaak bezielde, als ik zag, hoe van boven af uit Amsterdam mannen als deze werden bestookt, zoodra zij toonden, minder bekrompen, minder koudhartig en vergiftigd van ziel te zijn dan de kleine menschen, die toen aan het hoofd stonden van de Nederlandsche Sociaaldemokratie.
Zoodra Stap, ook nàdat over de Friesche Volkspartij de ban was uitgesproken, men mannen als Stellingwerf, Bruinsma en mij de vriendschap bleef aanhouden en door Bruinsma geholpen was, om in zijne woonplaats een Volksgebouw te exploiteeren, werden minderwaardig anarchistische elementen in zijne omgeving òf opgestookt òf gesteund, om hem als "omgekocht" enz. tegen te werken. Voeg daarbij zijne moeite om te bestaan na de verloren werkstaking. Hij bracht mij, met de zware zorgen voor zijn groot gezin, steeds het beeld voor oogen dat ik wel op de Friesche vaarten zag: een oud schip, zwaar beladen, waarop één man staat te ploeteren, den boom tegen den schouder gedrukt, om het zware gevaarte tegen wind en stroom in voort te duwen. Dat deze eerlijke, zachte ziel, toen de wondervolle geestdrift der Bildtsche arbeiders uitgelaaid en daarmee de vroegere grootheid en ernst van hun optreden in rook verwaaid was, om al de kleine leelijkheden van het gewone, hopelooze sloversbestaan uit de sintels te doen oprijzen - dat toen deze aangewezen leider der Nederlandsche landarbeiders den moed om te strijden heeft verloren en daarheen is gegaan, waarheen zijne familie hem reeds zoolang had geroepen, om den zijnen een beter bestaan te verschaffen, wien zal het verwonderen?
In weid hierover uit, omdat "de ondergang van Jan Stap als propagandist" één voorbeeld is uit de velen, waarvan die treurige tijd getuige is geweest. Velen, die later zijn afgezakt, afgestooten, in den ban gedaan, bij den vijand terecht gekomen, zijn niet anders dan slachtoffers van de omstandigheden, die destijds voor elk niet door fanatisme bedorven mensch het leven in de in ontbinding verkereende beweging tot een hel maakten. Ik denk hierbij o.a. aan Mr. D. van Eck, die van de Leidsche collegebanken zoo moedig de wereld in sprong en vol overtuiging in Friesland algemeen kiesrecht en landnationalisatie verdedigde, in 't naïeve geloof, dat natuurlijk de socialistische arbeiders, in wier belang hij werkte, hem daarbij evenzeer zouden steunen als de bezitters hem zouden tegenwerken. Hij trad zelfs in de Afd. Leeuwarden van den Soc. Dem. Bond, maar ondervond daar als "heer" zooveel wantrouwen, dat zijn zacht hart bijna doodelijk gewond en hij voor verderen strijd ongeschikt werd. Ik denk ook aan een Van Zinderen Bakker, die, in een goede sociaal-demokratische partij opgegroeid, zulk een groote kracht had kunnen worden; maar die door de ondervonden krenkingen, wars van de onvruchtbare negatieve taktiek der toenmalige sociaal-demokratie, "den knoei beet" heeft gekregen en zich heeft gewijd aan philanthropischen arbeid in dienst van enkele welwillende kapitalisten, waardoor hij meer en meer van den bodem van den klassenstrijd is afgedwaald. Ik denk daarbij aan een Van Raay en Croll, die radikaal zijn geworden; aan mannen als Nawijn en Harts en andere leden der Volkspartij, die bij de tegenstanders zijn terecht gekomen; aan zoovele honderden ongenoemden, die dood en koud zijn geworden voor de beweging en waarvan verscheidene thans tevergeefs trachten, het gepleisterde graf hunner vervlogen illusiën met de helle kleur der anarchistische frase voor een zomerhuis van ultra-revolutionair leven te doen doorgaan.
Toen ik mij in October 1890 tot Domela Nieuwenhuis wendde, om hem in mijn overgang tot het socialisme bekend te maken en te trachten, mijn burgerlijke carrière met een plaats in de redaktie van het Partij-orgaan te verwisselen, wist ik nog neits van de tegenstrijdige stroomingen, de intriges, de verborgen plannen en geheime afdwalingen, die het partijleven iets geheel anders deden zijn dan wat ik er mij op grond van hetgeen ik over de sociaal-demokratie had gelezen en van de beweging in Friesland had gezien, van voorstelde. Domela Nieuwenhuis bracht dit schrijven in den Centralen Raad der Partij en antwoordde mij, dat men mij niet aan R. v. A. kon plaatsen; ik moest echter maar naar den Haag komen, daar zou de Partij mij wel aan een drukke praktijk helpen, zooals zij het indertijd Mr. Paap had gedaan en dan kon men verder zien. Waarop ik antwoordde, dat het er mij juist om te doen was, de advokatenpraktijk die zich uitstekend uitbreidde neer te leggen en mij geheel aan de beweging te wijden; dat het mij hetzelfde was, of ik arme debiteuren achter de broek moest zitten voor socialistische dan wel voor kapitalistische dubbeltje en dat ik dus maar te Leeuwatden zou blijven. Hoewel het antwoord van Domela Nieuwenhuis mij als koud water op het lijf viel, zocht ik er toch geen kwaad in; later zou blijken, dat reeds daarmede de wapenen waren gesmeed, waarmede hij, zoodra het hem te pas kwam, den nieuwen indringer op zijn terrein zou kunnen bestrijden.
Hoewel ik tot dien tijd niet publiek was opgetreden, was ik toch een levendig aandeel gaan nemen aan de huishoudelijke vergadering der afd. Leeuwarden van den Bond van Alg. Kies- en Stemrecht; ik had daar o.a. een rede gehouden over de Engelsche trade-unions. De eerste keer, dat ik openlijk kleur bekende, was in den aanvang van 1891, toen ik afdeelingen der Volkspartij in het district Leeuwarden bij het opmaken van een grostal kandidaten voor de Tweede Kamer, de meeste stemmen op mij uitbrachten. Daar ik mij nog niet in staat gevoelde, in de Kamer de sociaal-demokratie voldoende te vertegenwoordigen, bedankte ik voor de kandidatuur; maar ik wilde niet den schijn op mij laden, alsof ik daarmede mijne overtuiging wilde vermoffelen en verklaarde mij dus tevens openlijk vóór de Volkspartij. Als gevolg daarvan trad ik bij diezelfde verkiezingen op als spreker tegen de liberale kandidaten, waardoor ik als spoedig midden in den politieken strijd was gewikkeld en al mijn vrijen tijd besteedde aan de propaganda voor de volksbeweging.
Toen eerst leerde ik de verhoudingen in de beweging beter kennen; ik behoorde tot hen, die de resolutie tot "handhaving" der revolutionaire taktiek van 't Kongres van 1891 sterk afkeurden; ik begreep, dat na aanneming dier resolutie de oude Bond niet meer het orgaan der politieke arbeidersbeweging kon zijn en ik ijverde in 1892 in de pers vóór de vorming eener nieuwe politieke arbeiderspartij naast den Bond.
Dat was het, wat mij 14 Februari 1891 te Leeuwarden met Domela Nieuwenhuis in debat bracht. Het was een vergadering ter herdenking van het éénjarig bestaan der Leeuwarder afdeeling van den Soc. Dem. Bond. Nog zie ik het tafeleel, dat ik bij mijn binnentreden aanschouwde: aan den eenen kant een levensgroot portret van den spreker; aan de ander zijde het vaandel der afdeeling: een roode lap fluweel rondom het portret van Domela Nieuwenhuis; en de groote man zelf staande tusschen zijn beide konterfeitels is. In dat oogluikend bevorderen van dezen katholieken beeldendienst werd de Groote Man door de kleine goden nagevolgd, vooral door hen, die met een flinken haardos waren gezegend. Zoo herinner ik mij, eens te Wageningen in een tuin te hebben gesproken, terwijl het aanminnig gelaat van den braven Van Emmenes, in een roode lijst gevat, mij van uit een boomstam inspireerend toegrijnsde.
Juist toen ik binnenkwam, was de spreker bezig, mijn artikel in Het Friesch Volksblad tot oprichting eener nieuwe partij belachelijk te maken en toen ik dat artikel verdedigde, viel hij mij telkens in de rede, wat eenige protesten van menschen, als Jan Stap en anderen uitlokte. Dit schijnt hem te hebben geprikkeld; althans ik ontving 20 Februari een brief van hem uit Steenwijk, die het dreigement bevatte, dat de in de beweging almachtige leider, wiens woord wet en waarheid was, mijn optreden aan lage persoonlijke motieven zou toeschrijven, indien ik het waagde, weer tegen hem te debatteeren of zijne plannen te dwarsboomen. Natuurlijk had dit een averechtsche werking. Ik raapte den handschoen op; las te Franeker den brief voor; zeide er het mijne van; zag den aldus ontwapenden demagoog zich tevergeefs afsloven, om in zijn antwoord op mijn aanval een applausje van zijn getrouwen los te krijgen en ontving in tweeden termijn zelfs een "hulde"-betuiging, omdat ik met hem was komen debatteeren. Maar hoe grooter zijn fiasco op die vergadering was, des te vinniger zou voortaan zijn haat zijn. |
VI |
Ik werd door deze gebeurtenis voor de keuze gesteld, voortaan een fellen strijd tegen Domela Nieuwenhuis en zijn richting te voeren, of mij uit de beweging terug te trekken. Ik besloot tot het eerste, er moest dan maar van komen, wat wilde. En het was onder den indruk van dit besluit, dat ik begin Maart de uitnoodiging aannam van H.J. Poutsma, om zijn blad De Sneeker Courant te redigeeren. Aanleiding tot dit verzoek was juist het Franeker debat, bij de bespreking waarvan de toenmalige redakteur der Sneeker Ct. zich over eene nieuw te vormen soc. dem. partij ongunstig uitliet, terwijl Poutsma, die met mij te Franeker was geweest, zijn blad juist aan die partij wilde dienstbaar maken.
In het nummer van 24 Maart 1892 aanvaardde ik de redaktie met een artikel over "onze richting", en in het nummer van 5 Mei kwam de eerste der "Amsterdamsche brieven" voor, waarin Van der Goes voortaan aan de sociaal-demokratische vorming der lezers zou medewerken, terwijl van f 10 Juni "Indepentdent" (C. Croll) in zijn "Brieven uit de Hofstad" het Parlement behandelde. Een bewerking van Kautsky's kleine brochure over het Erfurter program, door mij in een achttal artikelen geleverd, had ten doel, de lezers voor te bereiden op de program-herziening van den Soc. Dem. Bond, die op het Zwolsche kongres van 1892 zou plaats hebben. En toen de nieuwe concept-programs verschenen, werden deze op welwillende wijze besproken, met het doel, zoo mogelijk nog een reorganisatie van den Bond te verkrijgen, die de "parlementairen" in staat zou stellen, zich aan te sluiten en in den Bond de soc. dem. taktiek te propageeren; hem aldus voor ondergang in het anarchisme te behoeden en het socialistisch proletariaat het wee en de verlamming van een strijd op leven en dood tusschen twee konkurreerende organisaties te besparen.
Men moet zelf onder de socialistische arbeiders van die dagen hebben verkeerd, om te begrijpen, waarom men, alvorens de pogingen tot oprichting eener nieuwe organisatie voort te zetten, eerst nog alle middelen wilde uitputten, die konden strekken om ons doel, het behoud der sociaal-demokratie, op andere wijze te bereiken. Ieder goed lid der S.D.A.P. weet, wat hem zijne partij waard is; zij belichaamt zijn hoogste streven; met moeite en geestdrift opgebouwd, vertegenwoordigt zij een stuk van zijn leven; daar zit in die organisatie een deel van hem zelf. De Soc. Dem. Bond, die eerste uiting van opleving der Nederlandsche arbeiders, vervolgd, buiten de gemeenschap gesteld; schouwtooneel van zooveel zielroerende gebeurtenissen, hoop en troost van zoovele pas ontwakenden, was zijn leden minstens zoo dierbaar als onze Partij den haren.
Een strijd tegen dien Bond was voor zijne leden een strijd tegen de sociaal-demokratie zelve; werd de deur van den Bond voor de ondernomen programverandering voor alle richtingen geopend, dan was er meer kans, onder zijne leden propaganda te maken voor de sociaal-demokratie. Later zou dan het oogenblik komen, waarop de te maken propaganda zou blijken zooveel vrucht te hebben gedragen, dat de Bond werkelijk op zuiver soc. dem. grondslag zou zijn te vestigen.
De leiders van den Bond zelven openden den weg voor deze pogingen door de meer tegemoetkomende houding, die Recht voor Allen reeds in de laatste helft van September 1892 jegens De Sneeker Ct. begon aan te nemen.
Het bezoek der koninginnen in Friesland in Juni, waarbij De Sneeker Ct. en "de parlementairen" vooraan stonden in een demonstratie, zóó treffend, als in ons land nog nooit aan koninklijke bezoeken was verbonden - de merkwaardige betooging voor algemeen kiesrecht op 18 September in Den Haag, doorgezet ondanks 't verbod van den burgemeester, met krachtige medewerking alweer van De Sneeker Ct. en "de parlementairen" - de bezadigde, maar vasthoudende kritiek op de partijleiding en de invloed daarvan, ook op verscheidene partijgenooten - dat alles maakte het moeiljik, de oorspronkelijk houding van Domela Nieuwenhuis tegen ons voort te zetten. En zoo ontstond er de laatste maanden van 1892 een diskussie tusschen De Sneeker Ct. en R. v. A., die van weerszijden een geest ademde, om elkaar beter te verstaan en in den Bond met recht van diskussie over onderlinge meeningsverschillen, tegen den gemeenschappelijken vijand vereenigd op te treden. Toen ik 18 October, na Kat en Goud voor den Hoogen Raad te hebben verdedigd, in Walhalla met hen optrad, vond ik Domela Nieuwenhuis onder mijn gehoor en zijn houding jegens mij, na afloop dier vergadering, was die van een partijgenoot en niet die van een tegenstander. Eenzelfde geest sprak ook uit een artikel van De Levita in R. v. A., getiteld "Verzoening", waarin hij erop aandrong, in Zwolle alle socialistische groepen tot ééne sterke socialistische arbeiderspartij te vereenigen; en Van Zinderen Bakker wijdde in De Sneeker Ct. een artikel aan hetzelfde onderwerp.
Het kongres te Zwolle bekrachtigde dit streven naar eenheid, daar een nieuw program werd aangenomen, dat volgens uitdrukkelijke verklaring van Domela Nieuwenhuis ten doel had, alle richtingen in het socialisme de toetreding mogelijk te maken.
Had dr. Vitus Bruinsma zich reeds vóór dit Kongres bij den Bond aangesloten, ik deed het daarna; hij woonde het Kongres bij als afgevaardigde, ik als verslaggever.
Zoo stonden de "parlementairen" begin 1893 dus voor een nieuwen taak: in den Bond met de "revolutionairen" het kapitalisme bekampen en voor de wijze, waarop dat moest geschieden, in den Bond voor hunne opvatting propaganda maken.
Het was een klein klubje, die "parlementairen", en het zou op den duur nog kleiner worden; bovendien was het niet georganiseerd en op een hoofdpunt van taktiek verdeeld. Dat laatste zou zelfs tot scheuring en wederzijdsche bestrijding voeren.
Wie behoorden op dit oogenblik tot het kleine ongeorganiseerde troepje? Van der Goes noemde ik reeds; hij die van de uiterlijke verschijningen en feiten steeds den theoretischen ondergrond pleegt te zien en voor dezen de tijdeljke en bijkomstige momenten vaak verwaarloost, stond bovendien door zijn uitsluiting uit den Bond tegenover dezen en kon dus voor het "werken in den Bond" niets gevoelen.
Toen met 1 Januari 1893 De Sneeker Vt. in De Nieuwe Tijd werd omgezet en Van der Goes naast mij in de redaktie plaats nam, bedong ik voor mij de politieke leiding, met name tegenover den Bond. Er was een overgangsproces af te wikkelen, dat, zooals de omstandigheden weldra aantoonden, niet tot het gewenschte resultaat zou leide; toch moest het worden doorgemaakt, voordat het oogenblik zou zijn aangebroken, waarop de oprichting van een organisatie tegenover de bestaande een ontontkoombare noodzakelijkheid en dus moreel en politiek gerechtbaardigd zou zijn. Zóó dacht ik er over en in dien geest heb ik de redaktie van De Nieuwe Tijd gevoerd, tot de omstandigheden mij noopten, haar neer te leggen en in denzelfden geest met andere middelen en wapenen verder te werken.
In Amsterdam stonden verder drie elden - of ex-leden - van den Centralen Raad aan onze zijde: Henri Polak, Jos. Loopuit en A.S. de Levita. Daar hadden wij bovendien geestverwanten in A.H. Gerhard en J.W. Gerhard, die zich trouwens vrijwel op en afstand hielden. De Friesche "parlementairen" zakten in den loop van 1893 vrijwel naar de radikalen af; alleen Van Zinderen Bakker zou nog eenige jaren zijn socialistische sympathieën behouden en ze een enkele maal toonen, tot hij, dien ik ook bij zijne vele zonderlinge manoeuvres op politiek gebied steeds als volkomen te goeder trouw heb beschouwd, in zijne schommelingen tusschen de S.D.A.P. en den Vrijz. Dem. Bond zou vastloopen, zeer tot schade der arbeidersbeweging. Dr. Bruinsma ging in De Nieuwe Tijd in de "bromkamer" zitten en moest later om gezondheidsredenen het politieke tooneel verlaten, wat eveneens zeer te bejammeren was, daar hij, ware hij in de beweging geworden, wat hij in de mooie dagen van zijn werken voor de kiesrechtbeweging beloofde, een eerste, zoo niet de eerste plaats onder onze mannen in de Kamer had kunnen innemen.
Krachtig hulp kregen wij na het Zwolsche kongres in Van Kol, die meer dan een onzer voeling had met de beweging in het buitenland en al spoedig na zije terugkomst in het laatst van 1892 in den strijd over de taktiek werd gewikkeld.
En hoewel hij geen persoonlijk aandeel had in den publieken strijd, stond F.M. Wibaut ons daarin met raad en steun steeds trouw ter zijde.
Voegt men daarbij nog enkele bekende kiesrecht-strijders als H.J. van der Vegt te Zwolle en enkele plaatselijke propagandisten als L.F. Zandstra te Leeuwarden, G. Israël en P. Mulder te Arnhem, W. Damstra te Sneek, A. Dijkstra en Cuperus te Utrecht, B. Goudswaard en A.G. Bouten te Rotterdam, G. Dijkstra en G. Gorter te Franeker, die allen braaf hun best deden voor ons blad, dan kent men het kleine groepje, dat in den aanvang van 1893 voor onze zaak werkte.
Vereenigingen hadden deze mannen niet achter zich. Door de "partijgenooten" van die dagen werden zij grootendeels geschuwd of gehaat. Naarmate de sociaal-demokraten de Friesche Volkspartij verlieten, werden de ledige kamers meer door de radikalen betrokken, die vooral sedert de verkiezing van Gerritsen in 1893 Friesland als hun "beloofde land, gingen beschouwen en in de afgezakte "parlementairen" met het Friesch Volksblad de noodige hulptroepen vonden. Een poging, met mijne medewerking van uit Franeker beproefd, om de eertijds zoo kranige organisatie op die helling naar het anti-socialisme tegen te houden, is in 1894 gefaald. Hier was dus in den aanvang geen hulp en sympathie en op den duur sterkere afkeer en tegenstand tegen ons streven. Hier, waar het plan eener nieuwe soc. dem. partij het eerst uitgebroed en gepropageerd was, werden de oude vrienden welhaast even vinnige tegenstanders van ons streven als de revolutionairen.
In den Bond voor Alg. Kies- en Stemrecht waren enkele afdeelingen ons streven gunstig gezind; ook was in Amsterdam eene vereeniging "het Centrum", waarover nader, waarin Polak, Loopuit en De Levita bezig waren den grondslag voor onze latere Amsterdamsche beweging te leggen. Maar in dat alles zat geen spoor van organisatie en met recht kon men onzen propagandisten verwijten, officieren zonder leger te zijn.
De omstandigheden waren ook bovendien voor de propaganda eener "parlementaire" taktiek bizonder ongunstig.
Leest men de eerste nummers van De Nieuwe Tijd, dan treft het, welk een ontzettende werkloosheid er heerschte, tot welk een ontevredenheid zij aanleiding gaf en welk een treurige houding de machthebbers aannamen tegenover de rechtmatige uitingen dier ontevredenheid en tegenover hen, die daarbij als de woordvoerders optraden. Niet slechts in Amsterdam en Rotterdam hadden opstootjes en hakpartijen plaats, maar ook in Groningen, Sneek en Franeker, ja zelfs in kleinere plaatsen als Sappemeer, Noordwolde en Appelscha. Vooral in het Noorden gistte en kookte het overal.
Het regende arrestaties en strafvervolgingen; zoo werden tien Franeker arbeiders elk tot een jaar, vier Appelschaster werklieden tot 15 maanden veroordeeld door de Leeuwarder en Heerenveensche rechtbank; zoo werd Poutsma wegens zijn optreden op werkloozenvergaderingen in Januari verraderlijk uit zijn woning opgelicht, op blotte voeten over de sneeuw gevoerd en wegens opruiing tot anderhald jaar veroordeeld. In Kleinemeer werd op de bezoekers van het Volksgebouw bij 't verlaten daarvan een ware drijfjacht gehouden. In Leeuwarden werd ik op zekeren ochtend gewekt door een hol geroep van: "Honger, honger!" - het was een troep werkloozen, bleek, zwart op de sneeuw, hun ellende latende daveren door de witte stille straten. De justitie wreekte zich voor dergelijke verstoringen van de gemoedsrust der bourgeoisie satisfaite (welvoldane burgerij) door "de opruiers" (te Leeuwarden o.a. Jochem Lerk) te arresteeren en te veroordeelen. In Sappemeer werd - tengevolge van 't zingen van 't Vrijheidslied en 't werpen met een sneeuwbal uit een troepje arbeiders, vóór een fabriek - door twee marechaussees en een huzaar op een 30 à 40 arbeiders geschoten, "of 't een troep dolle honden ware geweest, die men moest afmaken", zooals De Nieuwen Tijd schreef. Het gevolg was: vervolging der arbeiders, waarvan de gewonden eest in 't hospitaal weer werden opgelapt, om ze voor opname in de cel geschikt te maken - de niet-gewonden moesten zoolang (ik meen 16 weken) maar in preventieve hechtenis wachten, tot ze allen konden vóór komen. Bij de berechting der zaak te Winschoten kon ik zóó duidelijk bewijzen, dat hier een schanddaad jegens deze menschen was gepleegd, dat de Rechtbank begreep, ze direkt te moeten vrijlaten. Voeg daarbij de veroordeeling van Stienstra tot een jaar gevangenisstraf, het met vrijspraak geëindigde proces tegen Urban, Schaper en Van Kol te Groningen en zoovele andere veroordeelingen meer, die de vaste rubriek "Moderne Ketterjacht"
in ons blad vulden en men zal begrijpen, hoe revolutionnair wij parlementairen ons moesten gevoelen en hoe weinig geschikt de stemming der arbeiders was voor een "parlementaire" propaganda.
Het was duidelijk, dat de opgewonden stemming onder het om brood roepende volk, gevoegd bij de "revolutionaire taktiek" van den Soc. Dem. Bond, de machthebbers tot scherpe reaktie had doen besluiten. De burgerlijke pers drong er op aan, den Bond als onwettige vereeniging te verbiden op grond der aangenomen resolutie, waarin gezegd werd, dat de Partij de omverwerping der tegenwoordige maatschappij beoogde "met alle haar ten dienste staande, wettige of onwettige, vredelivende of gewelddadigde middelen."
De woorden "wettige of onwettige, vredelievende of gewelddadige" waren in de door Domela Nieuwenhuis voorgestelde resolutie op voorstel van Schaper ingevoegd; met welke bedoeling, blijkt uit het kongresverslag (N.T., 1 Jan. 1893) waar men kan lezen: "Schaper zegt, de woorden: "alle ten dienste staande middelen" bedoelt niet: óók gemeene of oneerlijke; hij verstaan er onder, óók gewelddadige middelen. Domela Nieuwenhuis wil deze woorden wel overnemen. Zijne motie wordt met algemeene stemmen aangenomen."
Zooals men weet, is de Soc. dem. Bond op grond dezer motie in 1894 tot een verboden vereeniging verklaard; wij zagen er meer de verklaring in, dat de partij zich nòch op de parlementaire, noch op de revolutionaire taktiek wilde vastleggen, maar aan alle richtingen van taktiek gelegenheid wilde geven, zich op den bodem van den klassenstrijd en de opheffing van het privaatbezit in den Bond te organiseeren. Maar de burgerlijke autoriteiten en de pers hadden geen ooren voor deze juiste opvatting; voor hen bevatte deze motie de bedreiging met een gewelddadige revolutie en was zij een geschikt voorwendsel voor de meest straffe reaktie.
Vandaar die onmenschelijk zware vonnissen, bij het eischen waarvan het Openbaar Ministerie soms (als dat te Heereveen bij de Appelschaster zaak) ronduit verklaarde, dat het doel van den zwaren eisch was, de arbeiders afkeerig te maken van de "leiders", van de beweging. Vandaar ook o.a. de circulaire van den districts-schoolopziener te Leeuwarden begin 1893, waarbij aan openbare onderwijzers ops straffe van ontslag werd verboden, "middellijk of onmiddellijk" den Soc. Dem. Bond te steunen.
Hoe onder dat alles de geest der arbeiders was?
In de Arbeider schreef Luitjes, toenmaals een man van beteekenis in de provincie Groningen, het volgende welsprekende stukje, dat den toon van die dagen goed weergeeft: |
"DE STAAT VAN BELEG IS AFGEKONDIGD. |
Daar, aan boomen en huizen vastgeplakt, staat de notifikatie van den edelachtbaarsten man uit de gemeente. Niet meer dan vijf personen mogen bij elkander loopen, op straffe van een bajonetsteek of geweerkogel.
Zij spraken en wij gehoorzaamden. Niet mokkende als schreiende kinderen, die zoet gehouden worden uit vrees voor vader's hand, die slaan kan. O, neen, maar ons bewust dat dit komen moest, dat het der bourgeoisie laatste troef is, die nu wordt uitgespeeld.
Haar laatste troef. Triomf, wij hebben gezegepraald! Wij, de doodgezwegene, gekke en gewetenlooze lieden! Spreek hardop en zeg zoo dat ze 't hooren kunnen, de lafaards die zich verschuilen achter den dam der onkunde en vooroordeelen, dat wij wonnen. Geen duimbreed gronds hebben wij verloren. Integendeel, wij hebben terrein veroverd. Daar in de raadzalen is 't niet rustig. Hun hart klopt hoorbaar somtijds bij 't denken aan den storm die komen zal.
Daar in die salons is t niet rustig. Die dameshoofdjes zijn vol, niet van ijdelheid, maar van ernstige gedachten ditmaal: of de arbeiders rustig zullen blijven.
Wees nog gerust, lieve opgedirkte en geblankette dametjes. De reus rekt zich een weinig. De slaap heeft hem nog altijd bevangen. Maar hij ontwaakt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
"Twee maal twee is vier. Loon en arbeidsprodukt staan tot elkander als 1 tot 3.
Die twee andere deelen steelt hij, hoort gij het, ge steelt ze van ons, arbeiders. En als ge dan genoeg gestolen hebt en verzadigd u neer legt om te rusten, dan hongert de voortbrenger. En als hij werk vraagt, komt de staat van beleg en huzaren en infanterie en wordt op hem geschoten.
Uw laatste troef, heeren.
Uw allerlaatste. Gij vecht tegen stoommachines en zijt niet half zoo sterk. Gij luie bougeois, gij hebt uw beurt gehad. Ruk uit, maak plaats voor anderen." . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . |
"Bourgeoisie, lui ras, uw tijd is voorbij:
Nog enkele jaren en de zege is ons."
|
Ik zelf gaf in de Nieuwe Tijd eenige indrukken van den geest onder de landarbeiders in het verslag van een propagandareis; men leest daarin o.a."
"Een onbeschrijfelijke geestdrift is tegenwoordig waar te nemen, overal waar de beweging eenigen tijd heeft bestaan.
Zóó volgepropte zalen te Holwerd en te Appelscha, waar de menschen als geëlectriseerd staan met vurige vonnken spattend uit de oogen en glaznen van geestdrift stralend van de hoekige, gespierde, gegroefde gezichten; zóó ook te Sappemeer en te Zuidbroek en - hoewel lang niet zoo algemeen - te Winschoten.
De landbevolking in het Noorden, eenmaal voor onze ideeën gewonnen, is een schaar van helden geworden onder de roode banier.
Hemel, wat een ontembare kracht spreekt er uit die verkante trekken; wat eene toewijding uit die vurige blikken! Zoo hebben de laaggeboren Germanen geluisterd, toen hun het christendom werd gepredikt; zoo hebben de scharen gejubeld, die Thomas Munzer volgden. En wij, door die wereld van kracht en wil en gloed vóór ons, tot hooger spanning van onze hersenen gedreven, wij geven hun hun eigen onbedorven denken met vurige tong, terug, geven snellen groei aan de embryo's (kiemen) van gedachten die in hen sluimeren, dompelen onzen geest in hunne kracht en bezielen hunne kracht met onzen geest en wreken aldus, met onze hevige aanvallen, op de maatschappij het duister, waarin zij deze naar licht dorstende naturen heeft laten versmachten.
Het is de werkeloosheid, gevolgd door de strenge maatregelen, tegen onze partij genomen, waarvan wij dien versnelden polsslag in onze beweging te danken hebben."
"Het is een beste tijd voor ons", schreef ik in die dagen; "òp schiet in dichte halmen en korn uit den met leed beploegden en met onrecht bemesten grond.
Zon der onrechtvaardigheid, beschijn ons; regen van tranen, besproei het veld; zefir der zuchten, waai over de akkers. Laat groeien het graan, dat voedsel zal zijn voor alle hongerenden - en wij die het veld moeten bebouwen: laat ons 't onkruid wieden en wijs verplegen de vrucht, totdat de oogsttijd dáár is." |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
→ |
↑ |
|