|
|
TIEN JAREN AMSTERDAMSCHE BEWEGING
DOOR
JOS. LOOPUIT |
Toen ik in het najaar van 1891 als bestuurslid der afdeeling Amsterdam van den Soc. Dem. Bond werd gekozen, was daarin reeds allebehalve eenheid meer, al was inwendig zooveel mogelijk alles, wat maar naar verdeeldheid kon lijken, met groote angste vermeden. Er was een zeker téér punt, waarover, ook in het Bestuur, niet mocht gesproken worden, maar waarheen desondanks onwillekeurig telkenmale de gesprekken zich wendden. Dat punt was ht royement van Van der Goes als lid van de afdeeling.
Eenige maanden tevoren was deze namelijk uitgeworpen, op grond van "desorganiseerende handelingen", die "in strijd waren met de belangen van den Bond"! Het was een parate executie die men Van der Goes in den toenmaligen Soc. Dem. Bond afd. Amsterdam deed ondergaan; "snel recht" geschiedde er stellig - of 't ook "goed recht" was?...
Zeker, dàt moet worden toegegeven: Van der Goes had dingen gedaan die met een goede discipline en partijtucht niet overeen te brengen waren. Hij voerde zijn strijd als een wilde, die geen regelen kent, en het was dan ook eigenlijk onzin te verwachten, dat men hem niet precies zoo zou behandelen. Nu wij zoovele jaren van het gebeurde afstaan, mogen wij het ons zelven wel bekennen, als iemand in onze partij zóó zou optreden als Van der Goes het toen deed, wij zouden hem óók niet sparen; al zou de manier anders wezen.
Maar, wat Van der Goes ook uit een taktisch oogpunt misdreef - en ik erken, het as véél - niemand twijfelde aan de zuiverheid van zijne bedoelingen. Eenmaal was Domela Nieuwenhuis in een afdeelingsvergadering van den Soc. Dem. Bond in Constantia - ik geloof dat het juist op den avond was, toen over het al dan niet royeeren van Van der Goes als lid zou worden besloten - met het praatje gekomen dat het Van der Goes te doen was om "een eigen blad op te richten" tegenover Recht voor Allen; een praatje dat hij zeide van zijn "broêr in Duitschland" te hebben "vernomen". Zulk soort gezwets, waarvan de "groote" man altijd vol was, vond ten opzichte van een aantal personen steeds gretigen ingang; van Van der Goes geloofden het echter weinigen, zéér weinigen.
Dat men evenwel Van der Goes zoo geweldig haatte en hem met zoo groote, ja verpletterende meerdrheid uit den Soc. Dem. Bond stooten kòn, kwam, omdat men zijn taktiek wantrouwde, die verdeeldheid moest veroorzaken in de gelederen.
En men wilde éénheid, voor alles éénheid. Met groote moeite en zorgen, ongekende offers van stoffelijken en persoonlijken aard, had men een organisatie tot stand gebracht, die er mocht wezen; die duizenden leden telde met over de honderd afdeelingen en die het reeds gebracht had tot jaren van 1100 à 1200 gulden contributie, enkel uit de smalle beurzen van de arbeiders! Alles hing van Domela af, dat wist men, dat voelde ieder; maar liever hanger aan Domela, dan de eenheid kwijt zijn; dan tweedracht, dan versnippering van den Bond; dan verdeeldheid onder de arbeiders.
En daar wierp, op het Kerst-congres van 1891 Van der Goes eensklaps, zoo fel mogelijk den twistappel in de gelederen. Alle verbittering stortte zich dus, zooals van zelf spreekt, op hem. Dat de arbeiders niet konden inzien, dat de reeds in 1889 aangevangen taktiek van Domela Nieuwenhuis, denigreering van de middelen van politieke en parlementaire aktie, de gansche beweging langzaam maar zeker naar het anarchistische moeras moest leiden, dat moest voor elkeen, die den stand en de ontwikkeling van toenmaals eenigszins kende, wel duidelijk zijn. Daar kwam nog bij dat Van der Goes in de beweging zelve zijn sporen nog moest verdienen; al kon niet ontkend worden dat hij reeds lang voor dien op de meest ondubbelzinnige wijze getoond had, in het proces Domela Nieuwenhuis o.m., den moed zijner overtuiging, ten koste zijner maatschappelijke positie, wel te bezitten.
Van der Goes werd dus uit den Bond gezet.
Maar of nu met dat uitwerpen de zaak Van der Goes buiten den Bond was? O neen! Telkens en telkens kwam men erop terug. natuurlijk het meest in het Bestuur. Zoodat een mijner medebestuursleden eenmaal zeer juist opmerkte, dat men nog nooit zooveel over Van der Goes gesproken had, als sededert men hem meende kwijt te zijn!
Ook in den boezem van de Afdeeling was het allesbehalve pais en vrêe, want ook daar werd èn over Van der Goes èn over de "politieke aktie" gesproken.
Toch heb ik als bestuurslid en als afdeelingslid een paar niet ongenoegelijke jaren, zelfs vlak voor de breuk, in den Soc. Dem. Bond afd. Amsterdam gesleten. Een paar jaren ging het er dan ook nog goed toe, d.w.z. schroomde men niet druk aan politieke aktie, kritiek op de regeering, meetings voor algemeen kiesrecht, behandeling van parlementaire aangelegenheden enz. te doen.
De Haagsche kiesrechtmeeting van 1892 was de laatste, waaraan de Bond als zoodanig deelnam. Niet het minst Amsterdam, dat een optocht hield; een zwijgende wandeling, die desniettemin imponeerde. De stoet was zoo groot, dat toen men op den Nieuwensijk gekomen toch ging zingen, de politie, machteloos als zij was tegenover die menschenmassa, het toeliet.
De massa der socialistische arbeiders had nog verstand genoeg, om bij intuïtie te beseffen, dat men het beste wapen in de agitatie, den politieken strijd, niet zoo maar weg moest werpen. |
* * * |
Het congres van Zwolle had, ondanks eenige toenadering plaats vond tusschen "parlementairen" en "revolutionairen", de oplossing van de kwestie in den Bond echter veel moeilijker gemaakt, dan zij te voren was. En dat werkte ook sterk op den innerlijken toestand van de afdeeling Amsterdam S.D.B. in. Door een congresbesluit werd in 1892 de Centrale Raad van den S.D.B. naar Amsterdam overgebracht, zoomede de redaktie van Recht voor Allen. Het was te zien, dat de strijd weldra geheel in Amsterdam zou uitgestreden worden.
Wie dien strijd verscherpte of tenminst zijn best deed om den geest van verzet tegen het drijven op anarchistische wateren zooveel mogelijk te smoren, dat was voornamelijk de fanatieke, maar slimme Christiaan Cornelissen, bij besluit van het congres van Amsterdam in 1891 benoemd tot tweede redacteur van Recht voor Allen, waaraan hij eenigen tijd onder den schuilnaam van Clemens had meêgewerkt. Het is mijn overtuiging, dat voor zoover althans personen aandeel kunnen hebben in het zich voltrekken van een dergelijk soort ontwikkelingsprocessen in de arbeidersbeweging, de persoonlijke invloed van een met geestesgaven bedeeld man als Chr. Cornelissen, die ook de "Scharfmacher" van Domela Nieuwenhuis was, een besliste invloed ten kwade is geweest. En deze nu, met Coltof e.t.q. in ééne afdeeling, dat beloofde wat!...
Inmiddels poogde men Recht voor Allen ook dienstbaar te maken aan de propaganda voor de twistzoekerijen, stokerijen, intriges enz. van de duitsche "Jongen", met wie Domela Nieuwenhuis eensklaps op bizonder goeden voet was gekomen.
En natuurlijk gaf dat meermalen aanleiding tot discussies in de afdeelingsvergaderingen van den Bond; discussies, destijds het drukst door Jan Gerhard aangebonden en met meer taaiheid en volharding dan overredingskracht door hem gevoerd.
Dus kijvende, was men zoowat het Internationaal Congres van Zürich genaderd. Men nam zich voor op dat Congres slag te leveren tegen de Duitsche groep, die natuurlijk door de superioriteit van de taktiek, maar ook door het succes der Duitsche sociaal-demokratie, de domineerende positie in de internationale beweging begon in te nemen.
Domela Nieuwenhuis zou daar revanche nemen voor Brussel 1891 met zijn voorstel van "militaire dienstweigering in geval van oorlog", waarmee hij op voornoemd Congres een grappige nederlaag beleefde.
Dit bracht een tijdlang de discussie over politieke en parlementaire aktie, over wetgeving en kiesrecht, over economische aktie etc. op internationaal terrein over.
Domela Nieuwenhuis ging in Recht voor Allen Liebknecht en Bebel bestoken met de wapenen van Landauer, Werner, Gumplowicsz en Bruno Wille. De Duitschers waren "opportunisten", de Duitsche leiders waren "heerschers en tyrannen", de Duitsche arbeiders een troep wezen- en bewustelooze schapen, enz.
Dit alles was het voorspel van wat er in het eigen land te wachten stond: alles was of werd vermengd met persoonlijkheden en verward werden de voorstellingen gemaakt door bijzaken, die vaak zuiver leugens waren.
De discussies die toen daarna, ik bedoel vóór Kerstmis 1893, in de afdeeling Amsterdam plaats vonden, waren dan ook zeer merkwaardig. Want zij getuigden ervan, met hoe weinig bewustheid, dus hoe absoluut onlogisch en zonder eenige vastheid van lijn men te werk ging bij het nemen van besluiten, die voor het voortbestaan van den Bond van zoo buitengewoon gewicht waren gebleken te zijn.
Gelijk men weet, viel het juist in den tijd van de indiening en behandeling van de kieswet-Tak, die naar mijn meening nooit het lot had ervaren dat haar te beurt viel, als het éénig revoutionair-demokratisch element in de Nederlandsche arbeidersbeweging buiten het Parlement geweten had wat het wou en, met het geweer aan den voet, de demokratie was blijven verdedigen tegen het machtig, maar toch inwendig voos conservatisme van die dagen.
De afdeeling Amsterdam nam alsnu één voorstel aan, dat zij haren afgevaardigden opdroeg op het Groninger Congres te verdedigen, waarbij werd uitgesproken de wenschelijkheid van een apart Congres, zoodra de nieuwe Kieswet was aangenomen. Dit voorstel was beslist politiek en de voorstanders van de politieke aktie waren daar dan ook zeer sterk vóór. Maar - en ziehier nu een logika! - tevens besloot diezelfde afdeeling, dat, werd het voorstel-Amsterdam verworpen, hare afgevaardigden vóór de bekende motie-Hoogezand zouden moeten stemmen. Het gedachten-verband tusschen deze beide opdrachten was wel zeer ver te zoeken. Maar beide mandaten werden door Coltof en Cornelissen verdedigd; Domela spaarde zijn argumenten eenigszins voor het Congres zelf; en men begrjipt dat het dezen gelukte, als het moest, zwart wit te praten! |
* * * |
Wat eigenlijk de gansche kwestie haar buitengewoon geforceerde oplossing, die met dit Groninger Congres te voorzien was, gaf, dat was meer wat buiten den Bond, dat wat daarbinnen geschiedde. Vooreerst was daar het internationale standpunt, dat te Zürich was vastgesteld. de Hollandsche fraktie was met de kous op den kop thuisgekomen. Economische en politieke aktie waren van gelijkwaardigde kracht verklaard in den emancipatie-strijd van het proletariaat en Domela's algemeene militaire werkstaking ervoer hetzelfde lot als te Brussel.
De Hollandsche delegatie, waartoe men Van der Goes, Van Kol en Jan Gerhard, die den Soc. Dem. Bond niet vertegenwoordigen, eigenlijk ook niet rekenen kan, maar wel Domela Nieuwenhuis, Cornelissen en VLiegen, stelde zich toen schadeloos met naar een gelegenheidscongres van heele en halve anarchisten te gaan en ladaar "triomfen" te behalen. De nederlaad zat den heeren echter dwars; en in het iegen land ontzag men nu niets meer, ook het behoud van de eenheid in de eigen partij niet.
Ten tweede was nà 1891 de Sneeker Courant van Troelstra met de amsterdamsche medewerking van Van der Goes gekomen, die er telkens op insloeg, al sloeg zij er ook vaak, door gebrek aan taktisch inzicht, naast. Daarna was in den zomer van 1893 dit blad naar Amsterdam overgekomen, om als weekblad, onder den titel van De Nieuwe Tijd, onder redactie van Mr. P.J. Troelstra en F. van der Goes te verschijnen. Het redactie-bureau was op den Nieuwendijk gevestigd.
Troelstra kwam daarmede van Leeuwarden naar Amsterdam over, en het was om dit feit dat de zéér enkelen, die in de "revolutionaire" Amsterdamsche arbeidersbeweging op het internationale standpunt stonden, voor een kentering onder de arbeiders al hunne hoop op Troelstra en de N.T. vestigden. Het eerste treffen was zeer hartstochtelijk; avond op avond was er debat, waaraan tal van personen deelnamen. De zaak kwam geen stap verder, omdat er te veel door allerlei persoonlijkheden verloren ging. Trouwens, een devat over zaken was toen reeds niet meer mogelijk met menschen als Domela en Coltof c.s.; schunniteiten tegen personen waren schering en inslag.
De Nieuwe Tijd, een mooi weekblad als het was, sloeg er echter bij de arbeiders niet in; het kon zich ook niet houden, door gebrek aan abonnees en kapitaal.
Daar verdwijnt inmiddels ook Troelstra uit Amsterdam, om zich te Utrecht te gaan vestigen. Dit was als een donderslag uit onbewolkten hemel voor degenen, straks aangeduid, die alles op Troelstra gezet hadden voor de verkrijging eener veranderde opinie, zij 't dan ook bij een deel der Amsterdamsche socialisten.
De Nieuwe Tijd kwam nu onder Van der Goes en H. Polak, als Amsterdamsch weekblad, met medewerking van enkele sociaal-demokraten en werd door H.J. Poutsma gedrukt en uitgegeven. Het bureau was op het Oudekerksplein gevestigd.
De ontknooping van de gansche, de gemoederen verbitterende kwestie, "politiek of anti-politiek", werd echter ook nog vergald door eene andere kwestie, die, ook al weer door gebrek aan taktisch inzicht, lukraak op de agenda van het Groninger Congres geworpen werd. Het was de door niemand bewezen en ook niet te bewijzen beschuldiging, dat er "Panama" was in den Soc. Dem. Bond, d.w.z. een stelsel van finantieele corruptie. Vooral dit punt, door de redaktie van De Nieuwe Tijd onbezonnen aanhangig gemaakt, werkte in de Amsterdamsche beweging sterk ertoe mede, het gezond verstand der arbeiders voor geruimen tijd te benevelen.
Dit alles heeft ertoe bijgedragen dat onmiddellijk na Groningen het voor de "parlementairen" in den Bond niet meer houdbaar werd. Van nu af was daar elkeen, die maar connectie had met Troelstra c.s., geacht als een rotte appel bij de groenvrouw. Het was een ellendige tijd in de Amsterdamsche beweging; een voorspel van wat er komen zou over de hoofden van hen, die, door hun geweten en hunne overtuiging gedrongen, den overgang van sociaal-demokratie naar een wild anarchisme wilden noch konden medemaken.
Dit drong hen om uit den Bond te treden; en na rijp overleg besloten toen vier amsterdamsche sociaal-demokraten eindelijk tot een daad. Troelstra verdedigde in de Baanbreker nog het stichten van soc. dem. kiesvereenigingen, waarvan er dan ook een te Utrecht ontstond. De vier amsterdamsche sociaal-demokraten besloten tot een hééle, niet tot een halve daad: zij deden een eersten oproep verschijnen tot sociaal-demokraten, die, op den grondslag van de Züricher Resolutie van 1893 staande, een organisatie wenschten te stichten, die het in den modder van het anarchisme verzonken vaandel der sociaal-demokratie weder omhoog wilden heffen. De eerste bijeenkomst vond op 3 Mei 1894 plaats, op de bovenzaal van Café Kosz aan het Damrak, juist schuin tegenover het toenmalige Redctiebureau van Recht voor allen. Zij werd gepresideerd door schrijver dezes, terwijl als mede-onoderteekenaars van den oproep H. Polak, F. van der Goes en A.S. de Levita aan de bestuurstafel zaten. De bijeenkomst werd door een 30-tal personen bijgewoond, onder wie ook waren de gebroeders Gerhard, die het niet eens waren met de oprichting, al stonden zij ook vijandig tegenover den Soc. Dem. Bond in zijn toenmalige toestand en taktiek.
Desniettemin kwam men tot een conclusie. In principe werd besloten tot de oprichting eener "Sociaal-democratische Vereeniging". Een voorloopig bestuur, bestaande uit Jos. Loopuit, A.S. de Levita, Rijnberk, L. Nooter en Franz Gatzemeijer werd gekozen, benevens een commissie die een Program zou ontwerpen. Tot doe commissie behoorden F. van der Goes, Henri Polak, Jos. Loopuit, L. Nooter en Rijnberk.
Het Program bevatte een principieel gedeelte, ongeveer gelijk aan het Program van de Partij, ik meen korter en duidelijker, benevens een "Strijdprogram". Beiden werden behandeld in een nieuwe vergadering, die belegd werd door het nog provisoire bestuur in het Café Schlüser, op 30 Juni 1893, alwaar bereids een 60-tal personen was opgekomen, die voor het meerendeel nog denzelfden avond toetraden als leden van de Soc. Dem. Vereeniging" te Amsterdam.
Wij zaten ook toen nog midden in de debatten over "politieke aktie of niet", die het gevolg waren van de vergadering, belegd door de volkskiesvereeniging "De Unie", voorzitter A.H. Gerhard, en die zoowat een half dozijn avonden in beslag namen.
De eerste onder de oude Amsterdamsche voormannen van den Soc. Dem. Bond, die voelde dat de boel naar den kelder ging, was Jan Fortuijn; eigenlijk ook de eenige onder hen. Na het nonsens-congres van Almeloo, toen de Bond wel een nieuwen naam aannam, maar de oude dolle streken bleef behouden, maakte hij aanstalten om die gelederen te verlaten en vandaar dat men zijn naam onder de "12 Apostelen" vindt.
Merkwaardig is het wel, en mij altijd wel eenigszins een raadsel gebleven, dat iemand als Fortuijn, die toch jarenlang in Amsterdam een volksman is geweest die de massa beslist achter zich aan kon voeren, zonder één man van die garde achter zich, tot de S.D.A.P. overtrad. Letterlijk niemand, die niet reeds tot de Partij behoorde, kwam met hem over. Integendeel, ik weet dat Fortuijn om zijn overgaan tot ons juist zéér veel te lijden heeft gehad van hen die hem vroeger zoo sterk vertrouwden en volgden. Te lijden zoowel in zijn materieel bestaan als in zijn jarenlange vriendschapsbetrekkingen met deze oude strijdmakkers.
Dit moet voor hem wel een wreede teleurstelling zijn geweest in zijn leven. En het scepticisme van mijn ouden vriend, - dat gelukkig geen pessimisme is geworden uit krachte van de hem aangeboren, goedlachsche natuur, maar dat wel eens sterker is dan zijn vertrouwen op het gezond verstand van de massa, - is geloof ik wel 't méést aan die ervaring in zijn leven te wijten. |
* * * |
Naar buiten werken met onze allerbescheidenste krachten, was ons niet mogelijk. Toch probeerden we ééne openbare vergadering met Schaper als spreker, die slecht bezocht was en waarop niet veel bizonders voorviel. Daar De Nieuwe Tijd onder Van der Goes had opgehouden te bestaan (Van der Goes zelf was trouwens naar Den Haag gaan wonen) meenden we, met z'n tweeën, Polak en schrijver dezes, plus een derde anonymus, met bescheiderner middelen een nieuw weekblaadje De Nieuwe Tijd op te moeten richten, dat door Poutsma werd gedrukt. De drukke beweging van diamantbewerkers maakte aan het voortbestaan van dat weekblad helaas spoedig een einde.
In September werd de Partij definitief opgericht en wij sloten ons dadelijk bij haar aan. Daardoor werd De Baanbreker ook Amsterdamsch blad; voor zoover er tenminste abonnees op te vinden waren. In de "Amsterdamsche Brieven", die gedurende een paar jaargangen in dat blad geschreven werden, is nog altijd een vrij getrouwe weerspiegeling te vinden van den gang onzer beweging in die dagen en van den geest die toenmaals de overige klassebewuste arbeiders tegenover haar bezielde. Ik acht mij van een wedergave daarvan hier vrijwel ontslagen.
De vergadering in Constantia op 1 October was echter een datum van gewicht voor onze beweging; al kan niet gezegd worden dat het resultaat dier vergadering voor ons, klein hoopje, bizonder troostrijk was. |
* * * |
Reeds lang voor het tijdstip waarop zij beginnen zou, liep de zaal vol; het werd er stikvol. Wij, Jan Fortuijn, Henri Polak en mijn persoon, zaten aan de klas.
Menigeen legde zijn stuiver neer met een vloek; nijdige gezichten, stralende gezichten, vooral van de laatse vele. Want men was zeker van de "zegepral" welke dien avond op de "parlementairen" bevochten zou worden.
Oei, oei! hoe ging het er toe! De sprekers waren als opgesloten in een muizenval. Daar komt - zooals wel eens meer is gebeurd! - Van der Goes nog wat later aanloopen, toen het daar binnen al lang bezig was te koken. En dat, omdat hij een paar dagen te voren felle artikelen in de Amsterdammer had geschreven, vlak tegen de "revolutionairen" in. "Jonge, Goes, ga d'er niet in, ze zoûen jou zeker te lijf gaan." Goes deed het ook wijselijk niet. Tegen negen uur had het reeds zijn kookpunt daarbinnen bereikt, het ziedde al.
Vliegen kon niet uitspreken. Hermans en Sligting hadden inmiddels een bord in de hoogte gestoken, met schimpsheuten ne herinneringen aan Vligen's "agentschap" van bulldog-revolvers. Komaan, dàt sloeg er maar in, die mop; ziezoo.
Troelstra probeerde van het verloren terrein nog een paar duim terug te winnen; hij had één oogenblik de woedende, vloekende, tierende massa onder den indruk van zijn woord. |
 |
| Maar dat mòcht niet. Cornelissen klom op een stoel, een klassieke houding welke de man op gewichtige momenten altijd inneemt (getuige het congres in Londen), en de vergadering brak weer los, als te voren. Het was vergeefsche moeite, alles was toch verloren. Het einde was een verlossing, werkelijk een verlossing - die motie van "innige verachting", formuleering van Hermans geloof ik, niet over de beginselen der taktiek, maar over de "personen", kwam als verpletterend neer op de paar hoofden van ons die daar aanwezig waren. Geen genade, maar afmaken, in de pan hakken, dat was de taktiek van hen, die op den avond van Constantia, alles konden doen wat zij wilden. Ach, wij zagen het wel dien avond reeds duidelijk, en als in een bangen droom voor de toekomst: daar was reeds een mate van verwildering in de gelederen der revolutionaire arbeiders binnengetreden, die het ergste voor de toekomst deed vreezen. Een bange aanblik, zulk een, eens zoo mooie beweging te zien verworden, haar bewustzijn zóó te zien inzinken. Zoo iets is om te huilen. |
* * * |
Toch groeiden wij tegen de verdrukking in. Wij wonnen aan leden en vooral onder diamantbewerkers, de best-betaalde en ook de méést-ontwikkelde arbeidersgroep van Amsterdam, natuurlijk het meest en het eerst. Men heeft wel eens gemeend, dat de afd. Amsterdam eigenlijk uit niets dan diamantbewerkers bestond.
Dat was niet zoo. Maar als dit zoo ware, dan zou dit zeker het sterkst voor de sociaal-demokratie gepleit hebben, die het eerst dáár de gemoederen te veroveren wist, waar de klassebewustheid embryonaal was opgewekt geworden, n.l. in de vakvereenigingsaktie.
Die gansche beweging van diamantbewerkers, met hunne véél-omvattende en intensieve stakingen, uitsluitingen, patroonsorganisaties en massaal optreden, heeft zeker machtig veel tot het aanwassen onze kracht in de hoofdstad, tot het om zich heengrijpen van onzen invloed bijgedragen. Anderzijds heeft echter de A.N.D.B. van onze beginselvaste propaganda, mag ik wel zeggen, machtig veel nut gehad in zijn strijd en zijn optreden. Dit was het cement, dat de bouwsteenen van dit vakvereenigingsgebouw aan elkander hechtte.
Onze eerste 1-Mei-vergadering in 1896 in Plancius was een klein, doch hoopvol succes. Troelstra sprak er met Polak voor een sympathiek republiek.
Wij geven hier echter geen opsomming van feiten, maar een herinnering aan belangrijke data in onzen eigenaardigen, maar niet minder harden strijd.
De tweede beteekenisvolle datum dan was de vergadering van Augustus 1896 over het Londensch Congres. Zij was de revanche voor Constantia en het Jena der Domelaianen in de hoofdstad.
Een propvolle zaal en Fortuin presideerde. Vóór de vergadering begon, was er reeds herrie achteringekomen. Domela Nieuwenhuis was ook opgekomen en omringd door een grooten staf zat hij midden in de zaal. Maar ook onzerzijds was de laatste man er, dat zagen we. En hoewel wij nog niet erg zeker waren, wij, het bestuur van de afdeelingen, waren vastbesloten, de leiding van de vergadering niet uit handen te geven.
Daar werd nà èlken spreker debat verlangd, Fortuijn weigerde dit namens het bestuur pertinent en zoo geschiedde het dat, nadat Vliegen een kort poosje gesproken had, Polak, die als tweede spreker zou moeten beginnen, met rumoer aan de eene, applaus aan de andere zijde werd begroet.
Polak bleef pal staan, stil, ernstig, de vergadering star aanziend. Het rumoer werd sterker, het applaus ook; langzamerhand gingen beide uitingen over in een wederzijdsch geraas, gejoel en getier dat van beide zijden kwam. Het was ons klaar: de vergadering was in twee ongeveer gelijke helften gescheiden, die van plan waren elkander niets toe te geven. Polak stond daar nog altijd, stil op zijn plaats, vooraan op 't tooneel van Plancius, links van den ingang; Fortuijn timmerde in een ruim kwartier zijn hamer stuk, maar kon geen stilte krijgen. Domela Nieuwenhuis klom op een stoel, bewoog zijn handen en probeerde de vergadering toe te spreken; het rumoer werd daar des te erger om. Samuel Coltof beproefde, van achteren af naar het tooneel sluipend, voor het voetlicht te komen; Poutsma, dit ziende, belooft hem instantelijk den nek te breken als hij het waagt verder te komen. Sammetje, terugsluipend, roept naar achteren: "Laat Domela hier komen!" Een cordon van "sterke" partijgenooten, onder aanvoering van Manus Degen, schaart zich om Polak en om de bestuurstafel. Men kon van de herrie in de zaal nu haast niet meer zien. P.M. Verdorst, die ook in Londen was, poogt Fortuijn te bewegen om aan der "revolutionairen" dwingen toe te geven; Jam echter blijft beslist weigeren. De oplossing, in dubbelen zin, was zeer nabij; want de kastelein van Plancius had politie ontboden, de hoofd-inpsecteur Voormolen was met zes man politie in de zaal verschenen, hij betrad het tooneel en verklaarde de vergadering voor ontbonden. De lui vlogen uit elkaar en, bij het zien van politie, de "revolutionairen" wel het eerst.
Wij gingen dien avond naar het Amstel-Brouwhuis, een cafétje in de Amstelstraat naast Van Lier, huurden daar in de gauwigheid het bovenzaaltje af, en ik geloof dat we daar met wel honderd man gezamenlijk een zeer genoegelijken avond doorgebracht hebben. Fortuijn speechte er, Troelstra sprak er, nog meer spraken er. Wij zagen allemaal wel, dat het grootste leed geleden was en dat Amsterdam in zooverre veroverd was, dat we publiek genoeg hadden dat op onze hand was, om het anarchistische schrikbewind met succes te kunnen breken.
En wij hebben het gebroken.
Zoo gingen wij, steeds groriende, de verkiezingen van 1897 tegemoet. Wij hadden wel alle mogelijke tegenwerking van de zijde onzer "revolutionaire" vrienden te verduren, die ons vervolgden met hun even demagogische als impotente hoon, en smaad, maar wij konden toch een eigen verkiezingsorgaan Stemt Rood uitgeven, eigen candidaten stellen en op dezen méér dan 1000 stemmen halen. Méér dan 1000 stemmen! - niet veel, maar alle groote steden gaven zelfs naar verhouding toen niet meer. Onze eerste verkiezingscampagne had succes.
Onze beweging plukte ook wel de vruchten van de oprichting van het Volksdagblad, dat in zijn allereerste phase de arbeidersbeweging door getrouwe en onpartijdige verslagen, door het geven van een goed "Buitenlansch Overzicht" etc., besliste diensten bewezen heeft. De geest begon langzamerhand ook te veranderen en het 4de Congres der Partij, in ons midden gehouden, klonk als een klok, al is de gemeenschappelijke "maaltijd" daarbij nog tot den huidigen dag berucht. Zoo schreden we voort, en gingen we langzamrhand de publieke opinie in de socialistische arbeidersbeweging flink beheerschen. De Soc. Dem. Bond zonk ineen; niet eens op een waardige, maar op een alleszins belachelijke manier.
Onze Kerstvergaderingen, in 1896 aangevangen, waren elk jaar een grooter succes. Onze Meibewegingen waren langzamerhand die van de overzij in getalsterkte gaan evenaren. Wij hadden vasten voet gekregen, voor goed. Maar wij hadden die ook bij duimbreedten moeten veroveren, ervoor vechten met taaiheid, geduld, opofferingsgezindheid en beginselvastheid. Want wij stonden, men vergete het niet, juist 't meest tegen eigen klassegenooten in den strijd!
Toen ik in 1898, om redenen van physieke uitputting, voor een vrij langen tijd het strijdtooneel moest verlaten, waren daar reeds zoovele krachten, dat onze beweging gewoon haren gang kon gaan. En toen ik daarna in de beweging terugkeerde, was de situatie beduidend veranderd. Er was kentering gekomen in alle opzichten.
En van dat tijdstip af is er niet anders dan groei en kracht te constateeren: de oprichting van een dagblad der partij, dat te Amsterdam kwam, Het Volk, van nu af aan het beste wapen voor onze propaganda. De verkiezingen van 1901, met het schitterende resultaat: 3500 stemmen eerst, later 5500 bij de gemeenteverkiezingen, bij naverkiezingen in 1902 daarop 7500 stemmen en één distrikt voor de Kamer veroverd en ook voor den gemeenteraad; een ander distrikt bijna veroverd. Troelstra voor Amsterdam in de Kamer en Polak in den Raad; in andere districten mooie cijfers, die hoopgevend voor de toekomst zijn. Kortom, overal opbloei van den geest der sociaal-demokratie, de revolutionaire geest van verzet onder de arbeiders. Het werd heerlijk. |
* * * |
Ik meen dat het doel, met deze regelen beoogd, thans vrijwel is bereikt. Immers geen geschiedenis wilde ik hier geven, maar een korten terugblik op 't verleden, zonder veel cijfers en berekeningen, zonder zwaar-op-de-handsche beschouwingen over dieper-liggende oorzaken. Ik ben begonnen, zooveel mogelijk bij het begin, bij den oorsprong van de Amsterdamsche sociaal-democratische beweging van nà 1893, en heb haar gevolgd tot op het tijdstip, dat iedereen, ook die, gelijk velen, nog niet zoo heel lang tot de partij behooren, haar zelf controleeren en voor zich zelf ook vervolgen kan.
Ik heb misschien ook naar de meening van sommige lezers, wat veel over mij-zelven gesproken. Maar dat was niet altijd te vermijden, omdat de aard van deze bijdrage er toe noopte. Maar óók, omdat men toch niet vergeten moet, dat in des schrijvers eigen leven een niet onbeduidend stuk van die tien jaren hier nog eens voor hem opleefde onder het schrijven dier herinneringen.
Soms gaat ht mij nog wel eens zoo, alsof ik een zeker verlangen, een "Sehsucht" naar die tijden van bespotting, en van vervolging mag ik wel zeggen, - want ook onze personen waren hier in Amsterdam niet altoos even veilig, - niet kan onderdrukken. Zoo is de mensch nu eenmaal!
Ten slotte wil ik nog zeggen, dat mij een ding altijd verheugd heeft: de bourgeoisie heeft aan ons geen pleizer beleefd. Ik herinner mij dat, toen wij optraden, ook hier ter stede, het Handelsblad ons met een zekere ingenomenheid begroette. Ik geloof dat het in ons toen meende te zien een soort nieuwe Werkliedenverbonders, die zich vrij spoedig zouden kunnen laten vangen. De Tijd zag beter, en verklaarde reeds destijds, dat die "parlementaire socialisten", juist omdat zij zich zoo bezadigd en rustig voordeden, wèl zoo gevaarlijk waren, als die mondhelden en snoevers, die om en achter Domela Nieuwenhuis waren.
Het liberale kapitalistenblad moest dan ook na verloop van enkele jaren zijn vergissing herstellen en het begon ons uit te schelden, nog harder dan het dit vroeger Domela en zijn Recht voor Allen deed. En De Tijd had, van haar standpunt, goed gezien.
Neen, de bourgeoisie heeft aan ons geen genoegen beleefd. Zij zou wel den tijd van vóór 1893 terugwenschen; want dan was ze van een, tusschen haar eigen gelederen indringende, politieke beweging, voorloopig bevrijd. Wij hebben niet 't minst bijgedragen tot een gezonder politieke partijschakeering, doordien wij erin gslaagd zijn, conservatief bij conservatief te dringen, hetzij ze kerkelijk of liberaal getint is.
De burgerlijke demokratie die eenmaal in Amsterdam vrij sterk was, getuige de bloei van de radikale kiesvereeniging "Amsterdam" en de periode-De Koo in onze politiek, bleek niets meer te beteekenen te hebben, toen de demokratisch-revolutionaire arbeiders-politiek opkwam. En dit was maar goed ook; want wat geen eigen kracht bezit, dat moet niet teren, op een element dat bestemd is een geheel zelfstandig leven te leiden.
Als ik na deze tien jaren nog eens op alles terugzie wat er is geschied, dan meen ik als mijn overtuiging te mogen zeggen, dat veel anders had kunnen worden gedaan, dan het gedaan is, maar dat dieg gebeurtenissen overigens een aan ervaring rijke les bevatten. Moge een arbeidersbeweging ook in massa groot zijn, als zij niet van een vast en goed sluitend beginsel uitgaat, is zij inwendig zwak. Het was door het gebrek hieraan, dat de oude beweging zoo snel is kunnen uiteenvallen; dat één man haar heeft kunnen maken en breken.
Dat wij na haar een socialistische beweging hebben kunnen krijgen, die aan overheerschend-persoonlijke invloeden is ontgroeid, is niet voor het minst te danken aan het feit, dat onze propaganda, in tegenstelling met anarchisme en vrijzinnig-demokratie, altijd zuiver principieel, en ozne politiek altijd proleatrisch is geweest. |
webdesign & copyright © 2001-2003 Eveline |
→ |
↑ |
|