Na tien jaar


 Inhoud 10 jaar  Overzicht boeken
Inhoud
Start
VAN DE OUDE PARTIJ

DOOR

F. VAN DER GOES.


I


Een groot getal laden van onze partij, die nu tien jaar bestaat, kennen de oude beweging niet door eigen aanschouwing.
Willen ze, anders dan uit verhalen of boeken, een indruk krijgen van dat verleden? - het leeft (zoover het leeft) nog voort in de tegenwoordige anarchie. In de dagen van de agitatie tegen de Dwangwetten heb ik, wat sedert jaren niet gebeurd was, weer eenige anarchisten gehoord, Van Erkel, Luitjes e.a. Men kon zich verbeelden dat de tijden van vóór en omstreeks '90 waren teruggekeerd.
Het scheen alsof we nog altijd in Constantia waren op de Rozengracht. - Vergelijk ons partijkongres met een anarchistische konferentie of een vergadering van wat overgebleven is van het Nationaal Arbeidssekretariaat - het is de afstand van vijftien jaar in de ontwikkelingsgeschiedenis van het Nederlandsche proletariaat. Wat toen het gemiddelde was, intellektueel en moreel, is nu het laagste peil. Vliegen noemt in zijn werk over dien tijd een aantal propagandisten die sedert verdwenen zijn, noch overgegaan tot de anarchisten, noch aangesloten bij bij de S.D.A.P., maar geheel uit het openabre leven verdwenen.
Zooals Vliegen zegt, ze hebben de beweging niet kunnen bijhouden. Wie kan, die nu de toestanden kent, zich begrijpen dat Domela Nieuwenhuis eenmaal de man is geweest, die het socialisme niet enkel vertegenwoordige, maar onbeperkt gebood? De massa van de socialistische arbeiders is aan de voormalige leiding ontgroeid, teniet gegaan zijn de organisaties van hun eersten tijd, eerst de Socialistenbond geheel, en nu het Arbeidssekretariaat zoo goed als.


* * *

Van deze arbeidersbeweging was het gebrek - geen toevallig of abnormaal verschijnsel - dat ze al te uitsluitend een beweging was van arbeiders. De bourgeoisie heeft haar strijd tgen de feudale machten en het absolutisme ook niet alleen gevoerd. De revolutionnaire stroom trekt aan en neemt in zich op een grooter of kleiner getal personen uit de klassen van het behoud. Men vindt adellijken en geestelijken aan het hoofd van de bourgeoisie, en wederom eenige bourgeois in de eerste rijen van het proletariaat. Op deze manier gaat iets van de oude kultuur op de nieuwe over, en behoeft de opkomende klasse het werk van hare beschaving niet van voren af aan te beginnen. De bijstand van eenigen uit de klasse die van het geestelijk leven haar monopolie had gemaakt, en de arbeidende massa van alle beschaving beroofd, is voor het proletariaat in den kamp om zijn bevrijding volstrekt onontbeerlijk. De politieke leiding en de wetenschappelijke voorlichting zijn in de socialistische partijen voor de grootste helft in handen van deze, aan haar naar geboorte en opvoeidng vreemde bestanddeelen. Deze partijen houden daardoor niet op zuivere en onafhankelijke arbeiderspartijen te zijn, evenmin als de Revolutie van 1789 daarom minder eene burgerlijke omwenteling was, wijl de derde stand door vele priesters en edelen, leden van de hoogerem werd gesteund aan aangevoerd. Historisch is het niet vreemd dat de moderne arbeidersbeweging dadeljk den bijval heeft gevonden van sommigen uit de bourgeoisie, die immers zelf nog haar revolutionnairen strijd niet had voltooid, toen het socialisme zich voor het eerst vertoonde. Wie, b.v. omstreeks 1848, in vele streken van Europa (niet in Nederland), kan het burgerlijke idealisme ernstig hebben genomen, zonder niet tevens veel te voelen voor de jonge partijen, die, behalve tegen feudale en absolutistische verdrukking, zich ook reeds verhieven tegen de kapitalistische uitbuiting.
Onze eerste socialistische beweging heeft met die van elders of later gemeen dat zij geleid is geworden - men zou, wat haar betreft, bijna kunnen zeggen: geschapen en gekommandeerd - door niet-arbeiders. De twee invloedrijkste personen en gekommandeerd - door niet-arbeiders. De twee invloedrijkste personen uit hare geschiedenis, althans indien het juist is van meer dan één te spreken, waren Domela Nieuwenhuis en C. Croll. De oude Gerhard was een werkman, maar had in zijn jongen tijd van gelegenheden om zich te bekwamen gebruik kunnen maken die gewoonlijk alleen aan de burgerklasse vergund worden.
Zoo was dan ook hier weêr gebleken dat het in de meest verantwoordelijke positie vertegenwoordigen van de arbeiderszaak, een taak is waarvoor hare medestanders van burgerlijke afkomst het eerst in aanmerking komen. Geen van de noodige talenten en kundigheden zijn bij het proletariaat uitgesloten, maar onder de weinig talrijke niet-proketarische leden is een onevenredig grooter cijfer door het bezit van kundigheden of talenten voor dien arbeid geschikt. Dit zal verminderen en is reeds verminderd, nu de voortgaande proletariseering van de bevolking in het algemeen en van vele intellektueele bedrijven in het bijzonder, intellektueele krachten beschikbaar telt, welke of direkt uit de arbeidersklasse voortgekomen of maatschappelijk tot haar nader gebracht, verschijnen als haar eigen krachten. Niet meer zoo zeer als vroeger predikanten of advokaten van betere familie die zich de beweging aantrekken; maar onderwijzers, leeraars, ambtenaren, geletterden en gestudeerden van verschillende vakken, zelf zonen van werklieden of kleine burgers, ofwel door hun betrekking en levenswijze van hen weinig verschillende, zullen het meer en meer worden die, naast de eigenlijke arbeiders, hun deel krijgen in voorlichting en leiding. De voortgaande ontwikkeling van de arbeiders helpt ons, bovendien, aan een grooter getal voormannen uit hun eigen midden, die arbeiders blijven. Een halve menschenleeftijd is sedert de opkomst van het socialisme in Nederland voorbij gegaan, en intusschen een tweede geslacht verrezen dat de dingen beter begrijpt dan het eerste, al ware het enkel maar omdat tegenwoordig de dingen beter te begrijpen zijn. Wat vroeger geheel nieuw en vreemd en voor enkelen was, wordt thans gemeengoed voor velen. De arbeiderskringen breiden zich uit waarin men als socialist ter wereld komt; even als het voorheen de regel was dat de kinderen den godsdienst van de ouders overnamen.
Uit deze stof kan natuurlijk ook een betere leiding voortkomen. Dan geeft de toenemende organisatie van het proletariaat het leven aan een getal ambten en betrekkingen - voor journalisten, administrateurs van inrichten (b.v. drukkerijen), van koöperaties, gesalarieerde bestuurders en propagandisten, eindeljik ook parlementaire vertegenwoordigers voor rijk en gemeente - al welke funkties in den regel ook het proletarische element in het voorgangerschap helpen versterken.
Immers is een van de redenen waarom de niet-arbeiders daarvoor het eerst in aanmerking komen, dat zij er in hun levensonderhoud niet door belemmeerd worden. - Doch, hoe waarschijnlijk het eenerzijds moge zijn, dat het proletariaat zijn bevrijding meer en meer met eigen middelen zal bevechten, is het aan den anderen kant even zeker dat men een betrekkelijk groot getal lieden van hoogeren stand onder de leiders altijd zal blijven vinden. De meesten van het altijd absoluut kleine cijfer van hen die de bourgeoisie verlaten, worden tot den overgang gedrongen door eigenaschappen waardoor ze voor het leiderschap op een of andere wijs geschikt zijn. Vóór de eigen ontwikkeling van de revolutionnaire klasse een voldoende hoogte heeft bereikt, ligt in het toetreden van leden der andere ongetwijfeld een gevaar. Afgezien hiervan, is het niet anders dan natuurljk en gewenscht dat de revolutionnaire beweging, die den in den steek gelaten vooruitgang van het menschdom tot nieuwe triomfen voert, ook over die krachten beschikt welke door den stilstand of de reaktie in hun eigen wereld nog niet zijn aangetast.
Het kenmerk van onze oude socialistische beweging is geweest, dat er tusschen het proletariaat en de hier bedoelde burgerlijke elementen nog te weinig aanraking was. En, voor zoover zij niet ontbrak of ontbreken kon, is er grond voor de bewering dat ze lang niet alleen gunstig heeft gewerkt. Er waren toen, anders gezegd, zoo weinig "heeren" in de partij, en toch waren de "heeren" zoo zeer noodig, dat die er waren een invloed kregen waarvan licht misbruik te maken was. De partij werd door de burgerlijke leden niet geleid, maar autokratisch bestuurd, en dit niet omdat zij te veel, maar omdat zij te weinig van die soort telde. De oorzaken die proletariaat en zekere elementen uit de bourgeoisie bij elkander brengen, waren nog niet tot werkzaamheid gekomen. Het oudere burgerlijke radikalisme van de tachtiger jaren was een middenstandsbeweging in de praktijk, altijd en weinig huiverig voor de roodheid van sommige harer aanvoerders (b.v. Mr. Treub en den Heer De Koo) en volstrekt niet van zins zich met het nog veel fellere socialisme te kompromitteeren. Aan den anderen kant mankeerde de arbeidersbeweging wat haar later aantrekkelijk heeft gemaakt buiten haar eigen klasse. Tegen haar taak, de regeerende te verslaan ook door sommigen afvallig te maken, en als revolutionnaire macht de betere tradities van de bourgeoisie voort te zetten, was zij, in dezen eersten tijd, nog geenszins opgewassen. De weinige niet-arbeiders, dus, hadden in de partij een veel grooteren invloed dan zij later kregen toen zij talriker werden. De "dames en heeren" vinden tegenwoordig in de S.D.A.P. een aantal werklieden op de moeilijkste posten en in het bezit van groote bekwaamheden. Het burgerlijke bestanddeel is onontbeerlijk, is misschien nog in de aanvoering overwegend, maar is niet meer het eenige en als zoodanig oppermachtig.


II

Het overmatig hechten aan het woord van de zeer enkele voorgangers uit de bourgeoisie overgekomen, teekent de afhankelijkheid, de onmondigheid waarin de socialistische beweging zich toen bevond tegenover het bezit van bekwaamheden die het gewone een weinig te boven gingen. Aan de heerschappij van het middelmatigste doorzicht kon men bemerken in het land van de blinden te zijn.
En deze hooge eerbied voor een of twee personen van een stand boven de werklieden, is slechts schijnbaar tegenstrijdig met het wantrouwen dat zoo licht tegen andere personen uit dien stand kon worden opgewekt. De achterlijkheid van de groote meerderheid is oorzaak geweest van het een en van het ander. Het besef van groote verplichting in een tijd dat met al het intellektueele werk een paar menschen belast moeten worden, komt voort uit een gesteldheid der geesten, die deze geheel periode kenmerkt. Dat de partij aan hare bestuurders zoo hevig verknocht was, heeft men niet te zoeken in eenige persoonlijke kwaliteiten - men spreekt zelfs van fysieke. Het was de uitdrukking van het besef dat van hunne leiding de partij geheel en al afhankelijk was. Zij trok zich daarom hunne vijandschappen aan alsof het de hare waren. Domela Nieuwenhuis is er steeds in geslaagd van zijn bijzondere grieven gewichtige partijzaken te maken. Maar vooral had hij gemakkelijk spel tegen eigen klasgenooten. Zijn populariteit verscheen als het geloof dat hij, in zijn stand, een enorme uitzondering was. Iemand, die zooveel voor de arbeiders voelde, en zooveel voor hen had gedaan (ook geleden voor hen), moest wel een heilige zijn. En een heilige was hij van maatschappelijke afkomst, die gewoonlijk niets dan vijanden voortbracht. Die klasse, dooe hun een D.N. te schenken, had al hare arbeidersvriendschap uitgeput. Zulk een man staat er, in de bourgeoisie, slechts één op in de honderd jaar. Wie er, na hem, volgde, kon wel niet anders dan een bedrieger zijn, een die tevergeefs op eenig vertrouwen aanspraak maakte, - ja, iemand die door zijn toetreden zelf het bewijs leverde van zijn valschheid: immers wilde hij doen gelooven aan het wonder dat de Nederlandsche bourgeoisie nogmaals een oprecht socialist zou hebben voortgebracht.
Ook zonder het door Nieuwenhuis zelf opzettelijk aangewakkerde wantrouwen, zou in deze beschouwing van zijn persoon een groot bezwaar hebben gelegen voor anderen die als niet-arbeider in en voor de arbeiderspartij iets hadden willen doen. Want niet slechts dat zijn onmisbaarheid, als geletterd man en als man van de wereld, hem als onnavolgbaar en eenig in zijn soort - de soort der bourgeoisie - deed beschouwen, ze maakte ook dat eenig vertrouwen, aan anderen gegeven, moest schijnen in mindering te komen van het zijne en aan het zijne afbreuk te doen. Meenen dat anderen even goede bedoelingen als hij konden hebben, immers, was hem te na komen. De vurige toegenegenheid waarin het besef van 's volks eigen onmondigheid zich uitdrukte, gedoogde niet hem lager te stellen dan als hooge uitzondering. Meer bourgeois in de partij toegelaten, zouden zijn aanzien hebben verminderd, zouden de onderscheiding van de eerste en de eenige te zijn met hem hebben moeten deelen: want het gevoel dat men zonder zoodanige hulp niets kon beginnen, deed in iedereen die van hoogeren stand tot de arbeiders afdaalde een voorganger verwachten.
En zoo werkte, dus, de onmisbaarheid van personen uit de burgerlijke klasse, wederom als een oorzaak welke hun het aansluiten verzwaarde: en was een van de redenen, dat de partij van hen te weinig had, het feit dat zij ze zoo moeilijk kon missen. De geringe ontwikkeling van het proletariaat bracht een persoonsvergoding te weeg, welke andere personen belette om de hand aan het werk te slaan.
Het moet gezegd worden, verder, dat deze gesteldheid op Domela Nieuwenhuis een zeer nadeeligen invloed heeft gehad. Zij bracht hem in de verleiding, wijl ze voor hem de mogelijkheid opende, zijne bijzondere grieven, vooral tegen klassegenooten, om te zetten in partijzaken. Zou hij tegenstanders, of die hij er voor hield, bestreden hebben met de altijd wisselvallige wapenen van redeneering, indien hij den gewissen doodoener van verdachtmaking in de hand had? En verdachtmaking van welke zonde! De partijleden, die in dezen socialist van burgerlijke afkomst een onmogelijke figuur zagen, een pseudo-medestander door hunne vijanden op hen afgezonden om hen te benadeelen (te benadeelen op een slechts te vermoden en daarom meer te vreezen manier), iemand die den brutalen moed had van een tweeden Nieuwenhuis te willen zijn: de leden moesten wel denken dat hij, de nieuwe "mijnheer", door niets anders gedreven werd dan door vijandschap tegen Nieuwenhuis. Zij onderstelden hunne gedachten bij het onwelkome medelid. Het feit van zijn toetreden maakte hen in hunne oogen tot een mededinger van Nieuwenhuis - hij kon dus geen ander voornemen hebben gehad, dan om Nieuwenhuis te verdringen. Wat zij vreesden dat gebeuren kon: een vermindering van Domela's gezag, een gezag dat het teeken was van hunne zwakte en daarom zich aan hen voordeed als hun kracht, dichtten zij den indringer toe als een bewust plan. En natuurljk met nog grootere beslistheid en fellere afkeer, indien Domela Nieuwenhuis het zelf zeide.
Bij eenige persoonlijke edelmoedigheid van den eersten leider der socialistische beweging, zou hij zelf voor dezen argwaan niet toegankelijk zijn geweest, noch in zijn volgelingen dezen argwaan hebben aangemoedigd. Dezelfde karaktergebreken die hem naderhand vatbaar hebben gemaakt voor het leiderschap van de anarchisten, wier beginsel de eene helft van de arbeidersklasse opzet tegen de andere, deden hem toen het bekende misbruik maken van zijn macht. Hij heeft in de op zijn daden uitgebrachte kritiek geen andere beweegreden willen zien dan naijver op zijn positie. Zijn antwoord was een onafgebroken beroep op het vertrouwen dat hij zich verworven had. Met welke bedoelingen, vroeg hij, kon men hem iets verwijten? De bedoeling dat de kritiek tot verbetering en dus tot welzijn van de partij zou strekken, scheen van te voren uitgesloten, en zoo bleef enkel de onderstelling die voor de partij het meest aannemelijk was en voor hem het gunstigste. De maatschappelijke gesteldheid waarin Nieuwenhuis verkeerde vond in zijn persoonljke geaardheid een medewerking ten kwade. Hij plaatste zijn aanhangers voor de keus: mij of een ander, en telkens werd hij gekozen omdat, bij wien ook vergeleken, van te voren zijn onmisbaarheid vaststond.
En Domela Nieuwenhuis maakte van deze onmisbaarheid gebruik om zich te meer onmisbaar te maken. Persoonlijk verschijnt hij als de op zijn gezag jaloersche leider, die niemand naast zich wilde dulden, die slechts oogen had voor zijn eigen positie in de partij, die om haar het belang van de partij verwaarloosde, ja voor haar bestaan-zelve, zooals het vervolg heeft geleerd, volkomen onverschillig werd toen zijn positie aanving te wankelen. Met een schijnbare razernij heeft hij gewoed tegen de resultaten van een eigen vijftien-jarigen arbeid, toen de omstandigheden het voor hem moeilijk en onwenschelijk maakten met dien arbeid voort te gaan. Wilde hij zich handhaven - en dit wilde hij voor alle dingen - dan moest de partij naar de veranderde eischen van zijn positie worden gewijzigd. Van de sociaaldemokratie in Nederland kon hij op een bepaald tijdstip van hare ontwikkeling niet langer de absolute gebieder blijven. De eenige oplossing was, dat de sociaaldemokratie veranderde. Om hem als leider te behouden, was het noodig, dat de partij anarchistisch werd. Nieuwenhuis is van systeem veranderd omdat hij volgens het oude niet langer regeeren kon. Liever dan hem kwijt te raken, heeft een deel van de partij het nieuwe systeem overgenomen. Doch wijl het 't anarchistische beginsel was, is zij bij deze verwisseling bezweken. De partij was op het punt gekomen dat zij voorwaarts moest onder een nieuwe, of terug onder de oude leiding. Zij ging terug, en weldra geheel onder, door de geheichtheid aan den onmisbaren persoon. De historische omstandigheid dat het proletariaat in zijn opkomst handreiking van uit de bourgeoisie niet ontbeeren kan, moet in hare wijdste strekking doorgrond worden om te verstaan hoe het kon gebeuren dat de partij, niet den leider lostliet die zijn beginsel aflegde, maar zelf van beginsel verwisselde om den leider te behouden. Zoodanig diep, inderdaad, was de eerbied voor zijn woord gevestigd. Domela Nieuwenhuis vertegenwoordigde en bestuurde de oude socialistische beweging niet slechts, hij verpersoonlijkte haar. Hij, Nieuwenhuis, was de beweging. Zij had geen andere meening dan de zijne. Zij noemde wit wat hij wit noemde, en morgen noemde zij hetzelfde zwart, wijl en zooals hij. De socialisten, in één woord, zagen in hem een zoo uitmuntend voorganger, dat zij hem volgden - ook in den strijd tegen het socialisme.
Toen, echter, was het lot van hunne partij, den voormaligen Sociaal-Demokratischen Bond, spoedig beslist. Zij wilde gaarne, maar kon deze verandering van den leider, niet meemaken. Althans kon zij de verandering niet overleven. De tijd eischte voorzetting van de beweging, verder dan het punt waartoe Nieuwenhuis haar had kunnen brengen. Eensdeels was een minderheid tot eigen inzicht gekomen, had zich een oordeel gevormd van het zijne onafhankelijk. Zij zagen het gevaar en weigerden hem te gehoorzamen. De wijze waarop Nieuwenhuis alle verschil trachtte te onderdrukken, versterkte het verzet, want men begreep dat alleen in een partij buiten Nieuwenhuis eene richting anders dan Nieuwenhuis mogelijk was. Voor het overige ging de organisatie van de trouw gebleven meerderheid door de nieuwe taktiek te gronde. De nieuwe takties was niet ten behoeve van de partij, maar van den persoon gekozen. Voor persoonlijk gebruik de gunstigste, wijl zij tot niets verplicht, is ze voor een partij verderfelijk, die aan de werkelijkheid gebonden is. Zij moet zich overeenkomstig de werkelijkheidsverhoudingen gedragen, of zij moet werkeloos blijven.
In beide gevallen is zij veroordeeld. De oude Bond viel in elkaar en verliep omdat hij of niets meer deed of enkel verkeerde dingen. Hij verliep nog sneller toen een minderheid de door Nieuwenhuis opgegeven beginselen, welke tevens die van het geheel waren geweest, tot de hare maakte en een nieuwe partij oprichtte, waarin aanstonds veel van de oude leden zitting namen. Maar tot dezen tijd toe zijn onder hen geweest, die het besef van zijne eenmalige onmisbaarheid omdragen en blijven koesteren als en gevoel van hooge vereering, voor den persoon van Nieuwenhuis. De gehechtheid aan den leider is niet alleen sterker geweest dan hunne gehechtheid aan de organisatie, zij heeft de organisatie overleefd die hij heeft vernietigd. In het besef van zijne onmisbaarheid, die de beweging tot een willig werktuig in zijn handen maakte, hebben vele zonder verzet toegezien toen hij haar verbrak als een werktuig dat geen nut meer kon doen. Hoogstens hebben zij met pijnlijke verwondering toegezien; en, toen de daad was volbracht, zich afgekeerd van de openbare zaak, uit het politieke leven voor altijd zich verwijderd; met in hun hart nog een dralend gevoel, niet van weemoedige herinnering aan de oude partij die vermoord is, maar van liefde voor den ouden leider die haar vermoordde. Hij had hun het socialisme gegeven, hij had hun het socialisme wederom afgenomen, en zij loofden hem omdat hij Nieuwenhuis was. Zij hebben niet gezien, evenmin als de groote meederheid van de partij het zag, dat hij hoog stond in hun midden omdat zij hem geplaatst hadden op het voetstuk van een volstrekte onmisbaarheid - dat de eigenschappen hem toegeschreven de uitdrukking waren van het besef hunner tekortkomingen - dat hij de deugden vertoonde van een aangebeden voorganger, wijl zij de zwakheden bezaten van dweepende volgers. Wie, daarentegen, van de bourgeoisie in de partij kwam, en een anderen maatstaf meêbracht, had weinig tijd noodig om te ontdekken dat Domela Nieuwenhuis over bekwaamheden en talenten beschikte die in geen enkel opzicht meer dan gewoon waren. Dit wil niet zeggen, dat Domela Nieuwenhuis geen groot man is geweest in de arbeidersbeweging en daarmeê ook in de geschiedenis van ons land; het wil alleen doen zien hoe, in dit geval, historische grootheid is ontstaan.


III

Het beste bewijs dat hij slechts één uit velen wasm buiten het feit dat op een gegeven hoogte hij niet bij machte bleek de beweging verder te leiden, ligt in de omstandigheid dat Nieuwenhuis zijn positie niet heeft doorzien. Het was de aard van zijn karakter dat hij maar misbruikte; het was de beperktheid van zijn blik dat hij haar miskende. Hij heeft niet gezien dat de kracht die hem werd toegeschreven, voor het overgroote deel lag in het isolement dat hem als niet-arbeider omgaf. Hij heeft gedacht te zijn waarvoor men hem hield in de partij. Voor eenigen tijd is in De Nieuwe Tijd aangetoond, dat het uitgebreide werk van Domela Nieuwenhuis over de geschiedenis van het socialisme een minder dan middelmatig geschrift is. Hoe komt het dat van de velen die in staat zouden zijn iets dergelijks samen te stellen, juist hij de eenige is die er toe overgaat?
Het geval van zelfbedrog kan uit zijn eigen geschiedenis verklaard worden. Het is de overschatting door anderen, in zelfoverschatting verkeerd. Wat Nieuwenhuis was en wat van hem in de partij gedacht werd, verschilde niet meer dan de kwaliteiten verschillen, voor een boek als deze historie gevorderd, en die er werkelijk aan besteed zijn. Hier heeft men een maatstaf èn van hetgeen Nieuwenhuis meent te kunnen leveren èn van hetgeen zijn arbeid inderdaad waard is - de maatstaf dus ook van het eigen misverstand zijner positie. Hoe men hem prees en eerde heeft hij alles voor zoete koek opgegeten. Wanneer zijn vorige arbeid verdwenen en vergeten zal zijn, vindt men in dit boek althans deze bijdrage tot de 'geschiedenis van het socialisme", dat het een gedachte kan geven van hetgeen de eerste socialistische partij in Nederland van haren stichter en voorganger verwachtte.
Hoe zeer de arbeiders aanvankelijk hunne leiders idealiseeren, ziet men in den afstand tusschen hetgeen dit boek bedoelde te zijn en hetgeen 't inderdaad geworden is. Gewoon aan een voortdurend sukces in de partij, met zeer geringe middelen behaald, heeft hij het aan de voortreffelijkheid van die middelen geweten, en gemeend met dit weinige ook naar buiten en tegenover vreemden te kunnen volstaan. Doch zoo zijn vrienden blind waren, waren zijn vijanden het geenszins. Zij waren niet onder den indruk van een onmisbaar noodige persoonlijkheid. Nieuwenhuis kon de eersten bevredigen, met wat hij hen toescheen te zijn, echter niet de laatsten daarmê verslaan.
In zijn verhouding tot tegenstanders heeft men het gevolg steeds kunnen opmerken. Voorhen was hij niet enkel de gehate socialist. Hij was het zonder twijfel meer dan anderen en lateren, omdat hij de eenige en eerste was. Doch hij was het niet alleen daarom of enkel dat. Domela Nieuwenhuis heeft zich bij de toenmalige tegenstanders niet slechts gehaat gemaakt als leider van het socialisme, maar verachtelijk als persoon. Zij vonden bij hem eene in publieke mannen van zijn rang zeldzame onbetrouwbaarheid. De vertegenwoordiger van de opkomende soacialistische beweging in ons land verscheen in het openbaar als een strijder die van geene der euvelen van de meest verdorvene taktiek vrij was. Hij was in de pers de schelder, de leugenaar, de eerroover bij uitnemendheid. De kerkelijke demagogie bestond toen nog niet, zoodat men geene punten van vergelijking had. In de kerkelijke demagogie van onze dagen heeft men punten van vergelijking gekregen, maar men kan niet zeggen dat zij den indruk van de socialistische uitwischt. Integendeel schijnt in sommige van hare publicisten de oude strijder voor het socialisme te herleven. In de Nederlandsche politiek was deze houding toen ongehoord, nog geen der partijen had de verdediging van hare belangen opgedragen aan iemand die bij de polemiek de manieren en de moraal invoerde van den falsaris. Niet, dat de burgerlijke pers tegenover het socialisme in het algemeen op hare taktiek kieskeurig was. Integendeel vindt men menig teeken van het verval harer klasse juist en natuurlijk in dezen beginnenden strijd.
Doch het ergste wat in waarheid, toen en sedert, van de burgerlijke pers kan gezegd worden, is dat zij eenige overeenkomst heeft vertoond met Recht voor Allen.
Van Vloten en Multatuli, vroeger, wier nadagen met het eerste optreden van Domela Nieuwenhuis samen vielen, hadden hunnerzijds dikwijls zeer scherp en personeel gekritiseerd, maar in hunne hevigste polemieken altijd eene hoogheid van bedoeling weten te leggen die haar onttrekt aan eenig verwijt van persoonlijke laagheid. Wie in Van Vloten's Levensbode strijdschriften zelfs over verouderde onderwerpen en tegen vergeten menschen opslaat, gevoelt dat een man daar spreekt, die, bij welke onvolkomenheden ook, niet die bezat, van in den dienst eener groote zaak de voorkeur te geven aan kleine middelen. Van Vloten, om van de anderen niet te spreken, was een driftig en meêdoogenloos tegenstander.
Maar hij sloeg den lieden vierkant in het gezicht; wat hij voor de waarheid hield wierp hij hun openlijk voor, zei alles onverbloemd en onverzacht, overdreven misschien, maar sprak dan ook luid en precies. Hoe anders was, of werd althans, in Recht voor Allen spoedig de taktiek van den redakteur! Bij voorkeur, schijnt het, zag hij elk geschil, met wien ook, van den kleinsten kant. Het zijn geen representanten van andere belangen of theorieën, met wie hij kampt, het zijn menschen aan wie hij een hekel heeft. Ook Van Vloten wreekte somstijds, werd gezegd, persoonlijk grieven in zijn kritiek op denkbeelden en bestreed in de afwijkende richting of leer den persoonlijken vijand. Maar zijne leifde voor de groote dingen die hij voorstond, blijkt doorgaans sterker te zijn geweest dan eenige kleine afkeer, en zijne vijanden verschijnen daarom als de vijanden neit van hem maar van zijn zaak. Bij Nieuwenhuis, daartentegen, komen de tegenstanders van het socialisme allereerst en voornamelijk voor als belagers van Nieuwenhuis. En deze gezindheid wordt hun vergolden op een manier die onze sympathie op hun kant brengt. Van Vloten weet andersdenkenden aantegrijpen zóódat gij u getrokken voelt tot zijn zaak. Nieuwenhuis bezoemt u weerzin in tegen zijn persoon.
Het gevolg derhalve is niet dat hij te sterk aangrijpt, maar dat hij te weinig uitricht.
Zijn betoog bewijst niets, zijn toorn is onschadelijk, hij kwetst zich zelf en benadeelt zijn zaak. Hij beschuldigt niet, hij maakt verdacht. Hij verwijt u geen openbare wandaden, die hij u voor de voeten slingert. Hij weet kwaad van u, bij hooren zeggen, dat hij te gelegenertijd vermelden zal, waarop hij nu slechts zinspeelt, en met de geheele onthulling waarvan hij u bedreigt. Indien uw boosheid nog niet algemeen gebleken is, is dit alleen te danken aan uw listigheid, doch hij, Nieuwenhuis, is nog slimmer dan gij, hij leest in uw ahrt en kent uw voornemens, - men geve slechts acht, de tijd zal leeren dat hij goed heeft gedaan met tegen u te waarschuwn. Mocht hij zich vergist hebben, en valt het anders uit: welnu, vergissingen zijn menschelijk en hij had trouwens niets anders gezegd dan wat men hem voor waar had meêgedeeld.... Een stelsel, in één woord, dat nog meer iemands verleden en toekomst dan het tegenwoordige verdacht maakt; het "gij hebt gedaan" en "gij zult doen", beweringen, minder voor bewijs vatbaar, juist daarom met grootere beslistheid uitgesproken dan het "gij doet".
In dit stelsel komt elk wapen te pas, zoo het maar belooft te wonden. Nieuwenhuis slaat niet, hij krabbelt en spuwt. De getroffene gevoelt pijn noch schade, maar een aandoening van weeheid als bij de aanraking van een walgelijk insekt. Hij weet niet of hij lachen of huilen moet, niet om zich zelf, maar om den aanvaller.
Indien iets hem waarlijk leed deed of vernederde, dan was het in een diskussie van dezen aard gemengd te zijn. Elk debat trok Nieuwenhuis aanstonds naar omlaag en bracht het op zijn peil. Ge waart nooit zeker van het onderwerp, hij haalde bij ieder geschil alle mogelijke geschilpunten aan, en mengde in elke gedachtenwisseling de aan haar meest vreemde verwijten. Vijanden verheugden en vrenden schaamden zich over deze strijdwijze. Hoe schoon de gelegenheid mocht geweest zijn en hoe gunstig de kans, gij moest altijd vreezen dat iedere botsing zijnerzijds verliep in een grove kibbelarij of een gemeene aanranding.
Bij de insinuatie kwam de direkte laster, kwamen de meest roekelooze, onwaarschijnlijke, fantastische betichtingen. Hem schenen een leger van detektieven te gehoorzamen, die de schaddaden van alle tegenstanders op het juiste oogenblik hem aanbrachten. Nieuwenhuis schepte er behagen in hun alle denkbare gebreken toetedichten, en wekte zoo den indruk dat tot de onderdrukking van de arbeidersbeweging en het verderf van haar aanvoerder, een aantal van de slechtste menschen van de wereld een duister komplot hadden gemaakt. Zijn orgaan scheen niet een politieken kamp te voeren tegen een maatschappelijke klasse, maar politiediensten te verrichten tegen een bende booswichten, wier geheime aanslagen hem, Nieuwenhuis, nog tijdig bekend geworden waren. Het gevolg bij zijn lezers was een fanatiek maar vaag gevoel van afkeer jegens eenige individuën, tot schade van hun beter inzicht en van hun klassebewustzijn, tot schade dus in den werkelijken strijd. Domela Nieuwenhuis heeft bij zijn volgelingen meer den haar tegen vreemde personen gewekt, dan de liefde voor hun eigen zaak. In zooverre het anarchisme van personenhaat moet bestaan, was Nieuwenhuis levenslang anarchist.


IV

De oude socialistische beweging is door eigen schuld te gronde gegaan. Zij is niet uitgeroeid of gestikt door geweld van buiten. De schuld was de onvoldoendheid van de aanvoering, en deze was wêer te wijten aan de natuurlijke tekortkomingen van een achterlijk, pas ontwaakt proletariaat, dat nog niet over genoegzame intellektueele krachten beschikt en de weinig beschikbare krachten bovenmatig vereert. Maar de ondergang van de oude partij is in de geschiedenis van de arbeidersbeweging slechts een incident, een kenmerkende bijzonderheid van haar eersten staat, geen onderbreking van haar normale ontwikkeling. Zij heeft haar bovenmatig vertrouwen verkeerd geplaatst en dat zuur genoeg moetn boeten, schijnbaar tot stervens toe. Maar wat er inderdaad verging, waren oude vormen en tradities niet meer met de voortschrijdende ontwikkeling vereenigbaar. De gevolgen van de verderfelijke leiding heeft zij uit eigen kracht weten te overwinnen en goed te maken. Ook hieruit blijkt, willen wij zeggen, dat de persoonlijke zwakheden geen zelfstandig en genoegzaam sterk motief zijn geweest om de oorzaken, die in de maatschappelijke gesteldheid lagen, blijvend te wijzigen. Wat Domela Nieuwenhuis voor een soort man is geweest, heeft maar eenige uiterlijkheden van de beweging kunnen raken, heeft gemaakt dat in haar lotgevallen bepaalde gebeurtenissen zijn voorgekomen, maar hen niet van den gewonen en te verwachten loop van zaken doen afwijken. Uit het begin en eerste tijdvak van den strijd om hare bevrijding is de arbeidersklasse overgegaan in een volgend en hooger, dat is alles. Zooals het elders is gegaan is het ook hier gebeurd; anders in bijzonderheden die voor ieder land verschillen, gelijk in de hoofdzaak die overal eender is. Het optreden van Nieuwenhuis hoort in die eerste periode eigenaardig thuis, of in den tegenwoordigen tijd, zoover voor sommige kategorieën dit tijdvak nog niet afgesloten is. De partij heeft zijne leiding gedragen totdat zij bij machte werd zich een betere te geven. Zijn persoonlijkheid, wel verre van aan het socialisme in Nederland een bepaalde richting gegeven te hebben of een blijvend onderscheid in welk opzicht ook, is slechts een macht geweest zooland het socialisme bij ons een beweging was van een gehalte waarin zijn persoonlijkheid paste. Dit wil niet zeggen dat Domela Nieuwenhuis, zoolang het duurde, geen grooten invloed heeft gehad, maar het wil zeggen wat onder grooten invloed van personen te verstaan is.
Nieuwenhuis verschijnt in onze geschiedenis als de schepper van het socialisme, waarvan hij geruimen tijd het erkende hoofd en de absolute gebieder was. In ieder opzicht scheen het 't maaksel van zijn handen te zijn, dat hij bezat als zijn eigendom en dat hij stuk sloef toen 't hem lustte. En niettemin blijkt juist in dit geval de waarheid zoo duidlijk, dat de maatschappelijke gesteldheid de groote, de beslissende, zelfs de eenige faktor was. Wat in zijn groote levensdaad, de oprichting en aanvoering van de eerste socialistische organisatie, hem tot eer of wel tot schande mag zijn geweest: dit staat vast, meenen we, dat de invloed van zijn persoonlijkheid niet de oorzaak was van het wezenlijke in de beweging, maar het gevolg daarvan. Dat hij groote macht kreeg, zeiden we, kwam uit het onmisbare van een hooger intellekt; dat hij groote macht kreeg, kunnen we erbij voegen, lag in de onbevoegdheid van de massa die niet in staat was haren aanvoerder te kontroleeren. Zijn leiderschap is uitdrukking en maatstaf, indien schijnbaar van eigen fouten, inderdaad van de zwakheden zijner volgelingen.
Zoodra de onbevoegdheid van de massa ophield, werd het leiderschap ter zijde gesteld. Het doet niet ter zake dat dit vergezeld ging van hevige troebelen, waarbij de organisatie feitelijk ontbonden werd, die niets meer was dan een instrument voor de partikuliere bedoelingen van den leider. Inderdaad heeft niet Nieuwenhuis de oude partij verbroken, maar de oude partij hem heengezonden toen zij de behoefte voelde zich te vernieuwen. Inderdaad brvrijdde zij zich, toen zij van den almachtigen maar onbekwamen leider zich bevrijdde, van haar eigen onmondigheid.
Wij zeggen hiermee niet dat een betere leiding voor de oude beweging een onmogelijkheid zou geweest zijn. Bij een betere leiding zou de historie er eenigszins anders hebben uitgezien. Er zouden zeer waarschijnlijk minder schokken zijn geweest, de ontwikkeling van hare krachten zou meer geleidelijk hebben plaats gevonden, het ware niet noodig geweest dat eene organisatie te gronde ging en een andere hare plaats innam. Doch wat zou de betere leiding hebben beteekend anders dan dat de partij van degelijker gehalte was? Zij was eenmaal zooals zij was en heeft de leiding gehad die zij verdiende, die zij kon verstaan, die haar vele jaren voldeed, en die zij eerst later moede werd, toen in de partij zich het verzet openbaarde dat voor het oogenblik de bekende hevige gevolgen heeft gehad. Voor ons is de vraag, hoe de achterlijkheid van de oude beweging in de gebrekkige leiding zichtbaar werd. Voor iedereen zou de uitzonderingspositie, waarin natuurlijkerwijze de leiders in die dagen geplaatst waren, gevaarlijk zijn geweest.
Te heerschen over een weinig ontwikkelde en in vele opzichten sterk bevooroordeelde menigte, kan voor geen enkelen politieken leider een gunstige konditie genoemd worden. Dat de partij in hare leiding de ongunstige gevolgen die het voor Domela Nieuwenhuis weldra bleek te hebben, niet spoediger wist te beteugelen, bewijst slechts dat aanvankelijk leider en partij elkaar niets te verwijten hebben gehad.
Dit aandeel in de gemeenschappelijke schuld is de oorzaak van de oplossing der oude partij, en deze oplossing de vorm waarin zij van de oude leiding zich ontdeed.
Zij zelve had aan Nieuwenhuis zooveel macht gegeven, dat een richting tegen hem, alleen buiten en zonder hem mogelijk was. Wie niet meê wilde met de nieuwe richting, die niets anders was dan een voortzetting van de oude, verder dan het punt waarop het aanvoerderschap van Nieuwenhuis in elkaar was gestort, moest of geheel uit de beweging gaan, of voortaan tot hare vijanden behooren.
Nieuwenhuis, ten slotte volkomen gedemoraliseerd, kon van den hem gebleven invloed op het deel der partij dat de schande van zijn leiding nog niet gevoelde, geen ander gebruik maken dan tegen het overige deel dat zich van hem bevrijd had. Wij zullen aanstonds eenige van de omstandigheden noemen waaruit het goed recht van deze opvatting nader zal blijken. Blijken zal ons, dat onder de oorzaken van het verloopen der eerste organisatie de gebreken der leiding vooraan stonden, maar dat deze gebreken aantemerken zijn als het noodlottige gevolg van de buitengewone positie waarin de leider geplaatst was. Zegt men: neen, het waren toevallige fouten van Nieuwenhuis - wij antwoorden: die fouten zouden in de beweging geen rol hebben gespeeld, indien ze niet eigenaardig met de kenmerken van zijn positie waren samengevallen en wezenlijk als zoodanig, en als zoodanig alleen, hadden gewerkt. De fouten van Nieuwenhuis zijn in de geschiedenis enkel werkzaam als tekortkomingen van de partij. Een sterk bewijs is dat de persoonlijke gebreken ophielden van invloed te zijn, toen zij de hare begon te overwinnen.
De ondergeschikte zielkundige vraag, welke moreele geaardheid dezen man voor de invloeden van de door hem ingenomen, historisch bepaalde plaats in hooge mate vatbaar heeft gemaakt, kan blijven rusten. Wij willen nog nader doen zien welke de invloeden waren waartegen hij, gelijk de uitkomst heeft geleerd, zoo weinig bestand was. Wij hebben gezegd om welke reden de persoonlijke eigenschappen van Nieuwenhuis als motief van gebeurtenissen niet in aanmerking komen. Rekenschap moet worden gegeven van de omstandigheden waaronder zij effekt kregen. Die omstandigheden zijn in laatste instantie de oorzaak. Zoo noemden wij zijn naijver op mede-bourgeois in de partij, zoodra zij althans van eenige zelfstandigheid tegenover hem blijk hadden gegeven. Dit was schadelijk voor de partij, het verstak haar van mogelijk nuttige medewerking en gaf tweespalt. Wat was nu de oorzaak van dit kwaad? De jaloezie van Nieuwenhuis? Jaloersch was hij zeer zeker, maar dat hij iets had om jaloersch op te zijn: de alleenheerschappij in de beweging, en dat de partij aan zijn grieven kracht bijzette door ze tot de hare te maken, - dat, in één woord, dit persoonlijk zwak verschijnen kon als een fout van de partijleiding, lag aan de plaats die Nieuwenhuis innam, als een gevolg van zijn onmisbaarheid die de uitdrukking was van haar hulpeloosheid.
Wie dezen samenhang overweegt, zal inzien dat individueele zwakheden steeds minder zullen beteekenen in de beweging. De arbeidersklasse zal, in de toekomst, twijfelachtige karakters met steeds grootere beslistheid afwijzen. Doch in geen geval zal zooveel als vroeger van persoonlijke gesteldheden bij haar leiders voor haar afhangen. Deze krijgen eerst in bepaalde omstandigheden een groote beteekenis. Dezelfde of oevereenkomstige fouten bij anderen en in andere omstandigheden, zullen niet het beeld van de verderfelijke leiding doen ontstaan waarvan wij enige trekken beschrijven.


V

Genoemd werd verder de wanhopig onvoldoende vertegenwoordiging van het socialisme in de pers. De partij die niets beters verlangde, heeft door de volstrekte afwezigheid van kritiek van binnen, den redakteur van haar orgaan ongewoon gevoelig gemaakt voor kritiek van buiten. Nieuwenhuis begon te razen en te schelden omdat hij, schrijvende voor menschen die het niet heel erg vonden, en ook overigens door hunne tevredenheid verwend, direkt geweldig boos werd op iedereen die hem tegensprak. Op hem bovendien, omdat hij ongeveer de eenige was aan wien de burgerlijke pers houvast had - de anderen waren naamlooze, onbekende arbeiders - vielen alle slagen van de tegenpartij. Ook in dien zin was hij het hoofd, dat hij boven allen uitstak en het algemeene mikpunt werd.
Veelal scheen de geheele beweging niet anders dan een boos uitvindsel van Nieuwenhuis te zijn; een verderfelijke dwaasheid door hem overgebracht; een nieuwe volkskanker door hem gëimporteerd. Voor al wat gebeurde aansprakelijk gesteld, werd hij het uitsluitende voorwerp van een kritiek die altijd liever de voorgangers aantast dan de volgelingen, wijl zij van den schijn gediend is dat niet de massa uit eigen beweging schuldig is, maar zij door schelmen zich laat verleiden.
Nieuwenhuis was eenige voorganger en dus ook alleen of althans grootendeels schuldig.
Er kwam bij dat ook van zijn kant hij zich met de partij vereenzelvigd had. Van alles de schuld krijgende, verlangde hij ook van alles de eer. Wat men op het socialisme in Nederland te zeggen had, dat had men op hem te zeggen. In het maaksel berispte of beschuldigde men den maker. De geheele burgerlijke bestrijding van de arbeidersbeweging deed zoo aan hem zich voor als een persoonlijke beleediging - die hij met persoonlijke beleedigingen beantwoordde. In de Kamer, b.v., keerde men hem den rug toe; hij wreekte zich met hatelijkheden. Gaven de debatten den indruk dat de vertegenwoordiger van een nieuwe klasse er zijn intree had gedaan? neen, maar dat een nieuw lid was binnengedrongen die zeer slecht met zijn kollega's overweg kon. Iemand als Nieuwenhuis, die niet verscheen als de afgezant en woordvoeder van een opkomende maatschappelijke klasse, welke haar besten man met de eer van dezen moeilijken post heeft bekleed - maar als een leider die eigenmachtig naar dien zetel heeft gedongen, wiens doen en laten daar door degenen die voor zijn lastgvers doorgaan niet juist begrepen zal worden, schoon van te voren goedgekeurd, - iemand in de positie van Nieuwenhuis in de Kamer heeft altijd den steun moeten missen die zelfvertrouwen en waardigheid verleenen kunnen zelfs aan middelmatige talenten. Zoo iemand moet vreezen, en niet in de Kamer alleen, te staan en te vallen met wat men van hem zegt. Hij dankt zijn plaats aan zijn onmisbaarheid, en onmisbaar is hij, niet als de beste maar als de eenige van zijn soort. Met hoe weinig doorzicht ook vervuld, moet bij haar bezitter soms de twijfel opkomen of ze op den duur houdbaar zal zijn; of haar grondslag, de gunsts van de menigte, ten volle vertrouwbaar is. Deze twijfel meot zijn gevoeligheid voor kritiek nog verhoogen. Zal de meening van zijne eigen partij er niet ten slotte door worden aangedaan? En op haar meening, immers, op haar geloof in zijn onfeilbaarheid is zijn grootheid in de partij gevestigd. Voeg hierbij, dat zijn grootheid met die van de partij rijst en daalt. Blijkt het dat zij een machtig en solied gebouwd lichaam is, zoo is ook de leider een buitengemeene figuur onder zijn tijdgenooten; is zij een wilde hoop, zonder inwendige kracht, dan is hij een ellendige frazeur. De kritiek, derhalve, die de vijanden van het socialisme van het eerste wil overtuigen, doordringt hen tevens van het laatste, heeft altijd een persoonlijke strekking, kwetst onophoudelijk een persoonlijke ijdelheid en wekt een bittere gramschap die terugslaat zonder ander doel dan de bevrediging eener felle, persoonlijke wraakzucht.
De positie die Domela Nieuwenhuis bekleedde in de binnenlandsche partij maakte het volkomen verklaarbaar, dat hij naar een soortgelijke trachtte in de buitenlandsche.
Wederom was er zijn persoonlijke eerzucht meê gemoeid, welk figuur de Hollandsche sociaaldemokratie zou maken over de grenzen. De beweging was inderdaad nog te zwak om ook maar eenigszins zich met de buitenlandsche partijen te kunnen vergelijken, zoowel wat betreft haar gehalte en inwendige kracht, als den algemeenen invloed van de arbeidersklasse op den loop der openbare zaken. Ten onzent waren bourgeoisie en regeering bekomen van den schrik, dien het eerste verschijnen van het socialisme in het land ongetwijfeld had teweeg gebracht. Met een handvol politie had men alle feitelijkheden die zich hier en daar voordeden kunnen bedwingen; het overige, zag men, was woordenpraal geweest; eene welberaden, duurzame en massale volksbeweging bestond niet, behoefde men niet te vreezen. In vele andere landen, daarentegen, was omstreeks dezen tijd de geest van een groot deel der arbeidersbevolking althans in de industrieele centra zóó, dat de regeerende partijen er ernstiglijk en onafgebroken rekening meê te houden hadden. Men kan met beslistheid zeggen dat dit bij ons in het begin der negentiger jaren het geval niet was. Hoe in sommige andere landen, als Frankrijk en Oostenrijk, Italië, België, de stand van de socialistische partijen moge geweest zijn bij de onze vergeleken, zooveel is zeker dat de macht van de socialistische fraktie in het parlement drong, geeft een idee van het enorme verschil. Sedert is ook bij ons veel veranderd, maar nog is het de waarheid dat onze sociaaldemokratie een sekte is en geen klasse, een beweging uitdrukt die zeer zeker de bloem der arbeiderswereld begint te omvatten, een steeds sterker wordende beweging in, maar geen beweging van het volk. In den tijd hier bedoeld begon bovendien in en bij de organisatie het zelfvertrouwen te verminderen, toen de eerste hoop op een spoedige en plotselinge verlossing niet langer houdbaar bleek.
Dit alles behoefde ook buitenlands niet geheel onbekend te zijn. Bekend moest zijn, dat van kiesrecht voor arbeiders bij ons zoo goed als geen sprake nog was, ondanks een agitatie die inderdaad iets van een volksbeweging had gehad. Ook het totale gebrek aan beteekenis van onze vakvereenigingen, de achterlijkheid van onze sociale wetgeving, waren dingen gemakkelijk genoeg te zien voor alle belangstellende vreemdelingen. Gelijk het steeds op den weg van een leiderschap zal liggen, uit een partij als de toenmalige voortgekomen en de representant ook van hare gebreken, de innerlijke zwakheid door een schijn van kracht te willen verbloemen, moest deze grootdoenerij ook tegenover het buitenland worden aangewend. Ziet men in die dagen Domela Nieuwenhuis optreden met een ongehoorde snoeverij en als de omroeper van een radikalisme, dat, zoo het eenigen zin had, wel niets anders beteekenen kon dan dat in Nederland zulke zaken mogelijk waren, de overtuiging en het voornemen van eene soliede en sterke arbeidersmassa weergaven, - dan ziet men slechts de tekortkomingen der partij van een anderen kant, uitgedrukt in die van den voorganger. Ware de partij werkelijk geweest, waarvoor hij haar wilde doen doorgaan, dan zou Nieuwenhuis niet namens haar en met deze mondheldhaftigheid zijn opgetreden. Voor het minst zou dan de roep van hare daden reeds de grenzen overschreden, en het rumoer van zijne woorden overbodig hebben gemaakt. Doch nu er van de voorgewende grootheid niets dan de schijn bestond, en met dien schijn de reputatie van den leider vereenzelvigd was, moest het de taktiek van Nieuwenhuis zijn hem met alle middelen te handhaven.
Men mocht niet weten hoe het eigenlijk in Holland gesteld was. De waarheid, op zich zelve geen schande, maar die, gegeven de positie van Nieuwenhuis, door hem niet anders dan als een pesoonlijke blaam kon worden opgevat; als een ding dat zijne aanspraken op een voereenkomstige positie in het internationale verband onmogelijk en belachelijk zou hebben gemaakt; de waarheid mocht niet worden geweten. Rumoer was er ruimschoots gemaakt en, behalve in sommige arbeiderskringen buitenslands, was de faam van Nieuwenhuis in de wereld van de burgerlijke reportage genoegzaam doorgedrongen. De beter ingelichte partijgenooten in andere landen wisten waaraan zij zich te houden hadden, en het heeft in de debatten op de internationale kongressen niet gemankeerd aan de juiste opmerking dat zijn mandaat eigenlijk niemendal representeerde. Toch is het eenige malen gelukt krachtens het weinig beduidende mandaat van de oude partij, Nieuwenhuis de rol te doen spelen van den woordvoerder eener radikale oppositie op de internationale congressen. Het slot is geweest de half droevige en half dwaze vertooning op het Londensche in 1896, toen de heeren Nieuwenhuis en Cornelissen met eenige afgevaardigden van vakvereenigingen de vergadering verlieten en niemand hen verzocht te blijven of hun heengaan betreurde: waar de eersten niets meer en de laatsten nog niets te zeggen hadden. Vliegen sprak, namens de S.D.A.P., twee jar geleden opgericht, een woord waarvan hij toen zeker niet den vollen historischen zin zelf gevoelde, zeggende dat de partij wel nog klein was, maar als een teeken van haar innerlijke kracht beschouwde dat zij zich niet grooter wenschte voor te doen. Inderdaad kan men zeggen dat toen voor het eerst de Hollandsche delegatie de bescheidene en haar toekomende plaats in het internationale verband heeft gevonden: een bewijs en een gevolg van de omstandigheid dat zij sterker was dan te voren.


VI

Om een persoon van beteekenis te kunnen worden, moest Domela Nieuwenhuis den indruk vestigen een partij van beteekenis te vertegenwoordigen - een partij die hij als met eigen handen had gemaakt. Doch hij werd door de omstandigheden nog verder gedreven. - Door lage persoonlijke eerzucht, zal men misschien zeggen. Doch wij zouden met dezen evenmin als met eenigen anderen individueelen karaktertrek te maken hebben gehad, indien er geene omstandigheden waren geweest die hun rang verleenden van historische motieven. Altijd bedient de geschiedenis zich van persoonlijke eigenschappen, maar nooit anders dan op hare wijze, n.l. zooverre zij bruikbaar zijn voor het doel dat de maatschappelijke gesteldheid voorschrijft en in het verband door haar gelegd. De omstandigheden die den leider van onze oude partij dreven, brachten hem er toe, van haar eene internationale oppositiepartij te maken. Wij zullen aanwijzen hoe het binnen- en buitenlands gesteld was dat dit denkbeeld kon opkomen en tot zekere hoogte worden verwezenlijkt.
Om buitenslands voor meer dan anderen te worden aangezien, moest Nieuwenhuis beginnen met anders dan anderen te zijn. - Hij vond, bij zijn optreden, een aantal min of meer goed georganiseerde en min of meer talrijke sociaaldemokratische partijen die zonderééne noemenswaardige uitzondering, ieder op haar bijzondere manier, de steeds meer algemeene strijdwijze van het moderne socialistische proletariaat in toepassing brachten. Welke de inwendige verdeeldheden mochten zijn, zij betroffen nergens de hoofdzaken van de taktiek, gericht op de verovering van de politieke macht; in konstitutioneele landen voor het oogenblik niet anders te bereiken dan door het aanwenden van demokratische instellingen, allereerst van het kiesrecht. Internationale kongressen, met al de groote bezwaren aan de uitvoering verbonden, zijn eerst mogelijk geworden toen op deze hoofdzaken de meeningen tot eenheid waren gekomen, en op den grondslag van het groote taktische beginsel een Internationale partij gezegd kon worden te bestaan. Vorige bijeenkomsten, die van de ouder Internationale, waren slechts konferentiën van een over verscheidene landen verstrooide sekte geweest. Op die van de zestiger jaren waren wenschen van personen vernomen, op die van de negentiger: eischen van maatschappelijk belang, indien niet op dien van een zelde taktiek? Welke nuttigheid zou voor den strijd verwacht kunnen worden, wanneer men het onderling niet ééns zou zijn geweest over de wijze om hem te voeren? Noch de mogelijkheid, noch zelfs de behoefte aan zoodanige bijeenkomsten zou zich hebben voorgedaan. Het zijn geen debatingsklubs van socialistisch gezinde frakties geweest, maar vergaderingen van afgevaardigden der overal met dezelfde middelen kampende arbeidersklassen.
Op de internationale kongressen na 1889 was deze eensgezindheid van het socialistische proletariaat duidelijk zichtbaar in de overweldigende en konstante meerderheid voor de parlementaire aktie. Haar principiee; uittesluiten - de eisch der anarchisten - is wel door geen enkele vertegenwoordigde organisatie verlangd of voorgesteld. Eene minderheid (b.v. sommige Fransche vakvereenigingen) mag aan het denkbeeld van Algemeene Werkstaking nog steeds groote waarde toekennen, of over de betrekkelijke waarde van den politieke strijd haar eigen gedachten hebben, men zal moeten toegeven dat eene anti-politieke minderheid - behalve natuurlijk eenige als vakvereenigingsmannen gekozen anarchisten - op geen enkel van deze kongressen te vinden was. Een andere uitdrukking van de eenheid der internationale taktiek zag men in den overwegenden invloed van hare meest besliste en bekende voorstanders. De mannen die ieder in hun eigen land de partij op dezen weg zijn voorgegaan, en onder wier leiding de overtuiging gevestigd is dat ze daarmêe op den goede weg was (somstijds na lang zoeken en jarenlange inwendige tweedracht), zij zijn het geworden naar wie deze vergaderingen het liefste luisteren en met het meeste respekt...
Eene oppositie, nu, in dit internationale verband te organiseeren, moet haar kritiek richten op de taktiek welke de grondslag is van het gemeenschappelijk overleg.
Eén ding is er dat de eenheid van het streven het volledigst uitdrukt; wie aannemelijk wil maken dat dit streven dringend herziening, behoeft, moet toonen dat die zaak verkeerd begrepen wordt. Een groep personen is er die als leiders het meeste vertrouwen genietenl beter dan dezen, moet hij toonen, zal hij de internationale sociaaldemokratie tot leidsman verstrekken. - Domela Nieuwenhuis, wiens houding reeds op het eerste kongres, dat van Parijs, in 1889, dubbelzinnig was geweest, trad in Brussel twee jaar later op en weer twee jaar later in Zürich, als het erkende hoofd van een trouwens kleine minderheid welke op haar meer gëavanceerde en eeniglijk zuivere revolutionnaire begrippen niet weinig zich liet voorstaan. Het kwam er op neer, volgens hem, dat de internationale taktiek in een volkomen onrevolutionnaire, kleinburgerlijk reformistische, parlementair-opportunistische politiek was verloopen; en zulks hoofdzakelijk op het voorbeeld en onder den boozen invloed van een handvol beroeps-parlementariërs, de internationale leiders, die binnen- en buitenslands de partijen terroriseerden en demoralitseerden, en wier eenige eerzucht bestond in de begeerte naar ambten en betrekkingen, te verdienen door de welwillendheid van regeerings-personen, enz.
En voor deze oppositie moest onze beweging het steunpunt zijn. De taktiek die Nieuwenhuis propageerde moest, om buitenslands aanbevolen te kunnen worden, binnenslands hare deugdelijkheid hebben getoond. De Hollandsche partij, derhalve, om haren leider in staat te stellen op de kongressen te verschijnen als gerechtigd een hoog woord te voeren in zaken van taktiek, moest zelve daar verschijnen als het levend voorbeeld van zijn taktische bevoegdheid. Het minste wat Nieuwenhuis van haar moest doen gelooven, was dat de door hem verdedigde beginselen, al mochten zij nog niet tot schitterende resultaten hebben geleid, toch het inzicht en den wil uitdrukten van een respektabele arbeidersbeweging. Wij hooren dan ook in dien tijd Domela Nieuwenhuis de ongeloofelijkste verzekeringen geven. In Nederland, moest men weten, stond de revolutie voor de deur. Althans stond een sterke socialistische partij gereed het uitsterste te wagen, en er was geen kleine kans dat zij winnen zou ook. De partij onder zijn onmiddellijk toezicht had het in dne korten tijd van haar bestaan (ongeveer 10 jaar) zoo ver gebracht - men mocht daar eens bij vergelijken de zooveel oudere Duitsche partij, die geheel versuft en verslapt was en niets meer begeerde dan een treurig staatssocialisme.
Hare ongevaarlijkheid was zelfs aan de Duitsche regeering gebleken, die daarom geen behoefte meer had gevoeld om de Socialistenwet te handhaven...
Twee elementen hebben samengewerkt om aan de oppositie van Nieuwenhuis, in zich zelve enkel nietswaardige vitterij en soode verdachtmaking, eenige praktische beteekenis te geven. Al wat de verschillende partijen nog aan anarchistische bestanddeelen bezaten; verder de anarchistische vertegenwoordigers van vakbonden; eindelijk twijfelachtige personen die elke herrie gaarne zien of persoonlijke grieven hadden (waaronder, misschien, gerechtvaardigde) tegen leiders van de meerderheid, voegden zich bij elkaar en waren bij machte min of meer langdurige en pijnlijke stoornissen in de werkzaamheden van drie der kongressen te weeg te brengen. - In de hand gewerkt is dit bondgenootschap eenige malen door afgevaardigden die, zelf van beginsel geen anarchist en persoonlijk te goeder trouw, in naam van vrijheid en verdraagzaamheid verlangden dat ook de anarchisten bevoegd verklaard zouden worden de vergaderingen als gedelegeerden bijtewonen. Sommige Engelsche trade-unionisten b.v., zelf verre van doordrongen van de eischen eener revolutionnaire of socialistische taktiek, hebben niet willen begrijpen dat het fundamenteele verschil alle wezenlijke samenwerking uitsluit; daargelaten nog, dat in alle landen waar zij eenige beteekenis hebben overgehouden, de anarchistische woordvoerders zeer weinig anders doen dan het bestrijden van dezelfde sociaaldemokraten met wie zij nu, als voorstanders van één beginsel, vreedzame beraadslaging wilden. Bijzonderheden van het gebeurde kunnen blijven rusten; men weet dat de anarchisten, na herhaalde afwijzingen, op het Parijsche kongres van 1900 geen verdere aanslagen hebben gepleegd. De overgroote meerderheid heeft steeds duidelijker gezien dat samenwerking met principieele tegenstanders een onmogelijkheid was; dat de verschijning van anarchisten op deze vergaderingen bovendien geen samenwerking bedoelde, maar een daad was van kwalijk bedekte vijandschap.
Het heeft intusschen eenige moeite gekost tot deze besliste houding tegenover de anarchisten op de internationale kongressen te geraken. De eenstemmigheid betreft nog slechts hoofdzaken, op bijzaken is allerlei wrijving van gedachten nog geenszins uitgesloten. Daarvoor is het verschil van de plaatselijke gesteldheden waaruit de onderscheidene partijen voorkomen, en waarnaar hunne taktiek is ingericht, inderdaad nog te groot. Voeg hierbij de onvermijdeljke spraakverwarring; de afwijkende gebruiken in de praktijk van het vergaderingsrecht; de moeilijkheden als gevolg van het gebrek aan tijd, waardoor grondige voorbereiding haast onmogelijk wordt, de neiging ontstaat iedere diskussie tot het allernoodigste haast onmogelijk wordt, d eneiging ontstaat iedere diskussie tot het allernoodigste te beperken, zoodat de vergadering soms van belangrijke mededeelingen en verklaringen verstoken blijft en ook het recht van alle deelnemers niet voldoende wordt gewaarborgd; eindelijk de zoo verklaarbare zucht van vertegenwoordigers eener achtergestelde klasse om althans in eigen kring zelfstandigheid en vrijheid te handhaven, op gevaar af van te vergeten dat wat wij in de vrijheid eeren slechts haar nutiig gebruik is - en men kan zich voorstellen dat een anarchistische oppositie, vooral eene, door niet-anarchisten aangevoerd, tijdelijk een indruk vermocht te maken ver boven hare wezenlijke beteekenis. De burgerlijke pers, bovendien, deed al wat zij kon om hare beteekenis te vergrooten en koos direkt partij voor de minderheid, met richtig instinkt volende waar voor haar in dezen strijd de vrienden en waar de vijanden stonden. Dat waren nu, schreef zij, de veelgeprezen voorstanders van vrijheid en recht! Het eerste wat hun internationale kongres deed, was het uitsluiten van allen die met de meerderheid waagden te verschillen. Ketterjacht, onverdraagzaamheid en tyrannie, fouten in hunne vervolgers gehekeld, doch onmiddellijk zelf begaan toen zij op hun beurt vervolgers konden worden. En wie waren de vervolgden? Immers geen andere dan eigen geestverwanten, die alleen met een grootere konsekwentie de beginselen wilden toepassen, voor welker verste strekking een naar het opportunisme afzakkende meerderheid terugdeinsde!... En Domela Nieuwenhuis, de meest in het oog vallende vertegenwoordiger van eene verongelijkte minderheid, verscheen in de burgerlijke bladen als de apostel van een vrijheidminnend en radikaler socialisme.
Doch van het arbeidersstandpunt was hij de frazenheld en de kwaadspreker, in wiens optreden alleen zekere ziekteverschijnselen van de beweging voelbaar waren en die roemloos van het tooneel verdween toen zij hadden uitgewerkt. Thans wordt dit jaar voor het eerst een kongres onzer nieuwe Internationale hier gehouden. De arbeiderspartij van Nederland, in het volle besef dat zij nog niet is geworden eene massale volksbeweging en in dien zin haar eigenlijke taak nog wachtende, zal een waardiger en aantrekkelijker schouwspel geven dan tevoren, toen zij in hare zwakheid en onnoozelheid moest doorgaan voor een wonder van revolutionnaire kracht! Wij hebben niet alleen een grooteren omvang dan vroeger, maar ook een inwendig gehalte dat de macht van de getallen vermenigvuldigt. Een van die betere eigenschappen is de zelfkennis, die ons nog ons schamen doet over de misgrepen van den vroegeren leider.


VII

De partij bij ons, toen zij Nieuwenhuis aan het door haar gegeven mandaat het recht zag ontleenen zich uit te geven voor den leider van den echt revolutionnairen geest, wilde wel zoo. Indien zij hem een positie had gegeven in welke hij het aan zijn eer verschuldigd rekende dat zij zoo luisterrijk mogelijk voor den dag kwam, vliede het omgekeerd hare ijdelheid toen zij hem zag maken wat ze moest houden voor een uitmuntend figuur. Haar Domela Niewenhuis, immers, was het die daar den verparlementeerden Duitschers, den verköopereerden Belgen enz., zoo ferm de waarheid zeide. De partij was gewoon uit zijn hand den beker te ontvangen waaraan zij, in de bittere en ontmoedigende werkelijkheid die haar omringde en die zij van hem niet geleerd had onder de oogen te zien, zich den roes dronk van de zelfverheffing. Aangezet was het bedwelmende vocht met een mengsel van personenhaat en verdenking; en het gaf haar geen vremmden bijsmaak toen hij er het gif van een averechtsch chauvinisme in druppelde. Van Domela Nieuwenhuis geloofde men alles; en bij de half dwaze, half duivelachtige hartstochten die hij wist te wekken, heeft voor een tijd behoord een felle haat tegen de buitenlandsche partijgenooten die hem met de meest beslistheid hadden afgewezen. Een vergadering in die dagen heeft ziedende van toorn hem aangehoord toen hij van den schrijver dezer bladzijden met den meesten ernst de mededeeling deed, dat dit partijlid, blijkens inlichtingen door een familielid van hem, Nieuwenhuis, verstrekt, in onze beweging de rol vervulde van een spion der Duitschers. En een andere vergadering, toen de naam van Bebel in een diskussie ter sprake kwam, heeft onder den invloed van zijn kampagne, het noemen van dien naam begroep met een fel gefluit!
Maar deze harstochten had evenmin als iemand anders Nieuwenhuis kunnen wekken, indien ze niet bij de massa aanwezig waren geweest of hadden gesluimerd.
Onder de omstandigheden die aan iemand als Nieuwenhuis de macht gaven, was hare achterlijkheid de voornaamste. Op eenige manier aan Nieuwenhuis te mishagen scheen voldoende grond voor zware beschuldigingen en nog zwaarder verdenking. Als zijne vijanden, moesten, wie hem weêrstand boden of met hem verschilden, door ieder goed socialist beschouwd worden als vijanden van de arbeiders; en er was geen reden waarom buitenlansche partijgenooten op dezen regel en uitzondering zouden maken. Behalve deze persoonsvereering die de groote meerderheid van zijne aanhangers ongezien partij deed trekken voor hun leider, was ook het beginsel dat hij scheen te verdedigen hun meer welgevallig.
Zij hadden, het is waar, tegen de anarchisten zich verklaard gedurende de jaren dat Niewenhuis strijd tegen hen voerde. Doch dit neemt niet weg, dat het anarchistische stelsel hun als taktiek ver van verkeerd scheen. Naast de kiesrechtbeweging had het gevoel dat men onder de hand, met of zonder kiesrecht, een spoedige en geweldadige revolutie tegemoet ging, zeer velen in hoogte mate bekoord. Op gemoederen in dien staat heeft de anarchistische leer gemakkelijk vat; en het dubbelzinnige in den aanvoerder, die tegelijertijd een theoretische sociaaldemokratie propageerde, en de bourgeoisie bedreigde mt de snelle wraak van een wanhopige menigte, heeft terwille van dit laatste bestanddeel geen aanstoot gegeven. Men was onder zijn leiding er aan gewend geworden zich sociaal-demokraat te noemen, voor den wettelijken acht-urendag en het algemeen stemrecht te manifesteeren - met den revolver in den zak(†) Dat Nieuwenhuis voor toelating van anarchisten op de internationale congressen pleitte; den geleidelijken-wegs-theorie bespottelijk maakte en hare voorstanders, de beroepspolitiekers, verdacht; uiterste maatregelen die de beslissing zouden verhaasten, als werkstaking in oorlogstijd of militaire dienstweigering, op het programma wilde plaatsen; dit alles viel geheel in den geest van zijne volgelingen thuis.
Kwam Nieuwenhuis terug en deed hij schriftelijk of mondeling verslag van zijn wedervaren, dan had hij in hunne oogen zich wederom te meer verdienstelijk gemaakt voor de goede zaak. Zoo was de misleiding wederkeerig en stijfde men het wanbegrip van twee kanten. Zoo behoeft het niemand te verwonderen dat de natuurlijke en onafgebroken vooruitgang van het proletariaat ditmaal zich niet voordeed als de ontwikkeling van betere inzichten bij de leden en van een waardiger opvatting bij de leiding van de partij - maar dat partij en leiding beiden moesten te gronde gaan eer van een organisatie op een hooger plan sprake kon zijn.
Hoe deze revolutie - de eenige welke onze revolutionnaire voorgangers hebben weten te bewerken - zich heeft toegedragen, is een verhaal dat buiten de grenzen valt aan dit artikel gesteld.

Hilversum, Mei 1904.


(†) OP een Groningsch industriedorp is mij onlangs meegedeeld dat de afdeling van den Sociaaldemokratischen Bond éénmaal 450 leden telde, waarvan meer dan de helft zich zesloopspistolen hadden aangeschaft. In deze streek heeft men van den winter eenige malen tevergeefs getracht te vergaderen voor de vakorganisatie.


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline