|
|
UIT DEN OERTIJD.
Als wij onze S.D.A.P. in een verloren oogenblik zoo eens rustig aanzien, met haar honderdtal afdeelingen, met haar stedelijke, districts- en gewestelijke federaties, met haar dagblad en vele weekbladen, met haar zeven kamer- en vele gemeenteraadsleden, met haar bezoldigen secretaris en propagandisten, met haar beduidenden invloed op de vakorganisatie en op het politieke leven, met haar öperatieve inrichtingen en haar eigen gebouwen - dan is het voor ons "ouwetjes" nauwelijks te gelooven, dat het pas tien jaren geleden is, dat wij in Amsterdam stonden met een goed dozijn "parlementairen" tegenover een overstelpende massa "revolutionnairen" en dat alléé te Utrecht iets te vinden was, dat op een sociaal-democratische beweging leek.
Hoe versch liggen nog in ons geheugen de tooneelen, afgespeeld in Constantia en bij Reens in de Nieuwstraat, gedurende de periode, liggende tusschen het verschijnen van De Nieuwe Tijd en de oprichting der S.D.A.P., de hevige twisten, die vaak in handtastelijkheden eindigden, de ruzievergaderingen, de beruchte Constantia-meeting, de smaad- en scheldwoorden en het hoongelach dat den pioniers onzer Partij aan alle kanten ten deel viel. Hoe zien wij nog vóór ons, alsof het gisteren was, de giftige gezichten en gebaren, waarmede wij begroet werden toen wij na de dwaze "Panama"-geschiedenis uit Groningen terugkwamen, waar het Congres had plaats gehad, dat de fameuse resolutie-Hoogezand-Sappemeer had aangenomen.
Enkele herinneringen uit die dagen, welke zoo ver-af schijnen en toch nog zoo kort geleden zijn, mogen hier een plaats vinden, tot stichting en vermaak der jongere partijgenooten, die deze woelige periode slechts bij overlevering kennen. |
* * * |
De Nieuwe Tijd was uit Sneek naar Amsterdam verhuisd - men schreef 1892 - en met het blad de Redactie. Kort te voren was ook Recht voor Allen naar de hoofdstad gekomen, eveneens van zijn Redactie vergezeld. Aan den eenen kant dus Troelstra en Van der Goes, aan den anderen Domela Nieuwenhuis en Cornelissen. De strijd tusschen de "revolutionnairen" en de "parlementairen", ook wel "mannen van den ge-lei-de-lij-ken weg" genoemd, totnogtoe in de beide bladen en in enkele debat-vergaderingen gevoerd, zou nu worden voortgezet in de afdeeling van den Sociaal-Democratischen Bond. Van der Goes was al een poos geleden uit den Bond geroyeerd, zoodat Troelstra het zaakje in de huishoudelijke vergaderingen alleen moest opknappen; De Levita, Loopuit en ik konden daarbij slechts de rol van schildknaap vervullen, jong en onbedreven in het politieke debat als wij waren.
Na vele en herhaalde schermutselingen zou eindelijk de beslissende slag geleverd worden: Troelstra zou zich hebben te verantwoorden wegens het ongehoorde feit dat hij niet alleen door zijn komst te Amsterdam het partijorgaan ongeoorloofde concurrentie aandeed, doch dat hij bovendien den partijpaus Domela en diens optreden in zijn blad openlijk dorst te critiseeren.
De groote zaal van Constantia was vol. Een onheilspellende stilte hing in de unheimische, sombere ruimte. De gewone huishoudelijke-vergaderings-formaliteiten werden vlug afgedaan en toen... toen stond Cornelissen op, bekom het tooneel, nam het potlood ter hand waarmede hij gewoon was zijn argumenten de zaal in te prikken, schudde zijn zwarte lokken even in bevallige wanorde, schoof zijn opengewerkte lavallière recht, zette zijn gezicht in den gebruikelijken let-'s-op-hoe-handig-en-slim-ik-ben-plooi, deed zijn gluur-oogjes glundertjes glinsteren en stak van wal, om de acte van beschuldiging tegen Troelstra en De Nieuwe Tijd voor te dragen. Toen hij met dat karreweitje onder luid applaus van de vrienden gereed gekomen was, werd zijn plaats ingenomen door Coltof, den onuitsprekelijken Coltof, den joodschen jodenhater, den smeder van eigen, en ontmaskeraar van anderer intriges, die over het "zakelijke" betoog van Cornelissen het gebruikelijke vuile moddersausje uitstortte, ten einde het gerecht voor de liefhebbers des te smakelijker te maken. Daarna kwam Domela zelf om de deur dicht te doen. De wijze waarop dit geschiedde (het recept is onveranderd gebleven tot op dezen dag) kan geacht worden bekend te zijn.
Eindelijk was het woord aan Troelstra, die zich tegen al het moois, in het midden gebracht door het edele driemanschap Domela-Coltof-Cornelissen, zoo goed mogelijk verweerde en ten slotte de situatie vergeleek bij die uit Schiller's treurspel "De Roovers". Domela was dan de oude heer Moor; Cornelissen was Frans Moor, de lief-doende, kruiperige, valschaardige zoon; hij-zelf, Troelstra, was Karl Moor, de eerlijke, oprechte zoon, die den vader dorst te weerstaan, doch hem oprechtelijk, zonder bijbedoelingen liefhad.
Dat gaf een tumult van belang. Er werd sterk geapplaudisseerd eener-, gefloten, gejouwd en geschreeuwd anderzijds. Midden in het kabaal sprong Cornelissen op het tooneel, waar Troelstra nog steeds stond, en begon tegen dezen uit te varen, zonder zich echter onder al de herrie verstaanbaar te kunnen maken. Onder deze scène was ook Domela op het tooneel gekomen en stond tusschen de beide combattanten te oreeren, doch werd evenmin gehoord, daar de aanwezigen zich middelerwijl in twee kampen hadden verdeeld, die elkander bekrijschten en op het punt stonden handgemeen te worden.
Te midden van dien chaos, toen het pandemonium op zijn hoogst was, weerklonk plotseling een fel-ratelende donderslag (men had door al het rumoer op het naderen van het onweer niet gelet). Het lawaai verstomde een oogenblik. Temidden van de stilte die er nu was, braken een paar ruiten in de lantaarn boven het tooneel, die neerkletterden achter de drie hoofdpersonen, op wie plotseling klaterende regenstroomen vielen. Donderslag op donderslag dreunde en daverde nu door de zaal, alle andere geluiden overstemmend; de regen plaste in dikke stralen op het tooneel en rommelde neer op het zinken dak. Het zaalrumoer van twistgeschreeuw stak ook weer op, werd feller en feller, totdat het eindelijk een onverdragelijk geloei werd. En in dien woesten geluiden-chaos verliep de vergadering, zonder dat was uitgemaakt wie nu eigenlijk Frans en wie Karl Moor was. |
* * * |
Er bestond in die dagen - misschien dat zij nog bestaat - een gemengde zangvereeniging, "Voorwaarts" geheeten. Op een goeden dag legde haar muzikale leider zijn functie neer en het bestuur slaagde er niet in, een plaatsvervanger te vinden; het was destijds zoo goed als onmogelijk een musicus te ontdekken, die zijn naam wilde verbinden aan een socialistische vereeniging. Repetitiën konden dus niet meer plaats hebben en dientengevolge dreigde de vereeniging totaal te verloopen. Ten einde raad kwam het bestuur mij vragen, of ik genegen was de leiding op mij te nemen. Ik had zulk een zaakje nooit bij de hand gehad en aarzelde dus wel eenigszins; doch de nood was aan den man en dus besloot ik het er maar op te wagen.
Geruimen tijd ging alles goed. De repetitiën vlotten best. Bij verschillende gezellige bijeenkomsten enz. werkte het koor onder mijn leiding mede en uiteindelijk gaf de vereenig een concert, bij welke gelegenheid mij een fraaie ebbenhouten, met zilver versierde dirigeerstok werd aangeboden, als blijk van waardeering voor mijn belanglooze diensten.
Ook deze idyllische verhouding zou echter wreedelijk verstoord worden door de gebeurtenissen die voorafgingen aan de scheiding der wegen. Dat sprak vanzelf. Want de meeste zangers en zangeressen "handhaafden de revolutionnaire tactiek", terwijl ik "den-ge-lei-de-lij-ken weg" bewandelde. De wijze waarop mijn muzikale loopbaan een einde nam, typeert echter uitstekend den geest, waarvan destijds de Socialistenbonders jegens de "parlementairen" vervuld waren. Het geschiedde volgenderwijs.
De afdeeling Amsterdam van den Sociaal-Democratischen Jongelingsbond zou in Constantia haar jaarfeest vieren. Als eerste nummer van het program zou Domela Nieuwenhuis een feestrede houden (het woord "causerie" was toen nog niet gangbaar), staande in een halven cirkel, gevormd door het koor. Zoodra hij geëindigd had, zou het koor dan het Vrijheidslied aanheffen; aldus zou er stemming komen in de zaal.
De avond van het feest was dààr en ik maakte mij thuis gereed om naar Constantia te gaan en mijn muzikale plichten te vervullen. Daar werd gescheld; mijn vrouw opende de deur en liet binnen een partijgenoot van zeer Domelistische kleur, vader van een meisje dat in mijn koor zond. Deze man, een vierkante, eerlijke kerel, kwam mij vertellen, dat het koor dienzelfden middag een geheime vergadering had gehouden, waarin besloten was, dat als Domela dien avond gesproken zou hebben en ik voor het koor zou staat om het Vrijheidslied te doen zingen, de voorzitter uit de rijen der zangers naar voren zou treden om mij te zeggen, dat men van mij niet meer gediend was en dat ik op staanden voet kon vertrekken. Mijn zegsman had dat van zijn dochter vernomen en daar hij vond dat ik van den kant der zangvereeniging zulk een schandalige behandeling niet had verdiend, kwam hij mij waarschuwen.
Inderhaast ingewonnen inlichtingen bevestigde 's mans mededeelingen. Er daar ik geen trek had voor het front der troepen te worden weggejaagd ad majorem Domelae gloriam, pakte ik gauw mijn mooien dirigeerstok in het étui, schreef een briefje aan het bestuur waarin ik zeer vormelijk bedankte voor het directeurschap en zond een en ander per kruier naar Constantia, waar geween en tandengeknars was omdat het mooie plannetje zoo jammerlijk was mislukt en men mij den voorgenomen "loer" niet had kunnen "draaien".
En zoo werd mijn muzikale carrière wreedelijk vernietigd en ben ik inplaats van een beroemd dirigent, een vakvereenigings-baantjesjager geworden.
Sic transit.... |
* * * |
De beruchte meeting in Constantia, waarmede de pas-gestichte S.D.A.P. "in het hol van den leeuw" haar opwachting zou maken binnen "Amstel's veste en trouwe burgerij", zal mij ook niet licht uit het geheugen gaan, al heb ik van de tooneelen die daar werden afgespeeld ook niets met eigen oogen gezien.
Fortuijn en ik waren belast met het innen der entrees. Zittende in het lokethokje merkten wij alras, dat, hoe de zaak ook mocht loopen, het financieele succes verzekerd zou zijn. De dubbeltjes stroomden binnen; er was haast geen bijhouden aan. Het aantal "werkeloozen", dat, naar gewoonte, vrijen toegang kwam vragen, was ditmaal bijzonder groot. Doch Fortuijn, die op dat gebied een fijnen neus heeft, toonde zich bijzonder sceptisch en wilde aan die plotseling-ingetreden werkeloosheid geen geloof hechten; allen moesten betalen, decreteerde hij; en wie geen dubbeltje had, moest het voor dien avond maar zonder meeting zien te stellen.
Het werd half negen en de zaal was berstensvol. Enkele nakomers moesten nog geholpen en het ontvangen geld voor de goede contrôle geteld worden. Fortuijn en ik bleven dus in ons loketje aan het werk. Intusschen was de vergadering aangevangen en al heel gauw begonnen onheilspellende geluiden tot ons door te dringen. Fortuijn, die, zooals gezegd, op dat gebied een fijnen neus heeft, zeide toen tot mij: "Weet je wat wij doen? Wij pakken dat zoodje maar gauw ongeteld in en brengen het als de bliksem bij mij thuis in veiligheid; want dat zaakie loopt hier nooit goed af en dan kun je nooit weten wat er gebeurt."
Dies pakten wij het zoodje in en sjouwden het naar Fortuijn's huis in de Nieuwe Leliestraat. Toen ik terug naar de Rozengracht. Constantia binnenkomen - daaraan viel niet te denken. Ik bleef dus voor de deur ronddrentelen. Weldra voegde Poutsma zich bij mij, die ook geen toegang tot de zaal had kunnen krijgen. Van enkelen die naar buiten kwamen vernamen wij, dat het binnen een "pan" was. Er hadden meer dan heftige debatten plaats, men had grievend-beleedigende dingen naar het hoofd dersprekers geslingerd, er was gevochten, er was met een mes gestoken enz. enz. Poutsma en ik probeerden de zaal binnen te komen, doch vruchteloos. Toen gingen wij weer op de Rozengracht dwalen, gereed om onzen vrienden hulp te bieden bij het verlaten van het gebouw. Hier en daar ontmoetten wij groepjes "revolutionnairen", die evenmin als wij binnen de zaal hadden kunnen komen. Een van die groepjes werd aangevoerd door iemand die thans tot onze beste partijgenooten behoort, doch die mij toen een pak slaag presenteerde, waarvoor ik echter beleefd bedankte. Even later stuitten wij op een ander soortgelijk groepje, dat blijkbaar geen heil zag in mondelinge aanbiedingen, doch op staanden voet den aanval begon. Poutsma en ik verweerden ons echter geducht, doch zouden niettemin het onderspit gedolven hebben, daar van alle kanten "revolutionnaire" hulptroepen opdaagden, als niet een detachement politie, met versnelden pas aanrukkende, aan het gevecht een einde had gemaakt.
Eenigszins ghavens zwierven wij toen nog een poosje rond en bemerkten daarop, dat onze mannen het gebouw reeds verlaten hadden (later bleek, dat dit door een achter-uitgang was geschied), waarop wij ons huiswaarts begaven, diep terneergeslagen en in de stellige overtuiging dat er in geen vijf-en-twintig jaren aan een sociaal-democratische beweging te denken zou zijn - althans niet in Amsterdam. |
* * * |
De eerste dagen van de Sociaal-Democratische Vereeniging (die na de stichting der S.D.A.P. haar afdeeling Amsterdam werd) zullen stellig nimmer uit de gedachten gaan van hen die tot haar actieve leden behoorden. Wij waren een klein groepje, een paar dozijn op zijn best; onze invloed en beteekenis waren beneden A.P.; de arbeiders namen weinig of geen nota van ons en de bourgeoisie nog minder. Toch voleden wij ons geen oogenblik terneergeslagen. In ons leefde het bewustzijn, dat wij de dragers waren van de vaan der Sociaal-Democratie, die door haar oorspronkelijke voerders verachtelijk was weggeworpen; en dat bewustzijn gaf ons blijmoedigheid, hoop en vertrouwen op de toekomst. Aan onze handen was het heilig teeken toevertrouwd - wij zouden het weten te verdedigen, hoog te houden, het weder te doen worden het door de groote massa der arbeiders geëerde ne geliefde symbool van de vrijheid, de menschelijkheid en het recht. Er was niemand onder ons die dááraan wanhoopte. Integendeel.
Wij beschouwden en behandelden elkander als boezemvrienden, als broeders; en wij aanvaardden man aan man, met groote vastberadenheid, den ongelijken strijd te midden van een bijna hopeloozen toestand. Het ideaal onzer wereldbeweging was het dat ons staande en den moed er onverflauwd in hield. En neit alleen het ideaal, doch ook de kennis.
Aanvankelijk kwam de S.D. Vereeniging bijeen in het Café Kos, op het Damrak. Daar gaf ik eerst een cursus van drie avonden over de economische beginselen der sociaal-democratie, daarna was Loopuit aan de beurt, die het historisch-materialisme en de voornaamste theoretische geschriften behandelde.
Na een pooske begonnen wij vaste Zaterdagavond-bijeenkomsten te houden in de bovenzaal van Café Schlüser, op den Amstel 184, - het gebouw waarin in 1895 de Alg. Ned. Diamantbewerkersbond zijn zetel vestigde. Er was gezorgd voor allerlei binnen- en buitenlandsche bladen, die druk gelezen en besproken werden. Zoo kwam en bleef men op de hoogte van hetgeen in het buitenland voorviel, van hetgeen onze partijgenooten over de grenzen deden en tot stand brachten, hoe zij werkten, streden en wonnen. Daaruit vooral putten wij kracht en moed voor eigen zwaren strijd. Debatavonden hadden geregeld plaats, lezingen en voordrachten werden gehouden en eindeljk waagden Loopuit en ik het, tezamen opnieuw de in het vroege voorjaar van '94 verdwenen Nieuwe Tijd in het leven terug te roepen, in den vorm van een klein weekblaadje, dat zich echter niet langer dan één kwartaal kon staande houden.
Zoo werd de kleine schare geoefend en gestaald voor den moeilijken kamp. En toend e S.D.A.P. in Augustus 1894 opgericht was, vond zij in de hoofdstad een vrij krachtige afdeeling, in staat de propaganda met vrucht ter hand te nemen. |
* * * |
Onze openbare vergaderingen waren aanvankelijk geen aangename gebeurtenissen. De "revolutionnairen" (de "vrijen" van thans) kwamen geregeld opzetten en verstoorden onze bijeenkomsten met eindelooze debatten, met geschreeuw, gejouw en kabaal. Ons aantal en dat onzer aanhangers was gering, zoodat wij, verreweg in de minderheid zijnde, het telkens moesten afleggen.
Doch langzamerhand groeide ons getal en werden onze aanhangers talrijker. Het keerpunt zou komen, en spoediger dan wij hadden gedacht. Het kwam in een vergadering, begin September 1896 in Plancius gehouden. Troelstra, Vliegen en ik zouden in het openbaar verslag doen van het Internationaal Socialistisch en Vakvereenigingcongres, eenige weken te voren te Londen gehouden, en dat wij (met Loopuit) hadden bijgewoond.
De zaal was stampvol. Fortuijn was voorzitter. Vliegen sprak het eerst. Toen hij gedaan had, gaf Fortuijn mij het woord. Ik stond op en wilde beginnen, toen Cornelissen debat vroeg op de rede van Vliegen. Fortuijn antwoordde, dat de drie te houden redevoeringen met elkander één geheel vormden en dat het debat zou plaats hebben nadat de drie sprekers het woord zouden hebben gevoerd.
Cornelissen bleef debat eischen, gesteund door eenige zijner kornuiten. Fortuijn bleef weigeren. Toen onstond een vervaarlijk kabaal, door de 'revolutionnairen" aangericht. Maar, o wonder, voor de eerste maal in onze geschiedenis werd dit kabaal overstemd door het geschreeuw dergenen die op ònze hand waren! Voor de eerste maal hadden wij in eene openbare vergadering de meerderheid!
Dat was onzen vriend den vijand te machtig. De hoogste troefkaart moest nu worden uitgespeeld. Domela Nieuwenhuis zelf klom midden in de zaal op een stoel. Zijn verschijning deed het rumoer verstommen. Hij begon te spreken. Doch ik, die nog steeds vóór op het podium stond, was vastbesloten dat ik zou spreken, of niemand. Nauwelijks weerklonken dan ook Domela's eerste woorden, of ik zette den grootsten keel op waarover ik kon beschikken en stootte er een reeks onsamenhangende volzinnen uit. Wat ik zeide, is mij nog steeds een raadsel. Mijn doel was niet iets te zeggen, doch Domela te beletten te spreken. En daar slaagde ik in. Domela zweeg overbluft. Toen zweeg ik ook en begon het lawaai opnieuw. Weer begon Domela iets te zeggen. Weer bulderde ik er tegen in. Weer zweeg Domela. Weer rumoer. Ten derde male probeert Domela te spreken. En toen gebeurde het onverwachte. Hij werd overstemd door een helsch gefluit, dat als op commando door honderden tegelijk werd aangeheven!
Dat was de klap op den vuurpijl. Niet alleen dat de "revolutionnairen" in de minderheid waren - maar dat Domela werd uitgefloten, hier te Amsterdam, dàt was te veel. Een bende "revolutionnaire" woestelingen stormde op het podium los. Een verwoed gevecht begon, doch werd onmiddellijk onderbroken door de komst van een detachement politie, door den zaalhouder ontboden. Commissaris Van Raalte ontbond de vergadering en binnen enkele minuten was de woedende menigte door de politie buiten de deur gebracht.
Van het verslag nopens de verhandelingen van het Congres was niet bijster veel terecht gekomen. Maar de vergadering was een moment van beteekenis. Zij was het keerpunt in de historie onzer Partij te Amsterdam. Van dat oogenblik af was het gedaan met de alleenheerschappij van Domela en zijn volgelingen en dateert het succesvolle optreden der Sociaal-Democratie te Amsterdam, waarvan wij nu bezig zijn de eerste vruchten te plukken. |
* * * |
Het eerste congres van den Sociaal-Democratischen Bond dat ik bijwoonde, was dat van 1891, op de Kerstdagen te Amsterdam gehouden. Het was het eerste dat in het openbaar gehouden werd. Ik was toen sinds eenige maanden secretaris der afd. Amsterdam van den Bond, die mij met J.W. GErhard en A. van der Heide tot afgevaardigden had gekozen.
Dat congres is voor ons van eenige beteekenis, omdat daar voor de eerste maal openlijk en vierkant werd front gemaakt tegen Domela Nieuwenhuis, en wel door Van der Goes. Er waren te voren wel mannen uit de partij getreden, als Croll en Van Raay, die felle geschriften tegen Domela hadden gepubliceerd; doch deze dingen waren immer van min of meer (in den regel meer persoonlijken aard. Bij Van der Goes was de persoon van Domela bijzaak; hoofdzaak was dat hij toen reeds waarnam het afzakken naar het anarchisme en daartegen onmiddellijk en krachtig opkwam. En was in die dagen bij Van der Goes het willen sterker dan het kunnen - des te kraniger en eerbiedwaardiger was de daad van den man, die het waagde op het oogenblik dat velen onzer beste mannen van heden nog verwoede Domela-fanatici waren, den handschoen op te nemen tegen den alvader, hem met open vizier aan te vallen in zijn eigen kamp, te midden van de keurbende zijner volgelingen.
Aan dat congres is voor mij menige curieuse herinnering verbonden.
Voor de eerstemaal zag ik daar Helsdingen, Vliegen, Bymholt, Van Zinderen Bakker, Cornelissen (toen nog bescheidenljk schuilend onder het pseudoniem "Clemens"), Van Emmenes en vele andere gros bonnets van dien tijd, naar wie ik, jeugdige broeder als ik was, met onverholen eerbied opzag en luisterde, zonder zelf ook maar één woord te durven kikken.
Dan het eerste spruitje van de sinds lang gezaaide kiem der ontbinding, hetwelk ik daar vlak naast mij bonven de aarde zag komen: het voorstel-Beverwijk, luidende: "De Revolutionnaire tactiek blijve gehandhaafd". Te Beverwijk bestond toen een afdeeling van den Bond, een paar man sterk, aan welker hoofd een vrouw stond, Mej. Schweitzer genaamd. Op het congres zat zij aan een tafeltje, dat rechts stond van de tafel ingenomen door de afgevaardigden der Afd. Amsterdam. Met eenige verbazing had ik de juffrouw, welker herkomst mij aanvankelijk onbekend was, gadegeslagen. Zij was den middelbaren leeftijd te boven, eenigszins tanig, was zeer ouderwetsch opgedirkt, droeg ontzettend-lange, bloedkoraal-met-gouden oorbellen, een zonderling zwart-zijden lijfje en verbazend-groote laarzen; heur haar glom sterk, hetgeen, te oordeelen naar den van haar uitstralenden geur, te danken moet zijn geweest aan een généreuse behandeling met cocosvet. Deze juffrouw, die uitstekend in een koffiekransje op haar plaats zou zijn geweest, bevond zich niet alleen op een socialistisch congres, doch bleek te zijn de afgevaardigde, die had aan te toonen, dat "de revolutionnaire tactiek moest blijven gehandhaafd". Hoe het goede mensch, waaraan niets revolutionnairs te merken was, aan zulk een rebellischen geest en zin gekomen is, mag Joost weten.
Waarin de "revolutionnaire tactiek" eigenlijk bstond, kwamen wij uit haar inleidende speech, die hoogst vijf en veertig seconden duurde, niet te weten.
Evenmin maakte zij ons duidelijk, dat die tactiek tot dien gevolgd was, doch nu dreigde op den achtergrond te geraken en daarom moest worden gehandhaafd. Erkend moet worden, dat degenen die na haar het woord voerden - allemaal kopstukken, meneer! - veel langer, veel theoretischer, veel schlagender dan zij, ons dat evenmin duidelijk maakten. Enfin, het voorstel werd aangenomen; de revolutionnaire tactiek bleef gehandhaads. En zij wordt dat nog steeds door de overblijfselen van de groote groep van toen, ondersteund door wat nieuwe recruten, wier aard en gehalte bekend zijn.
De hoofdschotel van den eersten dag van het Congres was echter de aanval van Van der Goes op Domela Nieuwenhuys. Ik zie het geval nog duidelijk vóór mij. Op het tooneel (het congres werd in "Constantia" gehouden) zaten de verslaggevers. Vóór het tooneel de bestuurstafel, waaraan gezeten: A. Rot (voorzitter), P.J. Penning, S.W. Coltof, Ph. Oudkerk, H.J. Scheulderman en Domela Nieuwenhuis. In de door de pilaren begrensde midden-ruimte de aan tafeltjes gezeten afgevaardigden; daaromheen en op de galerij, achter in de zaal, een talrijk publiek.
Het oogenblik was gekomen, dat Van der Goes, daartoe door den Centralen Raad uitgenoodigd, zijne beschuldigingen tegen Domela, in het bijzonder naar aanleiding van de wijze waarop deze Recht voor Allen redigeerde, in het openbaar zou uiten. Het was stil in de zaal. Van der Goes kwam, aller oogen op zich gericht - en de blikken waren grootendeels verre van vriendelijk - den middendoorgang tusschen de afgevaardigden doorgeloopen, gevolgd door mijn ouden vriend Elie Blog (toen nog "revolutionnair", doch later een der ijverigste leden van de jeugdige S.D.A.P.-afdeeling), die een reusachtige portefeuille torschte, gevuld met Goes' bewijsmateriaal. Dit formidabel meubelstuk werd van alle kanten met hoongelach begroet.
Van der Goes nam plaats vóór de bestuurstafel, legde zijn monsterachtig dossier op een daartoe aangedragen tafeltje en begon uit te pakken - in den letterlijken en den overdachtelijken zin des woords. Het laatste lukte hem echter niet al te best. Goes verstond destijds de kunst van pakkend te spreken nog maar zeer matigjes. Daarbij volgde hij de verkeerde methode van te beginnen met de voorlezing van allerlei lange stukken uit Recht voor Allen en andere kranten (hetgeen de verveling der toch al alles behalve gunstig voor hem gestemde vergadering gaande maakte) en reeg die aaneen door allerlei ontactisch-stekelige opmerkingen aan het adres van Domela (hetgeen in telkens stijgende mate haar worde opwekte). Het duurde dan ook geen tien minuten of het regende interrupties, niet het minst van Domela zelf, die toen al het interrompeeren een uitstekende debat-methode vond. Na een kwartier kon de voorzitter geen stilte meer krijgen en geen orde meer houden. Goes ging onverdroten en kloekmoedig voort. Na een half uur was het echter niet langer mogeljk vol te houden. De vergadering was dol. Er werd geraasd, getierd, gehuild. Te midden van het kabaal sprong Helsdingen op een stoel en schreeuwde in het daardoor ontstane stilte-moment Goes toe: "Kerel, als je in Frankrijk had gedaan wat je hier doet, had men je al lang de deur uitgesmeten!" Daverend applaus. De Voorzitter maakte van de gelegenheid handig gebruik en wist een oogenblik stilte te verkrijgen, waarvan weer een ander (wie het was, weet ik niet meer) handig gebruik maakte om voor te stellen, dat een commissie zou worden benoemd, om de door Van der Goes geuite grieven te onderzoeken; deze commissie zou bestaan uit twee door Goes en twee door Domela aan te wijzen personen, die tezamen een voorzitter zouden kiezen; zij zou dien zelfden avond haar taak volvoeren en den volgenden morgen haar conclusies aan het congres voorleggen. Een en ander werd door allen goedgekeurd.
Van der Goes keek het congres eens rond, om een keuze te doen; hij vertrouwde zijn zaak toe aan Jan Gerhard en aan mij. Domela wees als zijn vertegenwoordigers aan - o goeden! - Coltof en Van Emmenes!! Toen moest er een voorzitter worden gekozen. Er was onder alle afgevaardigden niet één die onze kan kon zijn en we legden ons er maar bij neer toen Van Emmenes voorstelde den toen piepjongen "Philolaos" (onzen tegenwoordigen partijgenoot Johan Visscher) de leiding op te dragen.
Goes formuleerde zijn beschuldigingen in een zestal punten, die hij ten overstaan der commissie in een contradictoir debat met Domela verdedigde. Daarna nam de commissie conclusie: op alle punten vond zij de beschuldigingen ongegrond, telkens met drie tegen twee stemmen!
Den volgenden morgen nam het congres kennis van de conclusies der commissie, die zonder boe of ba werden aanvaard.
Te voren was reeds door het congres met algemeene stemmen een "motie van verontwaardiging" tegen Van der Goes aangenomen, wegens diens schrijven in De Amsterdammer tegen het optreden van den Centralen Raad en contra de Friesche Volkspartij. En eenige maanden later werd hij, wegens schrijven in hetzelfde blad dat den partijgangers onwelgevallig was, na hevige en langdurige discussies, door de Afd. Amsterdam geroyeerd.
Zoo was het eerste treffen tusschen de naar het anarchisme zwenkende oude beweging en de in het allereerste stadium van opkomst verkeerende nieuwe, die de vaan der sociaal-democratie hoog en onbesmet zou houden. |
| H.P. |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
→ |
↑ |
|