|
|
| TIEN JAAR VOORBIJ. |
De hersens waren in vreemd web gevangen
toen hier haar vaan, klein als een stip, verscheen;
Velen lieten bedroefd de hoofden hangen,
een enk'le maar zag vol hoop tot jaar heen.
Zij sprak: "Dit is de weg, de lange, zware
naar het vèr doel: de een'ge. Wie heeft moed?"
Niet velen traden voor: twaalf mannen waren
de eersten, staande in haar kersrooden gloed.
Maar langzaam meer, vechtend zich vrij van logen,
van schijn, van slaafsheid, vonden 't pad tot haar.
Tien jaar voorbij - bij elk gebeur, hàar oogen
zoekt de vijand het eerst en hàar gebaar
"Wat kan ik doen," peinst hij, "haar kracht te nekken?
Heden dan gister sterker, morgen weer
sterker dan heden; ziet: haar vlammen lekken
en winnen ringson op de donkre sfeer."
Niets kunt ge. Als zaad zwelt, als watervloeden
rijzen, als het groen waas in lente spreidt,
zoo groeien wij, zoo stijgen wij; uw woeden
sluit ons niet en er is niets dat ons stuit.
Is dat geen heerlijk leven, kameraden,
Zuiverste vane na, die ooit nog heeft
op d'aard gewapperd, dappre wijze daden
begaan, menscheid tot heil, zoo lang men leeft?
Terwijl onze drom zwelt en die ons tergen
wijken, langzaam, een moe verdwaasd geslacht,
zien, dag bij dag, hoe van de heldre bergen
de schoone vrijheid nader lacht. |
| H.R.H. |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
→ |
↑ |
|