Nijmegen: deel 7
deel 1
deel 2
deel 3
deel 4
deel 5
deel 6
deel 8
deel 9


Inhoud
Start
In de buurt van Nijmegen - deel 7

   Op 't program voor den nieuwen dag staan twee namen: - een aan allen bekende: de Mookerheide, een voor velen zeker vreemde: de rune van St. Walrik. Wij willen beproeven, of heden de fortuin ons gunstiger zal zijn bij een bezoek aan "het slagveld". Als wij de wandeling derwaarts over Heumen doen, komen wij de rune voorbij. Voor regen, als bij onzen eersten tocht, hebben wij niet te vreezen. Helder straalt de zon aan den wolkenloozen hemel, maar 't is ook een "felle straler van omhoog". 't Zal een echte zomerdag worden! Gelukkig waait een frissche oostenwind; 't zou anders warm genoeg zijn in de barre heide. En 't is ons juist om die heide te doen, om de heide die wij liefhebben. En wie met ons die liefde deelen, vinden bij Wijchen nog wel gelegenheid tot overvloedig genot.
   Overal in den omtrek is het groote, hooggelegen Franciscaner klooster te zien. Derwaarts gaan wij in de eerste plaats. Drie wegen voeren er heen. Aanvankelijk houden wij den straatweg naar Nijmegen, 't kasteel voorbij, de veemarkt langs. 't Is een breede heirbaan, voor een wandelaar weinig aantrekkelijk. Straks slaan wij dan ook een binnenweg in. 't Blijkt al spoedig, dat ook deze niet veel meer belooft, al loopt hij ook ten deele langs ruwe hoogten. 't Is een onbelangrijk, karakterloos laantje van jong, schraal geboomte. Maar terzijde wendt een wild zandspoor tusschen twee ruigbegroeide heuvels zich af. Dat ziet er beter uit! Aan den anderen kant der heuvelreeks buigt zich het spoor in de goede richting. Hier is 't heerlijk landschap. Daar breidt aan de eene zijde de vruchtbare vlakte zich uit, met Wijchens kasteelsbosch en torens, met hofsteden en boschjes; een panorama vol rijkdom en afwisseling, met dennen en akkermaalshout op den voorgrond en bemoste rieten daken in het volle groen. Aan de andere zijde de zandige hoogten, wild met brem en heidestruiken bewassen, vaak zoo schoon van lijk en kleur. Gemakkelijk is de weg niet door het rulle zand, maar 't berouwt ons geen oogenblik, dien op goed geluk te hebben gekozen.
   Vr ons ligt het klooster, met zijn langen, hoogen tuinmuur, half verborgen achter de dennen, als aan den voet van een met naaldhout begroeiden heuvel. Misschien leidt daar wel een pad naar den zijweg op Heumen, maar, onbekend met het oord, wagen wij ons liever in de boschwildernis niet. Langs den kloostermuur bereiken wij den grooten straatweg weder, waar op een kruispunt, behalve het kolossale kloostergebouw, eenige huizen staan. Daar begint de fraiide grintweg, dien wij nu verder volgen moeten, tusschen dennen en akkermaalsboschjes en heuvels, afgewisseld door open plekken, waar het oog naar den kant van Nijmegen over een ruime vlakte met enkele huisjes weidt. Een van die doorzichten vooral heeft een eigenaardige bekoorlijkheid. Aan de eene zijde een hoog dennenbosch, waarlangs een zandspoor loopt, aan de andere een reeks groene hoogten, uitloopend in het veld. Daar tusschen een zonnig dal, met uitzicht op verre, blauwende heuvelen, en niet ver van den weg een stille plas vol waterlelies, van biezen omzoomd, half wegschuilend in het welig hakhout, dat het omringt. 't Verrast ons niet, dit "Ven" hier te vinden; wij wisten, dat het hier lag en hadden er reeds naar uitgezien. Gelukkig was er wat hout gekapt, anders had het ons licht kunnen ontgaan. De verlichting is op dit uur van den dag, vooral bij den strakken blauwen hemel, niet gunstig, maar op een avondstond moet het hier een uitnemend liefelijk landschap zijn.
   Iets verder noodigt een oude steenen koepel, even uitkomend tusschen het boomgewas op den bergrand, derwaarts op te klimmen, in de verwachting dat het uitzicht er wijd en schoon zal zijn. Het loont dan ook ruim de geringe moeite van een kleinen zwerftocht door het boschje en het stijgen langs een zonnig pad.
   Een jachtopziener, dien wij er ontmoeten, wijst ons eenige torens aan; die van Grave, Over- en neder-Asselt, aan de andere zijde dien van Hees noemde hij ons - die van Wijchen kennen wij, en het hooge kloostergebouw rijst niet ver van ons op - 't Is een prachtig vergezicht.
   Wij zien, dat er in den omtrek nog vrij wat heide wordt gevonden, al blijkt er ook veel allengs ontgonnen. Tot het leen van den Leler, behoorde o.a. ook "het heigraafschap in het kerspel van Wijchen". Buurmeesters van Wijchen hadden in 1745 van de Staten van Gelderland toestemming verzocht, "om eenige morgens heide ten nutte der ingezetenen tot bouwland te maken, te graven, bepoten, verpachten en uit te doen". Hiertegen kwam de toenmalige eigenaresse van het kasteel de douairire van Scherpenzeel, in verzet, bewerende, dat van oudsher het recht om consent te geven tot het zetten van huisjes en schuren op de gemeene heide tegen een geringen recognitie, aan het heigraafschap was verbonden en dat ook wanneer de Ed. Mog. eenige heide aan particulieren uitgaven om te bepoten of te cultiveeren, den heigraaf uit zulk vergund land een jaarlijksche tins van Haar Ed. Mog. werd toegelegd. Zij verzocht dus, ingeval van toestemming, ten behoeve van haar, suppliante, een zekeren tins van hoenderen of geld te constitueeren. Dit verzoek werd afgewezen op verschillende gronden, m.i. niet allen van evenveel waarde. Daaronder is ook deze, dat nog onlangs, in 1739, door de Staten een groot deel dier heide aan het gasthuis te Nijmegen was afgestaan. - Dit is het terrein aan de andere zijde van den grintweg, nog het eigendom dier stichting. - Bij de stukken in het provinciaal archief over deze procedure, berust een voor de geschiedenis van den Leler niet onbelangrijk, maar alleronhebbelijkst ongeteekend advies, vol hatelijkheden tegen de requestrante, dat, naar wij ook om de wille van den steller hopen, maar in portefeuille gebleven is.
   Dat zij zich meer aanmatigde dan haar toekwam, schijnt echter wel aan te nemen,
   De vroolijke grintweg, waarop wij ten slotte terugkeeren, blijft ons bij zooland wij nog op Wijchens grondgebied zijn. Het einde er van bereiken wij niet ver van een klein herbergje in de schaduw eener linde - wederom een prachtexemplaar! - wier nobele geuren het windje reeds van verre tot ons overbracht. De grijze bewoner van het huis heeft haar voor bijna zestig jaar op den dag zijner eerste H. Communie geplant en heeft haar zien opwassen tot een heerlijk sieraad van het eenzaam oord, waar hij zelf heeft gewoond al de dagen zijns levens, behalve den tijd toen hij voor zijn vaderland de wapens droeg. Na de warme wandeling en in 't vooruitzicht van een tamelijk zwaren tocht, is een poos rustens onder het verkwikkend lommer niet onwelkom.
   't Gaat nu de wildernis in, langs een rullen zandweg met diepe sporen. Enkele koren- en boekweitakkers herinneren nog aan de bewoonde wereld, maar telkens eenzamer en woester wordt de landstreek. Ruige donkerbruine heide en glimmend groene bremstruiken bedekken de kanten der heuvels, in afwisseling met het blinkend witte zand, scherp door de zon verlicht. Vaak steken kale toppen op, niet zelden zijn de golvende hoogten met hakhout of dennen begroeid. Een enkel huisje met wonderschoon groen bemost stroodak verhoogt den rijkdom van kleur in dit ernstige landschap, zoo machtig aangrijpend in zijn verlatenheid. Ten laatste zien wij weer een menschelijke woning, een levensteeken op een plek, woester nog dan wat achter ons ligt. Wilder en breeder zijn er nog de zandsporen, hooger en ruiger begroeid zijn nog de norsche heuvelen; langs een steilen wal, waarboven een dennenbosch oprijst, loopt een woeste zandweg zijwaarts af. - En zie, daar ontwaren wij op eens, tot onze groote verrassing, tegen dien wal een paar jonge dames in vroolijke zomertoiletjes en de fietsen er naast. Waar wij ook gedacht hadden dames te ontmoeten, zeker niet hier, en waar wij ook het overal tegenwoordige stalen ros hadden verwacht, hier stellig niet, waar de voetgangers niet dan met de moeite de zandwoestijn doorwaadt!

Ruïne der kapel van St. Walrik.
Ruïne der kapel van St. Walrik.

   Wat wij daarentegen wl hadden verwacht te zien, waar wij reeds eenigen tijd vruchteloos naar hadden rondgezien, de rune der St. Walriks kapel, hadden wij nog niet gevonden. Toch zijn wij er vlak bij. Daar steekt op een wat open plek een verweerd muurbrok boven het struikgewas uit. 't Ligt wat terzijde van den weg en 't zou niet onmogelijk zijn, dat iemand er voorbijging, zonder het op te merken. Een smal pad door 't akkermaalshout voert er heen. 't Was lang een veelbezochte bedevaartsplaats voor lijders door koorts geplaagd. Hier en daar zien wij aan de takken een stukje band, een lapje goed, van een kleedingstuk gescheurd. Zoo werd de koorts in de struiken gebannen.
   De rune beteekent niet veel meer. Bij het nog gespaarde muurbrok, blijkbaar de Oostgevel, waartegen het altaar stond, sluiten zich lage muurtjes, overblijfselen der zijwanden, aan. De voorzijde is geheel open. Daar binnen groeit gras en wat struikgewas, ook met de eigenaardige lapjes bestrikt. Een onderstuk van een zuil is uitgehold, met een spleet voorzien en met een ijzeren beugel gesloten. Dit is het offerblok, waarin de gaven geworpen worden - of werden althans. Men zegt, dat het getal bedevaartgangers niet groot meer is. In de nabijheid van den bouwval is het land ontgonnen. Wij vinden er roggevelden en boekweitakkers.
   De streek waar wij ons bevinden, was reeds sedert vele eeuwen een bewoonde en bebouwde plek gronds. Hier woonde (naar 't verhaal uit den volksmond opgeteekend, of uit een dichterlijk brein ontsproten?) in 727 een hoofdman der woeste Hoemannen (mannen uit Heumen), wiens eenige dochter leed aan ongeneeslijke koorts. Op aanwijzing van een monnik zocht en vond hij heul bij den geloofsprediker Willebrord. Zijn rooversbedrijf moest hij evenwel laten varen, terwijl hij en zijn genezen dochter werden gedoopt. De verbitterde makkers vermoordden beiden en verbrandden het huis. Op de plek waar het stond werd een kruis geplant en vele koortslijders werden er genezen door de voorspraak van den H. Willebrord en de beide martelaren. Ook Karel de Groote, die in 777 op zijn nieuw gestichten burcht te Nijmegen vertoefde, vond er hulp voor zijn krankheid en stichtte er uit dankbaarheid een kapel ter eere van den H. Willebrord.
   De nuchtere geschiedenis weet van deze dingen niet. Wat er van bekend is, rechtvaardigt geenszins het gevoelen van sommigen, dat deze kapel - die trouwens zeker niet "Karolingisch" is - eigenlijk St. Wilbert heet, omdat St. Willebrord tegen de koorts werd aangeroepen. Zonder twijfel is de naam St. Walrik.
   Zekere Folker schonk in 855 eenige goederen, o.a. "te Aud-assele in het eiland der Batavieren" aan de abdij te Werden. Waarschijnlijk op dezen grond werd later, wanneer is onbekend, het Benedictijner prioraat van den H. Walericus gesticht. Dit klooster is uit de abdij te Werden gesproten, maar sedert werd het aan de abij St. Valery in Picardi onderworpen. Graaf Gerard van Gelder verleende in 1130 zekere vrijheden "den dorpe Sinte Wallericks, die geheten is Assel, die gelegen is bij der Mase in den bisdom van Colln." Graaf Reinoud van Gelder verklaarde in 1304, dat de mannen, behoorende tot de abdij "Sancti Ualarici", in 't bizonder die "van den hof te Assele", in zijn gebied veilig en vrij van dienst en schatting zouden zijn. Hertog Willem bevestigde deze vrijheden in 1395 en sprak van "den hoven van Sint Wallerick, tot Overassel gelegen". In een stuk van hertog Karel d.d. 5 Oct. 1493, van dezelfde strekking, wordt gesproken van "de kapel met den hof te Overasselt, toebehoorende aan de abdij St. Walrick in Frankrijk".
   Volgens een verklaring, in 1389 afgelegd door Johannes van Hattem, zoon van wijlen hertog Reinoud van Gelder, was hij, monnik in het klooster van St. Valaricus aan de zee, in de diocese van Amiens, voor zijn leven aangesteld tot bestuurder en rector van den aan dat klooster behoorenden hof in Overassel, in het bisdom Keulen. Hij belooft, geene goederen tot dien hof behoorende te zullen vervreemden, noch te dulden, dat die vervreemd worden, en te zorgen, dat bij zijn dood alles onverkort in het bezit van het klooster terugkeere.
   In 1440 trok de prior van St. Walrik uit den monnikenhof te Overasselt jaarlijks 50 schilden, 16 hoenders, 4 malder 3 spint weit, 3 malder 3 schepel haver. In 1550 werd de hof door den prior verpacht. De prioraatsgoederen werden in 1561 aan den bisschop van Roermond ten behoeve zijner tafel toegekend, echter zonder gevolg, eerst waarschijnlijk door tegenwerking van het Convent, later door den invloed der Staten. De prior bleef in 't bezit. Later kwam het goed in handen van particulieren en werd in deze eeuw bij testament aan de algemeene armen van Overasselt vermaakt.
   In deze niet zeer samenhangende en niet altijd even duidelijke berichten wordt dus gesproken van een hof en van een kapel, wier geschiedenis reeds tot overoude tijden opklimt. Hoe lang de kapel reeds in puin ligt, is mij niet gebleken en of er in den grond nog oud muurwerk is verborgen, is mij onbekend.
   Waren wij zoo even verrast door het gezicht van een paar wielrijdende dames in dit verlaten en onherbergzaam oord, een nieuwe verrassing, die de eerste verklaart, wacht ons, wanneer wij niet ver van de rune op eens een grintweg ontwaren, waardoor ons zandspoor gesneden wordt. Hij loopt van Nijmegen over Hatert naar Overasselt. Het eenzame huisje, dat ginds met zijn dak boven het houtgewas uitkomt, staat met zijn front aan dien weg. Z ontoegankelijk voor het wiel als wij dachten, is dus de bouwval niet. Maar gelijk niets ons in zijn nabijheid een berijdbaren weg kon doen vermoeden, zoo zou de herinnering daaraan wel haast zijn uitgewischt, wanneer wij onzen tocht langs den zandweg voortzetten. Het landschap blijft even woest met zijn kale of schraalbegroeide hoogten, maar 't behoudt ook zijn strenge schoonheid van hooge bremstruiken, forsche heideplanten, donkere dennengroepen en frische groene akkermaalsboschjes. Een paar huisjes met kleine ontginningen spreken van bescheiden pogingen om de wildernis te bedwingen, en nu en dan openen zich vergezichten op verre, golvende heuvelen aan de eene zijde en op bebouwde vlakten met het torentje van Overasselt aan den anderen kant. En van een der dorre, vrij hooge belten, links op eenigen afstand van den weg, - 't mag wel de op de kaarten aangewezen "groote Donderberg" zijn - weidt het oog over een uitgetrekt vergezicht, verlevendigd door eenige waterplassen in de bruine heide, blinkend in den gloed der namiddagzon.
   Straks verandert de landstreek geheel van voorkomen. De zandweg gaat in een grintweg over. De heide is vervangen door een ruime wlbebouwde vlakte, met korenvelden, hofsteden, molens, krachtige loofboomen - alles vroolijk en vriendelijk, in scherpte tegenstelling met de maagdelijke natuur. Maar het belangwekkende deel van den tocht ligt achter ons. Wij zijn weer in de beschaafde wereld, wier schoonheid en liefdelijkheid oog en hart weldadig aandoet. En toch, wat herelijkheid wordt het stille, plechtige heidelandschap openbaar, aan wie haar pozij kan verstaan.
   Te Heumen zijn wij op bekend terrein. 't Ziet er alles nu toch ander uit, nu wij het ien in den zomerzonneschijn. Niet onaangenaam is 't ons ook, dat wij in de dorpsherberg gelegenheid vinden, na de vermoeide wandeling de krachten te vernieuwen met een eenvoudig, maar goed toebereid maal. De fraaie weg naar het station, met het opwekkende gezicht op de rivier, de uiterwaarden, de spoorwegbrug, de dorpstorens en heuvels, verschijnt ons heden ook in veel vriendelijker licht, dan op den somberen, regenachtigen avond en wij hebben nog tijd genoeg, om op te klimmen naar de Mooksche hoogten en een bezoek te brengen aan de oude schansen, wier ruigbewassen zijden zich wel niet hoog, maar toch duidelijk kenbaar boven de heide verheffen.
   't Gezicht van die hoogte is treffend schoon, ook al is 't heden wat nevelig, zooals na een heeten dag niet zelden 't geval is. 't Is een rijke, bloeiende vlakte, uren ver zich uitbreidend, met tal van torens, hofsteden en huizen, akkers en weiden, boschjes en lanen, op den voorgrond de spoorbaan, het station, de spoorwegbrug en de Maas, die hier voorbijstroomt, in kloeke bochten zich Westwaarts afbuigend, langen tijd met het oog te volgen in haar loop door het heerlijke landschap. Nog schooner zou het zijn, wanneer de dalende zon, nu omfloersd, haar wonderbaren tooverglans over dat alles uitgoot, maar ook zooals het thans voor ons ligt gaat er een machtige bekoorlijkheid van uit. 't Is alles stil, vol van vrede.
   Verstoren die oude schansen, ginds op de heide, dien vrede? Brengen zij in herinnering den bloedigen, noodlottigen strijd op dien jammervollen Aprildag van het jaar 1574 hier gestreden? Reeds voor meer dan honderd jaar lagen zij hier, als met de heide samengegroeid en was het vergeten, wanneer en door wie ze waren opgeworpen. Maar is 't waarschijnlijk, dat zij in eenig verband hebben gestaan met dien welbekenden slag bij Mook? Herinneren wij ons, wat toen is geschied.
   Graaf Lodewijk van Nassau, vergezeld van zijn broeder Hendrik en van Christoffel van de Paltz, zou met een aangeworven leger van Duitsche huurbenden beproeven, zich te vereenigen met prins Willem van Oranje, die door de Betuwe optrok. Na een vruchtelooze poging om Maastricht te verrassen en de rivier over te trekken, was hij langs den rechteroever den 13den April tot Mook genaderd. Een Spaansch leger, onder bevel van den wakkeren d'Avila, was hem aan de overzijde der rivier gevolgd. Over een schipbrug, bij Grave geslagen, was het met snelle marschen opgerukt en, inmiddels nog versterkt, plaatste zich tegenover graaf Lodewijk, aan deze zijde van Mook, dat in der haast met een wal en een gracht was versterkt. Daar, in de enge vlakte tusschen de Maas en de heuvels, werd grootendeels het lot van Lodewijks troepen beslist. De wal werd herhaaldelijk bestormd, genomen, hernomen, ten slotte werd het dorp vermeesterd, het leger des graven verslagen. Het meerendeel der Duitsche soldaten weigerde te vechten, indien zij niet onmiddellijk betaling ontvingen. Vergeefs vermaande en bad graaf Lodewijk hen, hun plicht te doen. Toen reden hij met zijn karibiniers langs de helling en over de hoogte op de Spaansche ruiters in, die, even als de zijnen, nog geen deel aan den slag hadden genomen. Bij den eersten aanval werden de haakschutters van Maarten Schenk uiteen geslagen. Wat vluchten kon, vlood over de rivier en bracht te Grave en elders de mare, dat de Geuzen overwonnen hadden. Maar de kans keerde. De Spaansche lansiers hielden stand. De karabiniers, genoodzaakt tot terugkeeren, om hun karabijnen weer te laden, werden op hun beurt krachtig aangevallen, reddeloos geslagen. In wilde vlucht, door het zegepralende leger rusteloos vervolgd, in de rivier gejaagd, in moerassen en poelen gesmoord, in huizen verbrand, op het veld doodgeslagen, was Lodewijks leger vernietigd. Van de aanvoerders zijn nooit de lijken gevonden. Dagen lang bleef prins Willem onkundig van den dood zijner broeders. Er zijn nog aandoenlijke brieven van hem bewaard aan zijn veelgeliefden Lodewijk, die ze nooit zou ontvangen. Lang hield het gerucht stand, dat zij gewond en gevangen waren, maar nooit heeft iemand iets meer van hen gehoord. Waar en wanneer en hoe zij vielen bleef een onopgelost raadsel.
   Vermoedelijk maakte het gedeelte der heide, waar de schansen liggen, geen deel van het slagveld uit. In de uitvoerige verhalen, door de oude geschiedschrijvers omtrent den slag geboekt, wordt er niet van gesproken. Een rol van eenige beteekenis hebben zij zeker niet gespeeld. Zijn zij uit dien tijd afkomstig, dan zijn 't in elk geval waarschijnlijk Spaansche versterkingen. Maar zij zien er niet uit als in der haast opgeworpen veldwerken en verkeeren nog wel in wat al t goeden staat, om steun te geven aan het gevoelen, dat reeds 325 jaren van verlatenheid en verwaarloozing er over heen gingen. Intusschen, de mogelijkheid dat zij getuigen zijn geweest van de droevige gebeurtenissen op dien 14den April zou ik niet duren ontkennen. [1]
   Met den spoortrein tijden te Nijmegen teruggekeerd, rest ons nog een heerlijke avond, doorgebracht te Lent, met het welbekende prachtige gezicht op de rivier en de stad. 't Is een liefelijk besluit van een warmen, vermoeienden, maar aan indrukken rijken dag.

[1= Herinnerd worde hier, dat de Mookerheide zich destijds veel verder uitstrekte. Dirk van der Voord verhaalt, dat hij in 1581 bij Malden "op Moockerhey" gevangen werd genomen in een ruitergevecht. Ja de heide begon zelfs reeds bij St. Anna, op 20 minuten van Nijmegen.]


webdesign & copyright
© 2001-2003 Eveline