|
|
De theorie van het schaatsenrijden.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Juni 1889 - 9e jaargang |
Gelijk men weet, maakt het ijs onder vele bekende zelfstandigheden, een merkwaardige uitzondering; in zooverre n.l. zijn volume bij het smelten niet vergroot, maar kleiner wordt, waardoor het ook komt, dat ijs op het water drijft. Smeltend ijs heeft dus geen mechanischen arbeid ter overwinning van de luchtdrukking ten koste van de toegevoerde warmte te verrichten. Deze eigenaardigheid van het ijs heeft tengevolge, dat zijn smeltpunt bij een toename der uitwendige drukking niet zooals dat van andere lichamen een verhooging, maar een verlaging moet ondergaan, die de natuurkundigen Thomson en Clausius voor elke atmosfeer drukking op 1/144 graad Celsius hebben berekend. Denkt men zich nu een met de tegenwoordig algemeen in gebruik zijnde Halifax-schaatsen toegerusten rijder, zich voortbewegende over het spiegelgladde ijs, dan is het gemakkelijk te begrijpen, dat in dit geval de drukking op de vlakte-eenheid van het hem dragende ijs buitengewoon groot moet zijn;
want hetgepolijste, gebogen staal rust slechts met een uiterst klein gedeelte op de gladde oppervlakte van het ijs en moet op deze wijze in zijn allernaaste omgeving tot op een zekere, trouwens zeer geringe diepte, de smelting van het ijs bewerken. Verder naar onderen toe is de drukking niet meer in staat een verlaging van het smeltpunt te veroorzaken. Stelt men nu met den engelschen natuurkundige Joly het gedeelte van het shcattsenijzer, dat in aanraking komt mte het ijs, op niet grooter dan 1/50 vierkanten duim en het gemiddeld gewicht van den rijder op 140 pond, dan bedraagt de drukking op den vierkanten duim niet minder dan 7000 pond. Deze drukking is evenwel voldoende om het smeltpunt tot op -3,5º C. te verlagen; d.w.z. ijs, welks temperatuur een weinig onder 0º C. ligt, in water veranderen. De schaatsenrijder snelt dus niet onmiddellijk over het ijs voort, maar tusschen dit en het gladde staal bevindt zich voortdurend een zeer dun laagje water, dat alleen het snelle rijden mogelijk maakt en na het ophouden dier drukking oogenblikkelijk weder tot ijs wordt.
Doch nog een ander verschijnsel wordt door de vernuftige opvatiing van Joly verklaard. Het is nl. algemeen bekend, dat bij zeer koud ijs het rijden aanmerkelijk moeielijker wordt. Volgens de zienswijze van de meeste menschen, die de gladheid van het ijs als de eenige oorzaak houden, waardoor men er op voort kan glijden, zou men onder deze omstandigheden juist een nog sneller voortijlen op de "gevleugelde voeten" mogen verwachten.
Dit nu is niet het geval. De verklaring van het tegenovergestelde feit ligt, in verband met het bovenstaande, voor de hand. De drukking toch is in dit geval niet meer voldoende om het ijs in genoegzame mate te doen smelten. Schaatsen met zeer smalle en vooral holle ijzers zullen alsdan beter aan het doel beantwoorden dan andere soorten, daar zij de drukking op de vlakte-eenheid verhoogen. Aan den anderen kant is het bekend, dat zelfs tamelijk ruw en hobbelig ijs nog te berijden is, hetgeen onmogelijk zou zijn, als de vergelijking met een gepolijste glasplaat of iets dergelijks juist ware. Het is integendeel zeker, dat men met schaatsen op zulke zelfstandigheden niets hoegenaamd kan uitrichten en dat zij zelfs stremmend werken, zoodra de oppervlakte van het glas maar een weinig oneffen is. Sints Klopstock en Goethe het schaatsenrijden verheerlijkten, heeft de halve wereld zich aan deze sport overgegeven, zonder zich ook maar eenigszins om de natuurkundige zijde der zaak het hoofd te breken. Dat de verklaring hiervan uit een nieuwe zienswijze omtrent het wezen der warmte zou volgen, heeft vroeger zeker wel niemand vermoed, en dit bewijst wederom voor de zooveelste maal de juistheid van het bekende spreekwoord: "les extrêmes se touchent." |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
↑ |
|