Onweders [3]


← overzicht
Inhoud
Start
Iets over den oorsprong der onweders [3].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Oktober 1889 - 9e jaargang


   Het gevoelen van Colladon wordt in hoofdzaak gedeeld door Faye; zij verschillen alleen omtrent den aard der eerste oorzaken, die de boven de wolken drijvende ijsnaalden doen afdalen en de ondereenmenging tot stand brengen, waarvan boven gesproken is. Volgens Faye kan het verschijnsel niet plaats hebben dan door een enkele en altijd dezelfde oorzaak, die hij meent te vinden in een draaiende beweging der lucht in welker middelpunt een hoos wordt gevormd, waardoor een zuiging wordt uitgeoefend van boven naar beneden. Hij beweert zelfs, dat er geen onweerswolk zich vormt zonder deze dwarrelende luchtbeweging om een vertikale as. Wel een overdreven gevolgtrekking, waarmede wellicht die natuurkundigen niet zullen instemmen, welke bergachtige streken bewonen en in de gelegenheid zijn een menigte plaatselijke onweders waar te nemen, waarbij geen cyclonische beweging in de atmosfeer bespeurd kan worden.
   Gelijk wij gezien hebben, is de heer Colladon niet zoo exclusief in zijn beweringen. Faye had voor de zijne steun gezocht bij de verschijnselen, die in het water zich voordoen; de draaikloken nl. die men niet zelden aan de oppervlakte der rivieren waarneemt, vertoonen altijd een nederwaartsche beweging. Daarentegen heeft de heer Colladon in de academiezittingen van 28 Maart en 18 April 1887 aangetoond, dat die draaiende beweging in vloeistoffen volgens dezelfde wetten plaats heeft als de draaikolken in de lucht en het aanzijn geeft aan opstijgende en afdalende hoozen.
   Deze theoretische beschouwingen zullen blijken voldoende te zijn om op geleidelijke en natuurlijke wijze de volgende twee meteorologische phenomenen te verklaren: 1°. De plotselijke vernieuwing der elektrische spanning ondanks de aanhoudende ontladingen, die er plaats hebben of door opeenvolgende bliksems en donderslagen of op onzichtbare wijze tengevolge der goede geleidbaarheid van de onderste vochtige luchtmassa. 2°. De vorming van hagel, die niet zelden met het onweer samengaat, vooral in de maanden Juli en Augustus, wanneer de wolken het maximum van dichtheid en hoogte bereiken.
   Men weet tot heden niet, hoe de elektrische spanning zich verdeelt, aan de oppervlakte of in het binnenste der wolken; waarschijnlijk wisselt de manier waarop deze elektrisch worden, af volgens den graad van condensatie en de talrijke modificaties, die haar inwendige toestand ondergaat. Als genoegzaam zeker wordt aangenomen, dat sommige wolken van aanzienlijke dichtheid als conductoren kunnen dienst doen. Deze danken waarschijnlijk haar vorming aan milliarden kleine middelpunten, die ieder afzonderlijk elektrisch worden, maar op een gegeven oogenblik, tegelijk bijna al hun elektriciteit afstaan. Somtijds kan men waarnemen, dat groote onweerswolken zich niet in een oogenblik geheel ontladen; in haar massa, die oogenschijnlijk een aaneengesloten geheel vormt, bespeurt men dan in plaats van een bliksemstraal over het geheel, een snelle opvolging van gedeeltelijke ontladingen, die de eigenaardige vormen van vertakkingen vertoonen, welke zoo menigwerf bij hevige onweders worden waargenomen. Sommige dezer bliksemvormen blijven een geruimen tijd aanhouden; er zijn er, waarvan men de richting der beweging kan onderscheiden, die bijgevolg verre van instantaneel zijn. Met behulp der fotografie heeft men ontdekt, dat eenige de gedaante hebben van een omgekeerde boomstam, waaruit verscheidene zijtakken voortspruiten, die naar de aarde gericht, zich uitspreiden in de verschillende deelen der onweerswolk.
   Den 6den Augustus 1885 werd door Colladon een ander ontzettend onweder waargenomen. Er had gedurende den dag een drukkende warmte geheerscht; op het observatorium te Genève teekende de hermometer 28°9. 's Morgens was er een uiterst zwakke wind te bespeuren uit het N.-Noord-oosten, maar van den middag tot den avond was de dampkring volmaakt rustig en helder over het geheele meer Leman en zijne vallei. Om 6 uur vertoonde zich aan den zuidwestelijken gezichteinder een dichte, lange en smalle wolk, aschgrauw van kleur, die als een zware zuil het zenith voorbij trok. Zij scheen een groep vederwolken voor zich uit te drijven en werd van weerszijden vergezeld van een dergelijken stoet, die zich gaandeweg verbreedde.
   Na een half uur werd de lange wolk donker en het net der cirri in haar gevolg had zich over den geheelen zichtbaren hemel boven de vallei uitgespreid; toch bleef het onderste gedeelte des dampkrings rustig en begon pas te 8 uur des avonds bewogen te worden. Het binnenste dezer centrale wolk was sterk wratvorming en had alle aanzien van een groote elektrische spanning te bezitten. Tusschen 6 uur en 7 uur 30 min. breidden de zijden dezer wolk zich snel uit, zoodat zij aan den eenen kant reikten tot de kammen der Jura, aan den anderen tot de bergen, die het dal omzoomen, nl. de Salève, de Môle en de Voirons. Een krachtige stroom van warme lucht met waterdamp verzadigd kwam op een niet nauwkeurig te schatten hoogte uit het Zuidwesten drijven door het midden of de hoogere deelen des dampkrings. Bij zijn afkoeling werd de overmaat van waterdamp omgevormd in een groep vederwolken en tevens een ander gedeelte in een dichte wolk, sterk met elektriciteit geladen. Dit alles had plaats zonder dat de volkomen rust der onderste dampkringslagen werd gestoord. Na 8 uur 30 min. had de lucht een onweerzwanger aanzien. Talrijke zwarte wolkenmassa's vertoonden zich als vaneengescheurd en onder zeer verschillende bewegingen, hoewel zij alle gehoorzaamden aan een algemeene kracht, die hen langzaam van het Zuidwesten naar het Noordoosten voerde. Omstreeks 9 uur begonnen de wolken uiteen te wijken en maakten een gedeelte der cirrusgroep zichtbaar, die zich daar boven bevond; deze vederwolken fosforesceerden en hadden het voorkomen alsof zij door het helderste maanlicht werden beschenen.
   Aan den noordwestelijken horizon boven de Juraketen was de hemel bedekt met een dichten sluier van zware wolken, die de bliksem in een fellen gloed plaatste. Hetzelfde verschijnsel bood de berg Salève aan en daarachter doorkliefden ontelbare bliksemstralen de lucht. Een langwerpige zwarte wolk van den Dôle tot den Salève trekkend, dus juist in de richting der magnetische polen, was van alle zijden omzoomd met een breede lichtende strook; te 9 uur 15 min. bemerkte men eensklaps aan het naar de Jura gekeerde gedeelte der wolk een lichtende kern, waaruit in de richting van het Zuidwesten twee of drie sterk fosforesceerende stralen schoten; dat phenomeen hield twintig minuten aan en was intensief genoeg om door talrijke waarnemers te worden opgemerkt. Van af 9 uur 30 min. tot 11 uur was het zuidwestelijk deel van den berg Salève in een sterk fosforesceerende atmosfeer gehuld, die een zuivere afscheiding vormde met den aangrenzenden gezichteinder.
   Men spreekt van eenige zeldzame gevallen, dat boomen, die rijk aan hars zijn, tijdens een onweder lichtgevend worden; de groote afstand liet in dit geval niet toe te onderscheiden of genoemde lichtschemering ook voortkwam van de dennenboschjes, die de helling van den Salève bedekken, dan of ze aan de geheele oppervlakte des bergs moest toegekend worden.
   De heer Simonis van Londen heeft een schrijven medegedeeld van den heer Gartside Fippinge, gedateerd uit de omstreken van Shrewburry, een stad op eenigen afstand ten zuiden van Liverpool gelegen. Hierin bericht hij:
   "Verleden Donderdag 6 Augustus (1885) tusschen 9 uur 30 min. en 10 uur 30 min. 's avonds ben ik getuige geweest van de grootste ontwikkeling van elektriciteit, die ik ooit gezien heb; mijn dochter en ik zagen tweemaal zeer duidelijk geheele golven van elektrisch vuur uit den grond opstijgen naar de wolken. Een ander vershcijnsel, dat mij niet minder zonderling voorkwam, was een sterk licht, dat meermalen van den vort eens kleinen heuves uitging en zich tot den top uitstrekte, dien het in een schitterende aureool hulde. Het uitermate gevig onweder sloot ons van twee kanten in; ten Zuidoosten nl. en in de richting van het Zuidwesten. Verrassender schouwspel bood de bliksem mij nooit te voren aan.
   Een samentreffen van krachtige elektriciteitswerkingen, waargenomen op hetzelfde uur van een zelfden dag op een afstand van 1000 KM., was voor den heer Colladon een merkwaardig feit.
   Op de meteorologische lijsten, die te Zurich dagelijks worden uitgegeven, ziet men onder datum 5 en 6 Augustus, dat er in den loop van den tweeden over westelijk Europa een algeheele verandering van atmosferisch evenwicht heeft plaats gehad. de hooge barometerstand, die sinds 20 Juli over geheel Engeland onafgebroken had geheerscht, week plotseling voor warme luchtstroomingen, die met waterdamp beladen uit het Zuidwesten kwamen.
   Colladon eindigt zijn merkwaardig verslag met een terugblik op de waarnemingen betrekkelijk de temperatuur van hagelkorrels door Boussingault in 1875 gedurende een hevig onweder gedaan en medegedeeld aan de "Académie des Sciences." Deze geleerde bevond de temperatuur der korrels - 13° en bij een onweder in Elzas was de hoogste temperatuur van den hagel -3°, terwijl die der lucht vóór het onweer 27° bedroeg.
   Lang bleef het vraagstuk onopgelost, vanwaar de aanzienlijke verlaging der temperatuur voorkomt, die tot de hagelvorming wordt vereischt. Met de boven medegedeelde gegevens ligt een geleidelijke en natuurlijke verklaring van den oorsprong dier koude voor de hand.
   Neemt men de menging van nevelwolken met de ijsnaalden uit hoogere luchtstreken aan als onmisbare voorwaarde ter ontwikkeling van luchtelektriciteit op de wijze in dit opstel aangegeven, dan moet men ook besluiten, dat hagelvorming een schier onafscheidelijk gevolg is van ieder onweder. Dit gevolg zelf is op zijn beurt als feit een versterking der boven ontwikkelde theorie, in zooverre het haar meerdere waarschijnlijkheid bijzet. Met ijver en zorg voortgezette waarnemingen zullen op dit punt der meteorologische wetenschap nog veel licht kunnen verspreiden.

Febr. '89. J. V. H.


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline