Onweders [1]


← overzicht
Inhoud
Start
Iets over den oorsprong der onweders [1].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Augustus 1889 - 9e jaargang


   Een onweder is voor den mensch altijd een aanleiding tot ontsteltenis geweest en dat te meer naarmate hij minder de oorzaken en werking dier vreeselijke natuurkracht kende. De ouden zagen er meestal een onmiddellijke werking der goden in en noemden Jupiter den dondergod, die om zijn wraak uit te oefenen den bliksem naar de aarde slingerde. In den berg Etna was de groote werkplaats, waar de god Vulkaan met zijne cyklopen de bliksems smeedde, en wanneer de donder rommelde, gold het als een signaal, dat de vader van goden en menschen een wandelrit hield door den Olymp.
   In gewichtige omstandigheden kon het niet uitblijven of de donder moest zich doen hooren; bij alle aangelegenheden van het openbaar en privaat leven moest hij tusschenbeide komen. De geboorte van helden en vorsten, van philosofen en beruchte booswichten werd gekenmerkt door een donderslag, omdat zij er van vergezeld ging, al was het dan ook 3 dagen te voren of er na. Jupiter had bliksems in voorraad voor alle eventualiteiten, voor blijde en droevige, tegenwoordige, toekomende en verledene hield hij er gereed.
   De wiggelaars, geslepen hovelingen van beroep, vonden in elken donderslag een geschikte gelegenheid om het enthusiasme van het volk aan te vuren.
   Het is bekend, dat boven Velleski, de vaderstad van Augustus, bij diens geboorte een onweder losbarstte, dat gretig werd in verband gebracht met zijn toekomstige grootheid. Toen Cesar stierf, weerklonk de donder rondom het kapitool, en men orakelde na Brutus' vlucht, dat de hemel zijn verbolgenheid daardoor openbaarde. Plechtig was het oogenblik van Augustus' verscheiden; hij zou niet meer het geluk van het romeinsche volk kunnen uitmaken. Jupiter deed, volgens de bezoldigde waarzeggers van het keizerrijk, nogmaals zijn deelneming blijken. Hij wilde het volk niet van zijn leidsman berooven zonder een vurigen bode te zenden; een ontzettende bliksemstraal viel op het kapitool en wischte in een opschrift de eerste letter uit van den naam des vorsten.
   Tot aan den dood van Claudius, de keizer, die nochtans zooveel moeite had om zich belachelijk aan te stellen, was er geen gelegenheid, die men niet ten nutte maakte om er een of anderen kenschetsenden donderslag mede in verband te brengen. Het hemelvuur trof het standbeeld van Drusus, den eersten echtgenoot van Agrippina, die beste der vorstinnen en een toonbeeld van huwelijkstrouw. De waarzeggers hadden waarschijnlijk meer inspanning noodig dan gewoonlijk om elkander zonder lachen aan te zien en toch verklaarden zij op het gezag der Sybillijnsche boeken. dat het een gunstig voorteeken was, waardoor Nero als de toekomstige lieveling van het menschelijk geslacht werd aangewezen.
   De wijsgeeren der oudheid matten hun diepdenkend brein meermalen af om die belachelijke bijgeloovigheden te doen ophouden en van het geheimzinnig verschijnsel een natuurlijke verklaring te geven.
   Plutarchus verhaalt, dat Anaxagoras den donder toeschreef aan de vonken, die van de sterren vielen; Anaximander, kwam reeds een stap verder, daar hij de oorzaak van het luchtverschijnsel stelde in ontploffingen binnen de wolken. Epicurus schijnt met zulke vage verklaring geen vrede te hebben genomen en meende de oplossing van het raadsel te vinden in den schok tusschen twee wolken. De onsterfelijke Stagyriet, de diepzinnigste denker wellicht, die er ooit geleefd heeft. Aristoteles nam aan, dat onze dampkring was omgeven door een eindeloos vuur, terwijl ook de aarde zelve een vuur in zich sloot, dat somwijlen bij vulkanische uitbarstingen te voorschijn kwam. Deze twee elementen trachten steeds de hen scheidende kuchtlaag, onzen dampkring te doorboren, waarbij zij zich vereenigen onder de bekende verschijnselen, die schrik en ontsteltenis brengen over de aardbewoners en niet zelden hun persoon, hun beztiingen of omgeving ten gronde richten. Onzinnig kan men deze opvatting niet noemen; zij steunde gedeeltelijk op de waarneming van het centrale aardvuur en was daardoor bevrijd van een menigte a-prioristische postulaten, waartoe de ouden bij gebrek aan empirische gronden zoo lichtelijk hun toevlucht namen. Geen wonder, dat deze hypothese het fundament werd van vele latere onderstellingen, die met allerlei nuancen zich staande hielden tot na de middeleeuwen, toen de tijd was aangebroken, dat de elektriciteit en haar werkingen meer de aandacht en studie trokken der geleerden. Weldra kende men de onderscheiding in twee soorten, die met den naam van glas- en harselektriciteit of ook van positieve en negatieve werden bestempeld.
   Peltier trachtte het onweder te verklaren door de aarde en den dampkring te beschouwen als twee reservoirs van de tegengestelde electriciteiten, die bij sterke spanning meer en meer tot elkander naderden en in de nabijheid der aardoppervlakte zich onder de bekende onweerverschijnselen neutraliseerden. Anderen beproefden een bevredigende verklaring te geven met behulp van slechts een enkel reservoir, waarbij dan de aarde of de lucht, naar gelang men het algemeen magazijn boven of beneden plaatste, door invloed elektrisch zoude worden.
   Pouillet zocht den oorsprong der luchtelektriciteit in verdampingsverschijnselen, welk gevoelen hij trachtte stevigheid bij te zetten door proefnemingen in het klein. Hij liet zouthoudend water in een platinaschaal verdampen en vond den damp beladen met positieve, de schaal en het onderstel met negatieve electriciteit. Door deze uitkomsten geleid, schreef genoemde geleerde de luchtelektriciteit toe aan het verdampen van 't zeewater. Bij zijn proeven schijnt hij te veel op één punt de aandacht te hebben gevestigd en daardoor te voorbarig tot deze gevolgtrekking te zijn overgegaan. De ontwijkende waterdamp immers kan niet opstijgen zonder wrijving te veroorzaken tegen de omringende lucht en andere moleculen van zijn eigene zelfstandigheid.
   Wrijving nu id een der beste middelen om elektriciteit op te wekken en mag dus bij de studie dezer verschijnselen niet buiten rekening worden gelaten. Armstrong heeft zelfs een elektriseer-machine uitgevonden, welker werking berust op de wrijving, die waterdamp bij uitstrooming door nauwe openingen tegen de wanden uitoefent.
   Om in staat te zijn zich boven louter gissingen te verheffen ten opzichte van den oorsprong der elektriciteit in de wolken, moet men voor alles zich goed op de hoogte stellen van den toestand des dampkrings, zoo dikwijls er vorming van onweder plaats vindt. Hiertoe dient men zorgvuldig de aandacht te vestigen op twee punten, vooreerst de daling der temperatuur in hoogere dampkringsgewesten, vervolgens de physische gesteldheid der hoog drijvende wolken. Dank de herhaalde opstijgingen met den luchtbol door tal van geleerden en bijzonder door Glaisher volbracht, beschikken we tegenwoordig over menigvuldige gegevens tetn antwoord op de eerste vraag. Genoemde geleerde heeft een tabel weten samen te stellen, die de gemiddelde daling van den warmtegraad aangeeft op een hoogte van 1000, 2000, 3000 zelfs tot 4000 meter.
   Deze tafels raadplegen vindt men, dat bij de felste zomerwarmte de temperatuur van ijs begint tusschen 3000 en 4000 M. hoogte.
   "Tijdens de warmste zomermaanden bevindt zich het isothermisch vlak van 0° gemiddeld tusschen 3000 en 4000 M. boven het zeeoppervlak."
   Door toevallige omstandigheden kan die sneeuwgrens tot op ongeeer 2000 M. dalen. In 't algemmen verheft zich genoemde grens in den loop van den morgen en wel sneller naar den middag toe; na den middag daalt zij integendeel, hetgeen toeneemt met het naderen van den avond. Dat schommelen der sneeuwgrens kan binnen 2 uren afwisselen tusschen 2000 M. verschil in hoogte.
   Het is van bijzonder belang de wijze te kennen, waarop de daling der temperatuur op onweersdagen plaats heeft en wel zooveel mogelijk op het oogenblik zelf van de opkomst des onweders.
   Omtrent dit punt zijn nog niet veel waarnemingen voorhanden. Den 30sten April 1863 te 6u na den middag, deed Glaisher een opstijging, terwijl in den morgen van dien dag te 8u een onweder had plaats gehad. Wel bereikte hij niet het isothermisch vlak van 0°, maar vond toch reeds op 2300 M. de temperatuur slechts 1°C. Bij geen enkele der 6 andere opstijgingen, in Augustus en 't begin van September volbracht, heeft men op die hoogte zulk een lage temperatuur waargenomen.
   In de empirische wetenschappen, vooral op het gebied van meteorologie, zijn de waarnemingen van een enkelen geleerde maar zelden voldoende, en de degelijke natuurvorscher bouwt daarop zijn stellingen niet. De ervaring, zal zij kracht van bewijsgrond hebben, moet tot een groot aantal gevallen worden uitgestrekt onder afwisseling van omstandigheden beschouwd. Laten we derhalve zien of de resultaten door Glaisher verkregen, overeenstemmen met die van andere natuurkundigen. Tot dat einde zijn doot Dr. Sohncke te Jena voor een paar jaren de uitkomsten verzameld, die verschillende luchtreizigers van hun opstijgingen medebrachten. Het aantal daarvan is voldoende om de juiste ligging der sneeuwgrens te bepalen; hij heeft een tabel opgemaakt, die de resultaten bevat van 23 opstijgingen in verschillende jaargetijden door 8 waarnemers volvoerd. De helft dier luchttochten had plaats in den zomer. Wij zullen eenige daarvan eenigszens nader beschrijven.
   Flammarion steeg op ten jare 1868 in den nacht van 14 op 15 Juli, gedurende welkem een onweder losbrak; te 4u 26m trof hij op 2400 M. een temperatuur van 0° aan. Onder alle opstijgingen in den zomer ondernomen, was er maar een enkele waarbij men die isotherme op nog geriger hoogte vond.
   Welsh ondernam een luchtvaart in den namiddag van den 17den Augustus 1852, twee uren vóór een onweder; om 5 uur bevond zich de temperatuur van smeltend ijs op 3500 M., maar due stand der sneeuwgrens daalde snel. In geen andere luchtreis constateerde Welsh een zoo spoedig toenemende daling van den warmtegraad naarmate hij hooger opsteeg in den dampkring.
   Kämtz heeft uit het sterk lichtbrekend vermogen der lucht ten tijde van onweder de gevolgtrekking afgeleid, dat een snel toenemende daling van den warmtegraad in de hoogere luchtlagen vooral in den zomer, een vereischte is ter vorming van onweders.
   Om nauwkeurige gegevens dienaangaande te verkrijgen, heeft Dr. Sohncke meteorologische waarnemingen gedaan en het temperatuurverschil opgeteekend tusschen Freiburg in Breisgau en een punt in het Schwartzwald, dat 719 M. hooger ligt. Van de 17 waarnemingen, die hij aldus verrichtte in de jaren 1880 en 1881, was slechts in drie gevallen dat verschil beneden het gemiddelde voor denzelfden tijd des jaars; bij alle andere waarnemingen was het grooter.
   Hierin ligt wel een bewijs, dat meestal ten minste, de nadering van onweder gekenmerkt wordt door een snelle afname der luchttemperatuur van beneden naar boven en als onmiddellijk gevolg laat zich ook de geringe hoogte der sneeuwgrens hieruit afleiden.
   In de tweede plaats is het zaak de gesteldheid der hoog drijvende wolken te onderzoeken, voornamelijk wanneer er onweer in de lucht is. Het spreekt van zelf, dat de wolken, die boven de sneeuwgrens zweven, over 't algemeen uit ijskristalletjes bestaan. Over 't algemeen, want er kunnen zich gevallen voordoen, dat in die hoogere gewesten wolken worden gevormd van vloeibaar water, dat in den toestand van oversmelting verkeert. Het aanzicht dezer beide wolkensoorten is overigens zeer onderscheiden; de eerste duidt men gewoonlijk aan met den naam van vederwolken, de andere met die van stapelwolken. Observaties op den grond en in den luchtbol gedaan, hebben er toe geleid om de hoogte van het afscheidingsvlak dezer twee wolkenvormen op 4000 M. te stellen in den zomer; wat zeer wel overeenstemt met hetgeen boven is gezegd omtrent de ligging der isotherme van 0°.
   Het is geen zeldzaam verschijnsel, dat er bij de volbrachte opstijgingen gedurende dit jaargetijde wolken van ijsnaalden zijn ontmoet: Glaisher overkwam zulks den 26den Juni 1863 tusschen 3300 en 4200 M. boven den spiegel der zee; Tonville trof ze aan den 4den Juli 1850 op 3450 M., Barrel en Bixio den 27sten Juli 1875 tusschen 4000 en 6300 M., terwijl Welsh den 17den Augustus 1850 ze op een hoogte van 5900 M. waarnam.
   Niet altijd is het eveb gemakkelijk de dampwolken van de ijswolken te onderscheiden, wanneer men ze van af de aardoppervlakte beschouwt; in veel gevallen nochthans heeft en in het onderzoek van den halo om zon of maan een observatiemiddel, dat moeilijk kan falen. Dit phenomeen bestaat in een witten kring om genoemde hemellichamen, die tot stand komt door de breking van het licht bij zijn doorgang door in de atmosfeer zwevende stoffen. De groote kringen van ongeveer 22° middellijn worden voortgebracht door de straalbreking in de ijskristallen. (De hoek van 22° is die der geringste afwijking voor straling van middelbare breekbaarheid bij ijsprisma's waarvan de brekende hoek 60° is.)
   De kransen daarenteen, een soort van kleine halo's met 1° à 6° middellijn, ontleenen hun oorsprong aan de afwijking van het licht dat door vloeistofbolletjes heengaat.
   Dergelijke luchtverschijnselen zijn minder zeldzaam dan men algemeen denkt: Galle is in de gelegenheid geweest binnen de tijdruimte van 1½ jaar 78 halo's waar te nemen, waarvan de meeste midden in den zomer voorkwamen. In het afgeloopen jaar zijn er in Frankrijk vier geobserveerd, die merkwaardig genoeg waren om door L. Figuier in zijn "Année Scientifique" vermeld te worden.
(Slot volgt).


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline
→