|
|
De lichtende nachtwolken [1].
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Oktober 1888 - 94e jaargang |
Als vriend der meteorologie steeds veel opmerkzaamheid schenkende aan de vershillende verschijnselen in den dampkring en, als waarnemer der onweders voor het Kon. Met. Inst. te Utrecht, meer bepaaldelijk een studie makende van de vorming en het voorkomen der wolken, trekt alles, wat op het gebied der meteorologische wetenschap in verschillende bladen en tijdschriften geschreven wordt, steeds in de allereerste plats mijn aandacht. Geen wonder dan ook, dat ik met veel belangstelling kennis maakte met het artikel over de "Zilveren of lichtende nachtwolken" van C. Falkenhorst, voorkomende in een der Juni-afleveringen dezes jaars van de "Gartenlaube". Het gold hier n.l. een verschijnsel, dat buiten den kring der geleerden aan zeer weinig personen bekend is, ofschoon het, evenals zulks met mij het geval was, ongetwijfeld door velen, ook hier te lande, menigmaal zal zijn waargenomen, zonder dat men zich bewust was een hoogst opmerkelijk, in vele opzichten nog raadselachtig verschijnsel voor oogen te hebben.
Na lezing van bovengemeld artikel en later nog van een stukje over het verschijnsel in de "III. Zeitung" richtte ik elken avond na zonsondergang mijn vorschenden blik naar den noordelijken hemel en was op den stormachtigen avond van den 10den Juli inderdaad zoo gelukkig de lichtende wolken in al haren glans te aanschouwen. Daar ik wist, dat prof. Jesse, sterrenkunduge te Steglitz bij Berlijn, een speciale studie van het verschijnsel maakte, zond ik het bericht mijner waarneming onverwijld aan dezen geleerde. Eenige weken later ontving ik van dezen een door hem geschreven verhandeling over het zoo hoogst mrkwaardige verschijnsel, die wegens de vele belangrijke bijzonderheden en beschouwingen, een plaats in dit tijdschrift wel waard is.
Hieronder geef ik den inhoud in zijn geheel weder.
"De laatste jaren kenmerken zich door zeer ongewone verschijnselen in onzen dampkring, die de opmerkzaamheid der natuuronderzoekers geheel en al in beslag nemen. In augustus 1883 begonnen in de ropische gewesten, in onmiddellijk verband met de hevige uitbarsting van den Krakatau [Krakatau] de prachtige, roode schemeringsverschijnselen, die zich van daaruit langzamerhand over de geheele aarde uitbreidden en tegen het einde van November ook in Duitschland menigvuldig waargenomen en bewonderd werden. Van af December 1883 namen de sterkte en glans dier verschijnselen gaandeweg af, doch vóór deze geheel en al verdwenen, trad in den zomer van 1885 een nieuw verschijnsel op, dat sedert wel is waar slechts gedurende betrekkelijk korten tijd in het jaar bij ons zichtbaar is, doch hetwelk zich geregeld binnen een zekere tijdsruimte herhaalt en daarbij een luister ontwikkelt, welke het tot een hoogst opmerkelijk natuurverschijnsel maakt.
De tot heden gedane metingen betreffende de hoogte van het verschijnsel der zoogenaamde "lichtende wolken geven zulke zulke buitengewoon groote waarden, dat men het als een geheel raadselachtige vorming moest beschouwen, daar er tot nog toe geen enkel geval bekend is, waarin gewone wolken ook maar ten naastenbij zulk een hoogte bereikt hebben. Terwijl volgens Ekholm en Hagström de grootste hoogte der gewone vederwolken omstreeks 13 kilometer1 bedraagt, is voor de lichtende wolken een hoogte van 75 kilometer gevonden. Het verschil tusschen deze waarden is zoo aanzienlijk, dat men in geen geval of althans zeer bezwaarlijk, dezelfde bestanddeelen voor de lichtende als voor de gewone cirruswoljen kan aannemen. De lichtende nachtwolken werden den 23sten en 24sten Juni van het jaar 1885 in Duitschland voor het eerst waargenomen.
Volgens mijne persoonlijke waarneming op den 23sten Juni had het verschijnsel het volgende verloop. Eenigen tijd na zonsondergang verscheen binnen het schemeringssegment2 aan den hemel een cirrusachtige bewolking, die zich door buitengewone helderheid onderscheidde.
Steeds beschouwde ik met de grootste aandacht beweging, kleur en vorming der wolken, doch zulk een schitterend verschijnsel en vooral op zulk een vergevorderd avonduur had ik nog nooit opgemerkt. Te 9 u. 50 m. was de hemel in het N.W. tot op een hoogte van ongeveer 20 graden 3 met een prachtige, heldere, cirrusachtige wolkenlaag bedekt, die zich ten naastenbij van het N.W. tot het N.N.O. uitstrekte. In deze laag, welker onderste gedeelte evenwel door huizen en boomen aan mijn gezicht was onttrokken, kon ik duidelijk drie horizontale gordels onderscheiden. De onderste was een doffe, geelachtige kleur; daarboven volgde een strook van verscheidene graden breedte, die met een buitengewoon schoonen, witten, zilverachtigen glans lichte. Hierboven vertoonde zich een gelijksoortige strook van een mat-blauwe kleur. Op de oppervlakte der lichtende wolken waren verschillend geteekende figuren, vooral cirkelvormige en in alle richtingen door elkander loopende strepen zichtbaar.
Het licht van den helderen, middelsten gordel was het best te vergelijken met dat der bijna volle maan, wanneer deze op het tijdstip van zonsondergang op ongeveer 10 graden boven den oostelijken horizon staat. Te 10½ uur was de hoogte der lichtende wolken iets afgenomen; de drie lagen waren nog aanwezig, doch de bovenste was aanmerkelijk smaller geworden.
Dit vreemde verschijnsel had mijn grootste belangstelling opgewekt. ten einde mij te vergewissen of het, naar hetgeen ik uit het door mij waargenomene meende te mogen opmaken, inderdaad een grootere uitbreiding had, wendde ik mij tot verschillende wetenschappelijke instellingen in Duitschland, met verzoek om mededeelingen aangaande het verschijnsel. Hierop ontving ik een groot aantal berichten, waarin mij een aantal bijzonderheden werden vermeld. In hoofdzaak bleek hieruit, dat het verschijnsel nagenoeg op denzelfden tijd in geheel Duitschland was waargenomen. Ik moet hier echter de opmerking maken dat volgens een schrijven van dr. Laska te Praag, het verschijnsel door dezen reeds den 10den Juni 1885 was gezien. Gedurende de volgende weken na den 23sten juni werden de lichtende wolken nog menigmaal waargenomen. tegen het einde van Juli 1885 was er eensklaps geen spoor meer van te bespeuren, zoodat het scheen, dat het verschijnsel voor goed verdwenen was. Dit was echter niet het geval.
Den 30sten Mei 1886 ontving ik van dr. P. Andries te Wilhelmshaven de mededeeling, dat de lichtende wolken den 28sten dier aldaar opnieuw gezien waren; verder schreef mij de ingenieur Groneman te Oosterbeek in Holland, dat hij hetzelfde verschijnsel eveneens den 28sten Mei had waargenomen. Spoedig daarop werd het ook in geheel Duitschland nagenoeg op dezelfde wijze als het vorige jaar gezien. Het is zeer opmerkenswaardig, dat het na verloop van twee maanden, omstreeks denzelfden tijd als in 1885 weder verdween. Sints dien tijd heeft het verschijnsel zich telken jare herhaald en wel zóó, dat het nooit vóór einde Mei of nà einde Juli is waargenomen. Intusschen is het geenszins op elken overigens wolkenloozen avond opgemerkt; meestal treedt het in onregelmatige tusschenruimten van omstreeks acht dagen op en blijft dan gewoonlijk verscheidene nachten achtereen zichtbaar.
Het verschijnsel der lichtende nachtwolken is, sedert het voor 't eerst optrad, reeds merkelijk afgenomen; dit blijkt vooral hieruit, dat het zich in de laatste jaren veel minder dikwijls dan in den aanvang vertoonde. Ook is het feit van bijzonder gewicht, dat in de eerste jaren herhaaldelijk gevallen zijn voorgekomen, waarin het verschijnsel een diepen indruk op den beschouwer maakte en dit minder wegens den schitterenden glans, dan wel tengevolge van het tijdelijk gemis van glans. Het is herhaaldelijk zoowel door mij als door andere personen waargenomen, dat eenigen tijd na zonsondergang de hemel in het N.W. zich volkomen donker zwart en ondoorzichtig vertoonde, hoewel de zon bij geheel helderen hemel was ondergegaan. Slechts op grootere hoogten, van omstreeks 10 tot 20 graden, toonde het intensieve, zilverachtige lichten de aanwezigheid van het merkwaardige vershcijnsel aan. Ik ben nauwelijks in staat den beangstigeden indruk te schetsen, dien dit vreemde verschijnsel op mij maakte; het scheen of een buitengewoon zware, donkere onweerswolk zich binnen korten tijd over dat deel des hemels had uitgebreid.
Dat hiervan echter geen sprake was, werd mij spoedig duidelijk, toen de donkere schaduw langzamerhand door het voortschrijdende lichten werd verdrongen. Ik kan mij dit voorval niet anders verklaren dan door een buitengewone ophooping van de bestanddeelen der lichtende wolken aan te nemen, door welke de zoonestralen geheel en al werden uitgedoofd. Daar deze laatsten op dat tijdstip ongeveer een zoodanige richting hadden, dat de weg, dien zij in de nabijheid van den zichtbaren horizon, in een horizontale, met zwevende deeltjes opgevulde laag der atmosfeer afleggen, zijn grootste waarde heeft, zoo schijnt het feit der uitdooving wel verklaarbaar, te meer daar hier het aantal der het licht stuitende deeltjes een maximum is. Het feit, dat op zulke avonden het tooverachtig lichten der zilveren wolken reeds omstreeks 15 tot 20 minuten na zonsondergang plaats had, doch daarentegen op andere avonden gewoonlijk later werd waargenomen, schijnt met deze zienswijze zeer goed overeen te komen.
Vooral in de laatste jaren was het tijdsverloop tusschen zonsondergang en het lichten der wolken meestal langer dan een uur. De avonden, waarop het lichten buitengewoon vroeg werd waargenomen, geschiedde het ook in den regel, dat de lichtende wolken min of meer over den geheelen hemel verspreid waren en dat alleen het gedeelte vlak boven den zuid-oostelijken horizon daarvan vrij bleef. In den aanvang waren zij nauwelijks waarneembaar; naarmate het daglicht afnam of de zon steeds dieper onder den horizon daalde, trok het verschijnsel zich langzamerhand naar het noordwesten terug; tegelijkertijd nam de glans der wolken gaandeweg toe en bereikte zijn grootste waarde wanneer de uitgebreidheid van het verschijnsel zich zoover had gewijzigd, dat de bovenste grens in het noordwesten nog slechts een hoogte van omstreeks 15 graden had. Wanneer daarentegen hewt lichten langer dan een uur na zonsondergang zichtbaar werd, nam men het verschijnsel alleen in het noordwesten waar. In de meeste gevallen werd ook een zeer snelle verandering in den vorm der wolken opgemerkt; reeds na verloop van enkele minuten was haar voorkomen vaak geheel en al gewijzigd.
Op zekeren avond zag ik o.a. om het N.N.O. een plek, die zich van alle andere door een bijzonder sterken lichtglans onderscheidde; deze plek bleef gedurende den geheelen waarnemingstijd des avonds zichtbaar, zij het ook onder verandering van haren oorspronkelijken vorm. Na middernacht was de lichtsterkte merkelijk afgenomen, zoodat de plek niet goed meer was te herkennen. Nevensstaande vier afbeeldingen van de lichtende nachtwolken zijn naar fotografieën vervaardigd. |
Fig. 1. Lichtende nachtwolken, waargenomen te Potsdam in den avond van 6 Juli 1887 te 9.55. |
Fig. 2. Lichtende nachtwolken, waargenomen te Berlijn in den avond van 6 Juli 1887 te 9.55. |
Fig. 3. Lichtende nachtwolken, waargenomen te Potsdam in den avond van 6 Juli 1887 te 10.05. |
Fig. 4. Lichtende nachtwolken, waargenomen te Steglitz bij Berlijn in den vroegen morgen van 4 Juli 1888 te 1.30; |
| De afbeeldingen 1 en 2 zijn gelijktijdig den 6den Juli 1887 des avonds te 9 u. 55 m. (middelbaren tijd te Berlijn) genomen; de eerste van af den watertoren van het observatorium te Potsdam, de tweede van het dak van een huis in de Blumenthalstrasse 18 te Berlijn. Afbeelding 3 stelt het verschijnsel voor zooals het zich tien minuten later te Potsdam vertoonde; men ziet met den eersten oogopslag, dat het toen reeds iets gedaald was. Afbeelding 4 stelt de lichtende wolken voor, gelijk zij zich den 4den Juli 1888 des morgens te 1½ uur door een opening in de boven den horizon aanwezige wolkenmassa vertoonden; deze fotografie werd genomen van het dak van een huis in de Albrechtstrasse 30 te Steglitz. De gunstigste tijd voor de waarneming van de lichtende wolken is 't steeds dàn, wanneer de schemeringsboog een hoogte van omstreeks 15 graden heeft; dit is het geval als de zon zich ongeveer 10 tot 11 graden onder den horizon bevindt. Zijn de wolken zichtbaar, dan vertoonen deze zich altijd slechts binnen het schemeringssegment, doch strekken zich somwijlen van 2 tot 5 graden daarover uit. De lichtende wolken gelijken over het algemeen zeer veel op de gewone cirrus- of vederwolken, doch onderscheiden zich van deze in één belangrijk opzicht, waardoor zij dadelijk te herkennen zijn.
Wanneer n.l. cirruswolken binnen het schemeringssegment voorkomen, zijn deze - de eerste 15 minuten na zonsondergang uitgezonderd - altijd donkerder dan dat deel van den schemeringshemel, waarin de cirruswolken niet voorkomen. Daarentegen vertoonen de lichtende wolken zich steeds helderder, dan de haar omgevende schemeringshemel. Gewone cirruswolken verdwijnen in den regel niet, wanneer zij zich buiten dit segment uitstrekken; zij veranderen slechts van voorkomen, daar zij dan lichter schijnen, dan het in hare onmiddellijke nabijheid liggende deel van den nachtelijken hemel. De lichtende wolken daarentegen verdwijnen geheel, zoodra de grens tusschen tusschen den schemerings- en den nachtelijken hemel over haar henentrekt en slechts dàt gedeelte blijft zichtbaar, hetwelk binnen het schemeringssegment ligt. Welk een buitengewoon groot verschil er tusschen de gewone cirrus- en de lichtende wolken bestaat, blijkt voornamelijk uit de tot heden gedane hoogtebepalingen. De mindere of meerdere uitgebreidheid van het verschijnsel hangt af van den stand der zon onder den horizon.
Uitgaande van de veronderstelling, dat het lichten der wolken door een terugkaatsing der zonnestralen wordt veroorzaakt en het verdwijnen tegen den nachtelijken hemel hierdoor teweeggebracht wordt, dat de schaduw der aarde over de het licht terugkaatsende deeltjes heentrekt, kan men hieruit gemakkelijk de hoogte van het verschijnsel bepalen; want men behoeft slechts het voortschrijden van den boog, die het verschijnsel tegen den nachtelijken hemel begrenst, te volgen, en de hoogte van den top van den boog boven den horizon op verschillende tijdstippen door middel van een sextant of een theodoliet te bepalen. Uit zulke metingen, die in 1885 herhaalde malen door mij werden vericht, volgt de buitengewoon groote hoogte van meer dan 50 kilometer. Het moet echter ij twijfel worden getrokken of deze waarde met de werkelijkheid overeenkomt. De door den dampkring der aarde gaande zonnestralen worden, gelijk bekend is, steeds zwakker, hoe langer de weg is, dien zij daarin moeten afleggen. Hierbij komt, dat die stralen, welke de oppervlakte der aarde zelve aanraken, ook voornamelijk hierdoor het meest aan lichtsterkte verliezen, dat de verschillende luchtlagen over 't algemeen des te meer met vreemde bestanddeelen, die het doordringen van het licht verhinderen, zijn opgevuld, hoe dichter die laag zich bij de oppervlakte der aarde bevindt.
Het is dus niet onwaarschijnlijk, dat eerst die zonnestralen, welke op een afstand van ongeveer 5 kilometer van de oppervlakte der aarde blijven, de kracht behouden om de vreemde deeltjes voldoende te belichten, zoodat deze zichtbaar worden. Inderdaad hebben latere hoogtebepalingen veel grootere waarden gegeven. Op aanraden van prof. Förster te Berlijn werden op den aanvond van 6 Juli 1887 gelijktijdig door dr. Stolze te Berlijn en door mij te Potsdam, fotografieën van de lichtende wolken genomen, waaruit de hoogte van het verschijnsel op ongeveer 75 kilometer is bepaald. Intusschen is ook deze berekening niet ten volle vertrouwbaar, aangezien de afstand tusschen Berlijn en Potsdam te klein is tegenover den afstand der lichtende nachtwolken, wanneer deze, gelijk op dien avond het geval was, zich in de nabijheid van den horizon bevinden. Door de heeren dr. Ceraski en Belopolsky te Moskou werden herhaaldelijk hoogtebepalingen gedaan, waaruit een waarde van ongeveer 66 kilometer werd afgeleid.
Nu zou men hieruit kunnen afleiden, dat het verschijnsel tot nog toe elken zomer is opgetreden en, daar het vooral zijn grootsten glans eerst laat in den avond bereikt, en dan slechts altijd zeer laag aan den hemel wordt waargenomen, het tot heden toe niet opgemerkt of liever over het hoofd gezien is, en inderdaad is het mogelijk dat een ongeoefend oog het verschijnsel niet opmerkt. Tegen de meening, dat het in den tot dusver waargenomen glans een bestendig, alle jaren terugkeerend verschijnsel is, spreken intusschen gewichtige feiten. In de eerste plaats de omstandigheid, dat ik in den zomer van 1884, die het eerste optreden van de lichtende wolken voorafgaan, dikwijls den prachtig purperrooden avondgloed waargenomen en gemeten heb. Ware het verschijnsel dus toen reeds aanwezig geweest, dan zou het zeker mijn blik niet ontgaan zijn. Verder spreekt daartegen het feit, dat de lichtende wolken, sedert zij het eerst waargenomen werden, van jaar tot jaar, wat uitgebreidheid en veelvuldigheid betreft, zijn afgenomen.
Wanneer zij evenwel zoo buitengewoon snel afnemen, als tot nog toe uit de waarnemingen is gebleken, dan moeten zij natuurlijk ook een begin gehad hebben; in elk geval is deze onomstootelijk bewezen afname onvereenigbaar met de zienswijze, dat het verschijnsel in den waargenomen glans duurzaam is. Ofschoon nu aan den anderen kant hieruit kan worden afgeleid, dat men ook een einde van het verschijnsel moet tegemoet zien, is het toch hoogst waarschijnlijk, dat het zich nog gedurende eenige jaren zal herhalen. |
1 In sommige handboeken der meteorologie wordt van een hoogte van 20 K.M. gesproken. Dit getal is echter volstrekt niet bertouwbaar; gelijk uit de waarnemingen, tijdens wetenschappelijke luchtreizen gedaan, is gebleken, bedraagt de gemiddelde hoogte, waarop de cirri voorkomen, circa 7000 meter; de grootste hoogte, waarop zij tot heden toe zijn gezien, is tusschen 9000 en 10.000 meter. Gelijk men weet, bestaan zij uit prismatische ijskristalletjes of naaldjes. Door enkele luchtreizen (o.a. door de reizen van de gebr. Tissandier op de 8en Nov. 1868 en 29en Nov. 1875) is het bewezen, dat de cirri in enkele gevallen beschouwd kunnen worden als een der oorzaken van hagel- en sneeuwvorming. Zij zijn voor de studie der meteorologie en inzonderheid voor de weersvoorspelling van de grootste waarde. (Noot van den Vert.)
2 Het schemeringssegment is dat deel des hemels, hetwelk nà zonsondergang- of vóór zonsopgang door de zonnestralen belicht wordt en zich daardoor in het schemerlicht vertoont. Doorgaans vloeit het nog lichte met het donkere gedeelte des hemels onmerkbaar ineen, zoodat de grenslijn tusschen beide hoogst moeielijk te trekken is.
3 1 graad (1°) is ongeveer zooveel als twee vollemaansbreedten.
|
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
→
| ↑ |
|