|
|
De diamantmijnen van Zuid-Afrika [II].
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 April 1889 - 9e jaargang |
De beschreven werktuigen, die dienen moesten om den uitgedolven grond buiten de mijn te brengen, werden langzamerhand gewijzigd, wat betreft de drijfkracht. De Kaffers werden eerst vervangen door paarden en muilezels, later door stoommachines. Deze verandering leidde natuurlijk ook tot een gewijzigde inrichting, die ik hier niet nader zal beschrijven. De toepassing van de stoomkracht veroorloofde het gebruik van grooter bakken en bevorderde dus het snelle vervoer. Dit vervoer ligt zoo voor de hand, dat men zich allicht zal verbazen, dat die practische verbetering niet spoedig werd ingevoerd. Men moet echter bedenken, dat in die dagen de vracht voor een ton1 gewicht 30 tot 40 pond sterling bedroeg en dat niemand kon voorzien, hoe diep de diamantgrond, zich zou uitstrekken. Dezelfde verontschuldiging gelde voor het gebrekkige van maatregelen, die later genomen werden, toen de wanden van de mijn bezweken. Voor wij deze ramp beschrijven, zij met een enkel woord verklaard, hoe nu eigenlijk de diamanten werden verkregen.
In de mijn zelf bepaalt zich de werkzaamheid tot het delven van den grond, die naar buiten wordt gebracht, om nader bewerkt te worden. De gele grond was los genoeg, en bij dezen bestond die bewerking in den eersten tijd eenvoudig in ziften en sorteeren van de achtergebleven steenen. Later werden de grondklompen op groote terreinen gestort en uitgespreid om aan de lucht te worden blootgesteld, daardoor uiteen te vallen, en geschikt te worden voor de zeef.
Op deze wijze werd een ontzaggelijke massa diamantgrond behandeld en de afval "debris" vormt een goed deel va\n de vlakte, waarop de stad is ontstaan.
Bij deze methode gingen er echter bijna evenveel diamanten te loor als er gevonden werden en toen er betere werktuigen ingevoerd, werden de heuvels "debris" nogmaals bewerkt en was de opbrengst voor de tweede maal nog wel zoo rijk als den eersten keer. De verbetering bij de nieuwe werktuigen bestond voornamelijk in een meer volledige verwijdering van alle leem en zand, door de geheele grondmassa fijner te verdeelen en zooveel mogelijk door water weg te spoelen. Bij de toenemende hardheid van den diamantgrond, naarmate men dieper daalde, waren daarvoor steeds krachtiger machines noodig.
Op de droge zeef volgde de ripple washing machine, een wijziging van de baby of cradle die bij de riverdiggings gebruikt was. Deze maakte plaats voor de rotary machine, die nog steeds gebruikt wordt. Deze eischt stoomkracht. Ze bestaat in hoofdzaak uit een pan, die den vorm heeft van een ring. In de open ruimte binnen dien ring staat een verticale as, die tien armen heeft, aan de uiteinden voorzien van zes haken of tanden. Die uiteinden reiken in de open pan, en als de machine in beweging wordt gebracht, loopen zij in de pan rond en snijden en verdeelen en voeren den inhoud mede. Die inhoud bestaat uit diamantgrond, die onder aanhoudenden toevoer van water tot een modder wordt, waarvan de lichtere deelen door de krachtige beweging zwevende worden gehouden en over den binnenrand wegvloeien terwijl alleen de zwaardere steenen op den bodem achterblijven. Het afvloeiemde modderige water wordt verzameld en weder opgevoerd. Op dien weg opwaarts wordt het dik op geschikte wijze verwijderd en het water weder gebruikt voor de bereiding van de massa in de pan. Des avonds wordt de pan geledigd. Op den bodem zijn alle steenen verzameld en daaronder de diamanten.
Het is onnoodig te zeggen, dat ruwe diamanten door leeken lang niet alle als zoodanig zouden herkend worden. Slechts enkele verraden terstond door bijzonderen glans hun waarde. De meeste laten zich, wat kleur en glans betreft, het best vergelijken met kandijklontjes. Ze hebben echter niet den hoekigen vorm en zijn volstrekt niet alle even blank, maar min of meer geel en bruin. Om het uitzoeken gemakkelijk te maken, wordt het grint uit de pan nog eens gewasschen in den "pulsator".
Bezoekers van de Colinderies2 hebben het geheele bedrijf kunnen bijwonen. Daar was de Rotary-machine dagelijks een paar uur in werking. Er was diamantgrond genoeg voor den duur der tentoonstelling en dad aan dag verdrong zich een dichte drom van nieuwsgierigen om de balustrade, waar binnen de groote machine was opgesteld.
De zware as wentelde, de ijzeren tanden krabden de pan rond, deze werd geledigd, het grint uitgezocht en men hielp den Kaffer met de oogen zoeken. Enorm was de excitement, als er een steentje werd uitgepikt, al begreep men niet, waarom er zoovele donkere steentjes werden uitgezocht en in een der bakjes gesorteerd.
In diezelfde afdeeling waren groote modellen van de verschillende mijnen en talrijke vitrines met dozijnen en nog eens dozijnen glazen en porceleinen schotels vol diamanten. Het waren de schatten van Zuid-Afrika, waarmede de Kaapkolonie prijkte.
Keeren wij nu terug naar de Kimberley-mijn en spreken over de beruchte reef, die zich zulk een ongelukkigen roep verwierf door de ruwe stoornis van een arbeid, die zonder die tusschenkomst de delvers met schatten zou hebben overladen. Die reef viel in de mijn als de ongenoode booze fee op het feest en laadde haar vloek op al de zegeningen. De reef werd de schrik en de nachtmerrie voor de Kimberley-mijn en haar delvers.
Dit neerstorten van de wanden, waardoor de mijn voor een goed deel werd bedolven, had langzamerhand plaats, en aanvankelijk gering en gemakkelijk te verhelpen of verwaarloosd, werd de kwaal door allerlei oorzaken steeds grooter. De aanleiding was zeer natuurlijk. Bij het toenemen der diepte van de mijn moest de massa grond, die aan de eene zijde haar steun had verloren, wel toegeven aan de wetten van de zwaartekracht en gleed naar beneden. De wijze, waarop in den aanvang werd gewerkt,verergerde de kwaal.
Ieder stond op zichzelf en streefde naar het naaste gewin. De bewerking van den uitgedolven grond had op den rand der mijn plaats en de heuvels debris vermeerderden den druk van boven. Toen de hardere bodem bereikt was, begon ook de toepassing van dynamiet en de uitbarstingen deden veel kwaad.
In den aanvang van '78 was een vierde van de claims bedekt met reef en dat niettegenstaande sedert '74 reeds een "Mining board" de gemeenschappelijke belangen behartigde. Dit bestuur zat dan ook niet stil, maar tastte den vijand met kracht aan. In 1879 en '80 werden 300,000 pond sterl. besteed aan graafloon, in '81 weder 200,000; maar het werk was te laat begonnen.
De afschuivingen werden steeds grooter, zoodat toen in 1882 meer dan een half millioen pond sterl. was besteed, om reef naar boven te brengen, het werk nog geenszins voltooid was, terwijl nieuwe reefstortingen dreigden. De groote uitgaven hadden de kas van het mijnbestuur uitgeput en toch hadden de groote werken geen gelijke pas kunnen houden met de toenemende grondstortingen. In 1882 waren weder meer dan de helft der claims gevuld, de kas daarentegen ledig en erger dan dat. De board had wissels uitgegeven, maar toen in Maart '83 de boeken een deficit aanwezen van meer dan een kwart millioen pond, weigerden de banken de wissels verder te accepteeren.
In de publieke opinie was de Kimberley-mijn geruïneerd. Inderdaad was dit niet het geval. Nog steeds kon men een zeer schoone balans opmaken, als men onder het actief de onuitpputtelijke schatten rekende, die de mijn nog altijd bevatte. De vraag was echter, hoe de begraven schat aan het licht te brengen. Dit zou zeer goed mogelijk zijn geweest, als men het werk op dezelfde wijze had kunnen voortzetten als het laatste jaar.
In '83 was meer dan anderhalf millioen pond sterl. besteed, en als men nog eens die som had kunnen bijeenbrengen, ware de mijnwand op een veilig talud gebracht en de diamantgrond weder vrij.
De opbrengst zou dan in de toekomst groot genoeg zijn geweest, om de schuld aan kapitaal en interest te delgen. Dit was in de vorige jaren genoegzaam gebleken.
In 1883 toch leverde de Kimberley-mijn, niettegenstaande slechts een vierde der claims productief was en niettegenstaande een buitengewoon lage markt, voor een waarde van 847,000 sterl. aan diamanten.
Dit bedrag daalde in de volgende jaren, maar alleen omdat de reef de mijn had bedolven. Ware de mijn vrij geweest, dan was de opbrengst zeker gestegen boven het millioen.
Doch de mijn was niet vrij, maar integendeel grootendeels begraven; en verschillende pogingen om een leening in Europa te sluiten, mislukten. De toekomst werd donker, als er geen middel werd gevonden om tot de begraven schatten door te dringen. Van ter zijde mijnputten te boren door de harde basaltrots ware een te kostbaar, en vooral ook een te langdurige arbeid geweest.
Er werd gevraagd naar een methode van werken, waarbij de opruiming van reef gepaard ging aan geregelde produktie. Dit vraagstuk werd opgelost door zekeren Jones, en zijn systeem "Jones system," deed de moeielijkheid te boven komen. Daarbij staakmte men het opruimen van de reef en liet daarin mijnputten neerdalen, tot men den blauwen grond had bereikt. Spoedig was dwars door de losse reef de blauwe grond bereikt, en bij het voortzetten van de putboring begon ook al dadelijk de arbeid rentegevend te worden. Iedere lading, die door den put naar boven werd gebracht, was diamantgrond. Toen de put zes- tot zevenhonderd voet diep was, werden er links en rechts mijngangen aangelegd en verbinding gezocht met een put, die naast de mijn was gegraven. Nu had men een tweeden weg naar boven. Later voegde men er een derden en vierden put bij, die door de reef afdaalde. De horizontale gangen werden voortgezet tot men links en rechts den wand van de mijn had bereikt.
Daar gekomen, werkte men omhoog in den blauwen grond. Men maakte den steen boven zich los en liet dien zich ophoopen op den bodem. Zoodoende steeg dit deel van den gang, zonder dat de ruimte grooter werd. Men zette dien arbeid voort tot men de reef bereikte. Nu verliet men de ruimte langs een hulpgang, die ondertusschen was aangelegd, om de gemeenschap met den tunnel te onderhouden, sloot dien hulpgang en ruimde nu beneden den losgemaakten grond op. Naarmate deze daalde, stroomde de reef van boven toe en nam de geheele ruimte in. De doorsnede van de mijn in onze teekening (fig. 5) geeft een duidelijk beeld van deze methode van werken. Men ziet er rechts de bovenste lagen van den blauwen grond reeds gedeeltelijk vervangen door de bedekkende reef. Enkele details van de bewerking laat ik hier ongemeld. Het is duidelijk, dat zekere voorzorgen moesten genomen worden voor de veiligheid van de delvers, en bij het ledigen van het verhoogde einde van den gang geschikte maatregelen een ongewenscht instorten moesten voorkomen. |
Fig. 5. Doorsnede van de Kimberley-mijn.
I. Debris. II. Gele leisteen. III. Donkere leisteen. IV. Basaltrots. V. Gevallen reef. VI. Blueground. |
Ik heb opzettelijk eenigszins langer stilgestaan bij de exploitatie der mijnen, om te doen zien, dat de waarde der diamanten volstrekt niet geheel en al willekeurig is. Ze zijn geenszins voor het oprapen en de productiekosten zijn enorm. Bij de reefstortingen hoopten zich ook andere rampen op. Onvoorzichtigheid veroorzaakte geweldige explosies, die bijna al de kunstwerken en een goed deel van de stad vernielden; toen men eenmaal grootere diepten had bereikt, had men voortdurend waterbezwaar.
Ten slotte heerschten er zooals gewoonlijk bij mijnwerken, maar vooral hier in het ontoegankelijke Griqua-West hongersnoodprijzen.
Hierin is echter eenige verandering gekomen. En dit hangt samen met den invloed ten goede, die een voortgezette en systematische gedreven exploitatie medebrengt.
Hierover nog een enkel woord en dan heeft de lezer genoeg van deze mijnen.
De Kimberley-mijnen hebben namelijk niet alleen een technische geschiedenis, maar ook hare sociale lotgevallen; ze reageerden sterk po de omringende maatschappij en brachten geheel Zuid-Afrika in beweging. Dat is nog zacht uitgedrukt. Ik weet niet, wat heftiger is geweest, de inspanning in de mijn of de opwinding over de schatten daarbuiten, wat meer heeft verzet, de arbeid in de mijn of de arbeid daarbuiten bij den aanvoer van de hulpmiddelen en de levensbehoeften, wat meer armen verrijkt en schatten verloren deed gaan, de gelukkige dagen in de mijn en de rampen aldaar of de dolle speculatie in aandeelen daarbuiten.
Er was een tijd, dat in Zuid-Afrika een share-manie heerschte, waarmede niets valt te vergelijken.
Dit alles is nu voorbij. De tijd der mijnkampen en hun eerste ruwheid is geweest. Vondsten, die in één dag een man rijk maken, zijn nu onmogelijk. De claims zijn tegenwoordig geen individueel bezit meer. Verschillende maatschappijen hebben een deel, en een gelukkige dag komt als zoodanig niet meer voor. Zulk een dag geeft nu een half pCt. hooger dividend voor de aandeelhouders, als de balans over het jaar wordt opgemaakt.
Ondertusschen is een geheel gewest bevolkt en door een spoorweg met de kust verbonden, zoodat voor goed een nieuw lid is toegevoegd aan het groote organisme der beschaafde wereld.
Literatuur:
Maurice Chaper. Note sur la région diamantifère de l'Afrique australe. Masson. 1881
Frédéric Boxhorn. Les mines de diamants du Cap. "la Nature" 1883.
John Noble. Diamond mining at the Cape. Cape Town. 1886. |
Febr. '89 |
A.D. Hagedoorn. |
1 ton=1016 kilo.
2 De Koloniale Tentoonstelling te Londen. |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
↑ |
|