|
|
De diamantmijnen van Zuid-Afrika [I].
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Maart 1889 - 9e jaargang |
De diamantmijnen van Zuid-Afrika zijn de jongste en tevens de rijkste. Rijker zelfs dan die van Indië, het klassieke vaderland dier edelgesteenten. Daar werden waarschijnlijk de eerste steenen gevonden. In een der zangen van de Veda's wordt een kostbare schat bezongen, die den rijkdom uitmaakte van een Indisch vorst. Het was het edelgesteente, dat later beroemd werd als de Koh-i-nor.
De Indische mijnen zijn verspreid over het geheele binnenland van het schiereiland, van de zuidelijke oevers van de Ganges tot aan die van de Pennaur in de residentie Madras. Haar belangrijkheid is echter sterk gedaald. De rijkdom van Golconda zelfs is een legende geworden, sints het vrij zeker is, dat in of bij die stad nooit diamanten zijn gevonden. Tegenwoordig worden in Indië geen mijnen meer regelmatig bewerkt dan die in het Noorden bij Punnah, en wat er aan Indische diamanten wordt uitgevoerd, gaat jaarlijks stellig de 100 karaat niet te boven. Het overige wordt op de inlandsche markten, voornamelijk te Benares geplaatst. De opening der Braziliaansche mijnen in het laatst van de vorige eeuw was feitelijk de doodsteek voor die in Dekan.
De Braziliaansche mijnen zijn gelegen in de Sierra de Espinhaço, een bergketen, die haast evenwijdig loopt met de kust, tusschen Bahia en Rio-Janeiro. Daarin komen de rijke mijnen voor van Diamantina in de provincie van Minas Geraez, maar ook in het binnenland in de Matto Grozzo en aan de oevers van de Paraquai worden ze gevonden. Honderdvijftig jaren lang bezaten zij nagenoeg het monopolie op de wereldmarkt, tot zij op haar beurt moesten wijken voor de krachtige mededingsters uit Zuid-Afrika. Haar glans verbleekte, evenals zij eenmaal Indië hadden verduisterd.
Wat elders gevonden werd, was betrekkelijk gering, hoewel geen werelddeel geheel verstoken bleef. In Noord-Amerika leverden Noord-Carolina, Georgië, Arizona, Californië en vooral Mexico diamanten, in Europa vond men naast de ijzermijnen van Bissersk, aan de Europeesche zijde van de Oeral een diamantmijn en eenmaal een steen te Dlaschkowitz in Boheme. In Algiers, beweert men, zijn op enkele plaatsen diamanten ontdekt, ook van enkele goudwasscherijen in Siberië wordt hetzelfde verhaald. In Australië werden op verschillende plaatsen en tijden diamanten gevonden, eerst in 1852 en opnieuw in 1859 aan de Macquarie-rivier in N.Z.-Wales, 100 mijlen ten noorden van Sidney en nog eens 10 jaren later te Rylstone aan de Cudgegong-rivier en laatstelijk te Bingera bij de Gwydri-rivier in het uiterste noorden van die kolonie. De nieuwste vondst is de ontdekking van diamanten in Birma.
Van meer belang echter dan al deze verspreide vondsten zijn de mijnen in den O.I. Archipel. Verschillende eilanden deelen in dien rijkdom. In 1840 werden er diamanten gevonden op Sumatra, later op Celebes, ten slotte op Borneo en daar alleen heeft een regelmatige en winstgevende ontginning plaats, die jaarlijks ongeveer 3000 karaat oplevert. Een van de grootste diamanten van de wereld, een heldere, witte steen van 367 karaat, werd bij Landak op Borneo gevonden. Hij is nog ongeslepen en in het bezit van den Rajah van Matam.
Dat onze mijnen zich op haar bescheiden plaats weten te handhaven, hebben wij te danken aan de Chineezen, die ook hierbij weder toonen, hoe machtig het verbond is van werkzaamheid en zuinigheid.
Dit neemt niet weg, dat Zuid-Afrika tegenwoordig verreweg de grootste producent is en dit geldt niet alleen van de diamanten, maar ook van het goud, dat kort na de diamanten werd gevonden.
Hoe dit geschiedde, vernemen wij uit een brief van zekeren O'Reilly, een dier reizende kooplieden, die vóór het bouwen der spoorwegen, de in het bnnenland verspreide bevolking voorzagen van hetgeen zij noodig had en in ruil daarvoor de producten van het land, als wol, huiden en tabak en weder meebrachten naar de havens van uitvoer. Daarbij trokken zij van plaats (boerderij) tot plaats en zoo kwam in Maart van 1867 deze O'Reilly op de plaats "de Kalk" bij Schalk van Niekerk.
Omtrent dit bezoek schreef hij vijf jaar later aan Sir Henry Barkly, toen ter tijd gouverneur van de Kaapkolonie, het volgende: "In Maart 1867 op weg zijnde van de samenvloeiing van de Vaal en Oranje-rivier naar Colesberg, spande ik uit op de plaats van Niekerk en zag bij hem op tafel een mooie verzameling steenen uit de Oranje-rivier, die ik met belangstelling bekeek. Ik zeide tot Niekerk dat ze heel mooi waren. Daarop liet hij mij een ander partijtje zien, waarin ik op eens den "eersten diamant" ontdekte. Ik vroeg er hem om en hij zeide dat ik hem krijgen kon, want hij was van een Boschmansjongen van Daniel Jacobs1. Ik ging daarop dadelijk naar Hopetown en deelde Mr. Chalmers, den civiel commissaris mijn ontdekking mede. Vervolgens bracht ik den steen te Colesberg bij den civiel commissaris, om dien aan den hoofdcommissaris in de Kaapstad te zenden. Hij zond dien aàn Dr. Atherstone te Grahamstone, die hem verder bezorgde naar de Kaapstad."
Dr. Atherstone schreef aan den commissaris te Colesberg, Mr. Lorenzo Boyes: "Ik wensch u geluk met den steen, dien gij mij hebt gezonden. Het is een echte diamant van 1 karaat, die 500 pond sterling waard is. De juweliers te Grahamstown hebben er al hun vijlen op bedorven en waar die vandaan komt, moeten er nog meer zijn."
De uitspraak van Dr. Atherstone werd bevestigd door Hunt en Roskill, de hofjuweliers te Londen, wien de steen ter beoordeeling was gezonden, die vervolgens voor den bovengenoemden prijs gekocht werd door Sir Philip Wodehouse, den voorga\nger van Sir Henry Barkly. Sir Philip zond den steen naar de Parijsche tentoonstelling van 1867.
De beide gelukkigen, Boyes en O'Reilly, die de opbrengst hadden gedeeld, wenschten echter niets liever, dan een nieuwe vondst te doen, anderenmet hen, maar er deden zich aanvankelijk geen nieuwe diamanten op en twee jaren gingen voorbij met vruchteloos zoeken, zoodat het bestaan van diamantvelden in Zuid-Afrika zeer twijfelachtig werd. In 1869 echter, wist van Niekerk een grooten steen meester te worden. Hij kocht dien van een Griqua of Hottentot voor een waarde van 400 pond sterling aan geld en vee en verkocht dien terstond aan de heeren Lilienfeld te Hopetown voor ruim 10.000 pond. Dit was de beroemde "Star of South Africa." Hij woog 83½ karaat ruw en werd in Juni 1870 geschat op 25.000 pond. Hij werd geslepen en behoort nu tot de juweelen van gravin Dudley. Zijn tegenwoordig gewicht is 46½ karaat.
Deze belangrijke vondst deed den verflauwden ijver herleven. De menigte stroomde toe. Het district Hopetown, vanwaar de beide edelgesteenten waren gekomen, werd omgewoeld, maar te vergeefs. De zorgvuldigste prospecting, zooals de mijnterm luidt voor het onderzoek van den bodem, leidde tot de zekerheid, dat dit district geen diamanten rijk was.
Wat men daar te vergeefs had gezocht, werd echter langs de oevers van de Vaal-rivier gevonden, d.i. langs een deel dier oevers, te beginnen bij de samenvloeiing met de Oranje-rivier op 28º20' Z.Br. tot 28º Z.Br.
Hoogerop verdwijnen ze weder en daarmede vervalt de onderstelling, dat dit kostbaar mineraal door de rivier zou zijn medegevoerd uit de Drakenbergen. De diamantvelden zijn een plaatselijk verschijnsel, wat vooral gebleken is bij de ontdekking der zoogenaamde Kimberley-mijnen, die trouwens niet aan de rivier liggen.
Aan de Vaal-rivier, die in haar bedding en in de alluviale oevers diamanten bergt, was bij Klipdrift of Barkly, de opbrengst het grootst.
Even boven die plaats, waar spoedig uit de kampen der delvers een stadje groeide, zijn enkele hoogten, waardoor de Vaal zich een weg heeft gebaand, die diamanten bevatten. Waar men ze aan den eenen oever vindt, mag men ze ook aan den anderen oever verwachten, zoodat de mijnen steeds tegenover elkander liggen.
De rivierdiamanten worden gedolven in alluvialen grond, in een zware laag ijzerhoudend grint, dat door het water is aangespoeld in de kloven der rotsen. Het is nog steeds niet uitgemaakt of de diamanten in situ zijn gevormd, of van elders aagevoerd. De eerste onderstelling heeft de meeste waarschijnlijkheid. Zeer vaak vond men de diamaten bezet met een laag ijzeroxyde, die, als ze gescheurd waren, tot in het hart der steenen was doorgedrongen.
Men vindt de diamanten langs de oevers over een lemgte van ongeveer 70 mijlen2. Daarmede zij niet gezegd, dat deze geheele uitgestrektheid is ontgonnen. Tusschen Hebron en Barkly, d.i. ongeveer de helft van het geheel, vindt men bijna geen mijnen en in het algemeen is de exploitatie zeer onregelmatig, daar de delvers nu hier, dan daar hun geluk beproeven en somtijds een plaats opgeven als geheel waardeloos, om er later, misschien na jaren, terug te keeren en die dan met voordeel te bewerken.
Voor dat bewerken moet men zich een licence koopen, d.i. een patent, af te geven door het gouvernement. Voor maagdelijke gronden begint men echter met zich het recht te verwerven van voorloopig onderzoek (prospecting), wat natuurlijk voor erkende mijnen niet meer noodig is. Is eenmaal de keus gedaan, dan geldt het recht slechts voor een oppervlakte van beperkte grootte. Zulk een stukje heet een claim en heeft niet overal dezelfde afmetingen.
Bij de rivier was die oorspronkelijk 34 voet in het vierkant, later werd de maat vergroot tot 60 bij 30; in de Kimberley-mijnen, waarvan wij nog niet gesproken hebben, was die 31 bij 31.
Alles hangt af van een gelukkige keuze. Zooals ik zeide, zijn het de heuveltjes, die in het Afrikaansch kopjes heeten, die de beste kansen bieden. De delvers onderscheiden roode kopjes en leemkopjes. Somtijds vormt dat leem een harde korst of klinkerlaag, die afwisselt van twee tot twintig voet dikte. Bij groote diepte maakt men een mijnschacht om den diamantgrond te bereiken. Op enkele plaatsen, zooals te Gonggomg, zijn die schachten 100 voet diep, op andere is de bewerking zeer oppervlakkig. Het zwaarste werk is het uitgrtaven en opwerken der groote steenblokken, waaronder juist het rijkste grint wordt aangetroffen. Een ander groot bezwaar is hier en daar het water, dat te Gonggong en te Waldek b.v. op een diepte van 40 tot 50 voet toevloeit, of dat elders, bij het wassen van de rivier, ook wel van boven af de mijn vult.
De bedding der rivier is zonder twijfel rijk aan diamanten, maar de Vaal is gewoonlijk gevuld met water en de bedding niet te bereiken. Bij een zeer groote droogte in '82, werd een smalle zijtak drooggelegd en in de bedding voor een waarde van 30.000 pond sterling gevonden. De Vaal heeft echter vaak haar bedding verlegd. Gelukkig de delver', die juist zulk een deel van een ouden rivierloop treft.
De verhouding van de grondsoorten is zeer verschillend. In vier vrachten grond is echter gewoonlijk een vracht blokken, een ruwe steenen, een zand en een grint, dat het uitzoeken waard is. Dit uitzoeken geschiedt op een daartoe ingerichte houten zeef, baby genoemd, niet omdat het werktuig wel iets heeft van ee wieg, maar naar den naam van den uitvinder.
Tot nog toe hebben wij ons bepaald tot de rivier, de zoogenaamde river-diggings. Deze zijn echter sedert 71 geheel in de schaduw gesteld door de Kimberley-mijnen. Deze meer deftige titel werd van regeeringswege verleend aan zekere diggings, die in dat jaar werden ontdekt op eenigen afstand van de rivier, ten zuidwesten van Barkly, op een plaats "Vooruitzicht," het eigendom van zekeren de Beer, naar wien ze Old de Beer diggings werden genoemd. Op dezelfde plaats werd in Juli van hetzelfde jaar Colesberg-kopje ontdekt door Rawstorne van Colesberg, vanwaar de naam. Drie jaar later had een officiëele herdoping plaats in Dutoitspan-mijn, de Beers-mijn en Kimberley-mijn, in '82 werden de Bultfontein-diggins dezelfde eer waardig hekeurd. Deze mijnen zijn enkele mijlen va elkander verwijderd; met elkaar liggen ze binnen den omtrek van een cirkel van drie-en-een halve mijl in doorsnede. Ze lagen niet allen op den grond van de Beer, maar waren verdeeld over drie aangrenzende plaatsen.
Dutoitspan op de plaats van van Wijk, Bultfontein op die van du Plooij. De bezitters begonnen met het uitgeven van "briefjes" of "licences", die voor een geringe som verlof gaven tot graven, maar de snel aangroeiende zwerm delvers werd spoedig te groot naar hun smaak en de beide eigenaars ontdeden zich van hun bezitting, die spoedig in handen was van de London and South African Exploration Company. Dit voorbeeld werd gevolgd door de Beer, die zijn plaats verkocht aan een firma te Port-Elisabeth voor de som van 6000 pond. De nieuwe eigenaars maakten goede interesten van hun kapitaal door verhooging van de licencegelden, maar geraakten tevens in groote moeielijkheden met hun huurders, toen de exploitatie de beschikking over groote terreinen noodig maakte. In '75 leidde dit tot een Aprilbeweging, waarbij de delvers de oproervaan opstaken en met geweld een eind wilden maken aan hun grieven. De regeering kwam tusschenbeiden en kocht "Vooruitzicht" voor 100.000 pond sterling.
Die regeering zetelde te Londen, en dat wel sedert 1871. |In dat jaar toch werd Griqua-West verklaard te zijn Britsch grondgebied. Dit geschiedde onder protest van den Oranje-Vrijstaat, die tot dat tijdstip in Griqua-West sopuvereine rechten had uitgeoefend. Engeland grondde zijn aanspraken op zekere aanvraag op bescherming, vroeger gedaan door het hoofd der Griqua's, Nicolaas Waterboer. Die aanvraag was toen niet beantwoord, maar werd nu verhoord en Waterboer en zijn Griqua's aangenomen als onderdanen van hare Britsche Majesteit. De ambtenaren van den Vrijstaat trokken zich terug, laat ons zeggen uit beleefdheid voor de koningin; de reggering behield zich echter voor haar rechten te handhaven en bleef de wettigheid der annexatie betwisten. Die quaestie werd uitgemaakt bij het bezoek van president Brand te Londen, die op den 19den Juli 1876 een verdrag teekende, waarbij de Oranje-Vrijstaat afzag van zijn aanspraken en de Engelsche regegring daarvoor 90.000 pond sterling betaalde.
Daarmede was Engeland voor goed in het bezit gekomen van de landstreek, waarin de echte diamantgronden zijn gelegen, die tot nu toe voornamelijk beperkt zijn gebleven tot de vier bovengenoemde mijnen. Hun fabelachtige rijkdom gaf aanleiding tot een koortsachtige ijver in het zoeken naar dergelijke schatten. Ter goeder en ter kwader trouw werden allerlei geruchten verspreid van nieuwe ontdekkingen, tallooze maatschappijen verrezen; in 1880 tot 81 was er een share mania en menige "boom" werd ogericht op de fondsenmarkt en kapitalen verdobbeld. Een tal van diggings ontstonden rondom het rijke middelpunt en liggen nu allen verlaten. Hetzelfde zag men gebeuren aan gene zijde van de grens in het district Fauresmith van den Oranje-Vrijstaat. Daar overleefde slechts één mijn haar snel uitgebloeide mededingsters, en wel die te Jagerfontein, 80 mijlen ten zuiden van Kimberley. Zij levert nog jaarlijks voor ongeveer 50.000 pond.
De Kimberley-mijn is gelegen op een hoogte van 4050 voet boven de zee, in een zeer eentonige landstreek. De bodem is er golvend vlak en hoewel over het geheel bestaande uit sedimentaire gesteenten of uit leemgronden, op vele plaatsen doorbroken door ruggen van eruptieven oorsprong, Die rotsen vertoonen allerlei vormen, hun ouderdom is nog niet bepaald; zij behooren tot de ophyten en melaphyren.
De diamantmijnen, die wij nu zullen beschrijven, zijn door haar vorm eenig op aarde. Ze zijn bepaaldeljk van eruptieven aard. De sedimentaire gesteenten zijn namelijk doorboord door loodrechte kanalen, gevuld met gesteente, dat geheel verschilt van de omrngende formatie. Die eruptieve massa had boven het kanaal een kegel gevormd, die later door erosie verdween, zoodat er aan de oppervlakte geen spoor van de erupsie overbleef. Eerst toen de ontdekking der diamaten de aandacht op die plaatsen vestigde, kwamen de onderaardsche kanalen aan het licht. |
Fig. 1. Klomp blue ground met daarin gevatten diamenten. |
Het zijn als het ware reusachtige schoorsteenen. Zij heeten bij de Engelsche mijnwerkers pipe en de wand the reef. De inhoud van die pipe is de diamantgrond en de exploitatie van dien grond leidde tot een uitgraven van boven naar beneden, waardoor een put moest ontstaan. Die put had aanvankelijk bij de eigenlijke Kimberley-mijn een oppervlakte van 11 acres3. Later werd die opening door het instorten der wanden en het in talud brengen daarvan steeds grooter, zoodat de mijn tegenwoordig gaapt met een mond van 25-30 acres. Als de geheele wand een helling had van 30º zu het gat een oppervlakte hebben van 40 acres of ongeveer 1/16 van een vierkante mijl.
|
De pipe zelf is niet overal even wijd, maar vernauwt zich, hoewel daarentegen bij zeer diepe boringen - men bereikte meer dan 6000 voet diepte - weder een divergeeren der wanden is waargenomen. De diamantgrond bestond aanvankelijk uit een zachten gelen steen, die als hij aan de lucht werd blootgesteld, spoedig uiteen viel. Op een diepte van honderd voet verdween die grond tot grooten schrik van de mijnwerkers, die meenden den bodem van hun schatkist te hebben bereikt.
De grond werd steeds harder en veranderde van kleur. Het geel veranderde in leiblauw. Men ontdekte echter spoedig, dat de blue ground" evenzoo spoedig uiteenviel, als hij aan de lucht werd blootgesteld en dat hij even rijk en zelfs nog rijker was aan diamanten dan de "yellow ground". Het bleek, dat de gele grond niet anders was geweest dan de blauwe grond der diepte, die dichter bij de oppervlakte door atmosferischen invloed zijn samenhang en kleur had verloren (zie fig. 1).
Men is nu tot een diepte van 600 voet afgedaald, en de blauwe grond blijft constant, maar wordt steeds harder en meer en meer kristallijn. De wanden vertoonen een dergelijke verandering. De oppervlakte van de landstreek is bedekt met een roodachtigen zandigen grond, die een dunne laag vormt, afwisselend van enkele duimen tot een dikte van twee voet. Daarop volgt een laag van kalkachtig tuf, die nergens dikker is dan eenige voeten en zoowel de mijnen als den omtrek bedekt. Daar beneden begint eerst de scheiding van de pipe en den omringenden wand of reef. Die reef is in de Kimberley-mijn eerst een gele leisteen, die allerlei afwisselende tinten heeft van lichtgrijs tot roodachtig. Toen men de pipe had uitgegraven tot een diepte van 35 tot 50 voet kwam hierin verandering, de wand vertoonde daar een laag van zwarten kool-leisteen. De lagen van beide leisteenen zijn vrijwel horizontaal, hier en daar echter verstoord en, waar zij door de vertikale pipe zijn doorgebroken, zijn ze met een scherpen hoek naar boven gebogen, als door een kracht, die van beneden opwaarts werkte.
Op een diepte van 260-290 voet eindigt de lei en maakt plaats voor een ongestratifieerde basaltrots, de "hardrock" van de mijnwerkers. Hoever naar beneden deze basaltrots zich uitstrekt, is nog niet bekend, wel is het zeker, dat ze de pipe van alle zijden omringt. Het is doloriet van groote hardheid, die bij het aanleggen van mijngangen zeer moeielijk te bearbeiden is.
Aan de zuidzijde van de mijn werd in de lei een klomp steenkool gevonden en in de mijn zelve verkoolde houtfossielen. Dunne aderen kalkspaath komen menigvuldig voor, vaaliet, mica, ijzerpyriet en hoornblende zijn verspreid door den blauwen grond, met grootere en kleinere deelen leisteen, zandsteen en klompen doloriet. Hoewel uitvoerige analysen van den diamantgrond zijn gemaakt, is zijn ware aard nog steeds duister; een optelling van al zijn bestanddeelen zou een pagina vullen. Het is een conglomeraat, waarvan silex de basis is. De algemeen aangenomen theorie is deze, dat de pipe een schoorsteen is van een uitgebranden krater en dat de diamantgrond, die de pipe vult, is opgedreven uit een groote diepte, terwijl de diamanten ouder zijn dan de tijd der opstuwing.
De Kimberley-mijn werd den 21sten Juli 1871 voor het publiek geopend; d.i. toen werden de eerste licences voor het verwerven van een claim uitgegeven. De rijkdom van de mijn beloofde zeer groot te zullen zijn, zoodat de aanvraag om claims zeer levendig was. De brstaande oppervlakte diamantgrond bood slechts ruimte voor een beperkt aantal. De aandrang was echter zoo ggroot, dat zij verdeeld werden eerst in halven en kwarten, later tot achtsten en zestiendedeelen. Een persoon mocht niet meer dan twee claims bezitten en het combineeren van claims was ook verboden, zoodat, hoewel het aantal claims in de mijn niet grooter dan 500 was, het aantal deelnemers meer dan driemaal zoo groot was, of ongeveer 1600. Verscheiden mijnwerkers, die niet meer dan de gewone licence van 10 sh. per maand voor hun claim hadden betaald, brachten die voor 100 pond sterling aan den man en de waarde steeg bij de maand, zoodat tien jaar later claims voor 10,000 tot 15,000 pond sterling in andere handen overgingen.
Niettegenstaande den tegenstand van de mijnwerkers nam de inspecteur der mijnen, toentertijd nog een ambtenaar van den Oranje-vrijstaat, een maatregel, die voordeelig beloofde te zijn voor de exploitatie. In plaats van de geheele mijn voor uitgraving te bestemmen, bepaalde hij, dat van iedere claim een strook gespaard zou blijven om zoodoende wegen te vormen. De wegen liepen van het noorden naar het zuiden dwars over de mijn, in de richting van de kortste as. Zij hadden een breedte van 15 voet, en iedere claim moest dus aan de eene zijde een strook van 7½ voet missen. Dit verlies aan grond zou meer dan vergoed worden door het gemak bij de bewerking. Er waren er 14 of 15, die van het oosten naar het westen genummerd waren, en die getallen werden later nog steeds gebruikt bij plaatsbepalingen in de mijn, lang nadat ieder spoor van de wegen verdwenen was.
Reeds in den aanvang van het jaar 1872 begonnen zij onveilig te worden. Door het uitgraven der claims aan weerszijden van de wegen bleven loodrechte wanden staan, die hier en daar afbrokkelden en, nadat men reeds talrijke ongelukken had te betreuren, zoowel met de karren en de berijders op de wegen, als beneden in de diepte, werd het geheele verkeer langzamerhand onmogelijk.
In die dagen bood de mijn een schilderachtigen aanblik. Aan de oppervlakte had men de wegen, waarlangs een groote drukte heerschte van de honderden karren en wagens, waarmede de kostbare ladingen werden vervoerd van den uitgegraven grond, die buiten de mijn werd gebracht, om daar te worden bewerkt. Naast de wegen een reeks van vierkante kuilen met alle mogelijke afwisseling van diepte, naarmate het werk in iedere claim gevorderd was, en op den bodem duizenden mijnwerkers met hun gekleurde helpers, druk bezig met het losmaken en opdelven van den grond en het vullen van allerlei bakken en manden, waarin die naar boven moest worden gebracht. Dit geschiedde met takel en blok of ook wel dragende lanngs ladders of langs trappen, die in de rechte wanden waren uitgehouwen. Ieder volgde zijn eigen manier, als algemeene wet gold, dat men de wegen moest sparen. Niettegenstaande dit voorschrift, gebeurde het vaak, hetzij bij ongeluk of door eenig opzet, dat er massa's van de hooge wanden naar beneden stortten, waardoor gapingen ontstonden in de wegen, die overbrugd moesten worden.
Ieder had daarbij te zorgen voor zijn eigen deel en in den loop van het jaar '72 waren die gapingen zoo talrijk, dat de weg niet veel meer was dan een aaneenschakeling van allerlei steigerwerk, waarlangs het verkker steeds moeielijker en gevaarlijker werd. Het bleek meer en meer, dat er een afdoende systematische herstelling moest plaats hebben, maar terwijl men nog beraadslaagde, hoe hierin eenheid en samenwerking te verkrijgen, stortten de laatst overgebleven stukken, die het geheel samenhielden naar beneden en alles lag in een hopelooze ruïne in de diepte.
Enkele mijnwerkers verloren den moed en verkochten hun aandeel, omdat zij na deze ramp aan de toekomst der mijn wanhoopten. Toch was dit nog slechts het begin van een reeks onvoorziene ongelukken, die de Kimberley troffen en die een minder rijke bezitting ook zeker te gronde gericht hadden.
Het is jammer, dat er geen opgaven bestaan van het aantal arbeiders, dat toen in de mijn werkte; het kan niet minder geweest zijn dan 10 of 12,000 en enkelen spreken van wel tweemaal zooveel. |
Fig. 2. Ingang van de diamantmijn te Kimberley in Zuid-Afrika. (Naar een fotografie). |
Toen de wegen waren ingestort, was de vraag, hoe het werk voort te zetten, zoodat ieder vrijen toegang behield tot zijn claim, zonder daarbij zijn buren te hinderen. Voorloopig verschaften zich velen een zwevenden weg. Zij plaatsten een rad op den rand van de mijn, een ander in hun claim, ze legden er een riem zonder eind om, met twee bakken, waarvan de een gevuld de reis naar boven maakte, terwijl de ander ledig terugkeerde. Fig. 2 vertoont het begin van zulk een zwevenden weg. |
Fig. 3. Zwevende weg in de Kimberley-mijn. (Naar een fotografie). |
Fig. 3 is een uitgraving in de reef, om de bakken plaats te geven voor hun beweging langs de kabels. Op fig. 2 is de bak aan het begin van de baan, op fig. 3 ziet men den bak onderweg. Het bezwaar tegen een algemeene toepassing was plaatsgebrek aan den rand van de mijn en het kruisen der draden, wat de beweging der bakken hinderde.
Maar men kwam deze moeielijkheden te boven. Er werden rondom de mijn een aantal zware getimmerten opgericht, vier, vijf, zes verdiepingen hoog. Daardoor werd de gelegenheid tot gemeenschap met de mijn veel grooter. Van die verdiepingen werden vaste kabels gespannen naar de claims beneden, van de bovenste naar die in het midden van de mijn, van de benedenste naar die aan de buitenzijde, van iedere verdieping tien à twintig. Bij iederen kabel behoorde een wiel, waarover de lijn ging, die den bak langs den vasten kabel moest ophalen. Kaffers werden aan het werk gezet om de wielen te draaien. Het gedraai en geraas der duizenden wielen en wieltjes boven en beneden en langs de kabels in de lucht, dat tal van kabels zelf met het eindeloos komen en gaan der bakken, een spinnewiel gelijk, dik genoeg om zekere schaduw te geven in de mijn, en in het geheel, dat zwevende leven boven dien ruimen afgerond, bood in het jaar 1873 een hoogst eigenaardig, een eenig schouwspel.
Onze plaat (fig. 4) geeft er een denkbeeld van. |
Fig. 4. De Kimberley-mijn omstreeks 1873.
[Klik op de afbeelding voor een vergroting.]
|
(Wordt vervolgd). |
1 Voor de beide handelende personen in dezen, wil ik hopen, dat de een gezegd had, welke waarde de steen had en dat de ander verlof had van den eigenaar steetjes cadeau te geven. Uit den brief blijkt het een, noch het ander.
2 Een Engelsche mijl = 1609 meter.
3 Een acre = 0.404671 hectare. |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
→
| ↑ |
|