|
|
Over luchtbederf, luchtonderzoek en luchtverversching in onze woningen [IV].
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 December 1889 - 9e jaargang |
Fig. 3. Minimetrisch apparaat van Lunge. |
De toestel van Prof. G. Lunge te Zürich, minimetrisch apparaat genaamd (zie fig. 3) berust op de eigenschap van barietwater om met koolzuur een onoplosbare verbinding, koolzure bariet of bariumcarbonaat, te vormen. Het fleschje is met een dubbel doorboorde kurk gesloten, door welke een open glazen buis bd gaat, die tot bij den bodem reikt, terwijl een tweede korter buisje rechthoekig omgebogen is, in het fleschje slechts tot onder de kurk reikt en aan de andere zijde bevestigd wordt aan een elastieken buis c, die met een kaoutchouk-vallon a is verbonden. In de kaoutchoukbuis a bevindt zich een overlangsche spleet (zoogenaamde ventielklep), waaruit, als men de buis b met den vinger sluit en a samendrukt, zooveel lucht wordt uitgeperst, als de inhoud van den ballon a bedraagt. Laat men nu a vrij, dan sluit zich de klep in c en neemt men den vinger
|
van b weg, dan treedt door bd lucht in de flesch. In deze bevindt zich echter een bepaalde hoeveelheid barietwater, waardoor dus de lucht, vóór zij in de flesch komt, wordt heengezogen en waaraan zij haar koolzuur afgeeft, dat door schudden bevorderd wordt. Bij een volgende samendrukking van a wordt de, van koolzuur bevrijde, lucht door de spleet in c weer uitgedreven en daarna weer bij de uitzetting een nieuwe hoeveelheid lucht er door gezogen, gelijkstaande met den inhoud van a.
Met deze handeling wordt voortgegaan, totdat in het barietwater een duidelijke troebeling is gevormd. Als maatstaf daarvoor is van onderen tegen het fleschje een papiertje met potloodkruis geplakt en men neemt aan, dat de vereischte troebeling is gevormd, als men het kruis, door het vocht heen, niet meer ziet. Hoe meer lucht daartoe noodig is, des te geringer is haar koolzuurgehalte en lucht, die rijk is aan koolzuur, zal de troebeling dus zeer spoedig doen optreden. Bij koolzuurrijke lucht zullen dus minder, bij koolzuurarme meer vullingen van den ballon noodig zijn om de troebeling tot stand te brengen en men kan dus uit het aantal vereischte vullingen het koolzuurgehalte afleidingen. Daartoe wordt bij het toestelletje een gebruiksaanwijzing geleverd met een tabel, waarop, uit het aantal vullingen, na het koolzuurgehalte kan worden afgelezen. |
In het vorig jaar werd door Prof. Wolpert te Neurenberg een toestel van geheel anderen aard uitgevonden om het koolzuurgehalte der lucht te bepalen. Deze toestel, door hem "Luftprüfer," "luchtonderzoeker" genoemd, was in den zomer van 1888 te München op de Tentoonstelling van kunstnijverheid te zien en fig. 4 geeft er een afbeelding van.
De methode betust op de werking, die koolzuur uitoefent op een terkleurstof, de phenolphtaleïne, een verbinding, die tot de phenolen behoort en dus, evenals gewone phenol of carbolzuur, door alkaliën in een phenolaat, een zout, overgaat. De stof zelve is, opgelost in alcohol, kleurloos, doch het phenolaat heeft een violette kleur. Voegt men dus bij de alcoholische oplossing van phenolphtaleïne een alkalische stof, b.v. soda, dan wordt het vocht violet, doch bij vermenging met een zuur, dat er het alkali aan onttrekt, dus ook door koolzuur, wordt het violette vocht weer kleurloos.
Deze overgang is zeer schrp en geeft een gevoelig middel aan de hand om het koolzuur te herkennen. Voegt men bij de alcoholische oplossing van phenolphtaleïne een spoor eener sodaoplossing, dan verandert de kleur dadelijk in violet. Door de geringste hoeveelheid koolzuur, b.v. door eenige oogenblikken in de vloeistof te blazen, wordt zij weer kleurloos. Dit geschiedt ook, als men het vocht eenigen tijd in de lucht laat staan. Hoe meer koolzuur dus de lucht bevat, des te sneller zal die ontkleuring plaats hebben.
Op deze beginselen berust de toestel van Wolpert. De door soda violetgekleurde oplossing wordt hierbij bereid van een bepaalden sterktegraad, zoodat voor de ontkleuring van een zeker volumen vocht steeds evenveel koolzuur vereischt wordt. De bereiding van dit proefvocht, alsmede het doel en de inrichting der verschillende onderdeelen worden uitvoerig beschreven in de gebruiksaanwijzing, die den toestel vergezelt. |
Fig. 4. Luchtonderzoeker van Wolpert. |
De toestel fig. 4 wordt aan den wand opgehangen en heeft van boven een houten dwarsplankje, waarop een glazen bak wordt geplaatst, die met het gekleurde proefvocht gevuld is. Van achteren bevindt zich in die plank een opening en nauwkeurig daaronder is een blikken driehoek (op de figuur zichtbaar), langs welken een wit katoenen draad is opgehangen, die langs een wit porseleinen plaat met verdeelde schaal naar beneden loopt, waar hij voorzien is van een glazen kogeltje om hem gespannen te houden, zoodat hij loodrecht boven het glazen bakje blijft hangen, waarin het vocht moet worden opgevangen.
Langs dezen draad vloeit het gekleurde vocht naar beneden. Daartoe bevindt zich op het vocht in den glazen bak een metalen drijver en daaraan is een glazen hevelbuisje bevestigd, waarvan een uiteinde in het violette vocht ondergedompeld is, terwijl het andere over den rand van den bak juist boven de opening in de plank uitkomt. Dit laatste uiteinde van de hevelbuis is een fijn haarbuisje en, nadat men het vocht door een kaoutchouk-ballon in den hevel heeft opgezogen, vloeit het zeer langzaam, droppel voor droppel, uit het buisje op den blikken driehoek, vandaar naar den draad en kleurt dezen rood. Het hevelbuisje kan in den drijver hooger of lager worden verschoven en daardoor de uitvloeiingssnelheid worden geregeld. Bij gewone temperatuur moet elke 2 minuten een droppel op den draad vallen.
De droppels vloeien langs den draad naar beneden en deze wordt, eerst van boven, langzamerhand ook naar onderen rood gekleurd, hetgeen tegen de witporseleinen plaat duidelijk zichtbaar is. Door het koolzuur der lucht wordt die kleur langzamerhand gebleekt en wel des te sneller, naarmate de lucht meer koolzuur bevat. Is er slechts weinig koolzuur in de lucht, dan wordt de draad, zelfs bij langere aanraking met de lucht, niet gebleekt en blijft, tot het onderste uiteinde toe, rood. Men vindt dus op de verdeelde porseleinen schaal onderaan de uitdrukking rein, pur. Bevat de lucht meer koolzuur, dan behoeft het vocht slechts een korteren weg te doorloopen om ontkleurd te worden en bij een zeer groot gehalte wordt de draad reeds van boven gebleekt. De hoeveelheid vocht in den bak is voldoende voor 10 à 12 dagen. Om verdamping en toetreding van lucht te beletten, wordt op de oppervlakte van het vocht een laagje mineraalolie gegoten.
Op de schaal achter den draad zijn verschillende namen geplaatst, die het koolzuur gehalte aangeven en, volgens Wolpret, overeenkomen met de volgende hoeveelheden koolzuur: |
| zeer zuiver |
bij |
minder |
dan |
0,5 |
pro |
mille |
koolzuur |
| zuiver |
" |
" |
" |
0,5-0,7 |
" |
" |
" |
| voldoende |
" |
" |
" |
0,7-1 |
" |
" |
" |
| slecht |
" |
" |
" |
1-2 |
" |
" |
" |
| zeer slecht |
" |
" |
" |
2-4 |
" |
" |
" |
| uiterst slecht |
" |
meer |
" |
4 |
" |
" |
" |
De aanwijzingen van dezen toestel zijn voldoende nauwkeurig, althans indien men slechts den graad van verontreiniging door het koolzuur wenscht te kennen. Bepalingen van het koolzuurgehalte der lucht langs scheikundigen weg hebben mij, bij vergelijking met den toestel van Wolpert, bewezen, dat de aanwijzingen in den regel vrij wel daarmede overeenstemmen.
Deze toestel heeft bovendien het hroote voordeel, dat hij zelfwerkend is en voortdurend, zonder eenig toezicht, zijn functie vervult. Dit is juist een groot voordeel bij het gebruik door niet-deskundigen, daar dezen elk oogenblik zelven kunnen aflezen, tot welken graad het luchtbederf in een vertrek is gestegen. De sierlijke vorm maakt den toestel ook tot een fraai kamerornament, dat, evenals thermometer en barometer, aan den wand wordt opgehangen.
Nu wij de voornaamste verontreinigingen, die in de lucht kunnen voorkomen, hebben leeren kennen, zullen wij thans nog een oogenblik stil staan bij eenige middelen, die kunnen dienen tot luchtverbetering of luchtverversching in onze woningen.
De kennis dier middelen is van zeer veel gewicht, daar wij zagen, dat de lucht als onze eerste en voornaamste voedingsstof moet beschouwd worden en de zuiverheid daarvan is dus een der eerste eischen der hygiène. Slecht drinkwater en bedorven lucht zijn de twee hoofdoorzaken van ziekte of althans van de langzame vernietiging onzer gezondheid, en de lucht levert in dit opzicht nog grootere gevaren op dan het water, daar men er veel meer en onophoudelijk gebruik van maakt en men tegen de nadeelige invloeden niet zoo goed kan waken, als bij het drinkwater b.v. geschiedt door den aanleg van waterleidingen of door waterfilters, enz.
De gevaren der bedorven lucht zijn in den regel bij het algemeen niet onbekend, doch men handelt meestal volkomen in strijd met die kennis, en ademt ten allen tijde met volle teugen de bedorven lucht in, zonder zich te bekommeren om de nadeelen, die er uit kunnen voortvloeien.
Wij kunnen hier niet in uitvoerige beschouwingen treden omtrent het ingewikkelde vraagstuk der ventilatie of luchtverversching en van de vele methoden, die men in fabrieken, groote gebouwen, enz. toepast tot reinigen der lucht op grootere schaal. Die methoden kunnen toch niet toegepast worden in onze woningen en wij bepalen ons dus tot het geven van eenige eenvoudige wenken voor de luchtzuivering in onze woon- en slaapvertrekken. In de woonkamers, en vooral in de slaapkamers, waar wij zulk een groot deel van ons leven doorbrengen, is de zorg voor de zuivering der lucht een levensvraag.
In vroegere tijden had men aangaande de luchtverversching zeer vreemdsoortige begrippen. Men meende de lucht te kunnen verbeteren door middel van allerlei riekende stoffen; men strooide b.v. jeneverbessen op gloeiende houtskool, brandde pastilles, essencen, rookkaarsjes, enz. en nog tegenwoordig tracht men dikwijls hetzelfde te bereiken in ziekenkamers door besprenkelen met azijn, eau-de-Cologne, enz. Doch het is duidelijk, dat al zulke middelen met luchtverversching niets hebben uit te staan. Zij kunnen den onaangenamen reuk der bedorven lucht bedekken of masqueeren, doch niet de onzuivere bestanddeelen wegnemen. En die handelwijze is dan juist nog te gevaarlijker, daar men, in het vertrouwen, dat de lucht er door gezuiverd is, haar straffeloos meent te kunnen inademen.
Merken wij reeds dadelijk op, dat een zekere mate van ventilatie in onze woningen reeds van zelf plaats heeft door muren, steenen, vensters, deuren, enz. en dit is een groote zegen, daar het anders met de luchtverversching in onze kamers nog treuriger zou gesteld zijn, dan thans reeds het geval is.
De muren zijn, zelfs als zij uit de dichtste en hardste steenen bestaan, steeds eenigszins poreus, zooals men kan bewijzen door een gewonen metselsteen over de geheele oppervlakte te bedekken met paraffine, behalve op twee tegenover elkaar liggende cirkelvormige ruimten, waarop aan weerszijden een glazen trechter volkomen luchtdicht wordt bevestigd. Blaast men nu met kracht door een der trechters, dan treedt door den anderen een luchtstroom uitm dien men kan waarnemen door er een kaars voor te plaatsen, of men kan lichtgas door een der trechters laten stroomen en dit aan den anderen kant aansteken.
Het binnentreden van versche lucht door de poriën der muren wordt vooral bevorderd door het verschil in temperatuur binnen en buiten de woning. Vooral in den winter zal het sterker zijn, daar dan de in den schoorsteen opstijgende verwarmde lucht uit het vertrek door koude buitenlucht wordt aangevuld. Vandaar dat men in den winter dikwijls wind en tocht in de nabijheid der muren kan bespeuren. Doch deze luchtstroomen bestaan zelfs dan, als wij ze door het gevoel niet kunnen opmerken. Wij kunnen nl. geen luchtstroomen meer door het gevoel bespeuren, welker snelheid minder bedraagt dan 1/2 meter per secunde en dit is een ware zegen, want von Pettenkofer zegt: "Wie elk oogenblik alle bewegingen der lucht in een groote kamer kon waarnemen, zou razend worden."
Doch deze luchtverversching is ver van voldoende voor het wegvoeren der bedorven en den toevoer van versche lucht. Daarrtoe is een kunstmatige ventilatie noodig, welke in onze kamers echter reeds in veke gevallen door eenvoudige hulpmiddelen kan verkregen worden.
Door het stoken heeft reeds een zekere mate van luchtverversching in onze woningen plaats. De warme lucht in den schoorsteen is lichter dan de koudere uit het vertrek, stijgt dus op en wordt door de kamerlucht vervangen, die, door den rooster heen, wordt opgezogen. De bedorven lucht wordt dus afgevoerd en dadelijk weer door buitenlucht vervangen, die door reten en voegen van deuren en vensters, de poriën der muren, enz. binnentreedt.
Bij het verblijf van veel personen in een vertrek is zulk een luchtverversching natuurlijk onvoldoende en men tracht dus door een andere inrichting der kachels deze ventilatie te bevorderen, waartoe vooral het zoogenaamde "mantelsysteem" in aanmerking komt. De kachel is hier geheel omgeven door een van boven geopenden "mantel", waardoor versche lucht wordt aangevoerd door een kanaal, dat door den muur met de buitenlucht in verband staat. De lucht tusschen de kachel en den mantel wordt verwarmd, stijgt dus op en wordt door het kanaal door buitenlucht vervangen. Deze lucht wordt echter eerst verwarmd, stijgt dus op en komt door de bovenste opening van den mantel in het vertrek, zoodat men geen hinder heeft van een kouden luchtstroom. De verwarmde lucht stijgt naar boven, koekt af en daalt dus weer naar beneden, waar zij wordt ingeademd, om daarna, met de uitademingsgassen, door een kanaal te worden afgevoerd, dat langs de kachel in den schoorsteen voert. Deze mantelkachels llaten een sterke ventilatie toe; een kachel volgens het systeem Schmölcke, tevens als reguleer-vulkachel ingericht, kan per uur 1400 kub. meter bedorven lucht af en versche lucht toevoeren.
Deze ventilatie kan echter slechts in den winter dienst doen en dan zelfs in den regel nog slechts in de woonkamers, terwijl in de slaapkamers, waar meestal niet gestookt wordt, de ventilatie juist veel noodzakelijker is. Ook in de woonkamers is in den zomer een andere wijze van luchtverversching noodig, daar het temperatuursverschil tusschen de kamer- en buitenlucht dan te gering is en er dus veel minder natuurlijke ventilatie plaats heeft.
Als eenvoudig, doch tamelijk doeltreffend en zeer goedkoop middel tot luchtverversching kan men van den schoorsteen gebruik maken. Men maakt in den schoorsteenmuur, dicht bij het plafond, een opening van 20 centimeter in het vierkant, die van een ijzeren deurtje wordt voorzien, dat men 's nachts openzet. De warme lucht in het slappvertrek stijgt op, wordt door de opening in den schoorsteen gezogen en dan door versche lucht vervangen, die door deuren, vensters, enz. toetreedt. |
Fig. 5. Rook- en luchtzuiger van Wolpert. |
Op deze wijze kan een zeer voldoende luchtverversching worden verkregen, waarbij het koolzuurgehalte niet hooger stijgt dan 1 pro mille. Ten einde in dit geval den afvoer der lucht uit den schoorsteen te bevorderen en den nadeeligen invloed van den wind op den luchttrek te verhinderen, verdient het aanbeveling, op den schoorsteen den door Prof. Wolpert uitgevonden rook- en luchtzuiger (zie fig. 5) te plaatsen. De getrokken pijlen stellen in de figuur de windrichting voorm de gestippelde pijlen de opgezogen lucht. Uit de figuur blijkt, zonder nadere verklering, dat de wind hier niet nadeelig op den trek in den schoorsteen zal werken, doch dezen zelfs bevordert.
Ook door de vensters kan in onze woonvertrekken reeds een zekere luchtverversching verkregen worden. De gewone schuiframen, die nog al te veel, ook in moderne huizen, worden aangetroffen, zijn daartoe echter niet geschikt. De ramen moeten integendeel zóó zijn ingericht, dat ook het bovengedeelte beweegbaar is en naar beneden geschoven kan worden, zoodat de warmere bedorven lucht, die opstijgt, daardoor kan ontwijken. Men kan ook in het bovengedeelte een der ruiten beweegbaar maken, hetgeen vooral voor slaapkamers zeer aan te bevelen is, vooral als het schuifraam eenigszins opgeschoven of de deur open is. |
| Toch kan dit middel niet altijd worden toegepast, daar de inrichting bij sterken wind tocht veroorzaakt en ook bij regenweer onbruikbaar is. Men heeft getracht dit bezwaar weg te nemen door twee beweegbare ruiten achter elkaar aan te brengen, met openingen, die niet juist tegenover doch eenigszins boven elkaar zijn geplaatst. |
| Meer aanbeveling verdienen echter de in den laatsten tijd in den handel gebrachte, zoogenaamde glasjalousieën, die in fig. 6 zijn afgebeeld. In plaats van een beweegbare ruit, bevestigt men in het bovengedeelte van het raam een stelsel van glazen platen, die, evenals bij jalousieën schuins boven elkaar zijn geplaatst, zoodanig dat zij buiten- en benedenwaarts gericht zijn, zoodat zij wel lucht, doch geen tocht of regen toelaten. Zij zijn bovendien voorzien van een kettinkje, waardoor men de geheele inrichting kan openen of sluiten. De glasjalousieën zijn verkrijgbaar bij de firma Bouvy te Amsterdam. |
Fig. 6. Glasjalousieën tot kamerventilatie. |
Fig. 7. Geperforeerde ruit. |
Eindelijk moeten wij nog melding maken van een andere uitvinding van den laatsten tijd op het gebied der kamerventilatie, nl. de geperforeerde ruiten van Prof. Trélat te Parijs. Daar deze ruiten (zie fig. 7) reeds in den Jaargang 1886 van "De Natuur" (15 Augustus) zijn beschreven en afgebeeld, herinneren wij hier slechts, dat deze ruiten voorzien zijn van naar buiten conisch toeloopende gaten (ongeveer 5000 per vierk. meter) en dat de nuttige werking daarop berust, dat de buitenlucht door deze openingen wel naar binnen dringt, doch zich, wegens den naar binnen wijder uitloopenden kegelvorm, dadelijk langs den binnenwand der ruit naar alle zijden verspreidt, zoodat de |
luchtstroom geen tocht veroorzaakt, en zelfs een zuiging teweeg brengt, waardoor lucht uit het vertrek naar buiten wordt gevoerd. Ook deze ruiten zijn voorhanden bij de forma Bouvy te Amsterdam en te Dordrecht. Daar de ruiten een groote ventileerende oppervlakte aanbieden, nl. 3 vierk. decimeter per vierk. meter, verdienen zij voor de ventilatie in scholen, hotels, hospitalen, slaap- en woonkamers, enz. alle aanbeveling.
Het zou ons te ver voeren hier ook de vele andere ventilatiemethoden te bespreken, die dienen om op grootere schaal een voldoende luchtverversching te verkrijgen. Wat wij hier hebben medegedeeld, moge voldoende zijn om den lezer te overtuigen van de hooge noodzakelijkheid van zuivere lucht en hem te doen zien, dat aan de luchtverversching in onze woningen nog veel ontbreekt en dat daarin, zelfs door eenvoudige en niet kostbare middelen, reeds veel verbetering kan gebracht worden.
Moge men van de noodzakelijkheid dier verbeteringen meer en meer doordrongen worden, dan zal dit, niet slechts aan het welzijn van elk individu op zichzelven, doch ook aan de algemeene gezondheid ten goede komen. |
| Zutphen, Mei, 1889 |
Dr. A.J.C. Snijders |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
↑ |
|