|
|
Over luchtbederf, luchtonderzoek en luchtverversching in onze woningen [III].
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 November 1889 - 9e jaargang |
Behalve door het sluiten der schuif kan het kooloxyd uit de kachel nog op andere wijze in het vertrek geraken. St. Claire-Deville had reeds aangetoond, dat ijzer in gloeienden toestand sommige gassen doorlaat, vooral waterstof. Volgens sommigen zou gloeiend ijzer ook kooloxyd doorlaten en kan dit dus gevaar voor de gezondheid opleveren. Hoewel dit feit nog niet met zekerheid vaststaat, zoo kan het gloeiend worden der kachel toch nog op een andere wijze aanleiding geven tot het ontstaan van kooloxyd. In de lucht van een bewoond vertrek zweven steeds tallooze stofdeeltjes, die grootendeels van organische natuur zijn en dus koolstof bevatten. Deze stofjes ndergaan door de aannraking met den gloeienden kachelwand een droge destillatie, waardoor onaangenaam riekende gassen ontstaan, terwijl de koolstof deels tot koolzuur, doch voor een deel ook tot het vergiftige kooloxyd verbrand wordt.
De voorzichtigheid gebiedt dus reeds in dit opzicht de kachel nooit gloeiend te stoken, hetgeen bovendien uit een hygiënisch oogpunt zeer is af te keuren, daar ons lichaam, terwijl de kamerlucht betrekkelijk koud is, aan de naar de gloeiende kachel gekeerde zijde een zeer sterke éénzijdige verwarming ondergaat, hetgeen stoornissen in de gezondheid veroorzaakt. Daarom verdient het zeer aanbeveling de kachels aan de binnenzijde met vuurvasten steen te bekleeden. Deze is een slechte warmtegeleider, belet dus het gloeiend worden van den ijzeren wand en maakt bovendien een veel gelijkmatiger verwarming veel langer bewaard en dus ook beter verbruikt wordt.
Onvoorwaardelijk moeten echter de zoogenaamde natron-carbonkachels of verplaatsbare kachels, "poêles mobiles" worden afgekeurd en wij vestigen op het gevaar daarvan hier te meer de aandacht, daar deze kachels nog steeds met den grootsten ophef en met de schitterendste reclame in de dagbladen worden aangekondigd, waarbij zij door de fabrikanten met de meeste brutaliteit als volkomen onschadelijk voor de gezondheid worden voorgestetld.
Men brandt in deze kachels een op bijzondere wijze geprepareerde kool. die door den uitvinder natron-carbon wordt genoemd en die zoo volkomen verbrandt., dat er noch rook, noch roet wordt gevormd, zoodat voor deze kachels noch schoorsteen, noch pijp noodig is. Zij kunnen dus in de kamer willekeurig verplaatst worden, vereischen geen toezicht, maken schoonmaak en schoorsteenvegers overbodig en zouden het ideaal kunnen uitmaken voor elke zindelijke huismoeder, als... de uitvinder niet één hoogst gewichtig punt: het luchtbederf, had over het hoofd gezien. Het is waar, dat er geen zichtbare rook ontstaat, doch het is een ware struisvogeltactiek, als de fabrikant voor het publiek de nadeelen van het stelsel tracht te verbloemen door het beginsel: "wat men niet ziet, deert niet."
Integendeel worden in de natroncarbonkachels twee onzichtbare gassen, koolzuur en kooloxyd gevormd, die vrij wat meer schade zullen doen dan rook of roet, vooral kooloxyd, dat niets anders is dan de gevreesde "kolendamp." En het gevaar is hier juist zoo groot, omdat bij deze kachels al het kooloxyd, dat anders in den schoorsteen komt, nu in de kamer ontwijkt.
Onlangs zijn in het Hygiënisch Instituut te Berlijn belangrijke proeven met de natron-carbon-kachels genomen door dr. Petri, een bekend hygiënist. Hij vond, dat alle kachels, waarbij verbrandingsgassen geheel of ten deele in de kamer stroomen, uit een hygiënisch opzicht zeer nadeelig zijn. Reeds dadelijk bij het branden dezer kachels kon kooloxyd in de lucht van het vertrek worden aangetoond, hoewel de afmetingen der kamer tamelijk groot waren.
Petri nam proeven met muizen, die in kooien in het vertrek geplaatst waren, op verschillende afstanden van de carbon-natronkachels. De dieren stierven reeds na 2-3 uren, tengevolge van vergiftiging door kooloxyd, welk gas in hun bloed kon aangetoond worden. Gevallen van kooloxydvergiftiging met doodelijken afloop bij menschen, die deze kachels gebruijten, zijn in de dagbladen herhaaldelijk, zelfs nog in den afgeloopen winter vermeld.
Terecht heeft dus de ruisische regeering in den aanvang van dit jaar officieel de aandacht van het publiek gevestigd op de uitkomsten der proeven van het hygiënisch bureau en tegen het gebruik der natron-carbonkachels gewaarschuwd en zulk een waarschuwing zou zeker ook in ons land zeer wenschelijk zijn.
Om zulke uiterst geringe hoeveelheden kooloxyd in de lucht of in andere gassen aan te toonen, moet men van zeer gevoelige hulpmiddelen gebruik maken. Vóór eenigen tijd heeft men daartoe een uitmuntende en uiterst gevoelige reactie toegepast, hoewel reeds daarop in 1859 door Böttger de aandacht gevestigd was, nl. het palladiumchloruur, een verbinding van chloor met het tot de groep der platina-metalen behoorende palladium. Door kooloxyd wordt uit deze verbinding het palladium als een zeer fijn verdeeld poeder afgescheiden met een zwarte of grijze kleur. Brengt men in het kooloxyd een papiertje, dat met de oplossing van palladiumchlorrur doortrokken is, dan wordt het dadelijk grijs of zwart gekleurd.
Van andere toevallige gasvormige bijmengselen der lucht komen er slechts weinige in aanmerking bij een bespreking der lucht in onze woningen. Chloor, zwavelwaterstof, koolwaterstoffen, enz. komen slechts op bepaalde plaatsen, b.v. in de nabijheid van fabrieken, riolen, grachten, enz. voor. In onze woningen kunnen de beide laatstgenoemde gassen in de lucht geraken door de gootsteenen, waterafvoerbuizen, enz. waaruit zij naar onze woningen opstijgen. De maatregelen, die daartegen uit een gezondheidsoogpunt bij den bouw onzer woningen kunnen genomen worden, zijn echter reeds vroeger in dit tijdschrift besproken, zoodat wij daarover niet verder zullen uitweiden1.
Slechts één gas zullen wij, met het oog op de verontreiniging der lucht, nog nader bespreken, n.l. het lichtgas. Wij bedoelen hier niet de gevaren, die het lichtgas oplevert met het oog op ontploffingen, daar deze slechts zeer zeldzaam zijn en, bij de noodige voorzorgen, gemakkelijk kunnen voorkomen worden. Doch het lichtgas kan ook op zichzelf gevaar voor de gezondheid opleveren, als het zich, hetzij door een lek in de buisleiding, hetzij door de grondleiding met de lucht onzer woningen vermengt.
Het lichtgas is een zeer samengesteld mengsel, dat behalve koolwaterstoffen en vrije waterstof, ook een zekere hoeveelheid kooloxyd bevat. Dit kan zelfs tot 10 pCt. van het gas bedragen. Bij inademing levert het dus dezelfde gevaren op als het gas uit brandende kachels en dikwijls zijn gevallen van vergiftiging vermeld door het uitstroomen van lichtgas in slaapkamers uit de huis- of de straatleiding. Het laatste is wellicht nog gevaarlijker dan het eerste, omdat dan de oorzaak nniet zoo gemakkelijk kan opgespoord worden.
Max von Pettenkofer vermeldt o.a. een geval van een R.C. geestelijke te Augsburg, die door een onbekende ziekte werd aangetast en aan den rand des grafs werd gebracht, doch waarbij ten slotte bleek, dat de oorzaak moest gezocht worden in een lek in de straatleiding, waardoor lichtgas in het slaapvertrek van den geesteljke was doorgedrongen. Hij herstelde dan ook spoedig, toen hij in een andere woning was overgebracht. Opmerkelijk was hierbij, dat de toestand van den patiënt steeds verergerde, als in het vertrek gestookt werd, hetgeen echter in het volgende zijn verklaring vindt.
Er bestaat n.l. verband tusschen de bodemgassen en de lucht in onze woningen, zooals men door vele verschijnselen heeft bevestigd gezien. Merkwaardig is het geval, dat insgelijks door v. Pettenkofer wordt vermeld. Gedurende den tijd van de gisting der wijnmost kon men duidelijk aantoonen, dat het koolzuur uit de kelders zich in het huis verspreidt en kon het in de kamers aangetoond worden. Door stoken in de kamers kon men de kelderlucht naar willekeurige plaatsen van het huis opzuigen. In een kamer, gelijkvloers gelegen, vond men 50 pCt., op de eerste verdieping 38 pCt. kelderlucht.
Bij het opstijgen van het lichtgas uit de straatleiding werkt dus vooral ook het verschil in temperatuur tusschen de lucht in den bodem en die in de woning mede. De laatste is steeds warmer en stijgt door hare lichtheid op, oefent daardoor een zekere zuiging uit op de bodemlucht en deze dringt daardoor in de woning. Daarom wordt het verschijnsel ook het meest in den winter waargenomen, daar dan de lucht in de woning door het stoken warmer en de bodemlucht kouder is. Om dezelfde reden zal het zich ook het meest voordoen in slaapkamers, waar de lucht steeds warmer is dan de buitenlucht.
Merkwaardig is dan ook het feit, door Max von Pettenkofer en A. Wagner2 vermeld, dat de meeste lichtgasvergiftigingen voorkomen in huizen, die geen gasleiding hebben. Bij het bestaan van een lek in de straatleiding vredient het dus aanbeveling, althans in slaapkamers, vooral op den beganen grond de vensters te openen. Als afdoend middel tegen dergelijke ongevallen kan men, rondom het huis tot op de diepte van den kelder, naar boven open kanalen aanleggen.
Hoewel het lichtgas een zeer kenschetsenden reuk heeft, kan men het toch bij het ontwijken uit den bodem door die eigenschap, naar het schijntm niet altijd herkennen. Ten eerste geschiedt de uitstrooming van het gas langzamerhand en tevens schijnt het, door den invloed van den bodem, zijn reuk grootendeels te vreliezen. H. Bunte en Leybold3 hebben echter later omtrent dit punt onderzoekingen gedaan en eenen, dat dit verlies van den reuk van het gas in den bodem slechts schijnbaar is. Zij vonden, dat bij het gewone lichtgas die reuk, welke door zeer geringe hoeveelheden van niet nader bekende stikstof- en zwavelhoudende stoffen wordt teweeggebracht, nog duidelijk merkbaar is bij een gehalte van 1 à 2 dln. lichtgas op 1000 dln. lucht en dat personen met een gevoelig reukorgaan zelfs 0,3 dln. op 1000 dln. kunnen herkennen. De onderzoekers komen tot het besluit, dat het lichtgas, bij het doorstroomen van den grond, slechts een anderen reuk aanneemt, doch dien niet vreliest. Zij meenen dus, dat een doodelijke ewrking van het lichtgas niet is te vreezen, daar in (1 à 2/10.000) lichtgas, dat door den reuk gemakkelijk herkend kan worden, hoogstens 2/100.000 kooloxyd voorkomt en deze hoeveelheid niet doodelijk is.
Wij moeten hierbij evenwel opmerken, dat ook een wijziging van den reuk het herkennen van het lichtgas reeds moet belemmeren, dat de genoemde, zeer geringe hoeveelheid kooloxyd niet doodelijk moge zijn, maar toch op den duur nadeelig zal werken, terwijl in den slaap of door personen met mider fijnen reuk zelfs grootere hoeveelheden lichtgas niet zullen waargenomen worden.
Het verdient dus steeds aanbeveling voorzorgen tegen een mogelijke vergiftiging te nemen, te meer, daar wij een uiterst gevoelig herkenningsmiddel voor het lichtgas bezitten in het reeds bovenvermelde palladiumchloruur. Daar het lichtgas steeds kooloxyd bevat, heeft het dus ingelijks de eigenschap om uit die stof fijnverdeeld palladium af te scheiden. Papiertjes, met een oplossing van palladiumchloruur doortrokken, werden op de "Jaarlijksche Vergadering van Duitsche gas- en waterleidingsbeambten" in 1886 aanbevolen als een uitmuntend middel om het uitstroomen van gas in den bodem te onderzoeken, een punt, waarop reeds vóór eenigen tijd in dit Tijdschrift de aandacht werd gevestigd4. Wij voegen daarbij nog slechts dat de opgerolde papiertjes in glazen buisjes worden gebracht, die weer bevestigd worden op korte smeedijzeren buisjes. Deze worden dan in den grond gestoken op elke willekeurige plaats, waar men naar een gasuitstrooming wil zoeken. Het buisje zuigt de lucht uit den grond op, die dus langs het papier wordt gevoerd em dit, als er lichtgas aanwezig is, bruin of zwart kleurt.
Thans moeten wij overgaan tot de bespreking van andere gasvormige bijmengselen der lucht, die van veel algemeeneren aard en dus van veel meer beteekenis zijn dan de laatstgenoemde, daar zij overal voorkomen, waar de mensch zijn schreden richt.
Deze verontreiniging, die ons als een onverbiddelijk vijand overal en ten allen tijde vervolgt, is een uitvloeisel en een noodzakelijk gevolg van ons eigen levensproces, van onze ademhaling. Men heeft gevonden, dat bij de ademhaling, behalve koolzuur en waterdamp, steeds ook verschillende organische vluchtige producten in de lucht gebracht worden, die met de gewone ademhalingsgassen worden uitgeademd.
Van de vorming dier organische uitwasemingen kunnen wij ons gemakkelijk overtuigen. Reeds de onaangename, bedorven geur, die ons des morgens bij het binnentreden van een gesloten, nog niet gelucht slaapvertrek te gemoet treedt, bewijst, dat hier nog andere gassen zijn uitgeademd dan het reukelooze koolzuur en water. Hetzelfde blijkt, als men in een slaapvertrek, dat 's nachts gesloten is geweest, een koude karaf water plaatst en het zich daarop verdichtende water eenigen tijd laat staan. Het vertoont dan den onaangenamen reuk van rottende organische stoffen.
Dat deze uitademingsgassen van organische natuur zijn, kan worden aangetoond door eenigen tijd te blazen in een zeer verdunde oplossing van kalium-permanganaat, die een zwakke violette kleur heeft. Na eenigen tijd in het vocht geblazen te hebben, zal men de kleur zien verdwijnen, daar het kalium-permangaat door organische stoffen tot een kleurlooze verbinding gereduceerd wordt, terwijl koolzuur en water op die stof niet werken.
Terwijl nu het koolzuur op zichzelf onschadelijk is, moeten deze uitgeademde organische gassen als zeer gevaarlijk beschouwd worden, daar zij tot de zwaarste vergiften behooren.
Het is zeer merkwaardig, dat de mensch door zijn eigen ademhaling de lucht vergiftigt, die hij zoo hoog noodig heeft. J.J. Rousseau heeft reeds gezegd: "L'haleine de l'homme est mortelle pour l'homme" en deze uitspraak van den dichter is door de nieuwste onderzoekingen der wetenschap ten volle bevestigd.
Vóór vele jaren reeds maakte Dubois-Reymond opmerkzaam op een uit de longen afgescheiden vergift, dat hij "anthropoxine", d.i. "menchenvergift" noemde. Een ander onvermoeid kampioen voor de hygiène en vooral voor de zuivere lucht, Dr. P. Niemeijer, bestempelt deze uitademingsstoffen met den weinig uitlokkenden, doch zeer juistten naam van "adem-excrementen".
Korten tijd geleden, in 1887, zijn deze stoffen voor het eerst nader onderzocht door den Franschen physioloog Brown-Séquard, professor aan het Collège de France en den natuurkundige d'Arsonval. Reeds de overeenkomst in reuk, die in alle slecht geventileerde ruimten, slaapkamers, enz. wordt waargenomen, deed vermoeden dat men hier steeds te doen heeft met dezelfde stof, of althans met stoffen van denzelfden aard. De genoemde onderzoekers toonden nu proefondervindelijk aan, dat dit inderdaad het geval is en dat de uitademingsproducten waarschijnlijk zeer na verwant zijn aan de ptomaïnen of lijkenalkaloïden.
Brown-Séquard nam met de uitademingsproducten ook physiologishce proeven op dieren. Hij verdichtte de uitademingsgassen in zuiver gedistilleerd water en spoot dat in de aderen van konijnen of honden. Reeds bij inspuiting met geringe hoeveelheden, n.l. 4-8 gram der oplossing, vertoonden zich geringe vergiftigingsverschijnselen, als: verwijding der pupil, krampaanvallen, zwakte, versnelde pols, enz. Bij inspuiting van 20-25 gram waren die verschijnselen veel heviger, vergezeld van koliek, hevige pijnen, verlammingen, terwijl in bijna alle gevallen na 3-4 dagen de dood optrad. Dat het water zelf bij die inspuiting geen nadeelige ewrking had, bleek daaruit, dat de dieren bij inspuiting met zuiver water volkomen gezond bleven. Ook het uitgeademde koolzuur kon geen invloed hebben, daar dit vooraf verwijderd was.
Ook andere onderzoekers verkregen dergelijke uitkomsten. Hammond bevrijdde een zekere hoeveelheid lucht, die door het verblijf van veel menschen in een gesloten ruimte bedorven was, van koolzuur en water en bracht daarin een muis. Het dier stierf na 45 minuten.
Uit dit alles blijkt voldoende, dat de door den mensch uitgeademde organische producten niet slechts schaelijk zijn, doch zelfs tot de hevigste vergiften behooren. Brown-Séquard trekt dan ook uit zijn proeven het besluit, dat het de met deze uitademingsproducten bezwangerde lucht is, die het verblijf in slecht geventileerde ruimten op den duur zoo gevaarlijk maakt, daar het zuivere koolzuur, zelfs bij een gehalte van 10 pCt., voor ons organisme onschadelijk is.
In slecht geventileerde ruimten blijven die organische uitademingsproducten zeer lang zweven en later verdichten zij zich tegen allerlei voorwerpen: meubels, gordijnen, tapijten, en\., hechten zich daaraan zeer hardnekkig vast en gaan op den duur in rotting en ontbinding over, waarbij zij een zeer onaangenamen stank verspreiden. Bij het verblijf in zulken ruimten worden die stoffen ingeademd en de zoete rust in onze slaapkamer of het gezellig samenzijn van veel personen in een klein vertrek wordt dus daardoor tot een langzame en verraderlijke vergiftiging, die in haar verschijnselen overeenkomt met de vergiftiging door lijken-alkaloïden.
Inderdaad: de wetenschap is prozaïsch in haar onthullingen. Toch heeft dit proza ook zijn goede en nuttige zijde, want de verkregen kennis strekt tot ons heil en ons welzijn. Wij kunnen ons er door wapenen tegen den onzichtbaren vijand en er onze gezondheid door bewaren, die toch zeker een belangrijke factor is in de poëzie des levens.
Hoe kunnen wij ons nu tegen dezen onzichtbaren en gevaarlijken vijand wapenen?
Een eerste vereischte daartoe is dien vijand op te sporen, het terrein te verkennen en daarnaar de te nemen maatregelen in te richten.
Doch daarbij stuiten wij juist op groote bezwaren. Vooreerst bespeuren wij de nadeelen van de inademing dier gassen, in den vorm van hoofdpijn, benauwdheid, duizeligheid, onmacht, enz. in den regel eerst, als het te laat is, terwijl wij de geringere verontreinigingen, die toch op den duur insgelijks zeer nadeelig zijn, in het geheel niet waarnemen en de personen, die veel in slecht geventileerde ruimten vertoeven, hun gezonde kleur verliezen, veel minder bestand zijn tegen ziekten, enz. zonder dat zij de oorzaak daarvan kennen.
Bij gemis aan positieve kenmerken van het luchtbederf voor onze zintuigen, is de bepaling van den graad der verontreiniging langs anderen weg dikwijls zeer gewenscht en noodzakelijk. Men zou dus het gehalte der lucht aan vergifte uitademingsproducten moeten vaststellen. Doch dit is vooralsnog volkomen onuitvoerbaar, daar men, wel-is-waar den aard en het karakter dier producten heeft onderzocht, doch hunne chemische samenstelling volstrekt niet bekend is en dus van een quasntitatieve bepaling in de lucht volstrekt geene sprake kan zijn.
Nu mag men echter veilig aannemen, dat de vorming dier organische uitwasemingen gelijken tred houdt met de uitademing van koolzuur en water, daar zij, met deze, door de longen worden uitgeademd. Dit blijkt daaruit, dat, hoewel het koolzuur op zich zelf geen vergiftig gas is, toch steeds, met het koolzuurgehalte van een vertrek, het luchtbederf en de benauwdheid geregeld toenemen.
Max von Pettenkofer heeft dit bovendien ook proefondervindelijk bewezen. Bepaalde hij het koolzuurgehalte in vertrekken, waar de lucht geen bedorven of onaangenamen reuk vertoonde en de daarin aanwezige personen geene nadeelige gewaarwordingen ondervonden, dan bleek het steeds zeer gering te zijn, nl. minder dan 1 pro mille, d.i. minder dan 1 vol. koolzuur op 1000 vol. lucht. Daarentegen leerde het onderzoek van lucht in een vertrek, waar veel menschen bijeen waren, waar de lucht benauwd was en door de aanwezigen onfrisch werd genoemd, dat daar het koolzuurgehalte steeds meer dan 1 pro mille bedroeg en dat het steegm naarmate de onaangename gewaarwordingen toenamen.
Von Pettenkofer vond voor het koolzuurgehalte |
| in een vertrek met niet bedorven lucht |
1 |
pro mille |
| in de kraamzaal te München |
2,4 |
" |
| in de volle collegezaal, einde-uur |
3,2 |
" |
| in een bierkneipe |
3,8 |
" |
| in een zeer druk bezochte bierkneipe |
3,8 |
" |
Er bestaat dus een geregeld verband tusschen het koolzuurgehalte en de hoeveelheid der uitgeademde organische producten. Men kan dus uit het koolzuurgehalte van een vertrek de betrekkelijke verontreiniging der lucht afleiden en von Pettenkofer neemt daarom, op grond van bovengenoemde onderzoekingen, als maximum voor het koolzuurgehalte in een vertrek 1 pro mille aan.
Feitelijk komt het dus bij het luchtonderzoek slechts daarop aan, het gehalte aan koolzuur te bepalen. Daarvoor bestaan vele wetenschappelijke methoden, die in den regel daarop berusten, dat men een bepaald volumen lucht uit het vertrek in voldoende aanraking brengt met een stof, die zich met koolzuur gemakkelijk verbindt, b.v. net kaliloog of, zooals bij de methode van von Pettenkofer, met kalk- of barietwater en vervolgens langs chemischen weg bepaalt, hoeveel koolzuur in deze stoffen is opgenomen.
Deze methoden zijn echter voor een leek niet geschikt en voor dezen is het dan ook van weinig belang de hoeveelheid koolzuur in de lucht nauwkeurig te kennen, doch voor hen komt het er slechts op aan, den graad van verontreiniging te onderzoeken en na te gaan, of de geoorloofde maximale grens van het koolzuurgehalte al of niet is overschreden. Hiertoe zijn in de laatstte jaren eenige toestellen uitgevonden, waarvan wij een paar der meest doelmatige aan den lezer willen voorstellen, nl. den toestel van Lunge en dien van Wolpert. |
| (Slot volgt). |
Dr. A.J.C. Snijders. |
1 Zie: "de Natuur" 1887, 15 Maart.
2 Journ. für Gasbeleuchtung u. Wasserversorgung, 1884. 27. blz. 219.
3 Journ. für Gasbeleuchtung u. Wasserversorgung, 1884. 28. blz. 673.
4 De Natuur. 1888, 15 Maart, blz. 90. |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
→
| ↑ |
|