Luchtbederf, luchtonderzoek, luchtverversching [II]


← overzicht
Inhoud
Start
Over luchtbederf, luchtonderzoek en luchtverversching in onze woningen [II].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 October 1889 - 9e jaargang


   De tot nog toe genoemde gassen komen ten allen tijde in meerdere of mindere hoeveelheid in de dampkringslucht voor en leveren, als zij in normale hoeveelheid daarin gevonden worden, geen gevaren voor de gezondheid op.
   Anders is het met vele gasvormige stoffen, die zonder bepaald tot de samenstelling der lucht te behooren, daarin toch dikwijls voorkomen als gevolg van bijzondere processen en die dus als toevallige bijmengselen moeten beschouwd worden. Zij vooral eischen onze bijzondere aandacht, daar vele dier gassen zeer schadelijk voor onze gezondheid zijn en men dus hun vorming zooveel mogelijk moet trachten te voorkomen of, voor zoover zij in onze omgeving noodzakelijk optreden, hen daaruit zoo spoedig mogelijk moet tracten te verwijderen.
   Tot die schadelijke toevallige bijmengselen der lucht behoort in de eerste plaats het zeer vergiftige gas: kooloxyd. Dit is, evenals het koolzuur, een verbinding van koolstof met zuurstof, doch die minder, nl. half zooveel zuurstof bevat dan het koolzuur. Hieruit volgt reeds, dat men het zal kunnen verkrijgen door aan het koolzuur de helft der zuurstof te onttrekken, bv. door het koolzuur te voeren over gloeiende houtskool, die er de helft der zuurstof uit opneemt en dus in kooloxyd overgaat, terwijl ook het koolzuur in kooloxyd verandert. In het laboratorium wordt kooloxyd dan ook somtijds bereid door koolzuurgas te voeren door een buis met gloeiende houtskool en evenzoo ontstaat het overal, waar een overmaat van gloeiende kool met lucht in aanraking is. Een deel der kool verbrandt tot koolzuur en dit wordt door een nieuwe hoeveelheid der gloeiende kool omgezet in kooloxyd.

   Om deze reden ontstaat het dikwijls in vertrekken of vooronders van schuiten, waar potten met gloeiende kolen 's nachts ter verwarming worden geplaatst. Daar het kooloxyd volkomen onzichtbaar en reukeloos is, levert het juist zulke groote gevaren op, daar men tegen dit vergiftige gas niet, zooals bij vele andere schadelijke gassen, door den reuk gewaarschuwd wordt, zoodat men het ongemerkt inademt en het gevaar niet bespeurt, vooral in den slaap. Vandaar dat men in den winter in de dagbladen zoo dikwijls berichten leest van verstikking door "kolendamp", zooals dit gas door leeken wel eens ten onrechte wordt aangeduid.
   De uiterst vergiftige werking van het kooloxyd is onlangs nader proefondervindelijk onderzocht door prof. Uffelman, directeur van het hygiënisch Instituut te Rostock. Deze nam met dit gas proeven op zichzelven en vond, dat het reeds ernstige nadeelen begint op te leveren, als het gehalte der lucht aan dit gas nog slechts 4/10000 bedraagt.
   In grootere hoeveelheden werkt het kooloxyd zelfs snel doodelijk; levensgevaarlijk is reeds een gehalte van 2/1000, bij inademing gedurende 1/2 à 1 uur. Het veroorzaakt duizeling en bedwelming, waardoor de persoon, die het inademt, het bewustzin verliest, hetgeen vooral in den slaap gevaarlijk is, daar men dan de nadeelige werking niet bespeurt, vóór het te laat is. Slechts als de bloedvergiftiging nog niet te ver is gevorderd, is nog herstel mogelijk door kunstmatige ademhalige.

   De vergiftige werking berust daarop, dat het bloed kooloxyd opneemt, waardoor een wijziging optreedt in de bloedkleurstof of haemoglobine, die daardoor ten slotte ongeschikt wordt tot opname van zuurstof, hetgeen den dood tengevolge heeft.
   Hierbij werkt niet zoozeer de duur der inademing nadeelig, doch meer de hoeveelheid van het kooloxyd in de ingeademde lucht; het menschelijk organisme bezit nl. het vermogen om zeer geringe hoeveelheden kooloxyd, zelfs als zij langen tijd achtereen in het bloed geraken, door oxydatie onschadeljk te maken, hetgeen bij grootere hoeveelheden niet meer mogelijk is.
   Met betrekking tot het kooloxyd moeten wij de aandacht van den lezer vooral vestigen op twee oorzaken, waardoor het in de lucht onzer woningen kan geraken, nl. de kachels en de gasverlichting.

   In onze kachels wordt steeds kooloxyd gevormd en wel tengevolge van dezelfde werking, die bij de bereiding van dit gas uit koolzuur wordt toegepast. De lucht, die door de rooster binnendringt, doet de onderste lagen der steenkool, turf, turf. enz. tot koolzuur verbranden, dat door de hoogere lagen gloeiende kool opstijgt en door deze in kooloxyd wordt veranderd.
   De vorming van dit gas levert een groot gevaar op, daar men dikwijls de gewoonte heeft, als de kachel eenmaal goed doorbrandt, de schuif in de kachelpijp geheel of gedeeltelijk te sluiten, ten einde de warmte niet te veel in den schoorsteen te laten verloren gaan of om het vuur te matigen. Vooral in slaapkamers, waar deze slechte gewoonte dikwijls gevolgd wordt, is het gevaar groot, daar men in den slaap de nadeelige werking niet bespeurt en bij het ontwaken dikwijls niet meer in staat is om voor toevoer van versche lucht te zorgen. Herhaaldelijk vindt men dan ook melding gemaakt van ongevallen, die aan deze onvoorzichtigheid zijn toe te schrijven, nog in den laatsten winter zelfs met bijna doodelijken afloop. Daar nu, niettegenstaande alle waarschuwingen, het publiek steeds voortgaat met deze gevaarlijke handelwijze, verdient het ten sterkste aanbeveling voortaan steeds kachelpijpen zonder schuif te bezigen en dan door een andere inrichting b.v. een afsluitbare klep onder den rooster, de temperatuur van het vuur mogelijk te maken.

   In dit geval moet echter de kacheldeur anders ingericht zijn. Men heeft nl. het bezwaar van het uitstroomen van kooloxyd trachten te voorkomen door de schuif van de kachelpijp geheel weg te nemen en dan, als de kolen sterk gloeiend zijn en de vluchtige producten uit de steenkool door den schoorsteen ontweken zijn, de lucht van het vertrek door een luchtdichte kacheldeur geheel af te sluiten. Nu heeft echter in dat geval nog steeds verbranding plaats, daar, zelfs bij afsluiting, in den schoorsteen luchtstroomen ontstaan, waardoor versche lucht aan de kachelruimte wordt toegevoerd. Terwijl nl. in den schoorsteen de warme lucht opstijgt, daalt een koude luchtstroom langs de schoorsteenwanden naar beneden. De daardoor optredende geringe toevoer van lucht veroorzaakt echter een onvolkomen verbranding der kool, wardoor dus hoofdzakelijk kooloxyd gevormd wordt en daar de kacheldeur toch nooit volkomen luchtdicht gesloten kan zijn, is er steeds nog gevaar voor kooloxydvergiftiging aanwezig. Daarom verdient het de voorkeur om de kachelruimte niet volkomen af te sluiten, doch in het deurtje kleine openingen aan te brengen, die dus ook nog eenige lucht toelaten, als de kacheldeur gesloten is. Bij het sluiten van de schuif onder den rooster wordt dan de verbranding voldoende vertraagd, doch treedt toch lucht genoeg binnen om het kooloxyd te verbranden tot onschadelijk koolzuur. Bij de nieuwste reguleer-vulkachels is dan ook voor die volkomene verbranding van het kooloxyd zorg gedragen.

   (Wordt vervolgd). Dr. A.J.C. Snijders.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→