Luchtbederf, luchtonderzoek, luchtverversching [I]


← overzicht
Inhoud
Start
Over luchtbederf, luchtonderzoek en luchtverversching in onze woningen [I].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 September 1889 - 9e jaargang


   In de huishouding der natuur, zoowel als in het menschelijk leven is er geene stof, die een meer gewichtige rol speelt in een oneindig aantal van verschijnselen dan de dampkringslucht. Wij wenschen hier slechts aan een enkele klasse dier verschijnselen onze aandacht te wijden, nl. aan die, welke het gevolg zijn van de betrekkingen tusschen het levensproces van den mensch en den hem omringenden dampkring.
   Dat de lucht en het leven door onverbreekbare banden met elkaar vereenigd zijn, dat wij ons het laatste zonder de eerste niet kunnen denken en dat ons geheele leven een voortdurende bevrediging is van de behoefte aan lucht, zal hier niet nader behoeven te worden toegelicht. Evenmin zullen wij uitvoerig stilstaan bij de beide hoofdbestanddeelen der lucht: de stikstof en de zuurstof, die in de volumenverhouding van ongeveer 79 en 21 er in voorkomen. Wij herinneren den lezer slechts, dat de zuurstof gekenmerkt is door de eigenschap de verbranding sterk te onderhouden, terwil de stikstof juist omgekeerd werkt, de verbranding niet onderhoudt en zelfs een brandend lichaam uitdoofd. De stikstof vervult dan ook in de lucht slechts een passieve rol, nl. om de al te sterke werking der zuurstof bij de ademhaling en de verbranding te temperen.

   Welke is echter de rol, die de zuurstof der lucht in ons levensproces speelt? Bij deze vraag zullen wij vooraf een oogenblik moeten stilstaan, daar van die werking de samenstelling der lucht in hooge mate afhankeljk is.
   Dat die rol onafscheidelijk met ons leven verbonden is, volgt reeds uit de voortdurende behoefte aan lucht, den luchthonger, die ons geen oogenblik verlaat, van onzen eersten ademtocht tot onzen jongsten snik en wiens waarschuwende stem wij geen oogenblik in den wind kunnen slaan, zonder dat hij zich onmiddellijk wreekt, veel meer zelfs dan de honger naar spijs of drank.
   Terwijl men in een etmaal slechts ongeveer 3 of 4 malen eet en daarbij 3 à 4 liter aan vaste en vloeibare spijzen opneemt, ademt men 16 malen in de minuut of 23,000 malen per etmaal en gebruikt in dien tijd niet minder dan 9000 liter lucht. Een stof, die in zoo groote hoeveelheid en onophoudelijk in ons lichaam wordt opgenomen, moet daar dus wel een gewichtige rol vervullen.
   En dit is dan ook inderdaad het geval. De lucht werkt in ons organisme, zooals reeds in het woord luchthonger ligt opgesloten, als een voedingsstof, ja, zij is zelfs ons voornaamste voedingsmiddel, en zonder haar zouden ook de gewone voedingsstoffen voor ons lichaam van geen het minste nut zijn. Dit zal ons blijken, als wij, in korte trekken, de werking der lucht op ons lichaam, eenigszins nader gaan beschouwen.

   Die werking, de ademhaling, komt overeen met de rol, die de lucht speelt bij de verbranding. Het scheikundig proces der verbranding bestaat daarin, dat de bestanddeelen der brandende stof zich met de zuurstof der lucht chemisch verbinden. Daarbij ontstaat warmte, daar deze een noodzakelijk gevolg is van elke chemische verbinding. Als wij b.v. houtskool verbranden, verbindt zich deze stof met de zuurstof der lucht tot de verbinding koolzuur; bij verbranding van waterstof verbindt zich deze met de zuurstof tot water en beide verschijnselen gaan gepaard met ontwikkeling van warmte.

Fig. 1. Hoe men de verbrandingsproducten van alkohol aantoont.
Fig. 1. Hoe men de verbrandingsproducten van alkohol aantoont.
   Verbranden wij nu een kaars of een weinig alkohol, waarin als bestanddeelen de elementen koolstof, waterstof en zuurstof voorkomen, dan verbrandt ook in dit geval de koolstof tot koolzuur en de waterstof tot water. Dit kunnen wij zien door boven de brandende kaars of het schaaltje met alkohol een droge glazen klok te plaatsen (fig. 1), die dan met water zal bestaan en waarin wij het gevormde koolzuur kunnen aantoonen door den inhoud te schudden met kalkwater, dat door koolzuur troebel gemaakt wordt.

   Een dergelijke rol speelt de zuurstof der lucht nu ook bij onze adermhaling. Ademhaling is langzame verbranding. De ingeademde zuurstof dringt in de longen, wordt in het bloed gebracht, met den bloedstroom naar alle lichaamsdeelen vervoerd en aldaar verbruikt om deze te verbranden. Ook in onze lichaamsbestanddeelen komen, met vele andere, de elememten koolstof, waterstof en zurstof voor. Bij de ademhaling verbrandt dus de koolstof weer tot koolzuur, de waterstof tot water, die worden uitgeademd, terwijl andere ontledingsproducten het lichaam langs verschillende verlaten. Evenals bij de kaars, kunnen wij het uitgeademde koolzuur aantoonen door de troebeling, die bij het uitademen in kalkwater ontstaat, het uitgeademde water door het beslaan van een koud voorwerp.
   Ook ontstaat hier, evenals bij de kaars, als gevolg van de chemische verbinding warmte, waardoor de constante temperatuur van het lichaam ontstaat. Doch behalve die warmteontwikkeling heeft de voeding nog een andere, zeer gewichtige beteekenis; door de verbranding en ontleding der lichaamsbestanddeelen, en dus eigenlijk door de verbranding der voedingsstoffen, uit welke die lichaamsdeelen zijn gevormd, wordt het arbeidsvermogen geleverd, waardoor ons lichaam tot elken lichamelijken en geestelijken arbeid in staat wordt gesteld. Deze beide hoofdbeginselen der voeding, het leveren van warmte en arbeid, kunnen dus niet tot stand komen alleen door de opname onzer gewone voedingsmiddelen, doch slechts door de medewerking der zuurstof van de lucht, die voor hun ontleding en verbranding onmisbaar is. In dien zin is dus de lucht zelfs de voornaamste en onmisbaarste van alle voedingsstoffen. Het is dus duidelijk van hoeveel gewicht een voldoende toevoer van lucht, en van zuivere lucht, voor het leven en de gezondheid is.

   En toch: hoeveel laat die zuiverheid der licht in onze woningen nog veelal te wensch over! Het is opmerkelijk, dat, bij al de goede zorgen, die men tegenwoordig besteedt aan de verbetering en de zuiverheid onzer gewone voedingsmiddelen, men tot nog toe aan de samenstelling van de lucht slechts zeer weinig aandacht heeft gewijd.
   Op de samenstelling onzer gewone spijzen en dranken wordt tegenwoordig, zij het ook nog geenszins in voldoende mate, veel meer toezicht gehouden dan vroeger, hunne vervalschingen worden met prijzenswaardigen ijver te keer gegaan; doch het meerendeel der menschheid bekommert zich al zeer weinig om de zuiverheid der lucht, die het inademt, hoewel deze geen minuut kan gemist worden en in onzuiveren toestand, onophoudelijk haar nadeelige erking op ons organisme uitoefent en dus voor onze gezondheid van nog veel grootere beteekenis is dan onze ovrige voedingsmiddelen.
   Wel is waar, kan van een eigenlijke vervalsching der lucht geen sprake zijn, daar zij geen handelswaar, doch overal en ten allen tijde voor iedereen gratis verkrijgbaar is. Doch dit neemt niet weg, dat de lucht, nog veel meer dan eenig ander voedingsmiddel, aan voortdurende verontreiniging is blootgesteld, een verontreiniging, die wij in den regel niet kunnen beletten, daar zij onafscheidelijk verbonden is met de rol, die de lucht in de natuur en het leven speelt.
   Doch daardoor juist is dat luchtbederf in onze woningen nog veel gevaarlijker dan de vervalsching der levensmiddelen. De verontreiniging der lucht stelt ons bovendien voortdurend aan gevaar bloot, dat nog daardoor vermeerdert, dat het in den regel niet dadelijk bemerkbaar is en, zoo dit het geval is, er uit gewoonte weinig beteekenis aan wordt gehecht.

   De geringe aandacht, die in het algemeen nog aan het bederf der lucht wordt geschonken, berust dus in hoofdzaak op onbekendheid met den aard der verontreinigingen en met de ernstige gevolgen, die zij bij voortdurende inademing kunnen na zich slepen. Daarom te meer is het noodig de aandacht er zooveel mogelijk op te vestigen. Wel is waar, kunnen wij de verontreiniging zelve niet voorkomen, doch wij kunnen de grenzen bepalen, die wij aan haar toename in de lucht moeten stellen en de middelen aangeven, die ons in staat stellen om de onzuivere lucht zoo spoedig mogelijk buiten het bereik onzer longen te brengen.
   De verontreinigingen der lucht zijn deels gasvormig, deels vast. Van de vaste bijmengselen der lucht komen, met het oog op onze gezondheid, hoofdzakelijk de bacteriën, als kiemen van allerlei verderfelijke ziekten, in aanmerking. Daar deze echter eerst onlangs in dit tijdschrift uitvoerig zijn besproken1 zal ik mij hier slechts bepalen tot de gasvormige verontreinigingen der lucht, die dan ook in gewone gevallen bij het luchtbederf in onze woningen het meest onze aandacht verdienen.
   Men kan deze gasvormige verontreinigingen onderscheiden in constante en toevallige. De eerste komen steeds en overal in de lucht voor, daar zij een onmiddellijk gevolg zijn van de normale chemische processen in de lucht; de laatste vormen zich slechts hier en daar op bepaalde plaatsen, tengevolge van bijzondere verschijnselen.

   De constante bijmengselen der lucht zijn hoofdzakelijk: koolzuur, waterdamp, ammoniakverbindingen, ozon, alsmede de organische uitshceidingsproducten van menschen en dieren. Al deze stoffen komen, met de hoofdbestanddeelen zuurstof en stikstof, ten allen tijde in de lucht voor en van haar hoeveelheid hangt dus voornamelijk de toestand der lucht, met het oog op meerdere of mindere zuiverheid, af. Onderzoekingen wij dus in de eerste plaats, hoe deze stoffen in de lucht gevormd worden en in hoever zij als nadeelig voor den mensch moeten beschouwd worden. Het koolzuur komt langs zeer verschillende wegen in de lucht. Het is een verbinding van koolstof en zuurstof en vormt zich, zooals wij reeds bij de brandende kaars zagen, overal daar, waar koolstofhoudende stoffen verbranden. In de eerste plaats vormt het zich dus bij de gewone verbranding van houtskool, hout, turf, steenkool, cokes, enz. doch verder ook bij de verschillende verlichtingsmethoden daar deze, behalve het elektrisch licht, steeds berusten op verbranding van koolstofhoudende stoffen, als olie, petroleum, kaarsen, lichtgas, enz. Een derde vormingswijze van het koolzuur, insgelijks reeds boven vermeld, is de ademhaling, terwijl ook bij de verrotting van plantaardige of dierlijke stoffen koolzuur ontstaat, daar ook dit langzame verbranding is. Eindelijk stroomt het koolzuur op vele plaatsen, vooral in de vulkanische streken, uit den bodem, zooals b.v. de Hondsgrot bij Napels, die reeds aan Plinius bekend was, te Pyrmont bij Laachermeer, enz. Op laatstgenoemde plaats stroomt in één etmaal niet minder dan 150,000 kub. meters koolzuur uit den grond.

   Men zou dus, op grond van de vele processen, waarbij groote hoeveelheden koolzuur in de lucht gebracht worden, geneigd zijn tot de meening, dat deze laatste zeer spoedig ongeschikt moest worden voor onze ademhaling, daar het koolzuur een gas is, dat noch de verbranding, noch de ademhaling onderhoudt. En toch is dit niet het geval. Het evenwicht wordt hier weer op merkwaardige wijze hersteld door den kringloop, dien de natuur aan het koolzuur heeft aangewezen. De plantenwereld immers kan zich slechts ontwikkelen door opname en ontleding van het koolzuur en dit wordt dus aan de lucht voortdurend door de planten onttrokken, terwijl zij daaraan weer zuurstof afstaan.
   Vandaar dat het koolzuurgehalte in de buitenlucht in het algemeen niet hooger stijgt dan 4-6 op 10,000 vol. lucht. In een glas met kalkwater, dat in de buitenlucht geplaatst is, ontstaat dan ook eerst bij herhaald omschudden lamgzamerhand een zwakke troebeling van koolzure kalk/

   In gesloten vertrekken echter - en daarmede zal ik mij hier slechts bezighouden - kan het koolzuurgehalte veel sneller toenemen en tijdelijk veel hooger stijgen. Hier ontstaat het hoofdzakelijk tengevolge van de ademhaling en de kunstmatige verlichting, want het door de verbranding in kachels, enz. gevormde koolzuur komt hierbij niet in aanmerking.
   Dat reeds door de ademhaling alleen de lucht aanmerkelijk verontreinigd wordt, blijkt daaruit, dat een volwassen persoon in één uur ongeveer 20-25 L. zuurstof verbruikt en 20 L. koolzuur aan de lucht afgeeft.
   Doch veel nadeeliger werkt in dit opzicht de vrelichting onzer woningen, want daardoor worden, in denzelfden tijd, veel grootere hoeveelheden oolzuur gevormd dan door de ademhaling. Dit blijkt uit het volgende overzicht; in één uur worden gevormd:

door een volwassen mensch 20,0 liter koolzuur,
door een petroleumvlam ronde pit 61,1 liter koolzuur
door een gasvlam, gasverbr. 140 L. per uur 92,8 liter koolzuur
door een stearinekaars 20,0 liter koolzuur.

   Een gasvlam van een gewonen Argandbrander, die 140 L. gas per uur verbruikt, levert dus evenveel koolzuur als ongeveer 5 volwassen personen. Een stearinekaars geeft echter in één uur slechts 20 L. koolzuur af, doch dit is slechts schijnbaar een gunstiger geval. Een enkele stearine kaars, die slechts een betrekkelijk zeer geringe lichtkracht bezit, ontwikkelt reeds evenveel koolzuur als een volwassen persoon. Nu staat de lichtkracht van een Argandbrander ongeveer gelijk met die van 14 stearinekaarsen. Wil men dus door kaarsen evenveel licht voortbrengen, als met een Argandbrander kan verkregen worden, dan levert die verlichting ongeveer 280 L. koolzuur per uur, d.i. nog driemaal zooveel als de gasverlichting.
   De verlichting door kaarsen werkt dan ook met het oog op de koolzuurontwikkeling, het nadeeligst. Daarop volgt de patentolie, vervolgens het lichtgas en eindelijk petroleum. Bij gelijke lichtkracht, wordt dus door de petroleumverlichting de lucht het minst verontreinigd, behalve natuurijk door het elektrisch licht en de ventileerende gasverbranders, waarbij de verbrandingsproducten van het gas door de inrichting der lamp zelve uit het vertrek worden verwijderd.
   Door deze oorzaken kan dus het koolzuurgehalte in een gesloten vertrek zeer spoedig toenemen. Bevinden zich b.v. in een vergaderzaal van 500 kubieke meter inhoud 40 personen en 12 gasvlammen, dan worden reeds in één gevormd:

door de ademhaling 40 x 20 = 800  L. koolzuur
door de verlichting 12 x 92,8 = 1113,6  "      "
dus te zamen: 1913,6  "      "
of ruim 1,9 kub. meter.

   Op een volume van 1000 kub. meter bedraagt dus de toename 3,8 kub. meter en was het koolzuurgehalte in het vertrek vóór de vergadering b.v. 0,6 pro mille, dan zou het, zonder eenige luchtverversching, na een uur reeds gestegen zijn tot 3,8 + 0,6 = 4,4 pro mille, terwijl het slechts 1 pro mille mag bedragen.
   Zoo hoog zal het koolzuurgehalte echter, ook in een gesloten vertrek, niet stijgen, zelfs al is er geene opzettelijke inrichting voor luchtverversching, omdat er door den schoorsteen, de muren en vensters, de deuren, enz. steeds een geringe luchtverversching plaats heeft.
   Bovendien is het zuivere koolzuur op zich zelf binnen zekere grenzen niet bepaald schadelijk voor den mensch. Het is waar, dat het koolzuur niet de verbranding onderhoudt en men er dus niet in kan ademen of kan leven, doch vergiftig, zooals b.v. het kooloxyd, is het koolzuur niet. Dit volgt reeds daaruit, dat het ten allen tijde in onze longen en ons bloed in groote hoeveelheden voorkomt, ja zelfs een normaal bestanddeel daarvan vormt.
   Zuiver koolzuur werkt dus eerst dan nadeelig, als het gehalte boven een zekere grens stijgt, als er dus gebrek aan zurstof ontstaat en het niet adembare koolzuur de overhand vrekrijgt. Nu is echter het koolzuur, dat door de ademhaling in de lucht komt, zooals wij nog nader zullen zien, volstrekt niet zuiver, doch bevat steeds andere - en wel zeer schadelijk - bijmengselen. De nadeelen zullen daardoor dus veel eerder merkbaar worden, dan bij het inademen van zuiver koolzuur.

   Hoever de verontreiniging van de lucht met zuiver koolzuur en de vermindering van het zuurstofgehalte kan gaan, zonder dat dit voor onze gezondheid bezwaren oplevert, is niet gemakkelijk te bepalen.
   De Engelsche physioloog Angus Smith heeft dit punt onderzocht door proeven op zichzelven te nemen. Hij sloot zich op in een luchtdicht gesloten ruimte en begon eerst na een verblijf van 2 uren een zeker gevoel van beklemdheid te bespeuren, het zuurstofgehalte der lucht was toen gedaald van 21 proc. tot 19,6 proc. Toen het verminderd was tot 17,4 proc. ontstond het gevoel van bewusteloosheid. Daarentegen viel een gezonde en sterke vrouw reeds in onmacht bij een zuurstofgehalte van 19 procent.
   Hierbij komt echter niet zoozeer het gemis aan zuurstof of het groote koolzuurgehalte in aanmerking, doch de nadeelige invloed is te wijten aan de door de ademhaling gevormde, reeds genoemde schadelijke gassen. Verwijdert men met deze ook het koolzuur, dan kan het zuurstofgehalte zelfs van 21 proc. dalen tot 4 à 5 proc., mits de vermindering langzamerhand geschiede. Ook het gehalte aan koolzuur, mits dit zuiver zij en niet vermengd met andere producten der ademhaling kan ver boven het normalr gehalte van 1 pro mille stijgen, zelfs tot 10 procent, vóórdat het bij de ademhaling bezwaren oplevert.
   Volgens nieuwere onderzoekingen kan het koolzuurgehalte der lucht zelfs nog hooger stijgen, zonder bepaald gevaar op te leveren. De Fransche physioloog Brown-Séquard heeft onlangs in een lezing voor de "Société de Biologie" medegedeeld, dat hij dieren zonder bezwaar voor hun gezondheid, nog levend had gehouden in de lucht, die niet minder dan 60 proc. koolzuur bevatte. Zoowel hij zelf, als zijn medewerker d'Arsonval hebben zonder hinder lucht ingeademd, die 20 proc. koolzuur bevatte. Doch het spreekt van zelf, dat bij deze proeven slechts sprake was van het zuivere, niet van het door den mensch uitgeademde onreine koolzuur.

   Een ander normaal bijmengsel van de dampkringslucht is de waterdamp. Dat deze stof steeds in de lucht voorkomt, kan ons niet verwonderen, als wij bedenken, dat de laatste bijna overal met het vloeibare water in aanraking is en dit reeds bij gewone temperatuur - en onder sommige omstandigheden b.v. door den wind zelfs zeer snel - verdampt. Door verdamping van het water der zee, van rivieren, grachten, slooten, enz. wordt dus reeds veel water in de lucht gebracht. Bovendien ontstaat er, zooals wij gezien hebben, waterdamp door de ademhaling, de verbranding onzer brandstoffen en dus ook door de gewone verlichting, want bij al deze processen worden stoffen verbrand, die waterstof bevatten en deze verbindt zich bij de verbranding met de zuurstof der lucht tot water. De vorming van water bij al deze verschijnselen kan aangetoond worden door het aanslaan van het water tegen een koud voorwerp. Ook de aanwezigheid van waterdamp in de lucht kan, althans indien de vochtigheid der laatste, niet te gering is, daaruit blijken dat zich tegen koude voorwerpen, b.v. de koude glasruiten of een koude karaf, waterdroppels afzetten.

   Zonder gebruik te maken van afkoeling kan men den waterdamp in de lucht ook aantoonen door zouten of andere stoffen er in te brengen, die sterk water aantrekken, zooals chloorcalcium of bijtende kali en die dus in de lucht vochtig worden en zelfs geheel oplossen.
   Somtijds gaat dit aantrekken van water door zouten gepaard met een kleursverandering en daarop berust nog een andere, zeer eigenaardige wijze om het water in de lucht aan te toonen. Zoo is b.v. het zout cobaltchloruur in volkomen watervrijen, drogen toestand blauw van kleur, doch verbindt zich gemakkelijk met kristalwater, onttrekt dus water aan de lucht en neemt dan een roode kleur aan. Laat men dus b.v. filtreerpapier met een oplossing van dit zout doortrekken en droogt men het papier volkomen, dan wordt de kleur blauw; laat men het vervolgens in de lucht liggen, dan trekt het zout water aan en het papier wordt rood van kleur.

   Dit zal sneller geschieden, naarmate de lucht rijker is aan waterdamp en daarop berusten de zoogenaamde barometer bloemen, "fleurs barométriques" kunstbloemen van papier of katoen, die met de oplossing van cobaltchloruur zijn gedrenkt en in zeer droge lucht een blauwe, in vochtige lucht een roode kleur aannemen. Men kan daardoor, althans eenigermate, den graad van vochtigheid der lucht herkennen, daar de bloemen des te blauwer van kleur worden, naarmate de lucht droger is. De naam "barometerbloemen" wijst er op, dat men deze eigenschap ook dienstbaar tracht te maken aan de weervoorspelling en uit de kleur dier bloemen wil afleiden, of ons droog, dan wel vochtig weer staat te wachten. Op hetzelfde beginsel berusten de kleibe schilderijtjes, bekend onder den naam van "Wetterpropheten" die een landschap of zeegezicht te zien geven, waarop bij droog weer de lucht hemelsblauw en de boomen heldergroen, doch bij vochtig weer de lucht rood en de boomen geelgroen worden en die daarom met veel ophef worden aangekondigd als uitstekende weervoorspellers. Intusschen zal men wel doen aan de de voorzeggingen dezer profeten niet al te veel waarde te hechten, daar de kleursverandering eerst dan zal optreden, als de wijzigingen in den vochtigheidstoestand der lucht een feit is geworden.

   Nauwkeuriger kan het watergehalte der lucht bepaald worden door opzettelijk daartoe ingerichte toestellen: hygrometers of vochtigheidsmeters genaamd. De meeste dezer toestellen meenen wij als bij den lezer bekend te mogen veronderstellen. Zij zijn òf haarhygrometers, bij welke de wijzigingen in den vochtigheidstoestand der lucht veranderingen in de afmetingen van een haar teweeg brengt, dat dan een wijzer in beweging brengt, die zich boven een verdeelde schaal bevindt, òf psychrometers en condensatie-hygrometers, waarbij uit de afkoeling van een thermometerbol door de verdamping van een daarom heen gewonden met water of aether bevochtigd lapje, de meerdere of mindere vochtigheid der lucht door middel van tabellen bepaald wordt, hetgeen daarop berust, dat de verdamping, en dus ook de afkoeling, des te sterker zal zijn, hoe droger de lucht is.

Fig. 2. Patenthygrometer van Lambrecht. Fig. 2. Patenthygrometer van Lambrecht.    Wij vermelden nog slechts den sedert een paar jaren in den handel gebrachten patenthygrometer van Lambrecht (zie fig. 2), die meer voor leeken en voor kamergebruik geschikt is en toch goede resultaten geeft. Het is een haarhygrometer van geringe afmeting, die ingericht kan worden, zoowel om te hangen, als om te staan en ook met een thermometer en barometer vereenigd kan worden. Door tabellen wordt de vochtigheidstoestand dadelijk zonder berekening gevonden.
Het spreekt van zelf, dat deze toestellen slechts den betrekkelijken vochtgheidstoestand der lucht aangeven, doch niet de eigenlijke hoeveelheid water, in gewicht uitgedrukt. De hoeveelheid waterdamp, die de lucht kan opnemen, hangt nl. in hooge mate van de temperatuur af.

Zoo kan bv. 1 kub. meter lucht bij de volgende temperaturen opnemen:

bij C. 4,89 gram waterdamp.
" 10º " 9,38 " "
" 20º " 17,53 " "
" 30º " 30,23 " "
" 80º " 295,83 " "

   Deze cijfers stellen dus de maximale hoeveelheden waterdamp voor, die bij een gegevene temperatuur in de lucht kunnen voorkomen en die hoeveelheden nemen dus, met de temperatuur zeer sterk toe, zoodat de lucht bij een lagere temperatuur veel minder water kan opnemen en dus veel spoediger haar verzadigingspunt nabij is dan bij een hoogere.
   Om deze reden is de aanwijzing der hygrometers op zich zelve niet voldoende, doch moet daaruit door middel van tabellen of berekening nog de eigenlijke vochtigheidstoestand afgeleid worden. Daarom heeft men in den laatsten tijd ook hygrometers vervaardigd, die het watergehalte der lucht dadelijk in procenten van de maximale hoeveelheid aangeven. Zulk een procent-hygrometer is bv. die van Dr. Wolpert te Neurenberg.
   De nadeelen van den waterdamp in de lucht zijn slechts zeer betrekkelijk. Het is duideljk, dat water op zichzelf geen schadelijk stof is en dat een zekere hoeveelheid daarvan in de lucht niet nadeelig is., blijkt uit onze zeelieden, die in een lucht leven, welke veel waterdamp bevat en toch een uitstekende gezondheid genieten. Een zekere hoeveelheid waterdamp is in de lucht zelfs onmisbaar voor het welzijn van den mensch en moet dus uit een hygienisch oogpunt noodzakelijk geacht worden. Als de lucht te droog is, onttrekt zij veel water aan de huid en de longen, waardoor de slijmvliezen van de laatste en van de luchtwegen uitdrogen en een nadeelige prikkeling ondervinden, vooral bij menschen met zwakke longen. Dit geval kan zich in onze kamers bij het stoken voordoen; de temperatuur der lucht in het vertrek wordt door het stoken verhoogd en de lucht dus betrekkelijk droger, daar zij bij hooge temperatuur meer waterdamp kan opnemen en dezen dus aan onze longen onttrekt. Het verdient dus aanbeveling in de kachels waterbakken of waterketels te plaatsen, waardoor, naarmate de temperatuur stijgt, meer waterdamp in de lucht wordt gebracht.

   Intusschen mag de hoeveelheid waterdamp in de lucht ook weer niet te veel toenemen, vooral daar door onze ademhaling en 's avonds door de verlichting insgelijks reeds veel waterdamp in de lucht komt. De hoeveelheid waterdamp, die een volwassen mensch door de longen en de huid afgeeft, loopt zeer uiteen, doch bedraagt gemiddeld per uur 40 gram, zoodat in 10 uren reeds 400 gram afgegeven worden. Dit is dus reeds voldoende om in een vertrek van 50 kub. meter inhoud, dat bij 20º C. een vochtigheidsgehalte van 50 proc. had, de ruimte volkomen met waterdamp te verzadigen, want in 50 kub. meter lucht van 50 proc. vochtigheidsgehalte zijn bij 20º C. ongeveer 440 gram waterdamp bevat en komt daarbij nog 400 gram, dan is de lucht verzadigd, daar 50 kub. meter lucht bij 20º C. 870 gram water kunnen opnemen.
   Een te groote hoeveelheid waterdamp in de lucht werkt zeer nadeelig op onze gezondheid, hoewel indirect. Die vochtigheidstoestand staat nl. in nauw verband met onze huidverdamping of huiduitwaseming, d.i. met het afgeven van waterdamp door de poriën van de huid, welk physiologisch proces een zeer belangrijke rol in ons leven vervult. Door de huiduitwaseming heeft nl. de regeling der temperatuur van ons lichaam plaats, bij elke verandering der uitwendige temperatuurstoestanden en van hoeveel belang deze regeling is voor onze gezondheid blijkt duidelijk uit de ernstige gevolgen, die een storing dezer huidfunctie, b.v. bij verkoudheid, na zich sleept.
   Nu kan lucht, die met waterdamp verzadigd is, geen water meer opnemen en in zulke lucht kan dus de huidverdamping in het geheel niet plaats hebben. Doch ook, als de hoeveelheid waterdamp boven een zeker maximum stijgt, doen zich de onaangename gevolgen der gestoorde huidfunctiën spoedig gevoelen, zooals ieder bij ondervinding weet, als hij eenigen tijd in een koud en vochtig vertrek of in een vochtigen kelder vertoeft. Daarbij komt nog, dat vochtige lucht onze kleederen doorrdingt en, daar zij een veel betere warmtegeleidster is dan droge lucht, veel meer warmte aan ons lichaam onttrekt en daardoor aanleiding geeft tot een koud en kil gevoel. Vandaar ook dat huizen, die vochtig zijn en waar geen voldoende luchtverversching is, zeer ongezond zijn.

   Er zij dus, in het belang der gezondheid, een juiste verhouding tusschen den vochtigheidstoestand en de temperatuur van een vertrek, hetgeen door den hygrometer kan worden gecontroleerd. Men heeft gevonden, dat de lucht het meest aan de eischen der gezondheid beantwoordt als zij bij een zekere temperatuur, de helft van het watergehalte bevat, dat er bij die temperatuur als zij verzadigd was, in zou kunnen bevat zijn, dus de helft van de hierboven gegeven cijfers. In kamers, waar de gemiddelde temperatuur 16-18º C. bedraagt, moet het vochtigheidsgehalte dus 40-50 proc. bedragen.
   Een ander constant bestanddeel van de lucht is de ammonia.Zij is een verbinding van stikstof en waterstof en vormt zich vooral bij de ontbinding van dierlijke, dus stikstofhoudende stoffen en verder bij vele andere processen. De hoeveelheid ammonia, die in de lucht voorkomt, is echter uiterst gering, bedraagt slechts eenige millioenste deelen en, daar deze stof op het leven van den mensch slechts zeer geringen invloed oefent, kunnen wij haar hier verder met stilzwijgen voorbijgaan.

   Eindelijk komt in de dampkringslucht nog een ander gas, het ozon, als normaal bestanddeel voor. Het ozon is een bijzondere toestand van de zuurstof, die een grootere dichtheid bezit en veel krachtiger oxydeerend werkt dan de gewone zuurstof, waarom men er ook den naam van actieve zuurstof aan geeft. Het ozon werkt b.v. op vele kleurstoffen bleekend, vernietigt organische stoffen door oxydatie, enz. Het ontstaat o.a. uit gewone zuurstof, als men door deze eenigen tijd krachtige elektrische vonken laat gaan en daar het een kenmerkenden phosporachtigen geur heeft, kan men bij een in werking zijnde elektriseermachine, de vorming van dit gas steeds waarnemen. Om deze reden wordt het ozon ook in de lucht gevormd bij onweders en de eigenaardige geur, de zoogenaamde "zwavellucht" na een hevigen bliksemslag moet aan het ontstaan van ozon worden toegeschreven. Door vele andere processen wordt insgelijks ozon in de lucht gevormd.
   De oxydeerende werking, die het ozon op vele organische stoffen uitoefent, heeft aanleiding gegeven tot de mmeening, dat deze stof in de natuur een uiterst gewichtige rol speelt en als een belangrijk zuiveringsmiddel voor de atmosfeer moet beschouwd worden. De luchtzuiverende en verfrisschende werking van het onweder werd dus ook aan de vorming van het ozon toegeschreven, hoewel ook de daarbij optredende regens en winden daaraan een belangrijk aandeel hebben.
   Nieuwere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat die nuttige rol van het ozon in vele gevallen niet bestaat en in andere zeer problematisch is. Daar het ozon bovendien in onze woningen, zelfs in de gezondste en best geventileerde, volkomen ontbreekt en dus voor onze gezondheid geenszins onmisbaar is, behoeven wij ons er hier niet verder mede bezig te houden.

   (Wordt vervolgd.) Dr. A.J.C. Snijders


   1 De Natuur 1888, 15 Juni en 15 Juli.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→