|
|
Transvaalsche goudvelden1 [I].
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 April 1889 - 9e jaargang |
Op de tweede reis, welke Carl Mauch 1867 in gezelschap van den olifantenjager Hartley in het Matabele-land maakte, werd eerstgenoemde door zin reisgenoot opmerkzaam gemaakt op verlaten groeven der inboorlingen en daardoor in de gelegenheid gesteld de aanwezigheid van het goud aan de Tati, een bijrivier van de Schascha, welke van uit het noorden de Limpopo toestroomt, aan te toonen.
Later ontdekte Mauch nog goud in verschillende andere streken van Matabele-land alsmede in Murchison Range2 in het noorden van de Transvaal; op grond hiervan trachtte hij aan te toonen, dat het Ophir van het Oude Testament in Zuid-Afrika gezocht moest worden.
De Tati-goudvelden verwekten veel opzien in Europa en vooral in Engeland, waar zich 1868 de London and Limpopo Mining Co. vormde. Doch deze maatschappij was niettegenstaande de medewerking van sir John Swinburne in haar ondernemingen niet gelukkig. Het aanschaffen van machines en de hooge transportkosten verslonden een groot gedeelte van het kapitaal, de beambten stierven aan de koorts, zoodat men ten slotte genoodzaakt was de ontginning te staken.
Van meer belang waren de verdere ontdekkingen van goud in het gebied der Zuid-Afrikaansche Republiek. In 1871 vond een Engelschman, mr. Britton, goud op de Farm Eersteling nabij Maraba'sstad in het distrikt Zoutpansberg. Ook hier vormde zich een maatschappij, welke echter het lot der London and Limpopo Mining Co. niet ontging. |
Schetskaart der Transvaalsche Goudvelden. Schaal 1: 5.000.000. |
In het jaar 1873 volgde de ontdekking van goud in de Drakenbergen en wel in het distrikt Lijdenburg.
Toen het gerucht verspreid werd dat N.-O. van Lijdenburg in het dal der Blijde-rivier, een zijrivier der Olifant-rivier, alluviaalgoud was aangetroffen, stroomden de meeste mijnwertkers naar de nieuwe goudvelden. Spoedig zagen zij zich echter genoodzaakt weder tot de bewerking der kwartsriffen over te gaan, wijl het goudwasschen over het algemeen te weinig opleverde. Wel was hier menig goudwasscher gelukkig, doch anderen vonden nauwelijks zooveel om in hun onderhoud te voorzien.
De Lijdenburger goudvelden, die tien jaar lang de eenige geweest zijn welke ontgonnen werden, concentreeren zich voornamelijk om de plaatsen Pilgrims Rest en Mac-Mac, alsmede om den Spitskop aan de oostelijke helling der Drakenbergen. In den laatsten tijd zijn de farms, op welke goud werd aangetroffen, overgegaan in handen van groote Engelsche firma's, welker aandeelen echter evenmin groote dividenden afwerpen.
In de volgende jaren werd het edele metaal nog gevonden op de farm Buffelspoort bij Nijlstroom in het distrikt Waterberg, bij Blauwbank ten zuiden van Pretria, aan de Elandsspruit, den bovenloop der Krokodil-rivier, enz.
Van groot gewicht was in 1883 de ontdekking der zoogenaamde De Kaap-goudvelden, welke ten zuiden der Lijdenburgsche velden nabij het Swasiland gelegen zijn. Te midden der De Kaap-goudvelden ontstond in 1886 de stad Barberton, welke zich reeds tot een der bekendste en voornaamste plaatsen van Zuid-Afrika ontwikkeld heeft.
Door de gunstige berichten van deze goudvelden werd men in de Transvaal door een ware goudkoorts aangetast.
Dit had tengevolge dat men overal naar goud ging zoeken en dit ook werkelijk nog in verschillende deelen des lands aantrof. De belangrijkste ontdekking was die van goud in een eigenaarig comglomeraat, dat uit een roode, zandige grondmassa met ingesloten afgeronde kwartsbrokken bestaat en een groote oppervlakte van het Hooge Veld, ten zuiden van Witwatersrand inneemt.
Hier zijn de Witwatersrandsche goudvelden gelegen, welke met die van De Kaap om den eersten rang wedijveren en deze wel spoedig overvleugelen zullen. Te midden der velden ontstond de zich snel uitbreidende stad Johannesburg.
In hetzelfde jaar 1886 werd verder nog goud ontdekt in het westen der Transvaal, nl. aan de Malmani, een zijriviertje van de Marico. Hoe zich deze goudvelden ontwikkelen zullen, moeten intusschen nog afgewacht worden.
Om de wijze waarop het goud in de Transvaal wordt aangetroffen goed te kunnen verstaan, wordt in de eerste plaats eenige kennis van de orographisch-geologische gesteldheid van dat land vereischt.
Een beschrijving van die gesteldheid in het algemeen en van die der goud bevattende formaties in het bijzonder, zal hier derhalve niet misplaatst zijn.
Wanneer wij een blik werpen op den vertikalen vorm der Zuid-Afrikaansche Republiek, dan merken wij in de eerste plaats op dat deze voornamelijk beheerscht wordt door twee gebergten. Het eene, het Drakengebergte, is een zich in meridionale richting uitstrekkend plateau, dat een hoogte van 7000 bereikt en uit horizontaal gelaagde lei- en zandsteenen is opgebouwd. De oostelijke hellingen van dit plateau zijn steil, naar het westen daalt het echter langzaam af naar de voorliggende hoogvlakten. De Drakenbergen scheiden de Transvaal in een grootere, hooger gelegen westelijke helft en een kleinere oostelijke, welke uit een laag granietgebergte bestaat (verder naar het zuiden wordt het graniet vervangen door steil opgerichte, meest gemetamorfoseerde lei- en zandsteenen), dat naar het oosten in hoogte afneemt en ten slotte in een zandige kustvlakte overgaat.
Ten oosten van de Komati verheft zich uit deze vlakte nog het meridionale, uit porfier bestaande Lebombo-gebergte.
Het tweede, de orographie van de Transvaal kenmerkende, gebergte bestaat uit eenige evenwijdige ketens, welke het land van west naar oost doorsnijden. De noordelijkste en zuidelijkste, tevens de beide hoogste dezer ketens, staan bekend onder de namen Magalisbergen en Witwatersrand. Deze scheiden de Transvaal weder in een zuidelijk, hooger gelegen (gem 4 à 5000') gedeelte, het zoogenaamde Hooge Veld en in een noordelijk, lager gedeelte (gem 2500' à 3000'), het Bosch Veld.
Het Hooge Veld staat in verbinding met het plateau der Drakenbergen; tusschen deze hoogten en het Bosch Veld strekt zich echter nog een laag granietgebergte uit.
Uit het Bosch Veld verheffen zich de Pilandsbergen en noordelijk daarvan stooten wij op aanzienlijke plateau's, welke zich, onder den naam van Dwarsbergen en Waterbergen, van west naar oost uitstrekken en door de Makapansbergen met het Drakengebergte in verbinding staan.
Verder noordwaarts treffen wij nogmaals dergelijke plateau's aan, de Blauwe- en Zoutpansbergen. Vervolgens daalt het land langzaam af naar de uitgestrekte, moerassige laagvlakte aan de Limpopo.
Het grootste gedeelte van de Transvaal wordt ingenomen door de zoogenaamde Zuid-Afrikaansche Primairformatie, welke overeenkomt met onze Archaeïsche vormingen en waarschijnlijk ook nog gedeeltelijk de Silurische formatie omvat.
Bestaat deze formatie in Z.W.-Afrika voornamelijk uit gneiss, in het Z.O., m.n. in de Transvaal, wordt dit gesteente verdrongen door graniet en wordt het gneiss bijna uitsluitend op de grenzen der formatie aangetroffen. Veelal is het graniet, dat voornamelijk het midden der Transvaal, van Pretporia in het zuiden tot de waterbergen in het noorden inneemt, doorbroken door gangen van groensteen. Behalve graniet wordt veelal aangetroffen een systeem van steil opgerichte, meest van 60-90º hellende lagen van leisteen, kwarts, kwartszandsteen, magnetiet-kwartslei (Calico Rock), enz. welke weder lagen en gangen van groensteen (dioriet, diabaas, serpentijn) bevatten. Deze lagen, welke wij in navolging van A. Schenk, Swasi-schichten zullen noemen, zijn dikwijls gemetamorfoseerd; de leisteenen zijn hier en daar in andalusiet- en ottrelietschiefer of in contact met groensteen in hoornschiefer overgegaan, terwijl de tusschenliggende groensteen niet zelden in amphibol-, chloriet- en serpentijnschiefer veranderd werd.
De Swasi-schichten worden in het gebied van de Transvaal voornamelijk aagetroffen in het noorden (Zoutpansberg) en in de De Kaap-goudvelden. De strekking dezer lagen is over het algemeen van W.-O.
De Swasi-schichten zijn van groot belang wijl zij goud bevatten. Op de De Kaap-goudvelden treft men dit metaal dikwijls samen met pyriet of bruinijzersteen aan in kwartsgangen, welke meestal de strekking (echter niet altijd de helling) der lagen volgen of loodrecht daarop gericht zijn.
De kwartsgangen worden voornamelijk aangetroffen in de tot deze vorming behoorende groensteenen. Zoo is het Pioneer-Reef op Moodie's grond bij Barberton in serpetijn en het snel beroemd geworden Sheba-Reef in leiachtigen groensteen gelegen.
Evenals de De Kaap-goudvelden behooren ook die van Komati, welke ongeveer 20 Eng. mijlen ten zuiden van eerstgenoemde liggen, alsmede die van Swasiland, die aan de Tugela in Sulu-land, van Maraba's stad en Eersteling in het noorden der Z.-A. Republiek, en naar het schijnt ook de Tati-goudvelden in Matabele-land tot de Swasi-schichten. De Zuid-Afrikaansche Primair-formatie wordt op verschillende plaatsen discordant door de zoogenaamde Kaapformatie bedekt. Deze, welke overeenkomt met de Devonische en een gedeelte der Carbonische vorming, bestaat uit zand-, lei- en kalksteenen.
In den Witwatersrand alsmede in de N.-Transvaal wordt genoemde formatie vertegenwoordigd door min of meer machtige lagen van kwartszandsteen; in de Drakenbergen, Magalisbergen en Maricobergen der Z.-Afrikaansche Republiek echter door dikke lagen van leisteen, grauwakke, zandsteen enkwarts. Verder wordt tot deze vorming gerekend een donkerblauwe dolomietachtige kalksteen, welke zoowel in het westen en midden der Transvaal (Marico, Lichtenburg, Wonderfontein) als in het noorden van dat land en in de Drakenbergen (Pilgrim Rest, Spitskop, Krokodil-rivier) wordt aangetroffen.
Ten slotte moeten wij nog melding maken van de groensteenen (diabaas en dioriet), welke veel in de Kaap-formatie der Transvaal voorkomen.
De lagen dezer vorming liggen in de Drakenbergen en in de bergen van N.- en W.-Transvaal nagenoeg horizontaal, hellen hoogstens naar één zijde onder een hoek van 30º en vormen alsdan de voor Afrika zoo karakteristieke tafelbergen.
Op andere punten hebben echter plooiingen der aardschors plaats gehad, welke evenwel verschillen van die der Primairformatie. Terwijl de lagen van eerstgenoemde vorming steil en in den regel zelfs vertikaal zijn opgericht, bestaan de plooien van eerstgenoemde uit groote zadels en komdalen, in welke de helling der lagen zelden meer dan 45º bedraagt. Dit is o.a. het geval bij Witwatersrand en de Magalisbergen.
De strekking der lagen is evenals bij die der oudere formatie een west-oostelijke, welke richting ook de bovengenoemde bergketens volgen.
Ook in de Kaap-formatie wordt goud aangetroffen. De Lijdenburger-, Witwatersrandsche- en Malmanigoudvelden behooren tot haar gebied. In eerstgenoemde velden, welke op de oostelijke helling der Drakenbergen gelegen zijn, vindt men het goud meestal als alluviaalgoud in lateriet, dat hier door verweering van groensteen (diabaas) ontstaan is3.
Onder dezelfde omstandigheden vindt men het goud op de zoogenaamde noordelijke De Kaap-goudvelden, welke aan het Duivelskantoor tusschen de Krokodil- en de Kaap-rivier gelegen zijn.
In de Witwatersrandsche goudvelden wordt het, zooals wij boven reeds opmerkten, aangetroffen in een eigenaardig conglomeraat, dat tusschen lagen van rooden zandsteen gelegen is en uit een roode zandige grondmassa met ingesloten afgeronde groote kwartsbrokken bestaat.
Het goud is hier zoowel in de zandige grondmassa als in het kwarts vervat en op onderscheidene plaatsen bleek genoemd conglomeraat zeer rijk aan dit erts te zijn. Op de Malmani-goudvelden vindt men het goud in kwartsgangen, welke den reeds vermelden dolomitischen kalksteen doorbreken.
Het Z.-O. der Transvaal wordt ingenomen door de zoogenaamde Karroo-formatie. Deze vorming, welke voornamelijk uit zandsteen bestaat, is van belang door de aanwezigheid van kolenlagen.
De steenkool is reeds op verschillende plaatsen van het Hooge Veld blootgelegd, doch wordt nergens ontgonnen, wijl door de nog weinig ontwikkelde industrie het verbruik van brandstoffen uiterst gering is en het vervoer naar de kust door de hooge transportkosten onmogelijk wordt gemaakt.
De krijtformatie, welke o.a. aan de Algoa- en St. Lucia-baai voorkomt, is in het gebied der Zuid-Afrikaansche Republiek nog niet aangetroffen. Van recente vormingen vermelden wij alleen het lateriet, dat hierboven reeds besproken werd.
Naar gelang het goud in kwartsgangen dan wel als alluviaalgoud wordt aangetroffen, verschilt ook de exploitatie der goudvelden. Waar het goud, zooals meestal het geval is, in kwartsriffen gevonden wordt, komt dit fijn verdeeld in het gesteente voor. Dot laatste moet derhalve in speciaal daarvoor ingerichte machines, door water of stoom gedreven, fijngestampt worden. Het aldus verkregen meel wordt nu over platen gespoeld, waarop zich kwik bevindt, met welk het goud een amalgama vormt.
Door distillatie in leemen retorten wordt het goud vervolgens weder van het kwik gescheiden.
De ontginning van alluviaalgoud is natuurlijk veel eenvoudiger. De digger vestigt zich hier met schotel en zeef aan de rivier en zondert het goud door wasschen uit het daarmede vermengde zand en grint af. In nieuweren tijd heeft men in het distrikt Lijdenburg hydraulische werken angelegd ten einde grootere hoeveelheden aarde in eens te kunnen verwerken. Het goud vindt men dan gedeeltelijk in greppels, door welke het wegstroomende water geleid wordt, gedeeltelijk op met kwik bedekte platen en wollen dekens, waarover het water ten slotte nog vloeit.
Volgens de grondwet van 1875 heeft iedereen het recht op de door de regeering geproclameerde goudvelden naar goud te graven.
Hij behoeft te dien einde slechts een zoogenaamde claim, d.i. een veld van 150' lengte (in de richting van den goud bevattenden kwartsgang) en 400' breedte, of bij alluviaaldiggings van 150' in het vierkant af te palen en daarvoor een maandelijksche huur, aanvankelijk van 10 sh. en later, bij begin der exploitatie, van 20 sh. te betalen.
Wanneer de claims op rijksgrond gelegen zijn, komen de gelden geheel ten goede van de schatkist; zoo dit niet het geval is, worden deze gedeeltelijk in 's lands kas gestort, terwijl het overige aan de eigenaars der betreffende farms wordt uitbetaald.
Aangezien de bewerking der kwartsriffen moeielijk door een enkelen digger kan geschieden, vereenigen zich verschillende claimbezitters tot een syndicaat, waaruit zich weder grootere maatschappijen vormen.
Meer dan honderd van zulke maatschappijen zijn in de laatste jaren op de Transvaalsche goudvelden in het leven geroepen.
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden, dat niet al deze maatschappijen op een solieden grondslag berusten en dat bij de oprichting dikwijls een woeste speculatiegeest in het spel was. Verscheidene vennootschappen werden dan ook spoedig weder tot hare vaderen verzameld, andere houden zich nog slechts met moeite staande.
Dit neemt niet weg, dat er ook maatschappijen gevonden worden, welke door een goed beheer reeds nu groote en duurzame voordeelen behalen.
In de eerste dagen van het jaar 1889 vermeldden de dagbladen, dat de Nederlandsche mijn-ingenieur J. Hulshoff, die namens een combinatie, onder leiding van de maatschappij tot bevordering der handelsbetrekkingen tusschen Nederland en Zuid-Afrika, directeur W. Dull, op verschillende plaatsen in de Zuid-Afrikaansche Republiek goudhoudende gronden heeft onderzocht, uit de Transvaal was teruggekeerd.
Spoedig daarna werd op grond van dit onderzoek te Amsterdam de Witwatersrandsche mijnbouw-maatschappij "Elsburg" gevestigd. Directeur is de heer W. Dull. Het aandeelkapitaal zal in 't geheel bedragen f 1,200,000, maar is verdeeld in 2 seriën, elk van f 600,000.
De maatschappij stelt zich voor de overname en exploitatie van 60 claims, gelegen op de Witwatersrandsche goudvelden op de farm Klippoortje, distrikt Heidelburg, op c.c. 6 K.M. afstand van Johannesburg.
Reeds vóór dien tijd werd te Amsterdam opgericht een naamlooze vennootschap: Eerste Nederlandsch-Transvaalsche goudmijn-maatschappij, met een kapitaal van f 1,800,000 of 150,000 P. st. Zij beoogt de overname met machinerieën (voor 95,000 P. st.) en verder de exploitatie van een terrein groot ruim 200 acres met 140 claims te Rietvlei op Witwatersrand, op 14 E.m. van Johannesburg. Als technisch diecteur treedt op de heer P. van Dijk, hoofdingenieur, oud chef van het mijnwezen in Nederlandsch-Indië, te 's Hage, en als administratief directeur, de heer K. Spijkman, directeur der Zuid-Afrikaansche Handelsmaatschappij te Amsterdam.
Adviseerend ingenieur is de heer Eduard Jones, oud-hoofdingenieur van de Kimberley Central-Diamond-Mining Cy. te Londen.
Het tot stand komen van deze maatschappijen heeft ook in Nederland belangstelling in de Transvaalsche goudvelden verwekt; een meer uitvoerige beschrijving der twee voornaamste goudvelden, m.n. die van De Kaap en Witwatersrand zal derhalve hier op haar plaats zijn.
De Kaap-goudvelden4.
De opmerkzaamheid der goudzoekers, welke zich voorheen voornamelijk tot het distrikt Lydenburg bepaalde, werd het eerst in 1883 op Kaap Valley gericht door de ontdekking van alluviaalgoud op het Duivelskantoor.
Het goudbevattende lateriet wordt hier minder langs de rivier- en beekoevers dan wel op de hoog daarboven gelegen terrassen aangetroffen. Ook het andere kleine alluviaalveld, dat men later op Moodie's Concession ontdekte, ligt hoog in het gebergte, terwijl in de laagvlakte slechts aan den noordelijken rand der Kaap Valley, bij Jamestown aan de Kaaprivier, zwaar alluviaalgoud werd aangetroffen.
Spoedig bleken de goudvelden hier zeer arm te zijn. De meeste diggers konden slechts met moeite in hun onderhoud voorzien en het is niet te verwonderen dat verscheidene van deze uitgehongerde, afgetobde mannen aan de koorts stierven.
In het laag gelegen Jamestown moeten den eersten zomer van een paar honderd goudgravers niet minder dan 64 aan die ziekte overleden zijn.
Naar goudbevattende kwartsaderen of reefs zochten de diggers niet.
Waar zouden deze, die van den eenen dag op den anderen leefden, ook tijd en geld gevonden hebben om mijnputten aan te leggen en machines op te stellen?
Zoo hebben deze pioniers der goudvelden dan ook achteloos hun weg vervolgd over tientallen van reefs, welke nu den ontdekker oogenblikkelijk tot een welgesteld man zouden maken. De kwartsaderen moesten wel buitengewoon rijk zijn, wilden zij de opmerkzaamheid der slechts naar alluviaalgoud zoekende diggers tot zich trekken.
Eindelijk volgde de ontdekking van het Barret's Reef, dat nabij het Duivelskantoor gelegen is en zich van de later gevonden reefs daardoor onderscheidt, dat het een uit horizontale lagen bestaande formatie doorbroken heeft, terwijl hier overigens alle goudaderen in steil opgerichte lagen worden aangetroffen.
Door de daarop gevolgde ontdekking van het Pioneer Reef op de bergen, welje de Kaap Valley naar het zuiden begrenzen, was de hoofdgoudader van het land, ten minste op ééne plaats gevonden.
De opmerkzaamheid der kapitalisten van Natal richtte zich vooral op het rijke Pioneer Reef. Het opsporen van nieuwe reefs werd ijveriger in de hand genomen, en mijn op mijn ontdekt door de formatie in oostelijke richting te onderzoeken, tot eindelijk door de ontdekkingen op den spoedig wereldbekend geworden. Shebaberg de goede naam der De Kaap-goudvelden gevestigd was.
De rijkste reefs liggen in een betrekkelijk smallen gordel, welke zich langs den zuidrand der Kaap Valley tot aan de laagvlakte der Delagoa-baai uitstrekt.
Omtrent de formatie, waarin de reefs worden aangetroffen, hebben wij reeds het noodige medegedeeld. Alleen wil ik er nog aan toevoegen, dat volgens P. Emmrich de leisteenen zich langs de kwartsgangen dusdanig verhard hebben, dat zij als zoogenaamde blue bar aan de mijnwerkers veel last veroorzaken.
Terwijl hier overigens alle reefs van west naar oost loopen, vormen van noord naar zuid strijkende dwarsaderen van goudkwarts een eigenaardigheid van den Shebaberg, welke bepaald als een knooppunt van verschillende machtige kwartsgangen moet beschouwd worden en op een betrekkelijk geringe uitgestrektheid een groot aantal rijke reefs kan aanwijzen. De rijkste daarvan zijn de zoogenaamde olden-Quarry; het goudbevattende kwarts komt hier op één plaats in zulk een hoeveelheid aan de oppervlakte voor, dat men dit door middel van Tagebau ontginnen kan.
Toen 25 ton van dit kwarts, als proef naar Londen gezonden om gesmolten te worden, 14 ons p.t. opleverde, werden de aandeelen van 1 P. st. in deze mijn voor 100 P. st. verhandeld. Aangezien de ter plaatse aanwezige molens uit hetzelfde kwarts slechts 7 à 8 ons opleverden, neemt men aan dat deze veel geringere opbrengst te wijten is aan de gebrekkige inrichting dezer machines. Op het even rijke Thomas Reef, dat niet ver van het Golden-Quarry door twee arme bergwerkers ontdekt werd, wordt het goud ook slechts in twee claims aangetroffen. Van geen der beide reefs heeft men tot nu toe de voortzetting gevonden.
De gelukkige ontdekkers van Thomas Reef verkregen daaruit binnen een half jaar 11,000 P. st. aan goud en verkochten het toen voor 70,000 P. st. aan een maatschappij.
Verder staan als zeer rijke reefs bekend Oriemtal en Kimberley Imperial. Aan het hoofd van laatstgenoemde maatschappij staat Lippert uit Port Elisabeth.
Wanneer men bedenkt dat in Australië verscheidene reefs, welke ½ ons goud p.t. opleveren, met voordeel ontgonnen worden, en daarbij de besproken mijnen vergelijkt, waaruit 2, 3 en meer onsen p.t. verkregen worden, en verder in aanmerking neemt hoe goedkoop allemachines, enz. weldra met den spoorweg Delagoa-baai - Petroria kunnen vervoerd worden, dan moet men toegeven dat voor de De Kaap-goudvelden een schoone toekomst is weggelegd.
Aan den anderen kant moeten kaptalisten, welke hier hun geld willen beleggen, wel bedenken dat in verhouding tot het groot aantal maatschappijen nog slechts weinig machines in werking zijn, en er dus nog een betrekkelijk groote onzekerheid heerscht over de gemiddelde opbrengst der mijnen. Want deze kan slechts door het fijnstampen van groote hoeveelheden goudkwarts vastgesteld worden, niet door het onderzoeken van monsters, waarop men oogenblikkelijk nog over het algemeen is aangewezen.
Hier geldt dus ook hetgeen vroeger over de soliditeit van verschillende maatschappijen werd medegedeeld.
Het grootste gedeelte van het in handel en mijnbouw gestoken kapitaal is Engels en eerst in den laatsten tijd hebben ook Duitsche kooplieden uit de Kaapkolonie aan de oprichting van groote maatschappijen deelgenomen.
Toen de Boeren den grooten rijkdom der goudvelden leerden kennen, begonnen ook deze zich op de ontginning toe te leggen; de jongste reefontdekkingen zijn wij aan de boeren verschuldigd.
Het middelpunt der De Kaap-goudvelden vormt Barbeton (850 M.) dat aan den zuidrand der Kaap Valley nabij de bergketen, welke de rijkste kwartsaderen bevat, gelegen is. Ten westen van deze plaats ligt Moodie's Concession met het Pioneer Reef en ten oosten de rijke Shebaberg. Deze centrale, van alle kanten goed toegankelijke ligging is de oorzaak van de verwonderlijk snelle oplomst der jongste stad van Afrika.
In 1887, dus nauwelijks een jaar oud, telde zij reeds 3 à 4000 blanken onder haar ingezetenen.
Kerk, hospitaal, club, groote hotels, schouwburg, concertzalen, bankiershuizen waren reeds aanwezig, een paar nieuwsbladen ontbraken evenmin. In Barberton, waar de meeste huizen van ijzer zijn gebouwd, zetelen landdrost en mijncommissaris.
Een hoofdbestanddeel van de bevolking vormen speculanten, van den gemeenen zwendelaar tot den vertegenwoordiger van het een of ander invloedrijk syndicaat. Hun hoofdkwartier hebben deze speculamten in de snel opgebouwde stockbeurs, waar een bedrijvigheid heerscht, welke aan die der Europeesche beurzen herinnert.
De type van den uitgelatenen en gewelddadigen Kalifornischen of Australischen goudgraver is gelukkig niet talrijk vertregenwoordigd. Hoewel ook schurken van allerlei soort niet ontbreken, zoo hebben deze toch niet de overhand, de revolver speelt geen rol.
De oorzaak ligt voor de hand. Hier toch zijn geen alluviale goudvelden, geen goudgraverijen voor arme lieden; berekening en kapitaal gelden meer dan een sterke arm.
Chineezen en Koelies hebben zich reeds meermalen in Barberton willen vestigen, doch immer werden zij daarin met geweld verhinderd. Volgens de wetten des lands moeten deze, alvorens zaken te kunnen drijven, een hoofdgeld van 25 P. st. betalen. Naast Barnerton zijn natuurlijk nog andere kleine plaatsen ontstaan, als Eurika-City en Fair-View op den Shebaberg.
Op de goudvelden aan de Komati, waar de eveneens van west naar oost strijkende reefs een aan die van De Kaap evenwijdig loopenden goudgordel schijnen te vormen, verrrees de plaats Steynsburg, welke ongeveer ten zuiden van Moodie's Concession aan de Komati gelegen is en waarschijnlijk weldra met Barberton door een over de tusschenliggende bergketen voerenden weg zal verbonden worden.
De Komati-goudvelden strekken zich uit langs de grenzen van het Swasiland. Reeds zijn door den koning van dat land eenige concessies voor de ontginning verleend, o.a. aan Piggs Peak.
Met het oog op den gezondheidstoestand der goudvelden zal het waarschijnlijk van belang zijn hier een overzicht te geven van de klimatologische gesteldheid der Zuid-Afrikaansche Republiek.
De hoogteligging van de Transvaal (gem: 1200 M. boven den zeespiegel) maakt het klimaat zeer gezond. Het winter halfjaar van April-September is droog en koud, vooral 's nachts, overdag is het echter dikwijls zoo warm als in den zomer. Langs den noordelijken voet der Magalisbergen is het klimaat zeer zacht en kan het koren reeds in Juli geoogst worden.
De regentijd begint in September, doch in den regel vallen de hevige regens van December-Maart. Onweders komen dikwijls voor en zijn vooral in de zomermaanden zeer hevig; de veldvruchten worden niet zelden door hagelslag verwoest. Gedurende de wintermaanden waait een snerpende koude wind uit het zuiden; het Hooge Veld en de Drakenbergen zijn dan meermalen voor eenige dagen met sneeuw bedekt. |
| (Slot Volgt) |
F.E.L. Veeren |
1 Voor de literatuur verwijzen wij naar:
1. De Bodemgesteldheid van de Transvaal, met kaart, door dr. J.A. Roorda Smit. Tijdschrift N.A.G. Zesde deel 1882.
2. H. Haevernick. Geologische Skizze von Südostafrika, mit Karte. P.M. 1884, p. 441.
3. Dr. G. Fritsch. Südafrika bis zum Zambesi. VI. Die geognostische Beschaffenheit und mineralogische Schätze Südafrikas.
4. Dr. A. Schenck. Die geologische Entwickelung Südafrikas mit Karte. P.M. 1888, p. 225.
5. A Guide to the Gold Fields of South-Africa, by W.H. Penning, Pretoria 1883.
6. H. Havernick. Die Goldfelder von Transvaal, mit Karte. P.M. 1885, p. 87.
7. The Gold Fields Revisited, by E.P. Mathers. Durban 1887.
8. Dr. A. Schenck. Ueber Transvaal und die dortigen Goldfelder. Verhandlungen d. Ges. f. Erdk. zu Berlin, 3 März 1888.
9. P. Emmrich. Die de Kaap Gold Fields in Transvaal. P.M. 1887. p. 139.
10. Fred. Jeppe. The Kaap Gold Fields of the Transvaal, with |Mappe. Pr. R.G.S. July, 1888.
11. Fred Jeppe. Die Witwatersrand Goldfelder in Transvaal, m. Karte. P.M. 1888. p. 257
2 Het goud bevattende kwarts bleek hier echter te arm te zijn voor een exploitatie.
3 Het goud bevattend lateriet komt ook als alluvium in de rivierdalen voor (auf Sekundärer Lagerstätte).
4 Deze beslaan een oppervlakte van omstreeks 800 vierk. Eng. mijlen en worden begrensd in het westen door het Kaap-plateau (Godwaanberg), in het zuiden door een hooge bergketen, welke Kaap-Valleij van Moodie's goudvelden scheidt, ten oosten door een lijn van Kamhlubana Peak naar Nillmapin's drift a/d. Krokodil-rivier en ten noorden door laatstgenoemden stroom.
|
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
→
| ↑ |
|