Gasmeters [II]


← overzicht
Inhoud
Start
Gasmeters [II].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Juli 1889 - 9e jaargang


   Gaan we thans die telling in bijzonderheden na en kiezen we als voorbeeld den gasmeter van 700 kub. decim. meetvermogen. De metende inhoud van den trommel is, zooals reeds gezegd 6 2/3 liter. Op de as van den trommel is een dubbele worm, terwijl het horizontale tandrad 30 tanden bevat. Dit rad gaat voor elke omwenteling des trommels dus twee tanden vooruit; voor ééne omwenteling van het rad zijn dus 15 van den trommel noodig. In 15 omwentelingen gaat er 15 x 6 2/3 = 100 liter of 0,1 kub. meter gas door het toestel.
   De wijzers op den voorkant van het telwerk, dat in het telkastje is verborgen, geven geen onderdeelen van kub. meters aan, doch de wijzer rechts wijst de eenheden, de volgende de tientallen, de derde de honderdtallen van kub. meters aan. Bij grootere meters zijn er meer wijzers. Voor elke tien kub. meters gas moet de wijzer der eenheden eenmaal rond gaan, en die der tientallen zich over één der tien verdeelingen verplaatsen. Het horizontale tandrad moet evenwel honderdmaal en dus de trommel 1500 maal draaien.

Fig. 8a en 8b. Fig. 8a. Raderwerk van het telwerk.
Fig. 8b. Wijzerplaat van het telwerk.
   Op de vertikale as bevindt zich een schroef zonder eind, die ingrijpt (fig. 8) op een tandrad met 25 tanden. De as van dit tandrad (1) draagt een rondsel (2) met 6 tanden en dit rondsel grijpt in op een tandrad met 24 tanden (3). Aan de as hiervan is de wijzer der eenheden vastgesoldeerd. Uit deze inrichting volgt, dat de verticale as 100 maal ronddraait, regen de wijzer der eenheden eenmaal. Op de as van den wijzer der eenheden is een rondsel met 6 tanden (4) terwijl op die van den wijzer der tientallen een rad met 60 tanden (5) is. De wijzer der eenheden draait dus tienmaal rond, tegen die der tientallen eenmaal. Op gelijke wijze door een rondsel met 6 en een rad met 60 tanden wordt de wijzer der honderdtallen in beweging gebracht. Zijn er meer, dan geschiedt steeds de overbrenging op deze wijze.

   Hoeleest men nu de doorgevoerde hoeveelheid gas af? Bedenken we dat, wanneer twee tandraderen op elkander ingrijpen, zij in tegengestelden zin draaien. De wijzer der eenheden draait even als die van een uurwerk, die der tientallen dus in tegengestelden zin, die der honderdtallen weder als die van een uurwerk. Boven aan elke wijzerplaat staat het cijfer 0. Bij de eenheden en honderdtallen klimmen de cijfers van 0 tot 9 in den zin als bij een uurwerk, bij de tientallen juist in tegengestelden zin. Bij het aflezen ziet men nu eerst naar den wijzer der hoogste orde, in ons geval de honderdtallen. Staat deze b.v. tusschen 5 en 6 dan noteert men 5, want wat er meer dan 500 meter is doorgevoerd, wordt door de andere wijzers aangegeven. Staat de wijzer der tientallen tusschen 3 en 4, die der eenheden tusschen 7 en 8, dan noteert men 537 als doorgevoerde hoeveelheid. Wat er feitelijk meer dan 537 meter doorgevoerd is, komt later terecht. Is deze aflezing gebeurd op 1 Jan. en vindt men 1 Febr. 672 dan is de maand Januari 672-537=135 M. gas verbruikt. Stel 1 Maart geeft als aflezing 812, 1 April 927 en 1 Mei 035. We zouden dan 1 Mei feitelijk 1035 moeten noteeren, dus is er in April 1035-927=108 M. gas verbruikt. Het bepalen van het maandeljksch gasverbruik is dus zeer eenvoudig.

   Wanneer de wijzer der honderdtallen juist op 6 staat, kan men niet met volle zekerheid die 6 opschrijven, evenmin wanneer hij zeer dicht bij de 6 is. Men raadplege dan den wijzer der tientallen; staat deze tusschen 9 en 0, dan is de aanwijzing niet 6 maar 5, staat hij tusschen 0 en 1, dan is de aanwijzing 6. Staat hij juist op nul of zeer dicht er bij dan dient de wijzer der eenheden geraadpleegd te worden. Staat deze vóór de nul dan is het 599, staat hij er over dan is het 600. Deze opmerkzaamheid bij 't aflezen is noodig, omdat de wijzers niet altijd volkomen zuiver zijn aangebracht. Een vergissing in een aflezing herstelt zich echter bij de afrekening van zelve, want stel de standen op 1 Jan., 1 Feb., 1 Maart zijn 720, 831, 940, terwijl men heeft afgelezen 720, 821, 940. Men betaalt dan in twee maanden 220 meter gas, doch in de eerste maand 10 M te weinig, in de tweede tien te veel. De fout is dus hersteld.
   Ik dien voor ik van het telwerk afstap, nog even stil te staan bij den mantel, die de verticale as omgeeft. Deze reikt, zooals gezegd is, onder water. De verticale as moet noodzakelijk gaan door de bovenplaat der voorkast en moet vrij gemakkelijk kunnen draaien. Dit geschiedt door middel van een pakkingbus; doch zelden is die afsluiting zoodanig dat daar geen gas zoude kunnen ontsnappen. Door bedoelden mantel heeft het gas geen toegang tot die pakkingbus, want het water stijgt door de overdrukking van het gas in de ruimte binnen den mantel op en sluit daardoor den gastoevoer hydraulisch af.
   Hiermede is de inrichting en de werking van den natten gasmeter beschreven. Ik dien thans aan te toonen, dat fraude bijna onmogelijk is. Bedriegelijke handelwijzen, waarbij de gasmeter buiten de leiding gesteld wordt, kan ik buiten beschouwing laten. Daartegen waakt geen enkele toestel.

   De hoeveelheid gas hangt geheel af van den inhoud des trommels, de aanwijzing van het aantal omwentelingen van dit onderdeel. Kan men dus het metend gedeete grooter maken, dan krijgt men meer gas bij dezelfde aanwijzing van het telwerk. Dit gebeurt als men den waterstand verlaagt. Dit kan 1º door water-wegneming, 2º door schuinzetten. Het wegnemen van water gaat echter met eigenaardige moeielijkheden gepaard, want de eenige opening, die toegang tot het water zou kunnen geven, is die der vulschroef en tracht men hierdoor water uit den gasmeter te halen, dan sluit de klep in het vulkastje zich en afvoer van water is niet mogelijk. Evenmin gaat het, water uit den gasmeter te verwijderen door een buigzaam buisje in regulateurbuis of siphon te brengen, want binnen den meter komt dit boven het water uit.

   Door schuinzetten kan men het water in de achterkast verlagen, en dit zou werkelijk voordeel opleveren, doch betrekkelijk zeer gering, want het oppervlak van het water in de voorkast is veel kleiner dan in de achterkast en dus zal het veel in de voorkast stijgen alvorens het in de achterkast noemenswaard gedaald is, doch hierdoor loopt de siphonbuis vol water en alsdan is alle gasdoorstrooming belet.
   Men kan den gasmeter ook op andere wijze schuinzetten en dan zoover dat een der openingen in den wand tusschen vóór- en achterkast boven 't water komt. Alsdan gaat het gas ongemeten door. Meestal laten de verbindingen een dergelijke scheef-stelling niet toe; vroeger vergezelde men echter de meters in horizontalen stand, tegenwoordig doet men dit alleen, wanneer men vermoedt dat er bedrog gepleegd is.

   Een ander middel om bedrog te plegen, bestaat in 't terugdraaien van den trommel, wat zou kunnen als men den uitlaat loskoppelt. Een pal binnen het toestel aanwezig, belet de draaiing in den verkeerden zin. - Ook is verplaatsing van de wijzers onmogelijk, want het telkastje is door een glas, aan de binnenzijde van het kastje bevestigd, afgesloten.
   Het is dus hoogst moeielijk zoo niet ondoenlijk om meer gas te verkrijgen dan de gasmeter aangeeft. Er is echter een middel om het gas ongemeten te verkrijgen: indien men de onderschroef wegneemt en de hoofdkraan opent, stroomt het gas uit de ontstane opening, en deze hoeveelheid is stellig voldoende om één of twee lichten te voeden. Een kaoutchouk-buis kan dan voor leiding dienen. Hoe eenvoudig dit middel ook zij, ik stel genoegzaam vertrouwen in mijne lezers om van deze mededeeling geen misbruik te maken. Bij sommige gasmeters is echter dit middel niet toe te passen, doordat de siphonbuis in plaats van in de buitenlucht uit te komen, uitmondt in een afzonderlijk bakje met water (waterzak).

   Is dus geen fraude te plegen zonder den gasmeter ten deele los te maken, ook dit losmaken kan niet gebeuren zonder schending der op den gasmeter door de ijkers geplaatste ijkmerken, want telkastje, voorplaat, blikken plaatje op die voorplaat, zijn van de noodige ijkmerken voorzien en zonder deze te schenden, is 't dus niet mogelijk de moonding van den regulateur naar beneden te drukken.
   De gasfabrikant heeft, zooals uit het bovenstaande blijkt, bijna volkomen zekerheid dat er geen bedrog gepleegd wordt. Hier tegenover dient te staan dat ook de verbruiker zekerheid hebbe, dat hij werkelijk de aangewezen hoeveelheid gas heeft verbruikt. Hiervoor dient ten eerste de soliditeit der meeste gasfabrikanten, ten tweede de verplichte ijk der gasmeters en ten derde is slechts eenige oplettendheid van den kant des verbruikers noodig; want deze heeft zich slechts nu en dan van de juiste vulling van zijn gasmeter en van den stand van het telwerk te overtuigen.
   De vraag zal zich bij den lezer als vanzelve opgedrongen hebben: Waarom hebben de gasmeters verschillende afmetingen? De praktijk heeft geleerd dat het wenschelijk is, dat de trommel noch te snel, noch te langzaam draait. Men meent dat een omwentelingssnelheid, zoodanig dat de trommel 100 maal per uur rondgaat, de beste is. Is de snelheid grooter, dan komt het water te veel in beweging. (De schuine stand der tusschenschotten maakt dat deze zich met zeer weinig storing in het water kunnen bewegen.). Is de snelheid te gering, dan is dikwijls de draaiing van den trommel niet regelmatig genoeg, en zeer kleine lekken krijgen dan een belangrijken invloed. Men moet dus den inhoud des trommels naar het verbruik regelen. Voedt men door een gasmeter te veel lichten, dan branden zij flauw.

   Alvorens van den natten gasmeter af te stappen, zal ik nog eenige kleine gebreken behandelen, die door den gasverbruiker zelve vreholpen kunnen worden. Als eerste gebrek noem ik: Men kan geen gas verkrijgen. De oorzaken hiervan kunnen zijn:
         1º. De siphonbuis is vol water.
         2º. De waterstand is te laag.
         3º. De flotteur werkt niet.
   Is de siphonbuis vol water, dan kan het gas niet uit de voorkast in het bolvormig segment komen, want het water belet dit. Het wegnemen der onder schroef, na sluiting der hoofdkraan, doet het water uitstroomen en het gebrek verhelpen. Het is wenschelijk, daarbij tevens na te gaan of de gasmeter juist gevuld is. Heeft men de meters juist gevuld en herhaalt zich het verschijnsel na een korteren of langeren tijd, dan is de siphonbuis lek en moet de gasmeter vervangen worden.
   Is de waterstand te laag, dan vulle men den gasmeter bij. Zoodra de flotteur omhoog gaat, is de doorvoer van het gas verkregen.

   Als de gasmeters eenigen tijd stil hebben gestaan, gebeurt het wel eens dat de flotteur door de aankleving der klep niet omhoog gaat. Er komt dan geen gas. Gewoonlijk helpt dan een lichte hamerslag tegen den linkerzijwand van de voorkast. - Helpt geen dezer drie middelen, dan zende men naar de fabriek. In den regel zal de gasmeter door een andren moeten vervangen worden.
   Als tweede gebrek noem ik: het licht flikkert.
   Dit kan gebeuren wanneer er water in de leiding is, doch evengoed veroorzaakt worden door een klein gebrek in den gasmeter. Is namelijk de siphonbuis gedeeltelijk gevuld met water, zoodat dit nog even reikt in het bochtig gedeelte, dan zal dit water niet den doorgang van het gas beletten, doch alleen veroorzaken dat de doorstrooming niet regelmatig plaats grijpt. In de leiding treden dan verschillen in druk op en hieraan is het flikkeren toe te schrijven. Door de onderschroef even weg te nemen, isdit gebrek te verhelpen. - Is er zoo weinig water in den gasmeter, dat de opening in de kleppenkast bijna afgesloten is, dan treden deze verschijnselen eveneens op en het bijvullen verhelpt het gebrek. Baten geen dezer twee middelen, dan zende men naar de fabriek, want dan is de oorzaak moeielijk te bepalen zonder onderzoek van de verschillende deelen des gasmeters.
   Ik zal thans overgaan tot de vespreking van den drogen gasmeter, doch hierbij het principe vooropstellen, want zonder de kennis daarvan is de inrichting moeielijk duidelijk te maken.

-----------

DROGE GASMETERS.


   Denken we ons een ruimte A, die een andere B geheel omsluit (fig. 9), terwijl A en B gescheiden zijn door een verplaatsbaren wand. Veronderstellen we, dat naar A een buis a en naar B een buis b loopt, en nemen we aan, dat we door eene of andere inrichting de buizen a en b beurtelings met de buizen naar de fabriek en naar de branders in verbinding brengen. Is a met den inlaat in verbinding en b met den uitkaat, dan is de druk in A grooter dan in B en bijgevolg zal de ruimte B door de verplaatsing van den bewegelijken wand verkleind en A vergroot worden. Indien we nu b met den inlaat en a met den uitlaat verbinden, zal de drukking in B grooter Fig. 9. Principe van den drogen gasmeter. Fig. 9. Principe van den drogen gasmeter.

worden dan in A, en de beweeglijke wand zal zich in tegengestelden zin gaan bewegen. Er zal nu een verkleining van A en een vergrooting van B plaats hebben. Een dergeljke verkleining brengt mede dat er gas naar den uitlaat, dus naar de branders gevoerd wordt en die hoeveelheid is juist gelijk aan de vermindering in volume, die A of B ondergaat. Dut volume kan gemeten worden en door nu de heen- en weergangen van den beweeglijken wand te tellen, kan men de hoeveelheid gas, die naar de branders gevoerd wordt, bepalen. De ruimte A noemt men de uitwendige, B de inwendige kamer.
   De beweging van den wand kan nu dienstig gemaakt worden om de regelmatige verandering van de buizen a en b als in- en uitlaat te bewerkstelligen en om een telwerk, ongeveer ingericht als bij den natten gasmeter in beweging te brengen. Om deze beweging te verzekeren, wanneer de richting der beweging van den verplaatsbaren wand verandert, is het wenschelijk een dubbel stel in- en uitwendige kamers te hebben, welke niet op 't zelfde oogenblik geheel gevuld of geheel geledigd zijn. Bij den drogen gasmeter zijn dan ook twee uitwendige en twee inwendige kamers, welke in stand juist 1/4 van een geheele periode verschillen.

Fig. 10. Fig. 10.    De droge gasmeter (fig. 10 stelt er een met glazen voorwand voor) heeft den vorm van een rechthoekig parallelopipedum, geplaatst op een der kleinste zijvlakken, terwijl de langste ribbe vertikaal staat. Langs elk der kleinste opstaande zijvlakken loopt een buis, die we als in- en uitlaat bestempelen. In fig. 10 is die aan 't rechter zijvlak de inlaat Uitwendig zijn er geen schroeven of openingen te bespeuren. Een koperen plaat waarop 't jaartal emz., is even als bij den natten gasmeter aanwezig.

   Door een tusschenschot op ongeveer 1/3 der hoogte, van boven af gerekend en horizontaal geplaatst, wordt de gasmeter in twee deelen verdeeld. Het onderste deel bevat de in- en uitwendige kamers; het is door een vertikaal tusschenschot, evenwijdig aan de grootste zijvlakken, in twee deelen verdeeld. Dit onderste deel is het metende deel van den drogen gasmeter even als de trommel dat is bij den natten. - In het bovenste deel van den gasmeter zijn verschillende werktuigjes verborgen. Dit deel komt overeen met de voorkast en telkast van den natten.
   Aan het vertikale tusschenschot is aan weerszijden een ringvormig, zeer plooibaar en geen gas doorlatend, dun leder aangebracht, (de wijze van prepareeren wordt geheim gehouden) waaraan een metaalplaat bevestigd wordt, en waardoor de inwendige kamer met beweeglijken wand gevormd wordt.

   Het bovenste gedeelte van den gasmeter is evenzoo in twee deelen gesplitst, ie in fig. 10 in het bovenaanzicht zijn aangegeven. Het linker gedeelte is door een metalen plaat geheel afgesloten, welke plaat zich ongeveer op de helft der hoogte van het bovenste gedeelte bevindt. In den bodem van deze overigens geheel afgesloten ruimte, vinden we verschillemde openingen. Ten eerste een ronde in het midden. Door deze opening kan het gas van uit den inlaat door een buis onder het horizontale tusschenschot verborgen, in deze geheel afgesloten ruimte komen. Ten tweede vinden we aan weerszijden drie spleetvormige openingen. (In de teekening zijn zij slechts aan ééne zijde onbedekt gelaten). Die, welke het dichtst bij het midden des gasmeters is, staat door een breede platte buis onder het horizontale tusschenschot verborgen, in verbinding met de inwendige kamer aan dezelfde zijde. De middelste openingen staan door buizen in verbinding met den uitlaat des gasmeters, terwijl de buitenste openingen onmiddellijk correspondeeren met de uitwendige kamers.

   Een schuif, welke over deze openingen zich verplaatst, doch daarbij steeds de middelste bedekt houdt, stelt in staat beurtelings in- of uitwendige kamer in verbinding met den inlaat te brengen, want in de opening welke zij vrij laat, zal het gas stroomen. Daar deze schuif van binnen uitgehold is, zal zij tevens door die uitholling een verbinding brengen tusschen de middelste spleet en de andere, die bedekt is, dat is tusschen de kamer die geledigd moet worden en den uitlaat. De regelmatige beweging der schuiven of de openingen maken dus, dat beurtelings in- en uitwendige kamer respectievelijk met in- en uit- of uit- en inlaat verbonden zijn.
   Dezechuiven sluiten aan, èn door eigen gewicht, èn door een klein verschil in drukking op bovenzijde en onderzijde. Indien de aansluiting niet zuiver is, zal er gas onmiddellijk van den inlaat naar den uitlaat kunnen gaan, zonder gemeten te worden, en men mag dan ook veilig beweren, dat het niet juist aansluiten van de schuiven bij den drogen gasmeter, het grootste euvel is, waaraan deze mank gaat. Om het aansluiten te bevorderen, glijden de schuiven zijdellings langs scheef afgewerkte geleidstaafjes. De wrijving mag niet zeer groot zijn en daarom is volkomen aansluiting bijna onmogelijk. Men begrijpt onmiddellijk dat door de juiste beweging der schuiven, tevens de werking van het geheele toestel verzekerd is. Die beweging wordt verkregen door de ronddraaiing van een as M, waaraan twee krukjes bevestigd zijn welke stangen dragen, die de schuiven heen en weer bewegen. Deze as M steekt buiten het afgesloten gedeelte uit en wordt door middel van een stelsel van hefboomen, in het overige gedeelte van den gasmeter aanwezig, rondgedraaid.

   Aan de beweeglijke platen zijn vaste stukjes metaal (1) bevestigd welke een asje dragen, waaraan een vrij stevige stang (2) is vastgemaakt. Deze stang (2) is vastgesoldeerd aan een lange stang, die in de uitwendige kamer aanwezig is en door het horizontale tusschenschot heenloopt. Deze stang zal door de heen- en weergaande beweging der beweeglijke plaat een kleine draaiing in dezen en genen zin ondergaan. Aan deze assen, die we in fig. 11 door A en B hebben aangeggeven, zijn boven het horizontale tusschenschot twee stangen AN en BL bevestigd, welke opnieuw doch thans beweeglijk zijn bevestigd aan twee stangen NK en LK, welke aan een kruk MK der as M zijn vastgemaakt. De stangen AN en BL kunnen alleen een kleinen hoek beschrijven, doch daar zij 1/4 slag verschillen, is AN in den uitersten stand als BL in den middelstand is en omgekeerd. Indien N1 en L1 de standen van N en L op zeker oogenblik zijn, zal K den stand K1 innemen. N1 en L1 bewegen zich nu naar N2 en L2 en slepen K1 mede naar K2. Fig. 11. Verklaring van de beweging van de as M en de kruk MK. Fig. 11. Verklaring van de beweging van de as M en de kruk MK.

L keert nu om, doch N niet en thans zal K van K2 naar K3 gaan; daarna keert ook N om en L gaat naar L4. K wordt van K3 naar K4 bewogen. Eindelijk komen N en L weder in N1 en L1 terug en is ook K weder in K1 gearriveerd, en daarbij heeft de as M een volle omwenteling volbracht, in een bepaald aangewezen richting. (In een gasmeter, waarvan de bovenplaat van glas is, of wel is weggenomen, kan men die overbrenging der beweging gemakkelijk volgen.) Door dit hefboomenstelsel is dus de geregelde beweging der schuiven verzekerd, en hiermede de werking van den toestel. Het is dus voldoende nog aan te geven, hoe de meting geschiedt.
   Merken we op, dat de lengte der kruk MK de uiterste standen van AN en BL bepaalt en dus, daar de beweging van AN en BL haar oorsprong vindt in die der beweeglijke plaat, zal feitelijk de lengte van MK de beweging van die platen bepalen en derhalve ook den metende inhoud van den gasmeter. Maakt men MK langer, dan wordt ook die inhoud grooter en omgekeerd. Is dus eens de juiste lengte van MK bepaald, dan moet elke verandering onmogelijk zijn en daarom is 't punt K door een schroef langs MK bewegeljik en wordt het na juiste stellng op MK vastgesoldeerd. - De ijkmerken op de bovenplaat van den gasmeter, van regeeringswege daarop geplaatst, maken elke verandering van K op MK onmogelijk, want de bovenplaat des gasmeters zoude weggenomen moeten worden, om die verandering te bewerkstelligen.

   De boven de afgesloten ruimte uitstekende as M is voorzien van een schroef zonder eind, die ingrijpt in de tanden van een tandrad, dat in fig. 10 zichtbaar is. Dit tandrad komt geheel overeen met het horizontale tandrad in de voorkast van den natten gasmeter, en de verdere inrichting van het telwerk beantwoordt aan dat van een natten meter. Men ziet echter boven de wijzers der eenheden, tientallen enz. een wijzer, die veel smeller beweegt dan de anderen en geplaatst bij een verdeeling in 50 of 100 deelen. Deze wijzer stelt in staat de liters gas, die in een klein tijdsverloop verbruikt worden, te bepalen en dient dan ook alleen voor de verificatie van den gasmeter door de ijkers. Bij de natte gasmeters is deze wijzer vervangen door een cilinder met 100 verdeelingen (fig. 8) boven op de verticale as. Dit staat in verband met den stand van die as. - (Deze inrichting geeft den verbruikers het middel aan de hand om na te gaan of hunne huisleiding lek is, want als alle branders gesloten zijn, mag geen gasverbruik plaats hebben als de hoofdkraan geopend is. Door dus den stand van dit "litterrad" op te nemen op zeker oogenblik, dan eenigen tijd de hoofdkraan te openen en alle branders te sluiten om dan opnieuw den stand van het litterrad te noteeren, kan men constateeren of er gas verloren is gegaan of niet. Merken we op, dat dit zelden geheel nul zal zijn, doch dat het bedrag zeer gering moet wezen.)

   Indien door een of ander toeval de droge meter in verkeerden zin zich beweegt, zou hij dit voortdurend blijven doen, doch de meter zou verkeerde aanwijzigingen geven. Een pal binnen den toestel belet de kruk MK (fig. 11) in dien verkeerden zin rond te draaien.
   "Welke der beide gasmeters is de beste?" zal de lezer wellicht vragen. Dit is moeielijk te zeggen. In Engeland, waar men zeer ingenomen is met den drogen meter, is echter bepaald dat alleen de natte gasmeter als contrôle-gasmeter (bij den ijk in gebruik) mag dienst doen. Zeker is het, dat de groge gasmeter vele gemakken aanbiedt boven den natten; wanneer men slechts even denkt aan het vullen, het bevriezen van het water. Bovendien is het niet mogelijk bij den drogen gasmeter bedrog te plegen, zonder de ijkmerken te schenden. Klenere gebreken komen bij den drogen gasmeter minder voor dan bij den natten. Hier staat tegenover, dat bij eenige oplettendheid de nauwkeurigheid van den natten gasmeter veel grooter is dan van den drogen. Kan men echter den drogen gasmeter zoodanig vervaardigen dat de schuiven gemakkelijk bewegen en tevens goed aansluiten en dat de wand der inwendige kamers bij alle temperaturen zeer buigzaam en plooibaar is, dan is m.i. de droge gasmeter boven den natten te verkiezen.

   De lezer zal opgemerkt hebben, dat ik mij niet met de praktijk heb ingelaten, voor zooverre die een voordeelig of nadeelig branden geeft. Ik heb dit expresselijk vermeden, omdat de ondervinding mij niet heeft geleerd, welke wijze van gasverbruik de beste is; doch een algemeene waarheid is, dat men het fraaiste licht verkrijgt, wanneer men de hoofdkraan zoo weinig mogelijk en de kraantjes der branders zoo wijd mogelijk opent. Later hoop ik nog eens terug te komen op de inrichtingen van natte gasmeters, waarbij de stand van het water op den normalen wordt gehouden door bijtoestellen. De nu beschreven gasmeters zijn algemeen in gebruik en ik hoop, dat ik menig lezer een kleinen dienst zal hebben bewezen door hem de werking van een nuttig toesttel duidelijk te maken.

   Breda. C. Krediet


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline