|
|
1839 - 19 augustus - 1889, eenige bladzijden uit de geschiedenis der fotografie [II].
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 September 1889 - 9e jaargang |
In zijne redevoering voor de Chambres des Députés zeide Arago o.a. het volgende:
"... De zwakste stralen wijzigen de door Daguerre gebruikte zelfstandigheid. De werking heeft plaats voordat de door het zonlicht gevormde schaduwen den tijd gehad hebben tot een noemenswaardige verplaatsing. De resultaten zijn zeker, wanneer men zich houdt aan zeer eenvoudige voorschriften. Eindelijk, wanneer de beelden eenmaal ontstaan zijn, wordt door de werking der zonnestralen, ook al wordt deze gedurende jaren voortfezet, noch hunne zuiverheid noch hun glans, noch hunne harmonie geschaad.
Bij de beschouwing van een aantal der afbeeldingen die u voor oogen gelegd zijn, zal ieder begrijpen dat men, gedurende den veldtocht in Egypte, in ruime mate partij had kunnen trekken van een zoo nauwkeurig en zoo snelwerkend middel van reproductie; iedereen zal overtuigd zijn dat, als de fotografie in 1798 was bekend geweest, wij heden getrouwe beelden zouden bezitten van een aantal zinnebeeldige voorstellingen, van welke de hebzucht der Arabieren en het vandalisme van zekere reizigers, de geleerde wereld voor altijd beroofd hebben.
Om de millioenen en millioenen van hieroglyfen te copieeren waarmede, zelfs uitwendig, de groote monumenten van Thebe, van Memphis, van Karnak, enz. bedekt zijn, zouden twintigtallen van jaren en een heirleger van teekenaars noodig zijn. Met de Daguerreotypie zou een enkel man dit onmeteljke werk tot een goed einde kunnen brengen. Neem twee of drie van de toestellen van Daguerre en op verscheidene der groote platen van het beroemde werk, de vrucht onzer onsterfelijke expeditie, zullen fictieve hieroglyfen vervangen worden door een onafzienbare reeks van ware hieroglyfen; en de teekeningen zullen overal in getrouwheid, in locale kleur, de werken der bekwaamste schilders overtreffen; ...."
Men ziet uit het bovenstaande reeds welken helderen blik Arago had in het groote nut, dat de nieuwe ontdekking zou kunnen opleveren bij de studie van historische gegevens (photographie documentaire), bij het doen van onderzoekings- en ontdekkingsreizen (photographie des voyageurs); dat hij zich hierin niet vergist heeft, behoeft niet betoogd te worden; of het zou moeten zijn, omdat de resultaten van deze toepassingen der fotografie reeds zóó vele zijn dat wij thasns, bij het bezien der afbeeldingen, er reeds niet meer aan denken, dat we deze aan Daguerre's ontdekking te danken hebben. |
"... daar de fotografische beelden bij hun ontstaan aan meetkundige regelen onderworpen zijn, zullen zij ons in staat stellen om, met een klein aantal gegevens, op te klimmen tot de nauwkeurige afmetingen van de meest verhevene en ontoegankelijke deelen der gebouwen..."
Arago voorspelt hier een van de gewichtigste toepassingen der fotografie, de Fotogrammetrie, welke eerst in de laatste jaren hare eerste vruchten heeft afgeworpen, en thans in het tijdperk harer ontwikkeling verkeert. We verwijzen onze lezers naar hetgeen in den jaargang 1887 hierover werd gezegd, terwijl wij ons voorstellen binnenkort uitvoerige mededeeling te doen van de nieuwere onderzoekingen op dit gebied. Zoowel de bovengenoemde toepassingen als de geldelijke voordeelen werden door Arago voorzien, als hij verder zegt:
"... Onze gedachten worden hierdoor geleid naar de werken, die thans in ons eigen land worden uitgevoerd, onder het toezicht van de Commissie voor de historische gedenkteekenen. Met een enkelen oogopslag ziet iedereen de groote rol, die de fotografische procédés bestemd zijn te spelen in deze groote nationale onderneming; iedereen zal ook begrijpen, dat de nieuwe handelwijzen zich zullen onderscheiden door zuinigheid, een verdienste die, hetzij in het voorbijgaan gezegd, in de kunsten zelden samengaat met volmaaktheid harer voortbrengelen ..."
"Vraagt men zich eindelijk af of de kunst, op zichzelf beshcouwd, zal bevorderd worden door het onderzoek en de studie dezer beelden, welke geteekend zijn door het fijnste, het teederste wat de natuur ons aanbiedt: door lichtstralen?
Paul Delaroche zal ons antwoorden.
In een antwoord op door ons tot hem gerichte vragen verklaart deze beroemde schilder, dat door de handelwijzen van Daguerre "sommige essentieele voorwaarden der kunst in zoo hooge mate vervuld worden, dat zij voor de schilders, zelfs voor de bekwaamste, het onderwerp van waarneming en studie zullen moeten worden."
Wat hem het meest treft in onze fotografische teekeningen is, dat "de onbegrijpelijke fijnheid in geen enkel opzicht schade doet aan het rustige karakter van het geheel, noch aan het algemeen effect." "De zuiverheid der lijnen", zegt Delaroche op een andere plaats, "de juistheid der vormen, is zoo volkomen mogelijk in de teekening van Daguerre, en men herkent daarin tegelijkertijd breede, krachtige vormen en een ensemble even rijk van toon als van effect... De schilder zal in dit procédé een middel tot zijn beschikking krijgen om in korten tijd verzamelingen van studies te maken, die hij anders niet zou kunnen verkrijgen dan met opoffering van veel tijd en moeite en op een veel minder volmaakte wijze, hoe groot ook overigens zijn bekwaamheid zijn moge."
Na met krachtige argumenten de meening te hebben bestreden van hen, die meenen dat de fotografie onze kunstenaars en vooral onze bekwame graveurs zou benadeelen, eindigt Delaroche met deze overweging: "Alles te zamen genomen, wordt door de bewonderenswaardige ontdekking van Daguerre een groote dienst bewezen aan de kunsten."
Wij zullen de fout niet begaan, zeide Arago, om iets aan een dergelijk getuigenis toe te voegen"...
Het onderwerp, waarover Arago hier sprak: - de verhouding tusschen fotografie en kunst - heeft in de vijftig jaren die sedert verloopen zijn, al tot heel wat gedachtenwisseling en strijd aanleiding gegeven. Het zou ons te ver voeren om in dit opstel breedvoerig aan te toonen, welk standpunt de fotografie thans tegenover de kunst inneemt. Dat de kunstenaars niet door de fotografie benadeeld zijn, staat vast; juist de fotografie is oorzaak geweest, dat de behoefte aan illustraties zoodanig is toegenomen, dat een aantal kunstenaars daarin een rijk arbeidsveld gevonden hebben, terwijl zelfs schilders van groote bekwaamheid hun talenten toewijden aan de vervaardiging van teekeningen, die speciaal bestemd zijn om door de fotografie te worden weergegeven en de overtuiging steeds meer levendig wordt, dat inzonderheid, zoo niet alleen, de fotografie in staat is het werk der kunstenaars met volkomen getrouwheid terug te geven en onder het bereik te brengen van duizenden en tienduizenden, voor wie de kunst te voren een gesloten boek was, en die thans leeren de voortbrengselen der kunst te waardeeren,
wat natuurlijk niet nalaten kan ook voor den kunstenaar zelve wederkeerig tot voordeel te zijn. Dat de fotografie een belangrijk hulpmiddel zou worden bij de "studiën" van den kunstenaar, heeft Delaroche juist gezien; de fabrikanten van kleine fotografie-toestellen, detectiv-camera's, e.a. zouden het kunnen getuigen in hoe grooten getale deze werktuigen door schilders gebruikt worden. - Ja zelfs, de fotografie is hiermede niet tevreden; zij is bezig, althans in één nderdeel, zichzelf tot kunst te verheffen; onder de landschapsfotografieën van Robinson, o.a. zijn er, over welke geen schilder zich zou behoeven te schamen, die niet alleen aan de euschen der kunst voldoen, maar zelfs als leidraad en modellen bij kunststudie kunnen dienen1.
Na een overzicht van de voordeelen van de Daguerreotypplaten boven het met salpeterzuur-zilver of chloorzilver doortrokken papier, waarmede Daguerre zijn eerste proeven deed, en na aangetoond te hebben, dat de Daguerréotypie, door hare gemakkelijk en eenvoudig manipulaties binnen ieders bereik ligt, gaat Arago voort: |
".... De snelheid der methode is misschien dat, wat het publiek het meest verbaasd heeft. Inderdaad, tien à twaalf minuten zijn nauwelijks noodig bij somber winterweder om het aanzicht van een monument, van een stadsgedeelte, van een landschap te verkrijgen.
Des zomers, bij mooien zonneschijn kan die tijd tot op de helft herleid worden. In zuidelijker streken zullen twee à drie minuten zeker voldoende zijn. Maar het is van belang om op te merken, dat die tien à twaalf minuten des winters, die vijf à zes minuten des zomers, die twee à drie minuten in zuidelijke luchtstreken, alleen den tijd uitdrukken gedurende welken op de gejodeerde zilveren plaat het door de lens gevormde beeld moet inwerken. Daarbij moet men den tijd voegen, welke noodig is voor het ontpakken en opstellen van de camera obscura, den tijd voor het prepareeren der plaat, den tijd welke noodig is om het eens gevormde beeld ongevoelig te maken voor de verdere werking van het licht. Al die bewerkingen te zamen zullen dertig minuten à driekwartier kunnen eischen. Zij maakten zich dus illusies, die onlangs, op het punt zijnde een reis te ondernemen, verklaarden gebruik te willen maken van alle oogenblikken in welke de diligence langzaam hellingen zou beklimmen, om gezichten van de landstreek op te nemen.
Men heeft zich niet minder vergist toen men, getroffen door de merkwaardige resultaten verkregen bij het overbrengen van bladzijden, van gravures uit oude werken, gedroomd heeft van de reproductie, van de vermenigvuldiging der fotografische teekeningen door deze op den litografischen steen over te brengen; want het is juist aan den volmaakten glans en aan de onberejenbaar geringe dikte der gevoelige laag dat men de fijnheid, de zachtheid, de harmonie der fotografische teekeningen verschuldigd is. Door dergelijke teekeningen te wrijven, te tamponneeren, door ze aan de werking der pers of der drukrollen te onderwerpen, zou men ze onherstelbaar verwoesten. Of was er ooit iemand, die er aan dacht om een lint van kantwerk sterk te slingeren, of om de vleugels van een vlinder te borstelen?" ....
Het is tijd, dat we hier even stilstaan om een vergelijking te maken tusschen 1839 en 1889.
Arago plaatst zich in zijn redevoering zuiver op het standpunt der fotografie, zooals deze uit de handen van Daguerre is voortgekomen; hij denkt alleen aan de Daguerreotypie, zonder zich af te vragen of deze ook door gansch andere handelwijzen zal vervangen worden. Fotografie en Daguerreotypie zijn voor hem op dat oogenblik synoniem. Vandaar dat hij, met het volste recht, waarschuwt tegen illusies. Toch zijn die droomen thans werkelijkheid geworden; het fotografeeren door reizigers in verloren oogenblikken is geen illusies meer; zij behoeven de diligence niet meer te verlaten, zij kunnen, in stoomboot of sportrein gezeten, de voorbij snellende landschappen opnemen; het vermenigvuldigen van oude gravures, enz. is geen droom meer en zelfs is de lithografische steen slechts een van de vele hulpmiddelen tot dat doel.
Arago beschoude de Daguerreotypie als een voltooid gebouw, terwijl zij in werkelijkheid slechts het fundament uitmaakte van een gebouw, waaraan nu gedurende vijftig jaren gearbeid is en dat thans voor ons staat als een indrukwekkend, grootsch gewrocht, aan hetwelk nog steeds met onvermoeiden ijver door bekwame handen nieuwe onderdeelen ter versiering of ter versterking worden toegevoegd.
".... De stof, op welke Daguerre werkt, is veel gevoeliger voor de werking van het licht dan alle andere van welke men zich tot hiertoe bediemd had. Nooit hadden de stralen der maan, wij zeggen niet in den natuurlijken staat, maar gecopncentreerd in het brandpunt van de grootste lens of van den grootsten spiegel, eenige merkbare physische verandering teweeggebracht. De platen van Daguerre daarentegen veranderen in zoodanige mate onder de werking van diezelfde stralen en van de daarop volgende beerkingen, dat men mag hopen, dat men fotografische kaarten van onzen wachter zal kunnen vervaardigen. Dat wil zeggen, dat men in enkele minuten een van de tijdroovendste en moeielijkste werken der sterrenkunde zal ten uitvoer brengen....."
Arago voorspelde in 1839, dat men de topografische studie der maan door middel der fotografie zou ten uitvoer brengen. Wij behoeven slechts te verwijzen naar den jaargang 1887 van dit tijdschrift om te weten, dat niet alleen dit werk reeds tot op groote hoogte uitgevoerd is, maar dat daarenboven op ieder ander onderdeel der sterrenkunde de fotografische waarneming wordt toegepast, terwijl wij thans hierbij kunnen voegen dat in de 2 jaren, die sedert verloopen zijn, de Astronomische Fotografie zich verbazend ontwikkeld heeft en resultaten heeft afgeworpen, die men nooit had durven verwachten, resultaten zoo belangrijk, dat dientengevolge de fotografie als middel van waarneming in het sterrenkundig observatorium vasten voet gekregen heeft en bestemd schijnt boven andere methoden van waarneming zeer spoedig de erste plaats in te nemen. (Van de nieuwe hoogst gewichtige resultaten der astronomische fotografie hopen we spoedig een volledig overzicht te geven).
".... Een belangrijke tak der wetenschappelijke waarneming, bij de behandeling van de intensiteit van het licht, de photometrie, heeft tot hiertoe weinig vorderingen gemaakt. De natuurkundige slaagt vrij goed om de relatieve intensiteiten te bepalen van twee in elkanders nabijheid geplaatste lichtbronnen, die hij gelijktijdig kan waarnemen, maar hij heeft slechts ovolkomen middelen om die vergelijking te bewerkstelligen, wanneer die voorwaarde van gelijktijdige waaneming niet vervuld is; wanneer hij een lichtbron, die nu zichtbaar is, moet vergelijken met een lichtbron, die eerst daarna zichtbaar zal wezen, als de eerste zal verdwenen zijn....
Wij aarzelen niet te zeggen, dat de ontdekking van Daguerre zal strekken tot bevordering van een der wetenschappen, die den menschelijken geest het meest eer aandoen. Met hare hulp zal de natuurkundige voortaan absolute intensiteiten kunnen metemn; hij zal de lichtbronnen vergelijken door hunne uitwerking. Als hij het nuttig oordeelt, zal dezelfde plaat hem indrukken geven van de verblindende zonnestralen, van de 300,000-maal zwakkere stralen der maan, van de stralen der sterren. Deze indrukken zal hij gelijk maken, hetzij door de krachtigste lichtstralen te verzwakken, met behulp van uitmuntende middelen, welke het resultaat zijn der nieuwere ontdekkingen, maar welker beschrijving hier misplaatst zou zijn, hetzij door de helderste stralen slechts gedurende een seconde bijv. te laten werken en de inwerking der anderen bijv. een half uur te laten duren. Ovrigens, wanneer de waarnemers een nieuw werktuig toepassen bij de studie der natuur, is hetgeen zij er van gehoopt hebben altijd weinig in verhouding tot de opeenvolgende ontdekkingen, waartoe het erktuig aanleiding zal geven. Op dit gebied moet men vooral op het onvoorziene rekenen...."
Waar Arago van de Daguerreotypie groote verwachtingen koestert voor de Photometrie, daar zijn die verwachtingen niet vervuld en konden zij ook niet vervuld worden, zelfs niet door de moderne fotografie, en vooral niet waar hij het oog had op absolute in plaats van relatieve intensiteits-bepalingen.
Arago zag hierbij één voornaam punt over het hoofd, wat hem trouwens ook nog niet kon bekend zijn, namelijk dat de optische en chemische intensiteiten twee zeer verschillende grootheden zijn, tusschen welke weinig of geen verband bestaat. Bij de door Arago bedoelde Fotometrie wordt de optische intensiteit bepaald, terwijl op de lichtgevoelige platen slechts de actinische stralen werken. Is dus in dat opzicht in den door Arago bedoelden zin niet verkregen wat hij hoopte, daaruit volgt niet, dat de Fotografie aan de Fotometrie geen diensten zou bewezen hebben; integendeel, door de fotografie is aan de fotometrische wetenschap een nieuw hoofdstuk toegevoegd; de Fotometrie der chemisch-werkzame stralen, welke thans reeds op een zeer groote hoogte staat, terwijl de daarbij gebruikte werktuigen (sensitometers, e.d.) nog steeds verbeteringen ondergaan2.
Daarenboven is de Fotometrie in één bepaalde richting een belangrijke schrede voorwaarts gegaan, namelijk bij de bepaling van de grootte der sterren door middel van fotografische waarneming.
Inzonderheid Prof. Pickering's onderzoekingen, saamgevat in zijn geschrift: "A photographic determination of the brightness of the stars", hebben hoogst belangrijke resultaten opgeleverd.
".... Ziehier een toepassing voor welke de Daguerreotypie vatbaar zal zijn en welke mij voorkomt zeer de aandacht te verdienen:
De waarneming heeft bewezen, dat het zonnespectrum niet continu is, maar dat er transversale donkere strepen in voorkomen. Zijn er dergelijke verbrekingen der continuiteit in de donkere stralen, die de fotogenische werkingen schijnen voort te brengen? Indien zij er zijn, stemmen zij dan overeen met de donkere strepen van het lichtgevend spectrum?
Dewijl verscheidene der transversale strepen van het spectrum met het bloote oog zichtbaar zijn, wanneer zij zich op het netvlies zonder eenige vergrooting afteekenen, zal het door mij gestelde vraagstuk gemakkelijk opgelost worden. Men zal een soort van kunstmatig oog maken door een lens te plaatsen tusschen het prisma en het scherm waarop het spectrum zal vallen, en men zal vervolgens, zoo noodig met behulp van een loupe, de plaats zoeken der donkere strepen van het fotogenisch beeld, met betrekking tot de donkere strepen van het lichtgevend spectrum ...."
Het is een van de belangrijkste toepassingen der fotografie, welke Arago hier voorziet, al is het dat zij nog slechts in zeer onbestemde trekken voor zijn zienersoog henen zweeft. Aan de spectroscopie heeft de fotografie reeds zeer groote diensten bewezen, terwijl in de laatste jaren in deze richting ijverig gewerkt wordt. Wij zagen o.a. prachtige fotografieën van de spectra van aardsche stoffen, opgenomen in het observatorium van Eugen von Gothard te Herény, terwijl de fotografische waarneming, vooral van het zonnespectrum ons tal van donkere strepen heeft leeren kennen in het ultra-violet, van welker bestaan alleen de fotografie ons de zekerheid geven kon. Daarenboven nemen de fotogragische waarnemingen der spectra van de vaste sterren door Prof. Pickering een eerste plaats in onder de nieuwere wetenschappelijke onderzoekingen, waardoor onze kennis van de constitutie van het heelal ongetwijfeld in hooge mate zal vermeerderd worden.
".... De feiten rechtvaardigen reeds onze verwachtingen. Wij zouden bijv. kunnen spreken van eenige denkbeelden, die men geopperd heeft over de diensten die de fotografie aan de topografie zal bewijzen. Wij zullen meer recht op ons doel afgaan, door hier een merkwaardige waarneming te vermelden, waarover Daguerre ons onlangs onderhield:
Volgens hem zijn de uren des morgens en des avonds, welke even ver van den middag verwijderd zijn en dus met gelijke zonshoogten overeenstemmen, toch niet even gunstig voor het voortbrengen van fotografische beelden. Zoo zal, in alle jaargetijden, en bij schijnbaar volkomen gelijke atmosferische omstandigheden, het beeld zich een weinig sneller vormen te 7 uur des morgens bijv. dan te 5 uur des namiddags; te 8 uur dan te 4 uur; te 9 uur dan te 3 uur. Nemen wij aan, dat dit resultaat voldoende geverifieerd is, en de meteoroloog zal een nieuw element in zijne tabellen kunnen opnemen; en bij de vroegere waarnemingen van de aanwijzingen van den thermometer, van den barometer, van den hygrometer, en van de doorschijnendheid van den dampkring, zal hij een factor moeten voegen welke door de genoemde werktuigen niet aangegeven wordt, en zal hij rekening moeten houden met een bijzondere absorptie, die niet zonder invloed kan zijn op vele andere verschijnselen, op die zelfs welke op het gebied der physiologie en der geneeskunde te huis behooren.
Wij moeten bekennen, dat de door Daguerre opgemerkte, betrekkelijke en constante ongelijkheid van de werking van het zonlicht op uren van den dag, op welke het hemellicht even hoog boven den horizon staat, moeielijkheden schijnt te veroorzaken van meer dan één soort bij de fotometrische onderzoekingen, die men met de Daguerreotypie zal willen uitvoeren.
In het algemeen toont men zich weinig geneigd om aan te nemen, dat het zelfde werktuig ooit zal dienen om portretten te vervaardigen. Daartoe moet aan twee schijnbaar onvereenigbare voorwaarden voldaan worden. Opdat het beeld snel ontsta, dat wil zeggen, gedurende de 4 à 5 minuten van onbewegelijkheid, die men van een levend persoon kan eischen en verwachten, moet deze in het volle zonlicht geplaatst worden; maar onder die omstandigheden zal het sterke licht den ongevoeligsten persoon dwingen tot een gestadig knipoogen; hij zal leelijke gezichten gaan trekken; de gewone gelaatsuitdrukking zal geheel gewijzigd worden.
Gelukkig heeft Daguerre opgemerkt, dat de stralen die door zekere blauwe glazen gegaan zijn, op het jodiumzilver, waarmede de platen bedekt zijn, bijna de totale fotogenische werking blijven voortbrengen. Door een van die glazen te plaatsen tusschen den poseerenden persoon en de zon, zal men dus een fotogenisch beeld krijgen bijna even snel als wanneer het glas niet was aangebracht, en toch, daar het licht dan zeer verzacht is, zal er voor vreemde gebaren of voor een te vaak herhaald knipoogen geen vrees meer behoeven te zijn." ....
De mededeeling van Arago doet ons zien, dat reeds Daguerre bekend was met het feit, dat door de latere waarnemingen ten volle bevestigd werd, van de ongelijke werkingen van het zonlicht onder schijnbaar volkomen gelijke omstandigheden. Thans weten we daarenboven, dat de wisselingen in de totale intensiteit van het zonlicht en de daaruit voortvloeiende veranderingen der chemische intensiteit, volstrekt niet aan elkaar evenredig zijn. In het algemeen toch is de af- en toename van de chemische intensiteit relatief grooter dan de verandering der totale lichtkracht.
Wat de werking der blauwe glazen aangaat, dat hierdoor het licht zoodanig verzacht wordt dat men de stralen van een krachtige lichtbron gemakkelijk verdragen kan, ook deze waarneming is volkomen juist; van deze omstandigheid is ook nà Daguerre vaak partij getrokken. Dat echter de chemische werking daaronder bijna niet te lijden heeft, is minder juist; in den regel wordt door het aanbrengen van zulke blauwe glazen, wanneer deze intensief genoeg gekleurd zijn om voldoende beschutting aan te brengen, de expositietijd vrij aanmerkelijk verlengd.
".... Wij hebben beproefd het groote belang in het licht te stellen van de ontdekking van Daguerre, zoowel ten opzichte van de nieuwheid en van het artistiek nut, als van de snelheid van uitvoering en van de kostbare hulpbronnen, die de wetenschap aan haar zal ontleenen. We hebben ons beijverd u onze overtuiging te doen deelen, omdat deze levendig en oprecht is, daar wij alles onderzocht en bestudeerd hebben met angstvallige nauwgezetheid, omdat als het mogelijk geweest ware het belang van de Daguerreotypie en de plaats, die zij in de waardeering der menschen zal innemen, te miskennen, al onze twijfel zou opgehouden hebben bij het zien van den ijver, waarmede de vreemde natiën onjuiste data, twijfelachtige feiten, de geringste voorwendsels aangrepen om de vraag der prioriteit te stellen, om te trachten het schitterende sieraad, dat altijd de fotografische procédés zullen uitmaken, toe te voegen aan de kroon van ontdekkingen, waarmede ieder harer zich tooit. Laat ons niet vergeten het luide uit te spreken, dat alle onzekerheid over dat punt heeft opgehouden, minder nog tengevolge van de authentieke, onwederlegbare aanspraken van prioriteit, op welke Niepce en Daguerre zich kunnen beroepen, als om de ongeloofelijke volmaaktheid welke door Daguerre bereikt is.
Indien het noodig was, zouden wij niet verlegen behoeven te zijn om hier getuigenissen voort te brengen van de uitstekendste mannen van Engeland en Duitschland, voor welke alles zou verbleeken wat bij en door ons ten gunste van de ontdekking van onzen landgenoot gezegd is. Frankrijk heeft die ontdekking geadopteerd; van het erste oogenblik af heeft het zich er trotsch op betoond om er de geheele wereld mildelijk mede te begiftigen ...." |
Fig. 6. Nicéphore Niepce. Monument te Châlons-sur-Marne, opgericht 22 Juni 1885. |
Fig. 7. Daguerre. Monument te Cormeilles-en-Parisis, opgericht 26 Augustus 1883. |
Fig. 8. Poitevin. Monument te Saint-Calais (Sarthe), opgericht 7 September 1885. |
In dit slot der redevoering is het de Franschman die uit Arago spreekt, die, trotsch op de gewichtige ontdekking van zijn landgenoot, met nadruk en klem diens prioriteitsrechten constateert en daarbij zoowel gebruik maakt van de omstandigheid, dat ook diens voorgangger en vroegere vennoot Niepce tot zijn volk behoort als van het onbetwistbaar feit, dat Daguerre's ontdekking in den vollen zin van het woord op den naam Fotografie mocht aanspraak maken, wat van geen enkele der "ontdekkingen" van zijn voorgangers kan gezegd worden.
Toch heeft men in de 50 jaren, die sedert verloopen zijn, herhaaldelijk pogingen aangewend om aan Daguerre en aan Frankrijk de eer der ontdekking te betwisten, maar al die pogingen zijn zonder gevolg gebleven en moesten zonder gevolg blijven, omdat hun eigendomsrecht niet kòn aangetast worden. We meenen dit ook in het eerste gedeelte van dit opstel (zie de voorgaande aflevering [deel I]) voldoende uiteengezet te hebben en op goede gronden te hebben gestaafd.
Dat Arago fier is op het feit, dat Frankrijk de geheele wereld met Daguerre's ontdekkng begiftigt, verwondert ons niet; hij, als geleerde, wist dat dit de eenige weg was om haar de vruchten te doen afwerpen, welke van haar konden verwacht worden en om andere onderzoekers in de gelegenheid te stellen op hare resultaten voort te bouwen.
Een belangrijke aanteekening door Arago op zijne redevoering gemaakt, mag niet achterwege blijven.
"Men heeft zich afgevraagd," zoo zeide hij, "of men, na met de Daguerreotypie de meest bewonderenswaardige schakeeringen van tinten verkregen te hebben, er niet in zal slagen haar de kleuren te doen voortbrengen; om, in een woord, de gravures in kleurendruk door hare tafereelen te doen vervangen.
Dit vraagstuk zal opgelost zijn op den dag, op welken men ééne enkele en zelfde zelfstandigheid zal ontdekt hebben, welje rood gekleurd wordt door de roode stralen, geel door de gele, blauw door de blauwe stralen, enz. Niepce beschreef reeds werkingen van deze soort, in welke het verschijnsel der gekleurde ringen een rol speelde. Misschien was dit ook het geval met het rood en het violet, dat Seebeck gelijktijdig verkreeg op het zilverchloruur, aan de twee tegenovergestelde uiteinden van het spectrum.
Quetelet deed mij onlangs mededeeling van een brief, waarin sir John Herschel vermeldt, dat zijn lichtgevoelig papier, na aan een zeer krachtig zonnespectrum te zijn blootgesteld geweest, daarna alle prismatische kleuren vertoonde behalve het rood. Tegenover deze feiten zou het zeker gewaagd zijn te beweren, dat de natuurlijke kleuren der voorwerpen nooit in de lictbeelden zullen weergegeven worden.
Nadat Daguerre bij zijn eerste proeven met fosforesceerende stoffen, een poeder ontdekt had, dat een rooden glans afstraalde nadat het door rood licht getroffen was, een tweede poeder dat door blauwe stralen met blauw licht fosforesceerde, een derde poeder, dat onder dezelfde omstandigheden groenlichtgevend werd door de werking van groen licht, vermegde hij deze poeders mechanisch en verkreeg zoo een enkel mengsel, dat rood werd in het rood, groen in het groen, blauw in het blauw.
Misschien zal men, door op dezelfde wijze te handelen, door verschillende harsen te vermengen, er toe geraken om een vernis samen te stellen, waarop iedere soort van licht, niet langer door fosforescentie, maar fotogenisch zijn kleur zal afdrukken!"
Ziedaar in 1839 door Arago uitgesproken, wat thans nog het droombeeld van velen is: de fotografie in natuurlijke kleuren. IJverig is gedurende die 50 jaren aan de oplossing van dit vraagstuk gewerkt, belangrijke ontdekkingen hebben we aan het zoeken naar dezen "steen der wijzen" te danken, bedriegers hebben er hun voordeel mee gedaan, maar van een oplossing is nog geen sprake. Verschillende wegen zijn gevonden langs welke men in staat is sommige kleuren weer te geven; maar nog altijd ontbreken twee hoofdzaken: de mogelijkheid om de opgewekte kleuren te fixeeren, waarvoor nog geen middel gevonden is, en de stof die alle kleuren in haar juiste nuanceering teruggeeft.
Ook thans nog willen wij de mogelijkheid niet ontkennen van een voldoende oplossing van dit gewichtig vraagstuk; al kunnen wij ons zelven beter dan Arago dit doen kon, rekenschap geven van de vele moeielijkheden, die daarbij moeten overwonnen worden, toch geven de schitterende overwinningen die de fotografie reeds behaalde, waar zij geplaatst werd tegenover schijnbaar onmogelijke en onoplosbare vragen, ons de hoop, dat eens de dag zal aanbreken op welkemj een andere Daguerre ook dit vraagstuk zal oplossen en daarmede de kroopn zal zetten op het werk van Daguerre en zijne jongeren!
Moge deze dag spoedig aanbreken!
Uit het voorgaande blijkt o.a., dat de vrees opgewekt werd, dat de fotografie aan de graveurs schade berokkenen zou, dat er personen waren, die toen reeds zich voorstelden op reis van de fotografie te profiteeren tot het verkrijgen van blijvende reisherinneringen; tevens deelden we mede dat er, in de eerste dagen nadat de wijze van bewerking der fotografische platen door Arago bekend gemaakt was, een soort van manie heerschte door welke de menigte aangegrepen werd; kortom: de openbaarmaking der Daguerreotypie bracht een groote opschudding teweeg, die zich ook in woord en schrift openbaarde. Ieder had een meening, en ieder haastte zich deze op de een of andere wijze uit te spreken. Niet het minst zullen de graveurs en teekenaars waarschijnlijk over de toekomst der nieuwe ontdekking in verband met hun eigene toekomst gesproken hebben; de een meende dat hun doodvonnis geteekend was; de ander hield zich overtuigd, of nam den schijn er van aan alsof hij zich overtuigd hield, dat men van de fotografie niets te vreezen had, daaren spoedig zien zou, dat zij in de praktijk geen diensten kon bewijzen;
een derde nam zijn toevlucht tot spot en sarcasme ten einde òf de nieuwe ontdekking, òf het publiek dat dwaas genoeg was zich daarover zoo warm te maken, bespottelijk te maken. Tot de laatste categorie van teekenaars behoorde Maurissel, zooals blijkt uit het feit, dat hij in lithografie een spotprent in de wereld zond, in welke hij zijn innigen haat tegen de nieuwe duivelskunst helder en duidelijk uitsprak, weinig vremoedende, dat zijn teekenstift op dat oogenblik niets anders voortbracht dan voorspellingen, die na een tijdsverloop van 50 jaar alle tot vervulling zouden gekomen zijn. |
Fig. 9. De Daguerreotypomanie. Reproductie van een spotprent uit het jaar 1839, in lithografie uitgevoerd door Maurissel. |
Wij geven hierbij een verkleind fac-simile van de bedoelde prent. Op het midden verdringt zich een groote menigte rondom een zonderling atelier, dat den naam draagt: Maison Susse Frères. Op den gevel komen de aankondigingen voor: "Epreuve retournée", "Etrennes Daguerréotypiennes pour 1840", portretten in "13 Minutes sans soleil", en "fenêtres à louer". Op het eerste platform zien we een kolossale detective-camera in werking, terwijl daarnaast eenige personen de proeven laten zien. Op het tweede platform staat een reusachtige camera met zonnescherm en uurwerk (wat is hiervan de bedoeling? Wilde Maurissel daarmede te kennen geven, dat men een zoo langen tijd in de volle zon werd geplaats, dat het hoog noodig was de camera zelf tegen de verblindende zonnestralen te beschermen?)
Beneden voor het atelier staat op een hoogen drievoet een schuin gestelde camera, waarmede een koorddanseres, die het feest met haar toeren opluistert, gefotografeerd wordt op het oogenblik dat deze vrij hoog boven haar koord zweeft. Een troef muzikanten en een paar gaslantaarns (de gasverlichting was toen nog een nieuwigheid) verhoogen de opgewekte stemming. Dicht bij het atelier, vlak bij de eerste lantaarn, is een fotograaf met zijn camera bezig met het doel om een portret te maken van een "lief" kind dat op den voorgrond links geplaatst is enbezig is om met handen en voeten zich tegen de kunstbewerking te verzetten, en de liefkozingen van de moeder en de kindermeid af te weren.
Rechts op den voorgrond ziet men het "systême du docteur Donné" - "Epreuve Daguerreienne sur Papier" en "Appareil pour les portraits Daguerréotypes". Voor het atelier staat de doctor in al zijne waardigheid met zijn tooverstraf in de hand; naast hem is een persoon gereed om gefotografeerd te worden; diens hoofd, armen en beenen zijn wel zoodanig vastgezet, dat er veel kans is dat hij blijft stilzitten gedurende den tijd diem door het naast hem geplaatste uurwerkje aangewezen wordt. Allerlei hulpmiddelen voor de fotografie liggen in bonte wanorde op den voorgrond verspreid.
Een statige rij galgen is achter deze ateliers opgericht; het doel van deze werktuigen behoeft niet twijfelachtig te zijn, daar op een groot bord geschreven staat: "Potences à louer pour M.M. les graveurs". Een gedeelte der galgen is reeds verhuurd en in gebruik genomen.
Daarlangs beweegt zich een tallooze stoet van nieuwgierigen, waaronder een met banier, die het opschrift draagt: "Enfoncer l'aquatint". Op den achtergrond voert men een rondedans uit om een "stoomcamera". Daarenboven ziet men links een stoomschip dat geheel met camera's geladen wordt, terwijl we in de verte een spoortrein zien rijden, waarvan iedere waggon een camera is. Hoog boven de hoofden der feestvierenden is de luchtschipper ijverig in de weer; gezeten boven op de camera die aan den ballon hangt, neemt hij van daar zijn lichtbeelden op.
Het middenterrein is ingenomen door een groote menigte; twee banieren deelen ons mede, dat de menschheid verdeeld is in twee categorieën, namelijk een "Section des Daguerréotypomanes" en een "Section des Daguerréotypolâtres."
Nog valt o.a. op te merken op den voorgrond een persoon met een camera onder den arm en wel een "appareil portatif pour le voyage."
Momentfotografie, Ballonfotografie, Detectiv-camera, afdrukken op papier, groote omzet, algemeene deelneming, - alles wat Maurissel aanvoerde om de fotografie in een bespottelijk daglicht te plaatsen, het is alles bereikt en overtroffen!3 |
| Arnhem. |
H.C. van Woerden. |
1 Zie ook: De Natuur, jaarg. 1888, blz. 205.
2 Zie hierover Eder: Die Photometrie der chemisch-wirksamen Strahlen - Handbuch der Photographie, Heft II.
3 We geven bij dit opstel als illustraties de afbeeldingen der monumenten van Niepce, Daguerre en Potevin. Het laatste geven wij slechts volledigheidshalve, (hoewel de verdiensten van Poitevin in dit opstetl niet konden beschreven worden), om te doen zien, dat Frankrijk zijnen grooten mannen op het gebied der Fotografie de verschuldigde eer bewezen heeft. Liever hadden we het monument van Talbot naast dat van Niepce en Daguerre afgebeeld, maar dit was ons ten eenenmale onmogelijk, daar Engeland nog steeds in gebreke bleef voor den ontdekker der kalotypie een gedenkteeken op te richten. |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
↑ |
|