Geschiedenis der fotografie [I]


← overzicht
Inhoud
Start
1839 - 19 augustus - 1889
eenige bladzijden uit de geschiedenis der fotografie [I].


Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Augustus 1889 - 9e jaargang


   Het zonlicht, dat door het centrum van ons planetenstelsel uitgestraald wordt, oefent op de aardsche voorwerpen menigvuldige werkingen uit, waarvan enkele zich terstond aan de menschelijke zintuigen openbaren en daardoor reeds sedert eeuwen bekend zijn, terwijl andere niet zoo opvallend zijn en daardoor eerst door de waarnemingen van de laatste tijden opgemerkt en onderzocht zijn.
   De eerste werking, die ieder mensch, zelfs de onbeschaafdste, waarneemt, wanneer op den nacht de dag volgt, is het zichtbaar worden der lichamen. De stralen der lichtbron worden door de verschillende voorwerpen teruggekaatst, zij bereiken ons oog, zij maken een indruk op het netvlies, en het resultaat is de waarneming der lichamen door het oog.

   Spoedig echter openbaart zich nog een andere werking, die niet door het oog, maar door het gevoel waargenomen wordt; de zonnestralen verlichten niet alleen, maar verwarmen ook de voorwerpen, welke zij treffen.
   Een van de punten van onderscheid tusschen de verlichtende en en de verwarmende werking der stralen is, dat wij de eerste oogenblikkelijk waarnemen, terwijl de laatste zich eerst na eenigen tijd openbaart, welke tijd korter of langer kan zijn naar gelang de kracht der stralen grooter of kleiner is.

   Behalve deze beide werkingen van het zonlicht is er nog een derde, die in de meeste gevallen nog langer tijd noodig heeft om zich te openbaren en welke niet rechtstreeks door het oog of door het gevoel kan waargenomen worden, maar welke zich uitspreekt in eigenaardige veranderingen, die het licht teweeg brengt; dit zijn de chemische werkingen van het licht.
   Chemische veranderingen der stof worden teweeggebracht door de warmte, o.a. bij het verbranden, door de electriciteit, o.a. bij de ontledingen door den galvanischen stroom, enz.; zij kunnen echter ook veroorzaakt worden door het licht. - Door "het licht," - volgens Placitus Heinrich, "het zeldzaamste wezen in de geheele natuur; een middending tusschen geest en lichaam, overal verbreid en toch nooit te vatten; overal werkzaam en toch voor geen zintuig behalve het oog merkbaar; de dichtste lichamen doordringend en toch onbereikbaar; gelijk aan de menschelijke ziel, welke het geheele lichaam leven geeft, zonder dat wij weten hoe, welke ons ik uitmaakt en daarbij voor ons een onoplosbaar raadsel blijft."
   "Slechts de chemie," zoo beweert Placitus Heinrich verder, "kan een nieuw licht verspreiden, kan ons nieuwe ophelderingen geven, kan zulke feiten leveren, die ons in staat stellen over het wezen en de eigenschappen van het licht met eenige zekerheid te oordeelen."

   Het was in 1806, toen Heinrich dit zeide en toch, hoe weinig was er toen nog van de chemische werkingen van het licht bekend; in zooverre echter is zijn profetie reeds vervuld, dat de chemie veel bijgedragen heeft om de eigenschappen van het licht te leeren kennen; - of het ook zoo ver komen zal, dat zij ons in het wezen van het licht laat doordringen?
   Dat het licht scheikundige werkingen uitoefent, is reeds zeer lang bekend geweest, ja zelfs reeds in de grijze oudheid werd daarvan partij getrokken. Het bleeken van linnen toch, waarbij het zonlicht zulk een groote rol speelt, was aan de oude Egytptenaren en Indiërs bekend.
   Dat sommige kleurstoffen in het licht verschieten, is evenzeer een lang bekend feit. Kleedingstukken, die met onechte kleuren geverfd zijn, krijgen een bleekere of zelfs een andere kleur, en dat dit door het licht veroorzaakt wordt, volgt reeds hieruit, dat in plooien of andere tegen het licht beschutte deelen, de stof haar oorspronkelijke kleur behoudt.

   Ook de invloed van het zonlicht op den plantengroei en op de kleuren der plantendeelen is zeer groot. Een eigenaardige toepassing werd daarvan gemaakt door Bayard, den vader van dengene, die ook in de geschiedenis der fotografie zich een naam verworven heeft; deze was trotsch op de schoone perziken, die zijn tuin voortbracht en deelde deze aan zijn vrienden uit; om nu de perziken zelf te laten zeggen, dat ze door hem geplukt waren, plakte hij tegen den tijd van het rijp worden op iedere perzik in papieren letters zijn naam; het gevolg er van was dat de perzik, bij het rood worden, kleurloos bleef onder de letters, zoodat bij het verwijderen van het pappier na het plukken, zijn naam in onuitwischbaar schrift op de vrucht geschreven was.
   Ook op de menschelijke huid doet het zonlicht zijn invloed gelden; het is vooral de chemische werking der zonnestralen, die het gebruik van parasols, e.d. wettigt.

   Voor de ontdekking der fotografie en hare toepassingen zijn het de veranderingen, die zilverzouten, dubbelchroomzure zouten, ijzerzouten, platinazouten e.a. door het licht ondergaan, die van het grootste gewicht zijn.
   Wanneer men zilver in salpeterzuur oplost en de oplossing indampt, verkrijgt men dooschijnende kristallen; de zoo verkregen stof, zilvernitraat of salpeterzuur zilveroxyd geheeten, is de zoogenaamde lapis infernalis of helsche steen; dit zout, gemakkelijk oplosbaar in water, heeft een onaangenamen, bitteren smaak en werkt zeer sterk op organische verbindingen; de toepassing daarvan bij het "uitbranden" van wonden is bekend.

   Drenkt men een stuk papier met de oplossing van helschen steen, laat het papier drogen en brengt het in het licht, dan ziet men het donker worden. Van deze eigenschap is o.a. gebruik gemaakt voor de samenstelling van onuitwischbaren inkt, bijv. om ons linnengoed te merken; deze inkt bevat bijna altijd zilvernitraat. (Men dient hierbij te schrijven met een veeren pen, daar stalen pennen den helschen steen ontleden).
   Wanneer het met zilver behandelde papier door het licht zwart wordt, dan ligt het voor de hand, dat het ongekleurd blijven zal op de plaatsen, die men met een ondoorschijnend voorwerp bedekt. Dit is ook wat men ziet gebeuren, als men die proef uitvoert; men verkrijgt dan een witte silhouet op zwarten grond.
   Deze proef, die door Wedgwood en Davy in 1802 werd uitgevoerd, is de eerste schrede op den weg der lichtbeeldkunst.

   Maar die beelden hebben nog geen groote waarde, want zij zijn niet bestendig; het spreekt van zelf, als men die afbeeldingen in het licht brengt, dat dan ook het onveranderde zilverzout ontleed wordt, daardoor alles zwart wordt, en het beeld dus verdwijnt.
   Wanneer men bij een oplossing van helschen steen eenige druppels van een oplossing van gewoon keukenzout voegt, dan ontstaat een witte, kaasachtige neerslag, die bij schudding samenbalt en chloorzilver heet; bij de alchimisten der middeleeuwen droeg het den naam van hoornzilver; reeds Fabricius zag in 1556, dat deze stof onder de inwerking van het licht donker gekleurd werd; hij deed er een aantal proeven mee, maar daar hij er geen partij van trekken kon voor het "goudmaken," liet hij al spoedig die proeven varen1.
   Het duurde toen tot in 1727, voordat zekere Schulze, een Duitsch arts, opnieuw proeven met zilververbindingen deed, zonder echter veel verder te komen. (Op deze proeven komen we hieronder nog terug).

   In 1777 vatte Scheele, een Zweedsch geleerde, deze proeven weder op; hij kwam althans zooveel verder, dat hij zag, dat de snelheid van ontleding afhangt van de kleur van het licht, en dat bijv. volgens zijn proeven het zwart worden van het chloorzilver onder violet licht 80-maal sneller plaats heeft dan onder rood licht.
   Wedgwood, de zoon van den beroemden Engelschen porcelein-fabrikant, trachtte in 1802 van de genoemde eigenschap van zilverzouten gebruik te maken om beelden te verkrijgen.
   Hij drenkte een vel papier met een oplossing van zilvernitraat en legde dit vel, bedekt met een donker voorwerp, een blad van een boom bijv., in de zon; alle deelen van het papier, die bedekt waren en dus niet door het licht getroffen werden, bleven onveranderd, - wit -; de overige deelen van het papier werden bruin gekleurd, zoodat hij een wit beeld op donkeren grond verkreeg, een zoogenaamde witte silhouet.

   Bij een andere proef liet hij de schaduw van een persoon op een vel zilverhoudend papier vallen en verkreeg zoo het profil van den persoon.
   Dergelijke proeven werden uitgevoerd door den beroemden Engelschen scheikundige Davy.
   Bij al deze proeven ontstonden wel is waar lichtbeelden, maar fotografieën waren het nog niet, vooral omdat men niet in staat was anders dan van vlakke voorwerpen een beeld te verkrijgen; daarenboven waren de groote gebreken dezer beelden daarin gelegen, dat het geen "beelden" waren, maar slechts omtrekken, silhouetten, en dat ze onbestendig waren, daar, zoodra zij in het licht gebracht werden, ook het onveranderde gedeelte verkleurde en daardoor de teekening verdween.

   In hoofdzaak moesten dus nog 3 eischen vervuld worden, voordat men kon zeggen, dat de fotografie ontdekt was:
      1º. Men moest behalve van vlakke voorwerpen, ok van voorwerpen met relief afbeeldingen kunnen maken.
      2º. Men moest geen silhouetten maken, maar beelden waarin ieder deel weergegeven werd.
      3º. Men moest ze blijvend maken, d.i. zorgen, dat ze voor verdere inwerking van het licht ongevoelig waren.

   De beide eerste punten konden bereikt worden door toepassing van de camera obscura, die reeds in de 16de eeuw door Porta was uitgevonden.
   Dit werd reeds door Wedgwood in 1802 na de hierboven beschreven proefnemingen beproefd; hij bracht daartoe het lichtgevoeliige papier ter plaatse waar het beeld zich in de camera vormde en hoopte op die wijze op het papier het lichtbeeld te verkrijgen; maar hij werd in die hoop teleurgesteld; het met salpeterzuur-zilver gedrenkte papier veranderde niet; zeer waarschijnlijk was deze teleurstelling te wijten aan de omstandigheid, dat hij het licht niet lang genoeg liet werken.
   Humphrey Davy was in dit opzicht niet gelukkiger, hoewel hij er in slaagde om de beelden van het zonmiskroskoop op te vangen en zelfs om die te fixeeren door het onontleed salpeterzuur-zilver met water uit te wasschen.
   Na hen werden nog stappen in dezelfde richting gedaan door James Watt, den uitvinder der stoommachine, maar met denzelfden uitslag.

Fig. 1. Joseph Nicéphore Niepce. Fig. 1. Joseph Nicéphore Niepce.    De eerste, wien het gelukte, de verschillende bezwaren te overwinnen, was Joseph Nicéphore Niepce, een Fransch edelman, in 1765 te Chalons sur Saône geboren.
   Oorspronkelijk voor den geestelijken stand bestemd, werd later van dit voornemen afgezien en koos Nicéphore de militaire loopbaan; als luitenant nam hij van 1792-1794 deel aan de veldtochten in Italië; te Nice werd hij aangetast door een epidemische ziekte, die in het leger heerschte, waarbij zijn gezondheid zoodanig geschokt werd, dat hij verplicht was zijn ontslag uit den militairen dienst te vragen.
   Een burgerlijke betrekking, die van administrateur van het district Nice, toen door hem aanvaard, moest hij om zijn zwakke gezondheid spoedig weer neerleggen.
   Hij trok zich geheel uit het openbare leven terug en hield zich van toen af bezig met erktuigkundige proeven en met landbouwondernemingen.

   In 1814 kwam hij op het denkbeeld om lichtbeelden te vervaardigen. Kort te voren was de steendrukkunst, die door Senefelder in Duitschland uitgevonden was, in Frankrijk ingevoerd en wekte algemeene belangstelling. Niepce kwam nu op de gedachte, dat het misschien mogelijk zou zijn de hulp van den teekenaar te ontberen en de gravures door het licht op den steen te laten teekenen; hij wilde daartoe den steen bedekken met een laag van een of andere stof, die door het licht veranderd werd, en dan de gravure daarop leggen om zoo, door de plaat heen, het licht op die gevoelige laag te laten werken. Welke stoffen hij daarbij gebruikte, is onbekend; trouwens, zijne proeven in die richting mislukten geheel, zoodat hij al spoedig den lithografischen steen liet varen en proeven ging nemen op gepolijste platen. Hij begon toen met chloorzilver te gebruiken, maar daar hij begreep dat deze weg hem niet tot het doel leidde, zag hij naar andere zelfstandigheden om. Na allerlei stoffen (chloorijzer, mangaanoxyd, guajakhars, phosphorus) beproefd te hebben, zonder eenig bruikbaar resultaat te verkrijgen, kwam hij tot de belangrijke ontdekking, dat asphalt geheel aan zijn doel beantwoordde.

   Hij begoot namelijk een tinnen plaat met een oplossing van asphalt en lavendelolie en liet nu de olie verdampen, zoodat een gelijkmatige laag asphalt op de tinnen plaat achterbleef.
   Hierop legde hij een teekening en stelde daarna de plaat aan het zonlicht bloot; nadat deze een tijdlang door het zonlicht beschenen was, dompelde hij de plaat in lavendelolie en zag tot zijn groote vreugde, dat het asphalt door de olie alleen opgelost werd waar het licht tegengehouden was, terwijl op de plaatsen waar het licht gewerkt had, het asphalt onoplosbaar geworden was.

   Het gevolg was dus, dat hij een teekening in asphalt op het blanke tin verkreeg; een van de hoofdvereischten, namelijk om een blijvend beeld te verkrijgen, waaruit de niet door het licht getroffen deelen der lichtgevoelige stof verwijderd waren, was dus bereikt.
   Hij was echter niet tevreden om op deze wijze alleen van vlakke voorwerpen een lichtbeeld te verkrijgen; hij wilde rechtstreeks naar de natuur afbeeldingen vervaardigen; hij plaatste daarom een met asphalt bedekte tinnen plaat in de camera obscura op de plaats waar door de lens een beeld gevormd werd; zooals te verwachten was, gaf hier de behandeling met lavendelolie, nà de belichting, hetzelfde resultaat; er bleef een beeld in asphalt op de tinnen plaat zichtbaar. Zichtbaar! ja, dat wil zeggen, alléén dan te onderscheiden, wanneer men het licht op een bepaalde wijze liet invallen. Daarenboven, niet minder dan 10 uren waren noodig om van een helder verlicht voorwerp een eenigszins duidelijk beeld te verkrijgen.
   Maar Niepce had het bewijs geleverd, dat het doel, waarnaar men streefde, bereikbaar was en dat was reeds veel. Dit toch was oorzaak dat Daguerre, die eveneens sedert langen tijd in de richting proefnemingen gedaan had, maar tot de overtuiging gekomen was, dat het bestendigen van beelden onmogelijk was en daarom zijne proeven had opgegeven, opnieuw aan het werk toog.

   Louis Jacques Mandé Daguerre was in 1787 geboren te Cormeilles. (Departement Seine-et-Oise). Door zijn ouders geheel vrijgelaten in de keuze van zijn beroep, had hij zich van zijn jeugd af met ijver op het schilderen toegelegd. Terwijl hij eerst als landschapschilder zich een gevestigden naam verwierf, wijdde hij zich later aan de tooneeldecoratie, welke kunst toen nog weinig ontwikkeld was; door Daguerre, die uitnemend de kunst verstond om lichteffecten aan te brengen, werd hierin belangrijke verbetering gebracht. Van zijn aanwezigheid op het tooneel maakte Daguerre tevens gebruik om te voldoen aan zijne hartstochtelijk neiging tot dansen, om bij de voorstellingen incognito mede te dansen; hij kon er zeker van zijn bij die gelegenheid steeds luide toegejuicht te worden.
   Daguerre vond echter in deze werkzaamheden en vermaken nog geen bevrediging; hij had altijd voorliefde gehad voor al wat veel vertooning maakte, hetzij door grootte, hetzij door lichteffect.
Fig. 2. Louis Jacques Daguerre. Fig. 2. Louis Jacques Daguerre.

   Hij werd, bij dat streven naar groote en grootsche, effectmakende schilderstukken, de uitvinder van het Diorama, waarbij groote schilderstukken, zeer getrouw de natuur weergevende, door gewijzigde verlichting ook gewijzigde tafereelen te aanschouwen gaven.
   Bij zijn studiën voor het Diorama gebruikte Daguerre voortdurend de camera obcura, omdat het streven was om in zijn schilderstukken getrouw de natuur weer te geven en hij nooit nauwkeuriger afbeeldingen verkrijgen kon dan de beelden, die door de lens op het matte glas der camera gevormd werden.
   Menigmaal reeds had Daguerre bij het bewonderen van die beelden, uitgeroepen: "Zal het dan nooit mogelijk zijn om zulke volkomen beelden te bestendigen en te bewaren!" Totdat hij ten slotte besloot dit zelf te beproeven.

   Hij bezocht vaak den winkel van Charles Chevalier, bekend om zijne uitnemde optische instrumenten en sprak veel met dezen over de proeven met welke hij zich bezighield. Toen hij op zekeren dag weder bij Chevalier was, deelde deze hem mede, dat hij een camera obscura verkocht had aan zekeren Niepce, die, evenals Daguerre, dat werktuig wilde gebruiken om de daarin ontstaande beelden vast te houden, en die volgens een proef, welke hij aan Chevalier had laten zien, daarin tot op zekere hoogte geslaagd was; Chevalier raadde daarom Daguerre aan zich met Niepce in verbinding te stellen, daar door samenwerking wellicht het doel spoediger bereikt zou worden dan wanneer ieder afzonderlijk zijn proeven deed.
   Daguerre gaf aan dezen goeden raad gehoor en schreef aan Niepce. Deze echter was zeer wantrouwend, zoodat het drie jaren duurde, voordat zij zoover gekomen waren om een contract te sluiten (in 1829), waarbij Daguerre zich verbond de geheimen, die Niepce hem zou toevertrouwen, te bewaren en met hem aan de verbetering der uitvinding samen te werken.
   Zij arbeidden van toen af gemeenschappelijk en deelden elkander getrouw per brief de resultaten hunner proefnemingen mede; Niepce echter stierf in 1834, vóórdat het gewenschte doel volkomen bereikt was, gemarteld door de gedachte, dat hij 20 jaren van zijn leven met onvermoeiden ijver had gearbeid, zonder zijne onderzoekingen te kunnen voltooien.
   Toch was zijn arbeid niet vruchteloos geweest, maar het waren anderen, die de vruchten zouden plukken.

   Daguerre zette na Nieopce's dood de onderzoekingen voort en het duurde niet lang of het toeval kwam hem te hulp.
   Reeds Niepce had beproefd om van jodium-dampen partij te trekken en Daguerre van deze proeven mededeeling gedaan; ook hij stelde de met asphalt behandelde platen aan jodium-dampen bloot, maar kwam evenmin als Niepce tot eenig resultaat.

   Op zekeren dag was toevallig een zilveren plaat met die jodium-dampen in aanraking gekomen, en had Daguerre op die zilveren plaat een lepel neergelegd, dien hij gebruikt had. Toen hij den lepel weer wegnam, zag hij tot zijn verbazing, dat de silhouet van den lepel was afgeteekend op de zilveren plaat, of liever op het laagje jodiumzilver, dat zich op de zilveren plaat gevormd had. Hij nam nu een aantal zilveren platen (of wel verzilverde koperen platen) en stelde die aan de inwerking van jodium-dampen bloot, waardoor zij alle van een zeer dun laagje van jodium-zilver van goudgele kleur voorzien werden. Die platen plaatste hij in de camera obscura, zoodat het beeld zich daarop vormde; werkelijk kreeg hij op die wijze beelden; toch, als het toeval hem niet opnieuw te hulp gekomen ware, zou hij ook langs dien weg niet veel verder gekomen zijn, daar er een zoo verbazend langdurige belichting in de camera noodig was, dat van een practische toepassing van deze methode nooit sprake had kunnen zijn.
   Door de noodzakelijkheid eener zeer lange belichting, overkwam het Daguerre vaak dat hij, bij het wegnemen van de plaat uit de camera, tot de onaangename ontdekking kwam, dat de belichting al weer te kort geduurd had en er nog geen spoor van een beeld op de plaat te ontdekken was.

   Op zekeren dag had hij een zeker aantal van zulke te kort belichte platen in een oude keukenkast ter zijde gelegd; een paar weken daarna nam hij een van die platen er uit om deze weer schoon te maken, en ziet! - tot zijn onvergroote verbazing stond er een beeld op. Hoe was dàt mogelijk? Een gejodeerde zilver plaat, die te kort belicht is, zoodat er geen spoor van een beeld te ontdekken is, wordt in een oude keukenkast gelegd en als de plaat daar weer uitkomt, staat er een beeld op, zoo mooi als men het maar wenschen kan.
   Daguerre was verstandig genoeg om te begrijpen, dat er iets in de kast moest zijn, waardoor dit werd veroorzaakt en besloot daarom nauwkeurig te onderzoeken, wàt er in de kast was, waardoor dit verschijnsel teweeggebracht werd.
   Van alles lag er in de kast; gereedschappen, flesschen, schalen, chemicaliën, enz. emz. Hij handelde nu aldus: hij nam één van de dingen, die in de kast waren, er uit, legde een plaat, die (nu met opzet) te kort belicht was, er in en sloot de kast; na een paar uren haalde hij de plaat er uit, en er stond een beeld op.
   Dat wat hij uit de kast genomen had, was dus niet de oorzaak van het ontstaan der beelden geweest.
   Nu nam hij een tweede voorwerp er uit, handelde op dezelfde wijze, en nam hetzelfde verschijnsel waar; hij zette deze eigenaardige proefnemingen geduldig voort, en steeds met hetzelfde resultaat; wat hij ook uit de kast weghaalde, steeds werden daarin op dezelfde tooverachtige wijze, beelden te voorschijn geroepen; hij herhaalde dit totdat ten slotte de kast geheel ledig was, en ziet! op de plaat, die hij er toen in legde, kwam nog een beeld te voorschijn.

   Juist kwam hij tot de onvermijdelijke conclusie dat de kast behekst was, toen hij hier en daar tusschen de naden en scheuren van de oude planken kleine bolletjes kwikzilver zag glinsteren, die afkomstig waren van een gebroken buisje, waarin kwikzilver geweest was.
   Terstond begreep hij, dat dat kwikzilver de oorzaak van het verschijnsel moest geweest zijn; hij nam terstond proeven, die zijn vermoeden bevestigden; wanneer hij een kort belichte plaat aan de dampen van kwikzilver blootstelde, verscheen het beeld onmiddellijk.
   Ziedaar de ontdekking der methode, die naar den uitvinder den naam "Daguerreotypie" ontving, en waardoor de grondslagen der eigenlijke fotografie gelegd werden.
   Tot op dien tijd was men steeds verplicht geweest zóó lang te belichten, totdat door de rechtstreeksche belichting een zichtbaar beeld ontstaan was, waarvoor echter een lange tijd noodig was; door Daguerre's ontdekking was men in staat, na een korte belichting, den nog volkomen onzichtbaren lichtindruk in een zichtbaar beeld om te zetten.

   Bij een korte belichting oefenen de lichtstralen op de gevoelige plaat een zekere werking uit, van welke ons oog echter niets bespeuren kan; er is een lichtindruk, en in zekeren zin heeft het beeld zich reeds gevormd, maar zonder dat een onzer zintuigen ons in staat stelt het waar te nemen; het is een verborgen beeld of, zooals men het noemt, een latent beeld. Dat verborgen beeld moet te voorschijn gehaald worden, dat gebonden beeld moet worden losgemaakt, of, zooals men het noemt, het latente beeld moet ontwikkeld worden.
   Dit nu geschiedt op Daguerre's jodiumzilverplaat door de dampen van kwikzilver, die de merkwaardige eigenschap bezitten om in den vorm van fijne witte kogeltjes neer te slaan op die plaatsen waar het licht gewerkt heeft, en wel in des te grooter hoeveelheid naarmate de lichtindruk krachtger was, zoodat het beeld in alle details te voorschijn treedt, en alle afwisseling van licht en schaduw nauwkeurig weergeeft.
   Het ontwikkelen van onzichtbare, van latente beelden tot duidelijke, fijn genuanceerde teekeningen, dàt was het wat noodig was om de fotografie een toekomst te verzekeren, en de ontdekking van dit merkwaardig verschijnsel, dat de basis van al onze fotografische procédé's uitmaakt, hebben wij aan Daguerre te danken.



   De Fotografie is dus, zonder dat er eenige twijfel mogelijk is, een Fransche uitvinding. Niepce was de eerste, die er in slaagde zictbare bestendige beelden te verkrijgen; Daguerre was de ontdekker van de ontwikkeling van latente beelden, waardoor de toepassing van het beginsel mogelijk werd.
   Voor Duitschers vooral valt het, bij den bekenden naijver tusschen de beide natiën, moeielijk dit te erkennen. Zoo leest men in een Duitsche brochure2 over de geschiedenis der fotografie het volgende:
   "Obgleich die Franzosen wenig geneigt sind die Erfindungen anderer Völker anzuerkennen, im Gegentheil gar zu gern dieselben übersehen oder verkleinern, so wollen wir doch hier der Wahrheit die Ehre geben und bekennen, dass, wenn immerhin die Idee schon vorhanden war, der Haupttheil der ganzn Erfindung, also die Ausführung, unstreitig französisch ist und bleibt."
   Deze auteur is dus wel zoo goed te erkennen, dat van de uitvoering aan Franschen de eer toekomt; hij kan echter niet nalaten zelf te doen datgene waarvan hij eerst de "Franzosen" beschuldigd heeft, namelijk de waarde der ontdekking "verkleinern" door te beweren dat de "Idee" reeds voorhanden was.

   Een stap verder gaat prof. Dr. J.M. Eder, de Duitsch-Oostenrijksche geleerdem die zich door zijn omvangrijke kennis op het gebied der fotografie wereldberoemd gemaakt heeft; deze spreekt stoutweg de bewering uit, dat de fotografie "eine deutsche Erfindung" is3. We deelden hierboven mede, dat in 1727 zekere Schulze, een Duitsch arts, zich met proeven met zilververbindingen bezig hield. Waarin bestonden die proeven? - Bij bepaalde onderzoekingen aangaande phosphorus had Schulze salpeterzuur met krijt verzadigd, nadat hij vooraf in het salpeterzuur een weinig zilver had opgelost; op den bodem van het glas lag nu natuurlijk een sterk bezinksel, dat uit krijt met koolzuurzilver bestond. Dit glas zette hij toevallig in een venster, waar de zon naar binnen scheen. Tot zijn verwondering zag hij dat het bezinksel, voor zoover het naar het licht gekeerd was, zich donker kleurde, terwil het van het licht afgekeerde gedeelte onveranderd bleef. Hij plakte nu uit papier geknipte letters op de flesch en zette deze weer in de zon, en waarlijk, het bezinksel bleef ongekleurd daar, waar de schaduwen der letters vielen, zoodat de letters op het bezinksel afgeteekend werden. Schulze riep zijne vrienden te zamen en vrtoonde hun die door het licht op krijtbezinksel geteekende letters; ja, wat meer is, zoodra hij de flesch schudde, en zoo het bezinksel in beweging bracht, waren de letters verdwenen en was de flesch voor een nieuwe proef gereed. Als hij door een brandglas de zonnestralen op één punt concentreerde, werd het oogenblikkelijk zwart.

   Nu zegt Eder: "Hieruit volgt ontwijfelbaar, dat Schulze reeds in 1727 de lichtgevoeligheid van zilverzouten gebruikte om door middel van het zonlicht te copieeren. Also muss Schulze, ein Deutscher, als der Erfinder der Photographie betrachtet werden.
   Eilieve: silhouetten op een zilverhoudend vuil krijtbezinksel, die verdwijnen zoodra men de flesch aanraakt, die nooit bestendigd kunnen worden, bij welke een camera-obscura niet toegepast kan worden, silhouetten die alleen konden verkregen worden door de schaduw der letters op de stof te laten vallen, zoodat het noodig was een ondoorschijnend voorwerp tusschen de lichtbron en de slijkachtige lichtgevoelige stoffen te plaatsen, dat zouden de eerste fotografieën geweest zijn; daargelaten nog dat Schulze zelf er nooit aan gedacht heeft om van het waargenomen verschijnsel eenige toepassing behalve de genoemde goochelarij te maken, en reeds op dien grond alleen niet als uitvinder in aanmerking kan komen. Neen, wanneer Dr. Eder geen krachtiger argumenten kan aanvoeren, zal hij aan Niepce en Daguerre hun kroon niet ontrooven!


   Daguerre bood zijn geheim aan de Fransche regeering te koop aan; door Duchâtel, den Minister van Binnenlandsche zaken, werd met Daguerre onderhandeld door bemiddeling van Arago die, onder belofte van geheimhouding, door Daguerre in de zaak ingewijd was en van stonde aan met ware geestdrift voor de ontdekking bezield werd. Het resultaat was, dat aan Daguerre een jaargeld van 6000 francs werd toegekend, terwijl aan zijn vennoot Isidore Niepce, den zoon van Joseph Nicéphore, een lijfrente van 3000 francs verzekerd werd, welke jaargelden bij versterf voor de helft op hunne weduwen zouden overgaan. De geldelijke belooning was niet zeer groot; de omstandigheid dat zij, onder den naam van nationale belooning, bij acclamatie door de kamer van afgevaardigden goedgekeurd werd, verhoogde echter hare waarde.

   Arago werd nu belast met de taak om de nieuwe vinding, de Daguerreotypie, wereldkundig te maken.
   Het was een hoogst merkwaardige vergadering, de zitting der Académie des Sciences van 19 Augustus 1839, in welke Arago zich van deze taak kweet. Daar de Academie van Beeldende kunsten zich in vereenigde vergadering met de Academie van Wetenschappen had verzameld, waren alle Fransche mannen van naam op het gebied van wetenschap en kunst aanwezig, terwijl men elkander verdrong om een plaats in de voor het publiek bestemde ruimte te veroveren. En daarbuiten wachtte een groote menigte met ongeduld naar den afloop der vergadering, ten einde zoo spoedig mogelijk de oplossing van het geheim te vernemen.
   Daar openen zich eindelijk de deuren en hoort men van een der naar buiten tredenden de mededeeling: "De methode bestaat in het gebruik van joodzilver en kwikdampen!" Men kan zich de Babylonische verwarring voorstelling, die een dergelijke uitlegging veroorzaken moest. Joodzilver! riep de een; kwikdampen! riep de ander. Jodenlijm! zoo verzekert een derde. Neen, onderzwaveligzure soda! zoo verklaart een nieuw aangekomene. Men begreep er niets van, voordat men in staat was, nadat er eenige kalmte gekomen was, zich nadere ophelderingen te verschaffen.
   En toen werden de winkels der instrumentenmakers bestormd, er waren geen camera's genoeg om aan alle vragen te voldoen.
   Den volgenden dag reeds togen velen aan het werk; dat de teleurstellingen niet weinige waren, ligt voor de hand, toch waren er enkele gelukkigen die, met een traan van vreugde, het vensterkozijn of een nabijzijnden schoorsteen, ja een ver verwijderden bliksemafleider op de plaat zagen verschijnen4.


   De fotografie was dus ontdekt en onder ieders bereik gebracht; zij had echter nog groote gebreken.
   Voor het portretteeren was de Daguerreotypie zoo goed als geheel ongeschikt. Wie zijn portret wilde laten maken, werd in het volle zonlicht geplaatst, met de noodzakeljkheid om eerst gedurende een kwartier, later na verbetering der lenzen gedurende 4à 5 minuten, kalm naar één punt te zien. Dat deze marteling in de beeltenis maar al te duidelijk weergegeven werd, spreekt van zelf.
   Trouwens dit was niet de eenige onvolmaaktheid der Daguerreotypie; een tweede gebrek was hierin gelegen, dat men niet in staat is de verkregen beelden te verveelvuldigen; van ieder voorwerp kan men slechts één afbeelding verkrijgen; voor een tweede is een nieuwe rechtstreeksche opneming met de camera noodig. Voor iemand, die een paar dozijn portretten noodig heeft, is dit een groot bezwaar; voor de vermenigvuldiging van platen bij honderd- en duizendtallen is dit bezwaar onoverkomelijk.

   Andere gebreken der Daguerreotypie waren gelegen in de vluchtigheid van het kwikzilver, waardoor de beelden na verloop van tijd zwakker moesten worden of verdwijnen; in den onaangenamen spiegelenden glans van het metaal; in den verkeerden stand van het beeld, enz.; voor al die gebreken werden de middelen gevonden om daarin verbetering te brengen; daar we echter ditmaal slechts een geschiedkundig overzicht en geen beschrijving der methoden willen geven, kunnen we deze met stilzwijgen voorbijgaan en ons bepalen tot de beide genoemde hoofdgebreken; deze waren:
   1º de lange duur der lichtwerking, noodig om een duidelijk beeld te verkrijgen,
   2º de onmogelijkheid om van één beeld zonder nieuwe opneming een grooter aantal te vervaardigen.
   Op welke wijze werd hierin voorzien?

Fig. 3. Fox Talbot. Fig. 3. Fox Talbot.    Gelijktijdig met Daguerre was Fox Talbot, een rijk Engelschman, met zijne onderzoekingen bezig. Deze nam weder proeven met papier, waarop chloorzilver was aangebracht; eerst dompelde hij het papier in een oplossing van keukenzout, zoodat het daarvan doortrokken werd; daarna dompelde hij dit papier in een oplossing van salpeterzuurzilver; natuurlijk vormt zich daarbij chloorzilver in de poriën van het papier. Nadat dit gedroogd was, legde hij daarop een gravure en stelde het aan het licht bloot. Op die wijze werd het papier donker gekleurd, overal waar het licht door de witte partijen der gravure kon heendringen. Talbot maakte nu gebruik van de kort te voren door John Herschel waargenomen eigenschap van onderzwaveligzure natron om chloorzilver op te lossen; hij dompelde het belichte papier in de oplossing van het genoemde zout; daardoor werd het onveranderde chloorzilver weggenomen, en het beeld was bestendigd. Zoo kreeg hij dus een kopie van de gravure, waarin echter alles verkeerd was, d.w.z. al wat in de gravure wit was, is in de kopie zwart, al wat in de gravure zwart

   was, is in de kopie wit. Maar Talbot ging verder: hij beschouwde nu deze kopie op hare beurt als een gravure, en legde deze op een nieuw blad chloorzilverpapier; dezelfde werking herhaalde zich; er ontstond op nieuw een kopie, waarin ten opzichte van wit en zwart alles omgekeerd was; op die wijze had hij een werkelijke kopie van de gravure zelf verkregen. Maar hij kon die bewerking herhalen; hij legde de eerste kopie, die hij de negatieve noemde, omdat daarin alles verkeerd was, achtereenvolgens op vverschillende bladen chloorzilverpapier, en verkreeg zoo een aantal geheel aan elkander gelijke kopieeën der gravure. Deze handelwijze, waardoor dus de grondslag gelegd werd voor het verveelvuldigen van afbeeldingen, werd door Talbot reeds op 20 Januari 1839 aan de Koninklijke Academie te Londen medegedeeld, dus nog voordat Daguerre's ontdekking gepubliceerd was.
   Maar ook de Kalotypie, zooals Talbot zijne methode noemde, was voor de praktijk onvoldoende, daar men hierbij tot doorschijnende vlakke voorwerpen beperkt was.
   Zoodra echter Daguerre's uitvinding bekend werd, was Talbot daarvan gebruikt te maken om zijne methode te verbeteren, door ook de camera obscura te gebruiken. Van de ontwikkeling door kwikdampen kon hij echter geen partij trekken, zoodat Talbot eerst nog verplicht was ook in de camera zoo lang te belichten, totdat het beeld zich geheel gevormd had; het duurde echter niet lang of hij kwam, na vele proefnemingen, tot de ontdekking, dat ook zijne chloorzilverpapier-beelden konden ontwikkeld worden na een korte belichting, en wel door middel van galnotenzuur.
   Deze hamdelwijze werd in 1841 openbaar gemaakt. Daardoor was de fotografie een groote schrede verder gekomen. Talbot was nu in staat om na een korte belichting in de camera, door ontwikkeling met galnotenzuur, een negatief op papier te verkrijgen, en van dit negatief door rechtstreeksche aanraking een onbeperkt aantal positieven.

   Niepce, Daguerre, Talbot, - het driemanschap, waaraan de fotografie het aanzijn verschuldigd is:
   Niepce, de man die het denkbeeld heeft aangegeven, en die de eerste was om aan te toonen, dat men een zichtbaar en bestendig beeld kon verkrijgen;
   Daguerre, de man die het ontwikkkelen van te voren onzichtbare beelden uitvond;
   Talbot, de man die de verveelvuldiging der afbeeldingen mogelijk maakte.
   Wie hunner de grootste verdienten heeft gehad, is moeielijk uit te maken.
   Zonder Niepce's volharding zou misschien iDaguerre zijn proeven vroeger opgegeven hebben, en althans niet met jodiumdampen zijn gaan werken.
   Zonder Daguerre's ontdekking van het ontwikkelen zou Talbot waarschijnlijk niet op de gedachte gekomen zijn om naar een ontwikkelaar voor zijne papierbeelden te gaan zoeken.
   Zonder Talbot's ontdekking van het negatief- en positief-procédé zou Daguerre's vinding nooit veel meer dan wetenschappelijk waarde gehad hebben.
   Kortom, het werk dezer drie mannen was ieder op zich zelf geheel onvoldoende, maar het vulde elkaar zoodanig aan, dat door de samnvoeging een volmaakt geheel gevormd werd, waaruit de eigenlijke Fotografie geboren werd.


   Toch was ook Talbot's werk nog niet volmaakt. Daar het negatief op papier gevormd werd, waren de positieven vrij ruw; dit was wel een van de oorzaken, waarom het duurde tot in 1847, voordat aan Talbot's methode de aandacht geschonken werd, die zij verdiende.

   De eerste verbetering werd daarin gebracht in 1848 door Niepce de St. Victor, een neef van Nicéphore. Deze bedekte glasplaten met een laagje albumine, waarin het keukenzout was opgelost; na het drogen werd dit, evenals Talbot's papier, in salpeterzuurzilver-oplossing gedompeld, en zo9o in de eiwitlaag joodzilver gevormd. Verder werd alles behandeld evenals bij Talbot; het groote voordeel echter van de negatieven op glas was gelegen in de daardoor verkregen fijnheid der positieven.
   Nadat Schönbein gevonden had, dat schietkatoen oplosbaar was in een mengsel van alkohol en aether, welke oplossing den naam van Collodion kreeg, werd het eiwit in 1851 door den Engelschman Archer met goed gevolg door Collodion vervangen.
   In het collodion worden de jodiumzouten opgelost; dit zoogenaamde gejodeerde collodion wordt op glas gegoten, alweder in een oplossing van zilvernitraat gedompeld om in het huidje van schietkatoen joodzilver te vormen, enz.
Fig. 4. Niepce de St. Victor. Fig. 4. Niepce de St. Victor.

   Hierdoor was de Fotografie op een zeer groote hoogte gebracht. Het collodium-procédé, ook wel de natte methode genoemd, was gemakkelijk en eenvoudiog in de uitvoering, leverde zeer schoone beelden, en maakte opnemingen in weinige seconden mogelijk.
   25 jaar lang heeft dan ook het collodium in de fotografie de opperheerschappij gevoerd; maar ten slotte is ook deze methode, zoo al niet verdrongen, dan toch op zijde geschoven door een andere.
   Wel is waar waren de uren, die Niepce voor de belichting noodig had, en welke door Daguerre tot minuten herleid waren, met het collodion tot seconden teruggebracht, toch was ook dit niet voldoende. Er waren zoo vele gevallen in welke men geen seconden beschikbaar kon stellen, en daarom bleef men steeds streven naar grootere snelheid. Daarenboven had de collodium-methode het groote bezwaar, dat iedere plaat geprepareerd moest worden op het oogenblik dat ze gebruikt moest worden, zoodat bijv. de landschapsfotograaf verplicht was een gansch laboratorium mede te slepen.
   En dan kwam daarbij nog, dat door het indompelen in de zilveroplossing en het ontwikkelen met pyrogalluszuur de handen zeer licht bezoedeld werden, zoodat buiten de vak-fotografen slechts zeer weinigen zich aan de fotografie waagden.

Fig. 5. Dr. Maddox. Fig. 5. Dr. Maddox.    Men dacht daarom verschillende methode's uit, deels om de lichtgevoeligheid te verhoogen, deels om de geprepareerde platen in drogen toestand te bewaren, totdat in het jaar 1871 de Engelsche arts Dr. Maddox een methode vond, waarbij beide doeleinden gelijktijdig bereikt werden. Deze methode is het zoogenoemde broomzilvergelatine=procédé.
   Bij een warme oplossing van gelatine wordt broomkalium gevoegd, en dit weer door een zilveroplossing in broomzilver veranderd; men heeft dus (nadat door wassching de overmaat van oplosbare zouten verwijderd is) een mengsel van gelatine en broomzilver; dit mengsel, gelatine-emulsie genoemd, wordt verwarmd (zoodat de gelatine weer vloeibaar wordt) en zoo op glasplaten gegoten op welke men ze laat drogen/ Deze droge platen nu kan men bewaren, en zijn ten allen tijde voor het gebruik gereed; men kan ze dus in voorraad hebben, overal meenemen, enz.; het grootste voordeel van deze droge platen is echter gelegen in de uitermate groote lichtgevoeligheid, waardoor de belichting in bepaalde gevallen tot duizendste deelem eener seconde kan teruggebracht worden.

   Het zijn deze droge platen, welke door de snelheid waarmede daarop de lichtindrukken worden voortgebracht, de zoogenaamde "Fotografie instantanée" hebben mogelijk gemaakt. De schitterende resultaten welke deze opleverde, werden in dit tijdschrift herhaaldelijk besproeken.
   Andere verbeteringen, welke de fotografie onderging, hebben op den algemeenen ontwikkelingsgang nog te weinig invloed geoefend om in dit opstel besproeken te worden; we zullen daarom liever nog even nagaan, in hoe verre Arago een juisten blik op de voordeelen der nieuwe ontdekking had, en tot op welke hoogte thans, na vijftig jaren, de uitkomsten met zijne voorspellingen in overeenstemming zijn.

   (Wordt vervolgd.) H.C.V.W.


   1 Volgens dr. Eder berust de algemmen verbreide bewering aangaande proeven van Fabricius met chloorzilver op een dwaling. Zie Eder's Handbuch der Photographie, Heft I, S. 3.
   2 Schmidt, die Photographie, ihre Geschichte und Entwicklung.
   3 Eder's Handbuch der Photographie, Heft I. S. 2.
   4 Figuier. Les Merveilles de la Science.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→