Eiffel-toren [I]


← overzicht
Inhoud
Start
De Eiffel-toren [I].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Juni 1889 - 9e jaargang


   Het reusachtige gevaarte, dat thans op het Champ de Mars te Parijs prijkt, is reeds op zoo velerlei wijzen besproken, het is door zoovele reprodukties in metaal en karton onder de oogen van het publiek gebracht, dat een bespreking in "de Natuur" een overbodige zaak zou mogen genoemd worden, zoo niet enkele details een meer uitvoerige beschrijving ten volle verdienden. In dit opzicht maakte de heer Gaston Tissandier zich reeds verdienstelijk door een brochure uit te geven, met tal van platen versierd, terwijl "Engineering" in zijn Mei-nummer veel belangrijks gaf over verschillende kunstwerken op ingenieursgebied, die op de Parijsche tentoonstelling te zien waren en dus ook over het voornaamste: den Eiffel-toren.

Fig. 1. De hoogte van den Eiffel-toren vergeleken met die van de meest bekende hooge monumenten.    Een merkwaardig verschijnsel mag het genoemd worden, dat het ontwerp in den beginne een storm van verontwaardiging verwekte, die zich uitte in een adres, voorzien van de handteekeningen van vele bekende Franschen, als Meisonnier, Gounod, Sardou, Dumas, Bonnat, Coppée e.a. Zij vonden dat een natie, die de vaan der beschaving en der verfijning steeds had omhoog gehoudenm zichzelve een slag in het aangezicht gaf door het stichten van een monument, dat niets beoogt, dan reclame, een gevaarte waarbij alle gebouwen, waarop Parijs te recht trotsch is, in het niet zullen verzinken, een reusachtige profanatie van de kunst. De publieke opinie heeft zich niet zoo vijandig tegenover dit reuzenwerk gesteld en het schijnt ook dat de indruk, dien de Arc de l'Etoile op den toeschouwer maakt, volstrekt niet lijdt onder de tegenwoordigheid van den Eiffel-toren.Fig. 1 maakt een vergelijking mogelijk van de grootste bouwwerken der wereld met dat van de Parijsche tentoonstelling.

   De ontwerper, Gustave Eiffel, was in de ingenieurswereld geen onbekende, voordat hij door zijn laatste werk zijn naam wereldberoemd maakte. Verscheidene bruggen en viaducten werden door hem ontworpen en gebouwd, waarbij hij steeds het systeem volgde om geen stellages te gebruiken, maar van de pijlers der brug uitgaande, de spanningen stuk voor stuk in elkaar te zetten, totdat de beide gedeelten elkaar in het midden ontmoeten; op deze wijze werden achtereenvolgens door hem gebouwd: een brug bij Bordeaux van 70 M. spanning, een te Tan-an in Cochin-China van 78 M., een boogbrug over de Douro te Oporto, welker grootste overspanning 160 M. bedraagt en eindelijk de viaduct te Garabit over de Truyère, die een breedte heft van 162 M. en zich 120 M. boven het niveau van den stroom verheft. Behalve door deze bruggen maakte Eiffel naam door zijne sluiswerken, ontworpen voor 't Panamakanaal en die, zooals men weet, slechts ten deele zijn uitgevoerd.

   Vóór het ontwerp Eiffel kende men: 1º het plan van den Engelschen ingenieur Trevithick, die in 1833 voorstelde om de aanneming van de "Reform Bill" te vereeuwigen door het bouwen van een toren van 1000 voet hoogte, 2º het ontwerp van de Amerikanen Clarke en Reeves in 1876, die het tentoonstellingsgebouw in Philadelphia wilden versieren met een ijzeren gevaarte van dezelfde hoogte, en eindelijk het voorstel van den heer Sebillot in '81 om Parijs door een 1000 voet hoogen toren elektrisch te verlichten.

   Eiffel heeft in zijn werk uitsluitend smeedijzer, nergens staal gebruikt; met het oog op den winddruk hebben de vier kolommen, waaruit het gevaarte is samengesteld een min of meer gebogen gedaante en zijn zij, behalve daar, waar de platforms zijn aangebracht, niet onderling verbonden, totdat zij nabij den top aan elkaar sluiten.
   De heer Eiffel is in zijn ontwerp en zijne berekeningen bijgestaan door de ingenieurs Nouguier en Koechlin en door den archtekt Sauvestre. Niet minder dan 40 personen waren op het bureau aan het werk als teekenaars en voor de berekeningen; 3000 werkteekeningen werden daar afgemaakt.
   Men was van oordeel, dat de toren als het ware den ingang moest vormen voor de terreinen van de tentoonstelling en bepaalde daarom de keuze van zijn standplaats in de as van het Champ de Mars recht tegenover de Jena-brug; nu behoort niet het geheele terrein aan den staat en juist dat gedeelte, dat voor de plaats in aanmerking kwam aan de stad Parijs, zoodat een schikking noodzakelijk was en men tot het besluit kwam, dat de toren gedurende 20 jaren het eigendom zou blijven van de concessionarissen om daarna toe te behooren aan de stad.


Fundeering.

Met zeer veel zorg werden vooraf boringen verricht, waaruit men den toestand van den ondergrond kon opmaken (zie fig. 2). Het bleek dat men met een laag vaste klei te doen had van 16 M. dikte, die op 't krijt rustte en waarvan het draagvermogen 3 à 4 KG. per cM.2 bedroeg; op die klei bevond zich een zandlaag, die naar de Seine toe in dikte afnam en dan Fig. 2. Doorsnede van den bodem, waarin de fundeering is aangelegd.
Fig. 2. Doorsnede van den bodem, waarin de fundeering is aangelegd.


Fig. 3. Plattegrond. Fig. 3. Plattegrond.
De hierin voorkomende maten zijn meters. Tusschen de 4 kolommen in bevindt zich een monumentale fontein.
    Fig. 4. Plattegrond van het metselwerk, waarop elk der kolommen rust. Fig. 4. Plattegrond van het metselwerk, waarop elk der kolommen rust.

overdekt was door een zachte leemachtige grondsoort. Elk van de vier kolommen, in fig. 3 door de cijfers 1, 2, 3, 4 aangewezen, werd afzonderlijk gefundeerd: en daar de twee aan den Seine-kant (nº 1 en 4) niet volkomen denzelfden ondergrond hadden, was de fundeering voor deze twee eenigszins lastiger. Elke kolom is samengesteld uit 4 hoofdliggers (zie fig. 3) en van elk dezer hoofdliggers bestaat de fundeering voor pijlers 2 en 3 (zie fig. 4 en 5) uit een betonlaag van 13 à 14 M. lang, 6 à 7,40 M. breed en 2 M. hoog (de ligger, die naar het centrum des
Fig. 5. Doorsnede van de fundeering van een der kolommen.
Fig. 5. Doorsnede van de fundeering van een der kolommen.
torens is gekeerd, werd zwaarder gefundeerd); op die betonlaag komt metselwerk tot even boven den beganen grond. Het bovenvlak van dezen muur heeft een richting, loodrecht op die van den hoofdligger, welke met zijn uiteinde daartegen steunen moet, en is afgedekt met twee deksteenen, die per cM2 een

   drukking kunnen weerstaan van 1235 KG., terwijl de werkelijke druk slechts 30 KG. per cM2 bedraagt (fig. 6). Aan het ondereinde van elken hoofdligger is een zoogenaamde schoen vastgeklonken (fig. 6), terwijl op den deksteen een ijzeren bodemplaat is bevestigd, in wier holte de schoen een eind indringt, waarbij deze met een ringvormig stuk (flens) op den bovenrand van de bodemplaat rust. In de aldus ontstane ruimte werd een hydraulische pers aangebracht (zie fig. 7) waardoor het mogelijk was den geheelen hoofdligger, wanneer dit voor een nauwkeuriger montage noodig was, op te lichten, hetgeen geen gering werk is als men bedenkt, dat de geheele toren ongeveer 10 millioen KG. weegt en dus het gewicht, door elken ligger gedragen, circa 500,000 KG. bedraagt. Eindelijk heeft men het ondereinde van elken ligger door 4 stangen van 8 M. lengte in het metselwerk verankerd, hetgeen noodzakelijk was gedurende den bouw - minder, nu het gevaarte voltooid is. Fig. 6.
Fig. 6. Doorsnede van het metselwerk, dat het steunpunt vormt voor een der vier hoofdliggers, waaruit een kolom is samengesteld.


Fig. 7. Wijze van opheffing van een hoofdligger door middel van een hydraulische pers.
Fig. 7. Wijze van opheffing van een hoofdligger door middel van een hydraulische pers.


Fig. 8. Doorsnede, waaruit de pneumatische wijze van fundeeren duidelijk wordt.
Fig. 8. Doorsnede, waaruit de pneumatische wijze van fundeeren duidelijk wordt.
   De pijlers 1 en 4, eischten een eenigszins moeielijker fundeering, daar men hier te doen had met een laag slappen ondergrond; men trof daar echter onder het zand een kalklaag, die een goede basis aanbood van 10 voet dikte onder piljer 4 en van 20 voet onder pijler 1.
   Men heeft hier gefundeerd met behulp van ijzeren caissons, (zoogen. pneumatische fundeering) waarvan fig. 8 een denkbeeld geeft. De betonlaag wordt omsloten door een ijzeren kist; de bodem ligt hooger dan het grondvlak. In de ruimte tusschen beiden wordt door werklieden de grond weggegraven, waarbij de kist door zijn eigen gewicht dieper zinkt, terwijl de uitgegraven grond door buizen omhoog wordt gevoerd. De gravers werken bij elektrisch licht in een atmosfeer van samengeperste lucht.
   Het ensemble van 4 pijlers voor elke kolom is omgeven door een muur (fig. 4), die steunpunten aanbiedt voor enkele onderdeelen der constructie, aangebracht voor versiering of onderlinge verbinding der hoofdliggers.

   (Slot volgt). A.L.J.B.


webdesign & copyright
© 2001-2005 Eveline
→