Zonnewarmte


← overzicht
Inhoud
Start
De zonnewarmte, als middel om water te putten.

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 November 1885 - 5e jaargang


   De heer Ch. Tellier heeft een geheel nieuwe methode bedacht om water te putten, zoo vreemd, dat men aan de mogelijkheid harer praktische toepassingen zou twijfelen, wanneer de uitvinder niet kon verzekeren, dat hij haar met een goeden uitslag werkelijk heeft toegepast. De methode is gegrond op het gebruik van twee kostelooze natuurkrachten:
   1º. De dampkringswarmte,
   2º. De betrekkelijke koude van het geputte water.
   De onderstaande teekening geeft de algemeene inrichting van den toestel, zooals hij te Auteuil in werking is. Om haar te verklaren, meenen we niet beter te kunnen doen dan de volgende beschrijving van den heer Tellier zelf over te nemen.

Inrichting van Ch. Tellier om water te putten door de zonnewarmte.
Inrichting van Ch. Tellier om water te putten door de zonnewarmte.

   "F is een hoenderhok met een afloopend dak E, dat op het zuiden staat.
   Het dak E bestat uit tien metalen platen, van 1 tot 10 genummerd.
   Deze platen zijn gevormd uit de vereeniging van twee ijzerbladen, over de geheele oppervlakte gegolfd, en door tusschenschotten eenige millimeters van elkander gehouden.
   Elke plaat vormt alzoo een geheel gesloten vat, waarin men een vluchtige vloeistof kan bergen.
   Deze vloeistof kan verschillend zijn. Ik verkies ammoniak in oplossing, aangezien men de sterkte van deze oplossing en dus ook de kracht van haar spanning kan regelen.
   Onder den invloed van de dampkringswarmte gaat deze oplossing verdampen. Deze dampen ontsnappen door een buis, die boven elke plaat is aangebracht. Alle buizen vereenigen zich in een gemeenschappelijke buis, die uitmondt in het vat N.
   Daar de dampen vloeistof zouden kunnen medevoeren, is er een buis Q, die de vloeistof uit N naar den bodem der platen terug kan voeren.
   Door een tweede buis ontsnappen de dampen uit het vat N. Deze dampen hebben een spanning van 1 tot 3 atmosferen, naar den arbeid, dien men wenscht voort te brengen. Zij worden door een pijp in een hollen kogel geleid, die in den put staat, waaruit het water komen moet. Deze kogel bevat een tusschenschot (diaphragma) van kaoutchouk, dat nu eens tegen de eene inwendige halve oppervlakte van den kogel kan aanslaan, dan weder tegen de andere.

   Nemen we voor een oogenblik aan, dat de kogel vol water is, dan zal het genoemde tusschenschot van kaoutchouk tegen de bovenste inwendige halve oppervlakte van den kogel gedrukt worden. Komt nu de drukking van het ammoniakgas tegen het tusschenschot aan, dan zal zij dit voortduwen, totdat het tegen de onderste halve oppervlakte aanligt. Maar hiervoor moet het tusschenschot het water uit den kogel drijven.
   En dit heeft werkelijk plaats; men ziet bij G het water boven den bak R opspringen.
   Maar wanneer de kogel geen water meer bevat, zal het noodig zijn, om de werking te kunnen hernieuwen, dat het aangevoerde ammoniakgas weder uit den kogel verdwijnt.
   Dit heeft plaats door den volgenden kunstgreep. In het midden van het tusschenschot en den kogel is een drijver aangebracht met een steel, die op een schuif werkt. Door een der openingen van de schuif komt het gas binnen, door de andere ontsnapt het.
   Wanneer het tusschenschot tegen de bovenste helft aanligt, is de opening voor de toelating van het gas vrij en wordt dus het water uitgedreven; komt het daarentegen op de anderste helft te liggen, dan is de opening voor het ontsnappen van het gas vrij, zoodat de kogel zich weder met water vult, en zoo gaat de werking voort.

   Als het ammoniakgas geen waarde had, zou zijn werking hiermede ophouden, maar daar het kostbaar is, moet men het voortdurend in gebruik houden.
   Hiertoe zal ons de afkoelende werking van het koude water dienen. Om dit te gebruiken, laten we het door een slang loopen in een luchtledig gesloten vat, hetwelk een gedeelte van de gebruikte ammoniakoplossing bevat. Onder den invloed van de lage temperatuur van het water in de slang loopen in een luchtledig gesloten vat, hetwelk een gedeelte van de gebruikte ammoniakoplossing bevat. Onder den invloed van de lage temperatuur van het water in de slang, koelt de oplossing af en wordt zij weder vrij van het ammoniakgas. Van dit oogenblik af wordt het ammoniakgas, dat door de uitlatingsopening door een dompelbuis is binnengetreden, geabsorbeerd en wordt dus ook zijn drukking in den kogel opgeheven, zoodat het water weder in den kogel kan dringen.

   Een laatste voorzorg is genomen, door den drijver met een kleine pomp te verbinden, waarmede de ammoniak-oplossing in het dak E vernieuwd kan worden.
   Deze zou immers voortdurend sterker worden en ten slotte niet meer absorbeeren, als zij niet vernieuwd werd; daartoe wordt de strooming naar den opslorper geregeld door een drijver in het scheidingsvat N.
   De genoemde pomp kan, indien men den toestel wil vereenvoudigen, vervangen worden door een werking met de hand, gedurende eenige weinige minuten aan het einde van den dag te verrichten.
   De toestel, die te Auteuil is opgesteld, was berekend om slechts 500 liter water te leveren en hij geeft er 1200 in een uur. In de heete klimaten zou dezelfde inrichting 3000 liter kunnen putten uit een diepte van 20 meter.

   Deze werking is gegrond op de volgende beschouwingen.
   Een blad metaal laat 11 warmte-eenheden doorgaan per uur en per vierkanten meter voor een verschil van 1 graad. Elk blad van 4 vierkante meter absorbeert per uur 44 warmte-eenheden. Als wij slechts 6 graden verschil aannemen, worden er 264 warmte-eenheden aan den dampkring onttrokken en gebruikt; verbindt men nu deze hoeveelheid warmte met de afkoelende werking van het water, dan zal men gemakkelijk door de ontstaande verschillen in spanning een kostelooze kracht verkrijgen, die voor het putten van water kan gebruikt worden.

   Deze toestel verschilt van de talrijke voorgangers, met welke men getracht heeft de zonnewarmte ten nutte aan te wenden door middel van den spiegel van Archimedes.
   Hier is de werking van de zonnestralen slechts een bijkomende; men behoeft ze niet te verzamelen door metalen of andere spiegels; de dampkringswarmte is de grondslag van de werking en om haar aan te wenden, kunnen alle daken op het zuiden gebruikt worden. De beweegkracht kan dus, zonder verlies van grond, in alle warme landen worden verkregen. Het is licht te begrijpen, dat hierin voor deze landen een krachtig werkzaam middel gelegen is. Het zal in de toekomst nog goedkooper kunnen zijn, als men bij den bouw der huizen, de daken daarnaar kan inrichten. Deze voorwaarde is echter niet noodzakelijk, want men kan terstond en op alle bestaande daken, de noodige platen aanbrengen, en als men bedenkt, dat men met 10 platen slechts, uit een diepte van 20 meter, 3000 liter water per uur kan ophalen, ziet men onmiddellijk, tot welke stijgkracht men komen kan door het aantal platen te vermenigvuldigen."

H.


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline