Ruïne der vulkanen


← overzicht
Inhoud
Start
De ruïne der vulkanen.

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Mei 1885 - 5e jaargang


   Het volgende moge niet geheel nieuw zijn, het bevat misschien toch het een en ander, waaraan bij de behandeling van dit onderwerp in verscheidene leerboeken niet gedacht is of dat als eenigszins hypothetisch niet vermeld is. Het vinde hier een plaats.
   Bekend is de verdeeling der vulkanen in werkende en uitgebluschte vulkanen, een verdeeling trouwens, die, als iedere wetenschappelijke verdeeling der voorwerpen in de natuur, haar bezwaren medebrengt bij de bepaling der juiste grenzen. De uitgebluschte vulkanen vertoonen voornamelijk twee hoofdvormen. Men onderscheidt dom- en ringvulkanen; tot de laatste brengt men de kratermeren of maren.
   Ik wensch in deze regels het ontstaan dier twee hoofdvormen te verklaren, in verband met een juister begrip van den inwendigen vorm der werkende vulkanen zelf.

   Het onderscheid tusschen domvulkanen en ringvulkanen is zeer groot, én wat den vorm én wat de bestanddeelen betreft. De naam spreekt bij beiden voor den vorm. De domvulkanen zijn klokvormig en herinneren aan de bekende vulkaankegels, behalve dat er geen spoor van een krater aanwezig is, de ringvulkanen daartegen missen geheel den kegelvorm en bestaan uit een wal, dikwijls van zeer grooten omvang, binnen welken zich later vaak nieuwe kegels vormden. Die ring is onregelmatig, zelden geheel aanwezig en steeds met een steilen wand aan de binnenzijde en een zachte glooiing buitenwaarts. De eerste zijn als het ware vulkanen zonder kraters, de laatste enkel reusachtige kraters. Even groot is het verschil der bouwstoffen. De domvulkanen zijn veel harder en van gelijksoortig gesteente, - K. von Seebach noemde ze homogene vulkanen, - de ringen zijn van verschillende steensoorten gevormd, meest van tufsteen, doorsneden van lavastroomen en vertoonen alle graden van verwering en verwoesting, zoodat de ring nu eens duidelijk zichtbaar, dan weder moeielijk te herkennen is. En wat het ontstaan betreft, ook daarin is bij beiden een even groot verschil waar te nemen. Bij de domvulkanen, heeft zich verwering en erosie doen gelden, bij de vorming der ringvulkanen heeft een instorting plaats gehad.

   Bij de lezers dezes onderstel ik bekendheid met de gewone voorstelling van de formatie der vulkanen. Zij kennen de schematische voorstelling der vulkaanvorem, zooals die in de leerboeken is opgenomen sedert de theorie van L. von Buch en Alex. von Humboldt omtrent het verschil van opheffings- en eruptiekegels moest wijken voor die van Dahn, Junghuhn, Lyell e.a. Bij die voorstelling, die de verschillende perioden van vulkanische formatie in één beeld vereenigt, vindt men gewoonlijk de profielteekening van een vulkaankegel, waarvan de wanden uit drie deelen bestaan. Het bovenste deel, dat tevens gedeeltelijk in het binnenste afdaalt, is een aschkegel, daaromheen is een tweede wand, die zich eveneens in het binnenste naar beneden uitbreidt, zich buitenwaarts aan de helling onder den aschkegel vertoont en uit lava bestaat; een derde deel, uit tufsteen bestaande, omringt aan den voet het geheel. Die drie deelen vertegenwoordigen drie perioden van vulkanische werkzaamheid. De hoogste is de jongste. Het geheel is doorboord door een kanaal, dat uit het inwendige van de aardkorst omhoog stijgt en zich van boven trechtervormig verwijdt tot een krater.

   Om echter te verklaren, hoe een zoodanige vulkaan, na het einde van zijn leven als vuurspuwende berg, later als dom of ring kan worden bijgezet, is er stellig meer noodig dan algemeene uitdrukkingen omtrent atmosferische werking of ineenstorting. Er is toch geen kern aanwezig, die tot domvulkaan kan afslijten en geen holte om in te storten.

Doorsnede van een vulkaan met inwendig lavaruim.
Doorsnede van een vulkaan met inwendig lavaruim.

   De moeielijkheden verdwijnen echter als men, uitgaande van de gemelde formatie der vulkaankegels, daarin het ontstaan van veranderingen aanneemt ten gevolge van verdere vulkanische werkingen. Het is toch zeer aannemelijk, dat zoolang de vulkaan nog werkzaam is, een deel van het door vroegere erupties omhooggebrachte en na dien weder afgekoelde en versteende materiaal en wel in de eerste plaats de vaste massa, die het eruptiekanaal omgeeft, weder vloeibaar wordt. Zoodoende zal het binnenste van den berg weder oplossen en de vulkaan niet langer een massief geheel blijven, door een eruptiekanaal doorboord, maar meer en meer een klokvormig lichaam worden1, waarvan de mantel bestaat uit de buitenste deelen van den ouden berg, samengesteld zooals wij boven zeiden. Volgens deze voorstelling zal dus bij een werkenden vulkaan de zichtbare berg slechts een uit verschillende bestanddeelen samengesteld mantel zijn, die bij de eruptie geheel gevuld is door de van beneden opgedreven gesmolten lava. Deze holte noemt Ferd. von Hochstetter, van wien het denkbeeld is, het lavarium.

   Bij zulk een inwendigen bouw van den vulkanischen kegelberg is ook het ontstaan der talrijke zijdelingsche uitbarstingen gemakkelijk te begrijpen. Wel is bekend, dat de vele, somtijds zeer diep uitgesleten kloven, die de wanden der vulkanen, vooral binnen de tropen, als regelmatige stralen vertoonen, zoovele zwakke punten bieden, die bij sterken druk van binnen in de eerste plaats daarvoor moeten bezwijken en is het zelfs regel, dat nieuwe uitbarstingen zich telkens weder op een ander punt openbaren; maar van het ontstaan dier parasietische kegels, vaak laag aan de helling van den berg, is het zeer moeielijk zich een denkbeeld te vormen bij de voorstelling van een zich trechtervormig naar beneden vernauwend eruptiekanaal, dat naar beneden door steeds zwaarder wanden omkleed is.

   Bij de holle kegels echter zijn deze parasietische kraters zeer natuurlijk en evenzoo de verklaring van het ontstaan der beide typen, die men bij de uitgebluschte vulkanen waarneemt. Er zijn namelijk bij de vuurspuwende bergen na de uitbarsting twee gevallen denkbaar. In het eene geval sluit zich de krater langzamerhand en de druk van beneden is nog juist voldoende om de inwendige kegelvormige holte van den vulkaan met een gloeiend-vloeibare massa gevuld te houden, zonder dat verdere uitbarstingen plaats hebben. In dit geval zal zich bij het afkoelen van die massa in het binnenste van den llagvormigen mantel een massieve lavakern vormen van een gelijkvormig samenstel, die bij de uiterst langzame afkoeling en verharding onder de beschermende bedekking van den mantel in den regel ook veel duidelijker een kristalformatie zal aannemen dan de vroeger uitgevloeide lava, die onder geheel andere omstandigheden afgekoeld, ook een geheel andere gesteldheid zal vertoonen. Zij zullen petrografisch verschillen.

   Zulke vulkanen met een massieve kern zijn voor altijd uitgebluscht. Door verwering van den mantel, die gemakkeljk bezwijkt voor den invloed van den atmosfeer, wordt na verloop van tijd de inwendige, oneindig standvastiger kern ontbloot en zal er als resultaat een massieve kegel of dom, misschien nog met restanten van den gesloopten mantel aan den voet overblijven. Ziedaar waarschijnlijk de verklaring van de dom- of kegelvormige Phonoliet- of Trachietkoppen.
   In het tweede geval, als de eruptieve beweging na een krachtige werking op eens wordt gestoord, door een aardbeving of door de opening van een naburigen krater, zal de lava in de holte snel dalen en er zal een holle kegel met een open of gedeeltelijk samengevallen krater overblijven. Dan is dat geweldige ineenstorten denkbaar, waarbij een geheele vulkaankegel samenvalt en in de diepte verzinkt, zoodat slechts de buitenste voet in den vorm van een uit verschillende lagen samengestelden ring overblijft.

   Zulke vulkanen zijn in den regel niet geheel uitgebluscht, maar na korter of langer tijdsverloop kan de werkzaamheid op nieuw beginnen en er vormen zich binnen den ring een of meer nieuwe kegels.
   Blijft het vulkanische leven voor goed weg en vult zich de laagte met atmosferischen nederslag, dan ontstaan waterplassen, zooals men in Auvergne, in den Eifel en elders vindt.
   Voorbeelden van domvulkanen biedt hetzelfde Auvergne. Ringvulkanen vindt men zeer talrijk. Bij het ontstaan van nieuwe kegels daarbinnen heet de lage ruimte, die ze omringt, atrio, de ring circus. Voorbeelden zijn bekend en talrijk.

1 De binnenwand, op de teekening gestippeld.
H.


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline