Een toren van 300 meter


← overzicht
Inhoud
Start
Een toren van 300 meter hoogte.

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Februari 1885 - 5e jaargang


Een toren van 300 meter hoogte. Een toren van 300 meter hoogte    Alles heeft zijn vasten tijd; dit merken wij op in het kleine, maar ook in het grootte. Terwijl in onze jeugd onze spelen aan een bepaalden tijd gebonden waren, en tijdens het een of andere spel in de mode was, niemand aan een ander spel zoude denken, schijnt ditzelfde ook in de groote menschenmaatschappij het geval te zijn. Wij hebben, naar ik geloof, den tijd der passages en der tramways zoo wat gehad, maar leven nog te midden der tentoonstellingen. Internationale, nationale, koloniale, elektriciteits-, landbouw-, bloemen-, ja zelfs honden, katten- en kinderen-tentoonstellingen zijn aan de orde van den dag. Nauwelijks is de eene tentoonstelling met al haar drukten, haar voordeelen, maar ook haar teleustelllingen achter den rug, of een nieuwe wordt weder aangekondigd, dikwijls reeds jaren vooruit. Zoo is o.a. vóór een paar maanden door den president der Fransche republiek weder een internationale tentoonstelling gedecreteeerd, die in 1889 te Parijs zal worden gehouden. Reeds thans worden er toebereidselen voor gemaakt, en ze zal in belangrijkheid, of laten wij voorloopig liever zeggen, in uitgebreidheid en reusachtige installaties alle vroegere tentoonstellingen verre te boven gaan.
   Een der meest origineele en stoute ontwerpen is wel dat van den Franschen ingenieur Eiffel, die niets meer of minder van plan is, dan een geweldigen toren van 300 metr hoogte op te richten, om de bezoekers van die tentoonstelling met volle recht een ruimen blik te doen verkrijgen.
   Reeds bij gelegenheid van de tentoonstelling te Philadelphia in 1875 was er sprake van om een toren van 1000 voet hoogte op te richten; dat plan is toen niet tot uitvoering gekomen, maar thans wil men het te Parijs verwezenlijken.

   Het voorbeeld van de hoogste gebouwen, de men tot nog toe heeft opgericht, heeft bewezen, dat het zeer moeielijk is, om met materialen, waarbij steen een hoofdrol vervult, een hoogte van 150 tot 160 meter te boven te gaan. Die hoogte is in werkelijkheid slechts zelden bereikt, zooals uit de volgende opgaven blijkt. De dom te Keulen is 159 meter hoog; de dom te Rouaan 150 meter; de groote pyramide van Egypte 146 meter; de dom van Straatsburg 142 meter; de St. Pieterskerk te Rome 132 meter, en de Westerkerk te Amsterdam 85 meter.
   Om een hoogte van 160 meter te boven te gaan, moet men zijn toevlucht nemen tot ijzer. Dit metaal is het eenige, dat niet alleen in staat is, om aan den geweldigen vertikalen druk van zulk een gevaarte weerstand te bieden, maar tevens om den horizontalen winddruk tijdens een storm te weerstaan.
   Metalen torens van 80 tot 100 meter hoogte zijn zonder groote bezwaren te bouwen; maar de kwestie is geheel wat anders voor een hoogte van 300 meter, en er doen zich daarbij dezelfde moeielijkheden voor als bij het bouwen van een brug met een spanning van 300 meter. Men moet dan bijzondere voorzorgen voor de noodige stevigheid nemen, die het resultaat van nauwkeurige en angstvallige berekeningen moeten zijn.
   Ziehier een paar korte mededeelingen omtrent de samensttelling van dien geprojecteerden toren. Het verbindingswerk bestaat hoofdzakelijk uit vier stijlen, die de ribben van de vierzijdige pyramide vormen, en waarvan de zijden een weinig naar binnen gebogen zijn. De kromming van deze oppervlakken is door berekening bepaald, en daardoor alleen is de toren in staat aan den wind een voldoenden weerstand te bieden. Dit is het meest kenmerkende deel van het grootsche plan.
   De doorsnede der kolommen neemt naar boven toe af. Aan de basis heeft elke stijl een zijde van 15 meter en aan den top 5 meter. Op den grond staan de stijlen 100 meter van elkander, maar aan den top vereenigen zij zich en vormen zij een vlak van 10 meter zijde. De stijlen zijn natuurlijk in zware fundamenten verankerd, en bovendien op verschillende hoogten door horizontale verbindingsstukken met elkander in verband gebracht, waardoor groote zalen gevormd worden, die men voor verschillende doeleinden wil gebruiken. De zaal op de eerste verdieping, waarvan het plankier zich 70 meter boven den beganen grond verheft, heeft een oppervlakte van 5000 vierkante meter.
   Onder deze zaal bevindt zich aan iedere zijde een reusachtige boog van 70 neter opening, die op den grond steunt en het geheel een monumrntaal karakter geeft. Op den top van den toren is een glazen koepel aangebracht, van waar de bezoeker het onmetelijke panorama, dat zich aan zijn voeten ontrolt, zal kunnen bewonderen. Om den top te bereiken, dienen vier ascenseurs, die in de kolommen zijn aangebracht, en die zoodanig zullen worden ingericht, dat zij een volstrekte zekerheid zullen aanbieden.
   Indien het plan tot een uitvoering komt, zal de wereld een stout en geniaal monument van de ingenieurskunst onzer dagen rijker zijn. Maar deze toren zal niet alleen een merkwaardigheid zijn, die, evenals den "ballon captif" van de Parijsche tentoonstelling van 1878, een der grootste aantrekkingspunten voor de bezoekers za wezen, zij zal ook diensten aan de wetenschap kunnen bewijzen.
   Als meteorologisch observatorium zal de toren zeer geschikt zijn. Zulk een observatiepost op 300 meter boven den beganen grond bestaat er nog nergens, en een aantal vraagstukken vooral nopens de richting en de kracht der luchtstroomingen op deze hoogte zullen er door tot oplossing kunnen komen.
   Voor astronomische waarnemingen zal de torens insgelijks groote voordeelen aanbieden door de zuiverheid der lucht en de afwezigheid van nevel en damp en rook, die op lagere hoogte de waarnemingen zoo dikwijls geheel onmogelijk maken. Vooral spectroskopische waarnemingen zullen daar met ongekende juistheid kunnen worden verricht.
   Bovendien stelt de ondernemer zich voor, dat de toren groote strategische diensten zal kunnen bewijzen. Hij acht dus klaarblijkelijk een herhaling van het beleg van Parijs tijdens den Fransch-Duitschen oorlog niet onmogelijk. Hij wil er tevens een optische telegraafdienst aan verbinden, daar men zich op deze wijze gemakkelijk met ver verwijderde plaatsen, zooals b.v. met Rouaan, in optische gemeenschap zal kunnen stellen.
   Ten slotte stelt Eiffel voor om krachtige elektrische lichtbronnen boven op den toren te plaatsen. Men zal op deze wijze, zooals dit reeds op kleiner schaal in sommige Amerikaansche steden geschiedt, een algemeene verlichting hebben, van een enkel zeer hoog gleegen punt uitgaande, en waarvan de groote voordeelen reeds sedert lang bewezen zijn, doch waarvan de toepassing op zulk een reusachtige schaal nog niet heeft plaats gehad.
   Doch genoeg over al deze veronderstellingen. Komt het plan werkelijk tot uitvoering, en daar is m.i. wel kans op, dan zal dat reusachtige gevaarte de reis naar Parijs alleen waard zijn.
   Om zich een denkbeeld te maken van de geweldige hoogte van dezen toren moet men zich voorstellen, dat de geheele Westerkerk te Amsterdam onder de reusachtige bogen plaats kan vinden, en dat de spits van den toren der kerk dan slechts tot aan den bovenkant van de ramen van de onderste zaal zal reiken.
   Doch, of het plan tot verwezenlijking komt of niet, men moet den ondernemingsgeest en de verbeeldingskracht der Franschen bewonderen. Zij zijn de eersten geweest, die in 1798 het plan tot een tentoonstelling hebben opgevat en uitgevoerd. Sedert dien tijd heeft Frankrijk veertien groote tentoonstellingen gehad, eerst nationale, maar later ook internationale. De eerste van dien aard is al weder te Parijs in 1855 gehouden. Andere steden en natiën hebben het voorbeeld der Franschen gevolgd, maar zij zijn voorgegaan. En elke volgende tentoonstelling overtrof de vorige in grootte niet alleen, maar in aantrekkeijkheid. De laatste wereldtentoonstelling te Parijs, in 1878, ligt velen onzer zeker nog versch in het geheugen, en zal dan wel het beste bewijs zijn voor de waarheid onzer stelling. Wat voor verdere verrassingen zal de tentoonstetlling van 1889 ons nog brengen?
W.


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline