|
|
De bevestiging van het magnetisch spectrum.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Juli 1885 - 5e jaargang |
Iedereen weet, dat de magneet een aantrekkende werkig uitoefent op ijzer. Om te zien, waar en in welke richting deze aantrekking zich het sterkst openbaart, kan men den magneet in week ijzervijlsel dompelen. Veel duidelijker evenwel kan men deze werking nagaan, als men den magneet bedekt met een dunne plaat van glas of van karton en het ijzervijlsel met behulp van een fijne zeef over de plaat strooit. De ijzerdeeltjes schikken zich dan volgens een bepaalde figuur langs kromme lijnen, die den naam dragen van krachtlijnen en welkeer richting bepaald wordt door de werking der magneet-deeltjes op de ijzerdeeltjes.
De alzoo ontstaande figuur heet magnetisch spectrum (fantoom).
Neemt men de plaat voorzichtig weg, dan blijft nog wel de figuur zichtbaar, maar de minste schok tegen de plaat zal haar verstoren. Men heeft daarom verschillende middelen bedacht om de figuur te bevestigen, ten einde haar voor de studie der krachtlijnen te kunnen bewaren, of haar te projecteeren. |
De bevestiging van het magnetisch spectrum. |
In de nevenstaande figuur is een van de meestgevolgde methoden, die van de Haldat, voorgesteld. Men bedekt de plaat met een oplossing van arabische gom, legt haar op den magneet en strooit het ijzervijlsel er over; zijn nu de lijnen goed ontwikkeld, hetwelk bevorderd wordt door zacht tegen de plaat te tikken, dan bestuift men haar met water, dat fijn verdeeld wordt door middel van een gewonen pulvérisateur of verstuiver.
De gomlaag wordt week en houdt de ijzerdeeltjes vast, zonder dat zij van ligging veranderen; als de gom weder droog is, neemt men den magneet weg, en het spectrum is gefixeerd. |
Een andere, even eenvoudige handelwijze, van Nicklès, bestaat hierin, dat men de plaat met een dunne laag was of stearine bedekt, en na de bestrooiing met ijzervijlszel, terwijl de magneet onder de plaat blijft liggen, een gloeiend voorwerp, mits niet van ijzer, in de nabijheid brengt om de was te doen smelten; de ijzerdeeltjes hechten zich dan aan de plaat, als de stearine weder vast wordt.
Meijer bedekt de plaat, in plaats van met was of stearine, met een laag vernis.
Anderen volgen een fotografische methode; zoo ontwerpt prof. Baille het spectrum op een met ferro-cyaan bereid papier en stelt het daarna gedurende eenigen tijd aan het licht bloot. De ijzerdeeltjes verhinderen de inwerking van het licht en wel des te sterker naarmate de deeltjes dichter opeengehoopt zijn; na fixatie krijgt men dan een negatief beeld, waarin de dichtste plaatsen wit zijn gebleven.
Door Stanislas meunier was deze methode met eenig verschil reeds vroeger toegepast. Hij neemt een fijn poeder van den natuurlijken magneetsteen en strooit dit op een blad papier, dat vooraf doorweekt is met ferricyaankalium en daarna gedroogd. Vervolgens stelt hij het papier gedurende eenige secunden bloot aan een kleine hoeveelheid zuiver gasvormig zoutzuur, dat ontwikkeld wordt uit een boven de figuur gehouden, omgekeerden trechter. Zoodra het gas gewerkt heeft, werpt men het magneet-poeder weg en wascht het blad papier in water goed af. Men ziet dan elk deeltje van het poeder als een donker blauw kringetje afgeteekend op een licht lauwen grond en de vereeniging dezer stipjes geeft een positief beeld van de geheele figuur. De zoo verkregen afdruk kan lang bewaard blijven. Omtrent deze methode kan men meer bijzonderheden vinden in het tijdschrift Cosmos van Juli 1867.
Eindelijk vinden we nog een voorstel van Stevens in het tijdschrift Electician om gebruik te maken van fotografisch bereid papier; zijn de krachtlijnen op dit papier voortgebracht, dan plaatst men het gedurende eenige secunden in het zonlicht; men verkrijgt dan zeer duidelijke, mooie negatieve beelden.
Wil men terstond positieve beelden hebben, dan zou zich daartoe het best leenen het procédé Willis, dat gegrond is op de aanwendig van aniline. Men gaat als volgt te werk: men lost 1 deel dubbelchroomzure kali op in 10 deelen water en 10 deelen fosforzuur (spec. gew. 1,12); men laat op het dusgevormde bad bij lamplicht een blad papier gedurende één minuut drijven en laat dit vervolgens drogen.
Op dit papier laat men de krachtlijnen zich vormen, eveneens bij lamplicht of ten minste op een plaats, die niet rechtstreeks daglicht ontvangt, en stelt het dan gedurende twee of drie minuten aan het zonlicht bloot. Men bemerkt dan, als men het vijlsel verwijderd heeft, een zwak geel beeld op een groenen grond: om dit beeld te ontwikkelen, gebruikt men een oplossing van 1 deel aniline in 10 deelen benzine, giet deze vloeistof op den bodem van een tamelijk groot ijzeren vat en bevestigt het beeld op het deksel van ditzelfde vat, hetwelk zoo goed mogelijk luchtdicht moet sluiten. De aniline-dampen, die op het papier neerslaan en zich oxydeeren op de geel gebleven plaatsen, geven een bruine teekening. Na een blootstelling van verscheidene uren, wascht men het blad met wat zuivere benzine af om de overtollige aniline te verwijderen. |
| H. |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
↑ |
|