|
|
Onze toekomstige klokken.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Mei 1885 - 5e jaargang |
Hoewel wij eeuwenlang gewoon zijn de vier en twintig uren van den dag in twee helften, ieder van 12 uren, te verdeelen, is het toch waarschijnlijk, dat de meer rationeele methode om de 24 uren van den dag achter elkander door te tellen van middernacht af tot den volgenden middernacht, na korter of langer tijd in gebruik zal komen voor sommige doeleinden, waarvoor die tijdsverdeeling beter geschikt is dan de tegenwoordige. Dit heeft er toe geleid om voor te stellen ook in het dagelijksch leven de uren tot 24 door te tellen en er de klokken en horloges op in te richten. Laat ons eens zien, hoe dit het beste zonder groote bezwaren zoude kunnen geschieden.
De Natuurlijkste verandering schijnt wel te zijn, de 24 uren in een enkelen cirkel op de wijzerplaat te plaatsen in plaats van de 12, die er nu staan. Bij nader inzien blijkt deze verandering zeer ongewenscht te zijn. Vooreerst zoude een kleine verandering in de constructie van het uurwerk noodig zijn, omdat de uurwijzer dan maar ééne omwenteling in de 24 uren in plaats van in de 12 uren zoude moeten maken. Dit is evenwel gemakkelijk te doen, maar overwegender is het bezwaar, dat de uurcijfers tweemaal dichter op elkander staan, zoodat de hoekbeweging van den uurwijzer voor elk uur slechts de helft zal bedragen van de tegenwoordige beweging. Men moet in aanmerking nemen, dat niemand bij het op de klok zien de cijfers afleest, maar zoowel voor de bepaling van het uur als van de minuten van den onderlingen stand van de wijzers op de wijzerplaat gebruikt maakt.
Is de wijzerplaat in 24 uren verdeeld, dan zal dit op verre na zoo gemakkelijk niet meer gaan, en zal men in sommige gevallen werkelijk genoodzaakt zijn de uurcijfers te lezen. Dit nadeel zal vooral groot zijn voor personen, die niet in het bezit zijn van een horloge, en zich bij de tijdsbepaling tot een torenuurwerk, dikwijls op verren afstand moeten bepalen. |
Een wijzerplaat voor het 24-uurstelsel. |
Er is nog een andere weg, om klokken en horloges voor het 24-uurstelsel in te richten. Deze bestaat daarin, dat men de uurcijfers wat korter maakt, maar daarom niet te gelijkertijd minder duidelijk leesbaar, en ze in twee rijen of cirkels op de wijzerplaat aanbrengt, de binnenste cirkel met de uren van 1 tot 12, en de buitenste met de uren van 13 tot 24. De uurwijzer zal dan 1 en 13, 2 en 14 uur enz. te gelijkertijd aanwijzen, terwijl men tot des voormiddags 12 uur alleen op den binnensten cirkel moet letten en daarna tot middernacht op de cijfers van den buitensten cirkel, iets waaraan men spoedig zoude wennen.
Nog beter is de methode, die gevolgd wordt op sommige Amerikaansche spoorwegstations, waar men gemakshalve den dag in 24 uren verdeelt. De wijzerplaat draagt daar eveneens twee cirkels met cijfers, maar deze cijfers zijn zoodanig verdeeld, dat de daguren op den binnensten cirkel staan, en de nachturen op den buitensten cirkel. De bijgaande afbeelding maakt dit duidelijk. |
Maar blijft nog de vraag te bespreken, op welke wijze men bij slaande klokken moet handelen. De uren tot 24 slagen toe door te laten slaan, is bijna ondoenlijk; de klokken zouden de hoogste getallen van 19 tot 24 moeten slaan, in de avonduren en de eerste uren van den nacht, wanneer kinderen en zieken ter ruste zijn en in hun eersten slaap verkeeren, en dat aanhoudende slaan mieielijk zullen kunnen verdragen. Bovenden zal het voor velen, wier werkkring het noodzakelijk maakt, dat zij 's avonds en 's nachts buitenshuis zijn, er wier eenige tijdaanwijzer het slaande torenuurwerk is, bijna onmogelijk zijn zonder zich te vergissen het aantal slagen te tellen, indien het b.v. 22 of 23 uur is. Men heeft daarom voorgeslagen de klokken van 1 tot 12 uur op de gewone wijze telaten slaan, en van 13 tot 24 uur weder met één slag te beginnen, maar nu dubbele slagen te nemen.
Afgezien van de tamelijk ingewikkelde inrichting van het slagwerk, waardoor wellicht dikwijls gebreken zouden ontstaan, zoude door deze wijze van tellen het principe om den dag niet meer in tweemaal twaalf, maar in 24 uren te verdeelen, geheel te loor gaan.
Men ziet, dat in deze zaak het laatste woord nog niet gesproken is. Wij zien bovendien niet in, waarom de algemeen gebruikelijke dagverdeeling geheel en al ook in het dagelijksch leven zoude moeten plaats maken voor de verdeeling in 24 achtereenvolgende uren. De zaak is zeer aanbevelenswaard voor wetenschappelijke doeleinden, spoorweg-tijdsbepaling, enz., maar het is volstrekt niet noodig ook den particulier te dwingen om zeventien of achttien uur zijn middagmaal te gebruiken en om drie en twintig uur of vier en twintig uur naar bed te gaan. Een bezwaar, dat hoewel schijnbaar klein, toch niet te gering geacht mag worden, is dit, dat wij niet inzien hoe men op kleine bijv. dames-horloges de 24 uurcijfers, een secundenwijzer, benevens den naam van den maker van het horloge en het cijfer op de kleine wijzerplaat zal aanbrengen, zonder overlading of onduidelijkheid. Rekent men hier de wijzers ook nog bij, dan zal er niet veel van het witte email van de wijzerplaat zichtbaar blijven.
Sedert eenigen tijd komen er horloges in den handel voor zonder wijzers, waar de wijzerplaat twee openingen heeft. Onder een dezer openingen komt elke minuut een ander cijfer te voorschijn, dat de minuten aangeeft, en onder de andere opening ziet men elk uur het cijfer, dat het uur aangeeft, verspringen. Deze horloges zoude men gemakkelijk voor het 24-uurstelsel kunnen inrichten. Ons kan echter die nieuwigheid niet bekoren. Vooreerst omdat het onmogelijk is met één oogopslag er op te zien, hoe laat het is. Vervolgens, omdat dan het groote voordeel van het tegenwoordige stelsel vervalt, waarbij men niet alleen den juisten tijd afleest, maar ook een voorstelling verkrijgt van den tijd, die er nog verloopen moet tusschen het oogenblik, dat men op het horloge ziet, en het een of ander tijdspunt in de naaste toekomst. Hiermede bedoelen wij het volgende: ziet men bijv., dat het tien minuten over éénen is, dan weet men van zelf, dat er nog twintig minuten vóór half twee moeten verloopen. In de derde plaats gelooven wij, dat deze horloges dikwijls reparatie zullen vereischen. Zestig malen per uur moet het minuut-cijfer onder de ééne opening verspringen; een strook van de eene of andere stof, waarop zich zestig cijfers bevinden, en die aanhoudend in beweging is, moet dus in de kleine ruimte van het horloge plaats vinden.
Of dit wel veel tot de nauwkeurigheid van den gang en de soliditeit zal bijdragen, betwijfelen wij.
Al zijn wij groote voorstanders van iets nieuws, mits het goed zij, gelooven wij, al het bovenstaande tezamen genomen niet, dat er veel kans op is, dat wij op de vraag "hoe laat het is" spoedig ten antwoord zullen krijgen: "Het is tewaalf minuten over een en twintigen." |
| W. |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
↑ |
|