|
|
Het gebruik van den astronomischen kijker tot het waarnemen van de hemellichamen.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 December 1885 - 5e jaargang |
"In de laatste jaren is de belangstelling in de eigen waarneming der hemellichamen in Duitschland sterk toegenomen. De wensch om met eigen oogen de wonderen des hemels te aanschouwen, om tot ontspanning het prachtige sterrenheir van het nachtelijk hemelgewelf te onderzoeken, de landschappen der maan te beschouwen of de zonnevlekken te bestudeeren, dringt hoe langer hoe meer door en daarmede wordt het aantal vrienden der sterrenkunde, die zich een kijker aanschaffen, steeds grooter."
Met deze woorden wordt door Dr. Herman J. Klein in het Duitsche Tijdschrift "Gaea" een op stel ingeleid, dat den hierbovenstaanden titel tot onderwerp heeft. Ofschoon we niet durven beweren, dat ook hier te lande in de laatste jaren de belangstelling in de beschouwing der hemellichamen zoo bijzonder sterk is toegenomen, zoo houden we ons toch overtuigd, dat er onder onze lezers vele liefhebbers der sterrenkunde zijn, die in het bezit van een kijker, gaarne kennis zullen nemen van de vele wetenswaardige bijzonderheden, welke door den genoemden deskundige worden medegedeeld. Vragen omtrent de beste wijze van het gebruik en het onderhoud van den kijker, gaven hem aanleiding het volgende daarover ten beste te geven.
"Wat al aanstonds de soort van het instrument betreft, zoo moet den liefhebber der hemelbeschouwing in de allereerste plaats de achromatische kijker worden aanbevolen. Wel heeft ook de vervaardiging van spiegelteleskopen in den laatsten tijd groote vorderingen gemaakt, maar in de scherpte der beelden en vooral in de duurzaamheid, staat het achromatisch vergrootglas steeds hoog boven den spiegel.
Bij een slechts gewone oplettendheid in de behandeling heeft de refractor een om zoo te zeggen, onbegrensden duur en zijn vermogen verzwakt niet. Als bewijs hiervoor kan o.a. dienen de refractor te Dorpat, dien Fraunhofer in het jaar 1818 voltooide en die heden nog even bruikbaar is als toen, terwijl van de spiegelteleskopen uit het begin dezer eeuw reeds lang geen spoor meer te vinden is.
Wat het onderzoek van den kijker betreft, daartoe heeft men een groote praktische ervaring noodig. Hoe moeielijk het is te beoordeelen, waartoe een teleskoop dienen kan, moge hieruit blijken, dat het nog altijd een open vraag is of de reuzenteleskopen, naar Amerikaansch systeem vervaardigd, inderdaad veel krachtiger zijn dan instrumenten van matige afmetingen. Bij den leek heerscht algemeen het vooroordeel, dat de wonderbaarste voorwerpen des hemels slechts in de reuzenteleskopen zichtbaar worden. In werkeijkheid is het juist omgekeerd, maar, om het volle nut van een instrument te hebben, moet men, vóór alles, geoefend zijn in het sterrenkundig kijken. Zéér juist merken Nasmyth en Carpenter op: "Dat het toch ten slotte altijd het oog is, dat ziet, en dat de beste teleskoop een ongeoefend oog maar weinig helpt. Een geoefend en scherp waarnemer staat tot iemand, die toevallig eens de maan beijkt, als een bekwaam uurwerkmaker tot een smid.
Niemand zou, bij het ter hand nemen van een graveerstift, meenen dat hij er terstond even goed mee terecht kon als een geoefend meester, evenmin zou iemand het wagen, om zonder voorafgaande oefening, in een smidse een hoefijzer te gaan smeden. En toch komen lieden met ongeoefende oogen op de sterrenwachten en willen allen de wonderen zien, die het lezen van sterrenkundige werken hun heeft voorgetooverd. Herhaalde malen zijn wij getuige geweest van de teleustetlling der lekken, wanneer zij voor het eerst door een grooten teleskoop hadden gekeken; dit kwam alleen hierdoor, dat hun oog voor dit doel niet genoeg ontwikkeld was. Zij weten niet wat en hoe zij zien moeten. De eerste poging dient dan ook als altijd om ons van onze onbekwaamheid te overtuigen." Zoo gaat het inderdaad en wie een kijker bezit, weet hoeveel meer hij er door zien kan, nadat hij zich slechts een half jaar in het teleskopisch kijken geoefend heeft. Deze oefening is echter onvermijdelijk. Reeds vroeger heb ik op een eenvoudig middel gewezen, waardoor ieder zich overtuigen kan in welke mate zijn geest geleerd heeft, datgene waar te nemen, wat zijn oog ziet. Hij richt namelijk zijn kijker op eenig voorwerp, onverschillig welk, hetzij op een verwijderden muur of op een planeet als Jupiter en Saturnus of een gedeelte der maanschijf en bekijke dan met de meeste opmerkzaamheid waartoe hij in staat is, een zoo klein mogelijk stukje daarvan.
Nadat hij daarvan alle deelen goed in oogenschouw heeft genomen, zoodat hij zich bewust is, niets overgeslagen te hebben, beproeve hij dit voorwerp, door den kijker gezien, te teekenen. Het komt er hierbij in 't geheel niet op aan die teekening op het origineel veel gelijkt, maar wel op de proef om van elk deeltje den vorm en lichtsterkte weêr te geven. Als de waarnemer bij dit teekenen niet nog veel meer bijzonderheden vindt dan bij vroeger bij het nauwkeurigste kijken waarnam, mag hij zich gerust voor een goed waarnemer uitgeven, die, wat kijken betreft, voor niemand behoeft onder te doen. De proef zal echter spoedig leeren, hoeveel men in de meeste gevallen te kort komt. Oefening is daarom vóór alle dingen noodig, als men uit een kijker halen wil, wat er in optischen zin in zit.
De behandeling van den kijker is over het algemeen eenvoudig en gemakkelijk genoeg. De meeste instrumenten, die in handen zijn van liefhebbers, hebben een zoogenaamde azimuthale opstelling. Deze bestaat uit een houten drievoet, welke in de meeste gevallen in elkaar geslagen kan worden en van boven een houten of metalen balk draagt, waarop de van twee tappen voorziene kijker gelegd en met schroeven bevestigd wordt. Men kan hem dan in horizontale of vertikale richting licht bewegen en op de gewenschte ster richten. Deze beweging geschiedt meestal met de hand, dikwijls echter ook door middel van sleutels. Het laatste is voor den waarnemer aangenaam, doch dan wordt de voet veel kostbaarder.
De eenvoudige, metalen voeten, welke men meestal bij de Fransche kijkers vindt en die dienen moeten om ze op een tafel op te stellen, zijn onver het algemeen volstrekt niet aan te bevelen. Groote kijkers worden gewoonlijk van een zoogenaamde parallaktische opstelling voorzien. Bij deze helt de vertikale omwentelingsas der boven beschreven monteering zoover ten opzichte an den horizon, dat zij met dezen een hoek maakt, die gelijk is aan de geografische breedte der plaats van waarneming. Loodrecht op haar is eene tweede, meestal kleinere as aangebracht, waar de kijker aan bevestigd wordt. Als men nu de hellende of poolas in het vlak van den meridiaan brengt, zoodat haar bovenste einde wijst naar de zichtbare wereldpool, dan beschrijft de kijker zoodra men hem om de poolas wentelt, tegelijkertijd om de hemelpool als middelpunt een cirkel. Deze equatoriale opstelling heeft het voordeel, dat men, om een ster in haar beweging te volgen, den kijker slechts een enkele beweging behoeft te geven. Streng genomen echter, vindt dit alleen dán plaats, wanneer de poolas volkomen juist naar de hemelpool wijst en evenwijdig is met de hemelas.
Deze nauwkeurige richting is intusschen niet zeer gemakkeljk en vooral bij een verplaatsbaar instrument niet altijd zoo dadelijk te verkrijgen. Voor bezitters van kijkers, die ook aardsche waarnemingen doen willen, is zij bovendien in dit laatste geval zeer ongemakkelijk. Hoe belangrijk dus de equatoriale opstelling voor de vaste sterren wachten en bij sterrenkundige metingen is, voor de liefhebbers heeft zij minder beteekenis, want voor hun doel is in bijna alle gevallen de azimuthale monteering volkomen voldoende. Zoo is het ook met de cirkels, welke dienen moeten om het juist opgestelde equatoriaal op elk gewenscht punt van het hemelgewelf, waarvan de rechte klimming en declinatie bekend is, te richten, zoodat het in het gezichtsveld van den kijker verschijnt. Deze cirkels zijn voor den sterrenkundige onmisbaar, maar voor den liefhebber zijn zij van weinig nut, tenzij hij zijn instrument volkomen juist georiënteerd hebbe. Men vindt soms, inzonderheid bij Engelsche kunstenaars, zoogenaamde draagbare equatorialen met drievoeten en fijn verdeelde cirkels voor de aflezing der rechte klimming en declinatie. Deze hebben praktisch zoo goed als in 't geheel geen hoogere waarde voor den liefhebber, daar hij meestal tijd, lust noch ervaring genoeg heeft om zijn draagbaar equatoriaal telkens wanneer hij het opstelt, vooraf eerst te oriënteeren.
De voorliefde van vele leeken voor een equatoriaal gemonteerden kijker met cirkels is dus zeer bepaald een vooroordeel. De meeste en te gelijk belangrijkste voorwerpen aan den hemel kunnen met een azimuthaal opgestelden kijker zeer goed gevonden worden. Zijn ze zeer lichtzwak, zoo teekent men hun plaats op een goede sterrenkaart aan en bepaalt hun stand ten opzichte van naburige heldere sterren. Men zoekt nu, des noods door middel van den zoeker, deze laatste in den kijker op en gaat van haar uit verder tot men het gewenschte voorwerp in het gezichtsveld heeft, welke handelwijze niet alleen bij eenige oefening spoedig tot het doel leidt, maar ook zeer leerzaam is.
Wenden wij ons nu tot den kijker zelven. Den uitwendigen vorm daarvan kent iedereen; ook weet men, dat het groote, aan het bovenste einde der buis zich bevindende naar het voorwerp gerichte glas, het zoogenaamde objectief, het hoofddeel van den kijker is, namelijk datgene wat aan het instrument zijn waarde geeft. Aan het dunne tegenovergestelde einde van den kijker, waar men door kijkt, wordt het oculair geplaatst. De astronomische kijker bezit gewoonlijk verscheidene oculairen, die verschillende vergrootingen geven. De zwakste vergrootingen hebben over het algemeen het grootste gezichtsveld, dat wil zeggen het gedeelte van den hemel, dat men gelijktijdig overziet, is bij de zwakjste vergrootingen het grootst, en wordt des te kleiner naarmate de vergrooting sterker is. Met een zwakke vergrooting ziet men b.v. de gansche zonneschijf in het gezichtsveld, met een sterkere slechts een gedeelte, met zeer sterke slechts een klein gedeelte er van en wanneer men dan de schijf in haar geheel wil zien, moet men den kijker behoorlijk bewegen. De astronomische oculairen toonen de voorwerpen omgekeerd, wat bij hemellichamen echter niet schaadt.
Om ook aardsche voorwerpen te kunnen waarnemen, heeft de kijker een zoogenaamd "aardsch" oculair, dat uit een lange buis met meestal 4 glazen bestaat. De vergrooting van de aardsche oogbuis is altijd zwak, zelden meer dan 50 malen, omdat bij aardsche voorwerpen, welke altijd meer of minder in horizontale richting van den waarnemer liggen, de invloed van den dampkring zeer omgunstig is.
Grootere kijkers, te beginnen met een objectief, welks middellijn 3½ duim (Zoll) is, hebben gewoonlijk nog een zoogenaamden zoeker. Dit is een kleine, ter zijde aangebrachte kijker, met een zwakke vergrooting, maar een groot gezichtsveld, waarin twee elkaar kruisende draden zichtbaar zijn. Het kruispunt daarvan duidt het middelpunt van het gezichtsveld aan. Het groote gezichtsveld van den zoeker maakt het gemakkelijker een ster te vinden dan dit mogelijk zou zijn door het kleine gezichtsveld van den refractor. Wanneer de optische as van den zoejer evenwijdig is met die van den kijker, komt een ster, die achter het kruispunt der draden van den zoejer is gebracht, ook in het gezichtsveld van den refractor en daarin bestaat het nut van den zoeker. Om beide kijkers nauwkeurig evenwijdig te richten gaat men het best zoo te werk, dat men een ver verwijderd voorwerp, b.v. den baan van een verwijderden kerktoren of de spits van den bliksemafleider in den hoofdkijker zoo instelt, dat zij juist in het midden van het gezichtsveld staan.
Dan kijkt men door den zoeker en verandert diens richting door de boven en beneden voorkomende schroeven zoo lang tot het voorwerp nu ook achter het kruispunt der draden in het gezichtsveld van den zoeker staat. De optische assen van beide instrumenten zijn nu bijna evenwijdig. Om ze volkomen nauwkeurig parallel te stellen, richt men het instrument vervolgens op een heldere ster en brengt deze nu achter de draden van den zoeker. Men ziet haar dan ook nog dicht bij het middelpunt van het gezichtsveld van den refractor. Men brengt haar nu juist in dit middelpunt en verandert de stelling van den zoeker zoolang tot de ster ook juist achter het snijpunt der draden van laatstgenoemden staat; beide instrumenten zijn dan, zoo streng mogelijk, met elkander evenwijdig, wat hun optische assen betreft.
Als dit alles heeft plaats gehad, is de kijker voor de waarneming gereed.
Om een voorwerp scherp te zien, moet men het oculair, door middel van ter zijde voorkomende stelschroeven, naar de oogen van den waarnemer instellen. Deze instelling is voor verschillende waarnemers verschillend. Bijzienden moeten het oculair iets inschuiven, verzienden moeten het een weinig uithalen. Een zoo scherp mogelijke instelling is van groot gewicht. Men kan zich van de juiste instelling overtuigen, wanneer men op een dubbelster instelt. Beide sterren moeten zich dan zoo scherp mogelijk voordoen, als zeer kleine, volkomen ronde schijfjes, die bij een goede lucht door gekleurde kringen, de zoogenaamde diffractiekringen, omgeven zijn.
Wanneer de kijker scherp ingesteld is, moet een kleine verschuiving van het oculair reeds onduidelijkheid te weeg brengen; kan men daarentegen het oculair meer of minder verschuiven zonder dat de voorwerpen veel onduidelijker worden, dan is het instrument slechts middelmatig. Als men den kijker op een ster richt en het oculair dan over de juiste stelling in- of uitschuift, verbreedt zich het beeld van de ster tot een lichtschijf.
Het voorkomen van deze schijfjes biedt den leek een eenvoudig middel om zich van de deugdelijkheid van zijn instrument te overtuigen. Het beeldje moet in elke stelling van het oculair zuiver rond en goed begrensd zijn; is het bij 't inschuiven van het oogglas scherp begrensd, bij het uithalen daarentegen stralend, of omgekeerd, dan is de zoogenaamde sferische aberratie niet voldoende opgeheven.
Om te onderzoeken in hoever de kleurschifting is opgeheven, bedekke men de helft van het objectief vertikaal met een scherm. Richt men den kijker dan op een verwijderd voorwerp, bijv. op de stang van een bliksemafleider, dan moet deze zich ook thans nog scherp vertoonen, doch zal hij zwak gekleurde randen hebben, daar het achromatisme voor een helft van het objectief niet volkomen kan wezen. Bij zeer goede kijkers is evenwel de kleuring der randen nauwelijks merkbaar. Bij groote objectieven vertoont het flintglas dikwijls kleine blaasjes, en liefhebbers van sterrenkundige waarnemingen, die voor het eerst in het bezit van een grooteren kijker zijn gekomen, meenen soms, dat hun glas om deze blaasjes minder goed is. Dit is echter een dwaling; er bestaat in 't geheel geen flintglas van eenige grootere afmetingen, dat volkomen vrij is van blaasjes en deze hebben praktisch volstrekt geen schadelijken invloed. Het beroemde Fraunhofersche glas bevatte steeds veel blaasjes en zelfs niet zelden in zoo sterke mate, dat de objectieven er niet bijzonder fraai uitzagen. Op een desbetreffende klacht antwoordde eens Fraunhofer zelf:
"Ik maak mijn objectieven niet voor het uitzien, maar voor het doorzien."
Het Fraunhofersche glas stond intusschen bij dat, wat men tegenwoordig voor de objectieven gebruikt, ook door zijn kleuring ver achter. De flint- en kroonglasschijven der beroemdste optische glasfabriek van den tegenwoordigen tijd, met name van Feil, zijn volkomen kleurloos, maar nooit vrij van blaasjes. Merkwaardigerwijs blijkt het glas, dat tamelijk veel blaaasjes heeft, dikwijls ongewoon homogeen te zijn en is daarom uitstekend geschikt voor objectieven. Schadelijk daarentegen zijn de strepen of golven, als zij breed en zelfs zoo zwak zijn, dat men ze met het oog te nauwernood kan waarnemen. Om een objectief op zijn homogeniteit te onderzoeken, heeft men een zeker en voor de oogen geenszins inspannend middel.
Men stelle den kijker scherp en richte hem op een gelijkmatig verlichten achtergrond, bijv. op heldere wolken. Daarna neemt men het oogglas weg en kijkt zonder dit in den kijker. Het objectief vertoont zich dan als een verlichte schijf, waarop zelfs de fijnste strepen in den vorm van donkere draden terstond in het oog vallen.
Het objectief kan met een weinig zorg gemakkelijk in goeden toestand bewaard blijven; een te groote zorg voor het reinhouden van stof kan eer schadelijk dan voordeelig wezen.
Vele eigenaars van kijkers meenen, dat het objectief van hun instrument steeds vrij van stofjes moet wezen en poetsen daarom de glasoppervlakte met fijn leder of derg. ter dege. Dit is ten eenemale te veroordeelen. Men kan toch in 't geheel niet voorkomen, dat er zich stof, hetwelk veelal uit het fijnste kwartszand bestaat, in de poriën van het leder nestelt en nu bij het wrijven over het fijn gepolijste glas krassen daarin maakt. Wel is waar ziet men dit in de optische winkels dikwijls doen, maar zulke lieden hebben volstrekt geen begrip van kijkers en hun behandeling. Een weinig stof op het objectief schaadt in geenen deele. Wil men het toch van tijd tot tijd verwijderen, dan strijkt men de stofjes met een fijn penseel of een verniskwast voorzichtig weg en wischt zoo noodig met een stuk zacht geitenleer of een schoonen oud-linnenlap na, maar zonder drukking uit te oefenen. Dit poetsmiddel beware men tegen het stof in een wijdhalzige goed gesloten flesch. Is het objectief vochtig geworden, dan brengt men het in een matig warme ruimte, waarin de aanslag op het glas spoedig verdwijnen zal.
Wanneer zich na een jaren lang gebruik, tusschen de beide lenzen, waaruit het objectief bestaat, stof of vocht in de gedaante van een doffen aanslag verzameld heeft, dan neme men de beide glazen niet zelf uit elkaar, ook vertrouwe men hun reiniging niet toe aan een gewonen optischen handelaar (ten onrechte optikus genaamd), maar wende zich voor deze reiniging tot den maker van het objectief. De reiniging en samenvoeging der glazen is zeer eenvoudig, maar behoort toch slechts door een werkelijken optikus verricht te worden.
Bij de waarneming van hemellichamen stelt men het instrument niet op in de warme kamer aan het open venster, dewijl de beweging der ongelijk verwarmde luchtlagen geen duidelijk zien veroorlooft. Kan men intusschen alleen van een venster uit waarnemen, dan opene men dit zoo vroeg mogelijk voordat men begint te waarnemen, en sluite alle overige vensters en deuren; ook zorge men, dat het objectief van den kijker zoo ver mogelijk buiten het venster uitsteekt. Het best is de opstelling van den kijker in de open lucht, op een plein of in een tuin. Men moet zich daarbij wachten voor storend zijlicht, wanneer men zeer lichtzwakke voorwerpen opzoekt. Deze omstandigheid is van groot belang, en wordt door den eerstbeginnende meestal niet genoeg in acht genomen.
William Herschel zou nooit met zijn instrumenten de talrijke lichtzwakke nevelvlekken ontdekt hebben, welke hij werkelijk vond en evenmin de uiterst zwakke binnenste manen van Saturnus en twee wachters van Uranus, als hij niet de grootste zorg gedragen had om elke lichtschemering, welke die zwakke voorwerpen onzichtbaar kon maken, te verwijderen.
Een groote fout van eerstbeginnenden is het gebruik van te sterke vergrooting. Fraunhofer placht te zeggen, sterke vergrootingen zijn voor slechte waarnemers, en in zekeren zin heeft hij gelijk. De omstandigheden kunnen het natuurlijk noodig of wenschelijk maken, dat men sterke vergrootingen aanwendt, maar die met waarnemen pas begint, verkeert daarin slechts zelden. Voor hem is het de hoofdzaak, zich aan het teleskopisch zien te gewennen en den toestand der lucht, voor zoover deze de bruikbare vergrooting bepaalt, te leeren schatten. Slechts langzamerhand mag hij tot sterkere vergrootingen overgaan. Daarbij zal hij dan ondervinden, dat niet alle voorwerpen aan den hemel dezelfde vergrooting even goed verdragen. De nevelvlekken ziet men het best met vrij zwakke vergrootingen, de zon verdraagt sterkere vergrootingen, maar geenszins zeer aanzienlijke. Ook is het niet onverschillig op welk uur van den dag de zon beschouwd wordt, daar het haar warmte is, welke de luchttrillingen veroorzaakt.
De beste zonnebeelden treft men gewoonlijk des morgens om 9 uur. Natuurlijk bedient men zich bij zonswaarnemingen van een donker gekleurd glas, dat op het oogglas geschroefd wordt of van een andere inrichting om het zonlicht voldoende te verzwakken. De planeet Venus verdraagt geen sterke vergrootingen, beter is in dit opzicht Jupiter, nog beter Saturnus. Mars is voor middelmatige kijkers slechts bij zijn kortsten astand van de Aarde een merkwaardig voorwerp, anders volstrekt niet. Zeer prachtig, ja het voornaamste voorwerp voor matige instrumenten is de maan. De liefhebber der hemelbeschouwing, die met behulp van een maankaart dezen onzen trawant onderzoekt, zal steeds iets nieuws en interessants vinden, want men komt met de studie van deze ons naastbijzijnde wereld nooit ten einde. Onder de vaste sterren bieden de dubbelsterren en sterrenhoopen gelegenheid om sterke vergrootingen te beproeven, maar men moet daarbij een goede, rustige lucht hebben.
Over het algemeen krijgt men de beste beelden van de sterren als zij een hoogen stand hebben, naar den horizon toe wordt alles onduidelijker en lichtzwakke sterren verdwijnen geheel. Uit het voorkomen van den hemel kan men slechts weinig besluiten omtrent de luchtgesteldheid voor sterrenkundige waarnemingen.
Menige overigens heldere nacht is ongeschikt voor fijne waarnemingen; het helderst en het zuiverst is de lucht gewoonlijk na regenbuien, uiterst lichtzwakke voorwerpen worden dan dikwijls met gemak opgemerkt.
Nooit mag men overigens naar de waarnemingen op eenige weinige avonden een oordeel vellen over hetgeen een goede kijker leveren kan. Daartoe is een geruime tijd noodig, wijl de beste luchtgesteldheid zeer zeldzaam is en dan nog zeldzamer de geschikste voorwerpen aan den hemel tevens den gunstigsten stand hebben. In de groote steden met haar dampigen hemel en nachtelijke gasverlichting komt het optisch vermogen van een kijker altijd minder sterk uit, dan op het land, waar de hemel zuiverder is. Ook op grootere hoogten boven den spiegel der zee is de werking van een kijker krachtiger dan op het lage land. Behalve een klare lucht is niet minder een rustige lucht noodig voor het verkrijgen van uitstekende beelden. Daarbij valt op te merken, dat de optische rust der lucht niet met windstilte samenvalt. Men vindt dikwijls gelegenheid om trots een krachtigen wind, zeer scherpe teleskopische waarnemingen te doen, gelijk reeds Herschel heeft opgemerkt.
Dat sterrenkundige waarnemingen tengevolge van de nachtlucht niet schadelijk zijn voor de gezondheid, behoeft te nauwernood meer in het licht gesteld te worden. Interessant is het evenwel, dat door de statistiek bewezen is, dat de gemiddelde levensduur van de sterrenkundigen zelfs dien der menschen van alle andere beroepsbezigheden overtreft.
Eindelijk zij nog opgemerkt, dat ook de liefhebber der hemelbeschouwing, die niet ten behoeve der wetenschap den hemel onderzoekt, zich behoort te gewennen, van bijzondere waarnemingen aanteekening te houden. Dit is gemakkelijk te doen, als men een blad papier met potlood bij de hand houdt. Hoofdregel is: Alles terstond opteekenen en niets aan het geheugen toevertrouwen. Men mag nooit meenen, dat een waarneming van geen beteekenis is. Het geval kan voorkomen, dat zij een onverwacht belang verkrijgt en dan heeft de herinnering alleen geen waarde. Maar ook al zijn de waarnemingen volstrekt van geenerlei wetenschappelijke beteekenis, dan hebben toch schriftelijke aanteekeningen voor den waarnemer zelf haar beteekenis als aangename en blijvende herinneringen aan genotstrijke en gelukkige uren." |
webdesign & copyright © 2001-2005 Eveline |
↑ |
|