|
|
De stoomheimachine, volgens het stelsel Lacour.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Februari 1885 - 5e jaargang |
Wie het eerst een heitoestel gebruikt heeft, is niet bekend; maar als men nooit van paalwoningen gehoord heeft, zou men kunnen denken, dat een Batavier of een ander onzer voorouders zulk een toestel moet uitgevonden hebben, want in weinig streken is dit werktuig zoo noodig en nuttig als in ons vaderland.
Immers, de meest bevolkte streken van ons land hebben een zoo slappen, drassigen bodem, dat deze geen gebouw van eenig belang kan dragen, als niet vooraf een kapitaal aan palen is ingeheid.
Geen wonder, dat de heitoestel bij ons in al zijn verschillende vormen en schier dagelijks in gebruik is, van de eenvoudige handhei tot de nieuwste stoomhei toe.
De echt nationale namen, die zijn bijzondere deelen dragen, verklappen, dat ons volk met dit werktuig goed vertrouwd is.
In het algemeen onderscheidt men vier soorten van heitoestellen: hand-, trek-, kunst- en stoomheien.
De handhei kent iedereen; zij bestaat eenvoudig uit een heiblok met handvatsels, waaraan het wordt opgetild en weer neergeslagen, om straatsteenen, keien of korte palen tot een geringe diepte in den grond te drijven.
Bij de trekhei wordt het blok (ook beer of kalf genoemd) aan een touw of heireep bevestigd, die over een groote katrolschijf, de rammelschijf loopt, welke aan een houten stelling is opgehangen. Aan het andere einde van den heireep, de halende part, wordt door eenige werklieden getrokken.
Onder deze soort is de Hollasndsche trekhei de eenvoudigste.
De kunsthei onderscheidt zich van de voorgaande hierdoor, dat de halende part van den heireep om een windas of trommel wordt geleid, die de werklieden omdraaien, hetzij rechtstreeks aan spaken of door tusschenkomst van getande raderen.
De stoomheien zijn van tweeërlei aarrd; bij de eene, de indirect werkende stoomhei, brengt een stoomwerktuig het windas in beweging, waardoor het blok aan een gewonen heireep of een ketting zonder einde omhoog wordt getild; bij de andere, de direct werkende stoomhei, wordt het heiblok onmiddellijk met de stang van den stoomzuiger verbonden en zoo door den stoom rechtstreeks naar boven gestuwd, gelijk bij de stoomhei van Nasmyth, of ook door den stoom boven den zuiger weer naar beneden gedreven, gelijk bij Morrison's stoomhei het geval is.
In de laatste jaren is dit getal stoomheien door Lacour met een nieuwe vermeerderd; daar deze hier te lande bij een paar belangrijke werken reeds met goed gevolg is gebruijt en voortaan bij groote werken stellig dikwijls zal worden toegepast, zullen we haar wat uitvoeriger beschrijven en wel naar het model der fabrikanten, de Gebr. Figee, te Haarlem. |
De direct werkende stoomheistelling van Lacour (van twee zijden gezien). |
De stoomhei van Lacour behoort tot de direct werkende, maar verschilt van die van Nasmyth en van Morrison hierin, dat het blok niet met den stoomzuiger is verbonden, maar de stoomcilinder zelf het blok vormt. De zuiger blijft met zijn stang onbewegelijk op den kop van den paal rusten en de cilinder beweegt zich door de werking van den stoom naar boven en valt langs den zuiger en de leiders op den paal weer neder.
De zware stoomcilinder met verbreeden voet, het blok vormende, is van gegoten ijzer; de zuiger met aangesmede stang kan zich daarin juist passend bewegen. Van boven is de cilinder gesloten door een ijzeren deksel, waarop een kraan met drie doorboringen (een driewegskraan) bevestigd is. Door deze kraan kan de cilinderholte met behulp van een stevige, buigzame leibuis van een behoorlijke lengte, in verbinding gesteld worden met den stoomketel. De leibuis wordt van india-rubber of kaoutchouk met linnen bijzonder voor dit doel vervaardigd, daar zij aan een stoomspanning, die tot 7 atmosferen wordt opgevoerd, weerstand moet kunnen bieden.
Om haar in staat te stellen het blok in zijn beweging steeds te volgen, is zij met een touw verbonden, dat over een of twee katrolschijven loopt. |
Als nu het blok boven op een heipaal is geplaatst, zoodat ook het ondereinde van de zuigerstang daarop rust, en stoom boven den zuiger wordt toegelaten, moet het blok rijzen, omdat de zuiger niet kan dalen. Wordt daarna de plug der aanvoerkraan zoo gedraaid, dat de toegelaten stoom kan ontsnappen, da valt het blok op den paal en drijft dien in den grond. Het gewicht van het blok verschilt van 300 tot 1200 kilogram. De valhoogte of lengte van den slag, één tot twee meter, wordt alzoo eenvoudig geregeld door den werkman, die belast is met het openen en sluiten van de aanvoerkraan. Bij het begin van het ewrk laat men het blok van een kleinere hoogte vallen om den paal niet scheef te drijven. Om zulke kortere slagen te kunnen maken, dient een opening, die ongeveer een halven meter onder den bovenkant in het blok is geboord en bij het gewone werken door een metalen tap is gesloten. Als deze tap is uitgenomen, kan de stoom door de genoemde opening ontsnappen. Een tweede gat is onder aan het blok daarin geboord, om het condensatie-water af te voeren.
In het vierkante beneden-gedeelte van het blok zit een stelschroef, waarmee de zuiger wordt vastgezet als het blok omhoog gehaald wordt. Het is daartoe voorzien van ooren, tot het aan slaan van een ketting of beugel, waaraan het wordt opgeheschen door middel van een stoomlier, welke naast den stoomketel op den bodem der stelling is geplaatst.
De stelling is een raamwerk van hout en ijzer, rustend op vier wielen, in ijzeren vorken draaiende, om ze te kunnen verstellen, ten einde de stelling over langs en over dwars te kunnen voortrollen. In het midden van de stelling of wel rechts of links op den hoek van het raamwerk, om ook in hoeken te kunnen heien, zijn de leiders aangebracht. Voor deze geleiding langs de stelling is het blok van achteren voorzien van nokken met sleuven, waarin een tusschen de leiders passend stuk hard hout door nokbouten met keerplaten is vastgeklemd.
De stoomketel is een vertikaal staande cilinder met inwendigen vuurhaard en voorzien van Galloway-pijpen om in korten tijd veel stoom te kunnen maken. De voeding van den ketel geschiedt door een zelfwerkend toestel.
Behalve den ketel en de stoomlier staan op den bodem der stelling de waterbak en het kolenhok met een bergplaats voor gereedschap, als koevoeten en vijzels om de wielen te kunnen verstellen. Eindelijk vindt men daar nog een raderwerk met trommel, om de palen op te hijschen en overeind te plaatsen. |
De stoomheistelling van Lacour is in ons land het eerst gebruikt bij den onderbouw van het Fort op de Harssens te Nieuwediep; om de gunstige uitkomsten, daar verkregen, besloten de aannemers van den onderbouw van het Centraal Station te Amsterdam, de HH. W. Goedkoop Dz. en M. Deutekom, deze stoomhei ook bij dit werk in toepassing te brengen. Met vier zoodanige stoomheien, vervaardigd door de Gebr. Figee te Haarlem, werden daar in korten tijd 9000 palen van 16 tot 18 meter lengte geheid.
Het thans bijna voltooide gebouw zelf rust op 8687 palen.
Bij elke stelling woog het blok 1250 kilogram en bedroeg de lengte van den slag 1,8 meter. Gemiddeld werden met elke stelling 25 palen per dag geheid, zoodat het geheele werk eenige maanden binnen den gestetlden tijd was afgeloopen.
De nevenstaande gravure, naar een fotografie genomen, stelt een gedeelte van het terrein voor, waar nu het gebouw verrezen is. Men ziet daar twee der gebruikte heistelingen in werking. Bij de links op den voorgrond staande stelling is de paal tot op ongeveer éen derde van zijn lengte ingeheid, bij de verder verwijderde is men zooeven met het heien aangevangen. De leiders van het blok zijn bij deze beide stellingen aan een hoek van het raamwerk geplaatst. |
Gezicht op het terrein van het Centraal-station te Amsterdam, genomen in 1883.
[Klik op de afbeelding voor een vergroting.] |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
↑ |
|