Naschrift [IV]


← overzicht
Inhoud
Start
Naschrift op het voorgaande artikel [IV]

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 December 1885 - 5e jaargang


   Nadat mijn beantwoording der vraag over ebbe en vloed in het vorige nummer van dit tijdschrift was afgedrukt, ontdekte ik bij het lezen van Verbeek's werk over Krakatau, dat er over hetzelfde onderwerp een uitvoerige studie gemaakt was door den ingenieur Melchior. In een paar bibliotheken zocht ik onmiddellijk naar dezen arbeid, doch vruchteloos.
   Inmiddels had ik zelf verder over dit verschijnsel nagedacht en was daardoor, wat betreft den tijd van den vloed, dien ik in mijn vorig artikel, naar aanleiding van de onvolledige opgaven, waarmede ik mij behelpen moest, met de moessons in verband bracht, van gedachte veranderd. Een stukje lag reeds gereed ter perse, toen ik inzage van bovenstaand artikel ontving.
   Met de meeste genoegen heb ik hiermede kennis gemaakt, en het was een streelende ontdekking voor mij te bemerken, dat mijn verklaring van den enkelvoudigen vloed met die van een deskundige als de heer Melchior overeenkomt. De schrijver van bovenstaand artikel verdient dan ook allen dank voor het meer bekend maken van deze hier te weinig gekende studie.

   Hoewel ik, wat het wetenschappelijke van de zaak betreft, niets aan het bovenstaande wil of kan toevoegen, geloof ik toch, dat voor degenen, die niet in de bijzonderheden der behandelde verschijnselen zijn doorgedrongen, de verklaring van den tijd van den vloed in de Java-Zee nog eenigszins meer populair kan voorgesteld worden. Het is daarom, dat ik uit mijn reeds vroeger geschreven stukje, juist dat gedeelte overneem, om dit aan het bovenstaande toe te voegen. Nu ik de studie van den heer Melchior daarmede vergelijken kan, blijkt mij, dat de redeneering volkomen dezelfde is.

   Volgens de waarnemingen van den heer Melchior1 heeft men te Batavia:
   1°. In Juni hoofdzakelijk één getijde per dag. Bij volle en bij nieuwe maan valt het hooge water te 10 uur 's avonds.
   2°. In December hoofdzakelijk één getijde per dag, doch het hooge water valt, zoowel bij volle als bij nieuwe maan 12 uren later, dus te 10 uur des morgens. (Zie Melchior's arbeid, pag. 3). De heer Melchior voegt hieraan nog toe, dat deze bijzonderheid niet van localen aard is, maar ook te Helder, hoewel minder duidelijk, wordt waargenomen. (Zie boven).
   De verklaring van den enkelvoudigen vloed werd in mijn vorig artikel en ook door den heer Melchior gezocht in den invloed der declinatie van zon en maan. In dezelfde oorzaak is nu ook de afwisseling van den tijd van hoog water met de jaargetijden te vinden.

figuur

   Nevensgaande figuur stelt de aarde voor in den uitersten zomer- en winterstand ten opzichte van de zon. De lijn van M1 naar M4 is het vlak der aardbaan of de ecliptica. Wij weten, dat de maanbaan met de ecliptica een hoek maakt van 5°, zoodat de maan 5° ten N. of ten Z. van de ecliptica kan staan. Voor het eenvoudige van de verklaring is dit in de figuur verwaarloosd, en aangenomen, dat de maan altijd in het vlak van de ecliptica staat.

   Vangen wij nu aan met den stand der aarde op den 22sten Juni.
   Wanneer bij dezen stand de maan in M1 staat, is het volle maan, daar zij met de zon in oppositie is. Nu zal de maan tegelijkertijd aan de twee tegengestelde zijden der aarde vloed vormen, zooals de figuur overdreven voorstelt. Met de zon is ditzelfde het geval. Doch de vloedgolven zullen hun hoogste gedeelten hebben op ± 23° noorder- en zuiderbreedte, omdat de declinatie van zon en maan ook ongeveer dit cijfer bedraagt. Een plaats B op aarde op ± 20° N.B. heeft dus vloed, terwijl de zon in den meridiaan staat (altijd theoretisch, zonder het havengetal te rekenen), dus op den middag.
   Na 12 uren komt B in B1, doch heeft op dat oogenblik géén, of zeer geringen vloed, omdat deze aan de nachtzijde der aarde het hoogst is op 23° Z.B. Voor B heeft dus in Juni die enkelvoudige vloed te 12 uur middag plaats, bij volle maan.

   Als de maan in M2 staat, is het nieuwe maan. In dezen stand der maan heeft de vloedvorming op dezelfde wijze plaats als in het vorige geval, en de hoogste gedeelten der vloedgolven liggen weder, zooals de figuur aanduidt, op ± 23° N.B. en 23° Z.B. Hierdorr heeft B op 20° N.B. weer vloed te 12 uur middag, terwijl er des nachts te 12 uur geen vloed wordt waargenomen. De verschijnselen van den tijd van vloed verandreen hier dus niet met de tegengestelde phasen der maan.
   In het geval nu van B verkeert de Zuid-Chineesche zee. Doch voor Batavia bedraagt het havengetal 10 uren, zoodat men daar in Juni vloed heeft 10 uren later dan 12 uur middag, d.i. te 10 uren 's avonds. Dit stemt ook overeen met de waarnemingen van den heer Melchior.

   Gaan wij nu na, wat er gebeurt, als de aarde haar winterstand heeft op den 22sten December. De zon heeft in dien tijd 22½° zuider-declinatie. Als de maan in M4 staat, is het volle maan en de vloedvorming wordt door de figuren weder aangeduid. De plaats B op 20° N.B. heeft nu géén vloed, wanneer de zon culmineert, doch eerst 12 uren later, dus te middernacht, 12 uur.
  Wanneer de maan in M3 staat, is het nieuwe maan. De vloedvorming heeft thans op dezelfde wijze als vroeger plaats, en ook de vloedgolven zijn op dezelfde breedten als bij volle maan weder het hoogst. Hierdoor heeft ook bij nieuwe maan B vloed te 12 uur 's nachts.
   De verschijnselen zijn dus volkomen tegengesteld aan die in Juni.
   Ook hier kunnen wij voor B weer de Zuid-Chineesche zee nemen. Tellen wij nu bij den tijd van vloed het havegetal van Batavia, dan vinden wij, dat men hier te 12 uur 's nachts + 10 uren = te 10 uur 's morgens in December vloed heeft.
   Dit zijn de beide uitersten gevallen, en de overgangstoestanden zijn natuurlijk uit de veranderde declinatie van zon en maan te verklaren. In de tabellen bij het werk van den heer Melchior worden deze verschijnselen nauwkeurig medegedeeld.

   Reeds in het vorige artikel2 vestigde ik er de aandacht op, dat de verschillen in de dagelijksche vloedhoogte bij het noordelijk gedeelte van den Grooten Oceaan kenmerkend zijn. De geachte schrijver van het bovenstaande artikel zegt, dat aan den Helder dit verschil ook wordt waargenomen, hoewel het daar gering is. Toch had men op de breedte van Nederland reeds aanzienlijke verschillen in de zenith- en nadir-vloedgolf mogen verwachten. De vraag doet zich thans onwillekeurig op, waardoor dit verschijnsel wel in den Grooten Oceaan en niet of zeer gering in den Atlantische Oceaan wordt waargenomen?
   In den Atlantischen Oceaan, een smalle, kanaalvormige zee in vergelijking met den Grooten Oceaan, en die zich van het N. naar het Z. uitstrekt, kan die verplaatsing der vloedgolf van het O. naar het W. niet op die geregelde wijze plaats hebben.

   Op vele plaatsen aan de westkust van Afrika en Europa heeft men op hetzelfde oogenblik hoog water als aan de oostkust van Amerika. Gaat men o.a. de isorachiën-kaart van Whewell na (met welker gebruik men echter zeer omzichtig moet zijn), dan beperkt men hierop toch de beweging van de vloedgolf in den Atlantischen Oceaan van het Z. naar het N. De kusten van Amerika stuiten de zich van het O. naar het W. verplaatsende vloedgolf en hierdoor vereenigt zich de terugkeerende met de heenrollende. Door die kusten wordt ook de vloedverhooging gedrongen, zich van het Z. naar het N. te bewegen. Hierdoor zal, al wordt de theoretische vloedgolf ook op Z.B. gevormd, deze toch door het smalle kanaal van den Atlantischen Oceaan tot op aanzienlijke noorderbreedte voortrollen. Had de kust van Amerika de vloedgolf niet tegengehouden, dan was zij op Z.B. langs de parallel naar het westen voortgeloopen. Dit kan zij in den Grooten Oceaan vrijer doen, en vandaar, dat de vloedgolf van Z.B. op aanzienlijke N.B. zich hier weinig of in 't geheel niet doet gevoelen.

   Ik geef dit laatste slechts als een vermoeden, waartoe enkele feiten en vergelijkingen mij doen besluiten. Misschien is er vroeger over ditzelfde onderwerp iets geschreven, dat mij niet bekend is. Mocht een der lezers van "De Natuur" ook hierover iets kunnen mededeelen, dan zal hij daardoor aan belangstellenden in deze zaak zeker een grooten dienst bewijzen.

   Amsterdam Dr. H. Blink

1 Ik stel natuurlijk deze waarnemingen, die sedert November 1879 met een zelfregistreerende peilschaal opgeteekend werden, in plaats van die, welke in 1839 bij Madoera verricht zijn, en waarop ik vroeger mijne conclusiën moest bouwen.
2 Zie blz. 314 [Ebbe en vloed in de Java-zee [II]


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline