Ebbe en vloed in de Java-zee [II]


← overzicht
Inhoud
Start
Ebbe en vloed in de Java-zee [II].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Mei 1885 - 5e jaargang


   "Hoe komt het, dat men te Bandjermasin slechts eenmaal in de 24 uren eb en vloed heeft?"
   Deze vraag, door een der lezers van de Natuur ingezonden, ontving ik van de Redactie met verzoek om een beknopte beantwoording. Hieraan heeft het volgende stukje zijn ontstaan te danken.
   Bovengenoemde vraag kan men echter meer algemeen stellen, daar het verschijnsel zich niet alleen tot genoemde plaats om de zuidkust van Borneo beperkt, maar in de geheele Java-zee wordt waargenomen.
   Onze kennis van de vloedverschijnselen, evenals van alle hydrographische toestanden in Ned.-Indië, is helaas nog zeer gering. Wel worden door de Nederlandsche oorlogschepen er dageljks waarnemingen verricht, doch helaas, deze worden niet gepubliceerd en blijven te Batavia bewaard, zoodat zij moeielijk voor den Europeaan toegankelijk zijn. Hierdoor is men alleen in de gunstigste omstandigheden in staat het rijke materiaal, dat er zeker moet bestaan, tot voordeel der wetenschap aan te wenden. De verdienstelijke pogingen van enkele zeeofficieren om deze bronnen te bewerken tot zeemansgidsen of op andere wijze bekend te maken, moeten dan ook ten zeerste toegejuicht worden.

   Doch ter zake. Wat betreft de getijdenonderzoekingen in het oostelijk deel der Java-zee, dus het gedeelte, waarop de vraag betrekking heeft, zijn mij geen andere onderzoekingen bekend, dan die, welke in 1839 op last van den Gouverneur Generaal door de Luitenants ter zee J.A.K. van Hasselt en J. van Gool gedurende 10 3/4 maand verricht zijn aan de noordkust van Madoera. W. Baron de Constant Rebecque geeft hiervan in "Verhandelingen en berichten betrekkelijk het Zeewezen van Tindal en Swart 1843" een verslag. Hieraan ontleen ik het volgende: "Gedurende den oost-moesson is aan de noordkust van Madoera de stroom om de west, zelfs soms in de maand Mei met 2½ à 3 mijls vaart, althans over dag, terwijl er 's nachts weinig of geen stroom blijkbaar is of ook soms zelfs om de oost loopt. In dezen moesson daalt het water meest over dag en de stroom is over dag het sterkst. Doch des nachts stijgt in den tijd van den oost-moesson het water het meest en wordt er zeer weinig strtoom waargenomen. Hieruit zou men kunnen opmaken, dat de ebstroom om de west en de vloedstroom om de oost loopt.

   In den west-moesson loopt de stroom met een geringe snelheid om de oost en het water rijst in dien tijd over dag.
   De duur der rijzing en daling is hier gemiddeld het geheele jaar door 11½ à 12½ uur, zoodat het slechts ééns laag water is in het etmaal. Evenwel blijkt het, dat daarnevens dikwijls geringe rijzingen en dalingen, of zoogenaamde kleine- of middeltijden ontstaan.
   Verder is het opmerkelijk, dat het hooge water in den oost-moesson altijd voor den middag valt, terwijl het in den west-moesson na den middag wordt waargenomen."
   Men heeft dus:

Eenmaal daags vloed en ebbe.

   Deze algemeene regels, die door een groot aantal waarnemingen verkregen zijn, moet men beschouwen als een algemeene uitdrukking van het verschijnsel. De vloed- en stroomverschijnselen in den Ind. Archipel zijn toch zeer onregelmatig, zoodat het hoogst moeielijk is ze in regels samen te vatten. Telkens vindt men hierin dan ook afwijkingen; alleen in de meeste gevallen gaan de regels door.

   De vraag is nu, waardoor ontstaan die verschijnselen?
   Zooals ieder bekend is, ontstaat er in de zeeën, welke op geene aanzienlijke breedte liggen, meestal tweemaal per dag vloed en tweemaal per dag ebbe, en wel bij de bovenste en onderste culminatie van maan en zon. Op plaatsen met eenige breedte, waar maan en zon in of nabij het zenith culmineeren, is tijdens de bovenste culminatie, de vloed het hoogst. Is de breedte der plaatsen echter tegengesteld aan de declinatie dier hemellichamen, dan is de vloed het hoogst bij de onderste culminatie, terwijl er bij de bovenste culminatie geen of bijna geen vloed ontstaat. Hierdoor zijn de twee dagelijksche verheffingen des waters, die men vloed noemt, op die plaatsen zeer ongelijk van hoogte. Dit verschijnsel heeft echter niet onder den evenaar, maar alleen op eenige breedte plaats. Op den evenaar kan de afstand der maan van het zenith toch slechts 28° bedragen, zoodat hier de beide vloedgolven theoretisch bijna altijd even hoog moeten zijn. Voor 20° N.B. zal echter dit verschijnsel wel bestaan. Als de maan haar grootste zuider-declinatie heeft, vormt zich bij de bovenste declinatie der maan het hoogste deel der vloedgolf op ± 28° N.B. De figuur maakt dit duidelijk.

figuur

De maan wordt hierop voorgesteld met een zuider-declinatie van 28°. Nu zien wij, dat B, op het oogenblik van de bovenste declinatie der maan den hoogsten vloed heeft, doch dat na 12 uren, als B in B aankomt, de hoogste vloedgolf zich op 28° N.B. bevindt, terwijl, volgens de teekening, bij B' zelfs ebbe in plaastsen vloed bestaat. Deze teekening is natuurlijk overdreven, doch in geringere mate verhoudt zich aldus de theoretische vloed.
   De werkelijke vloed wijkt echter overal op aarde van den theoretischen vloed af. De overeenstemming, welken Laplace tusschen beide bij zijn onderzoekingen meende te ontdekken, was meer schijn dan waarheid, zooals latere astronomen dit aantoonden. De diepten der zeeën, de vormen der kusten, de ligging der eilanden, de richting der winden enz. enz. zijn alle factoren, welke met die van den theoretischen vloed vereenigd, omtrent den waren vloed een resultaat kunnen geven. Echter wordt de berekening zoo samengesteld en is het zoo moeielijk de factoren alle te leeren kennen of naar waarde te schatten, dat men onmogelijk uit de theorie den werkelijken vloed kan afleiden. Zelfs is het dikwijls moeielijk in den bestaanden vloed de factoren te leeren kennen, welke hem juist zóó doen verschijnen als dit het geval is. Dit valt ook van den vloed in de Java-zee te zeggen. Laten wij dezen nu verder nagaan.
   De enkele vloed per dag kan in de Java-zee door haar breedte niet zelfstandig ontstaan, omdat deze slechts 5° bedraagt. Hierdoor zou er dus elken dag 2 maal vloed en 2 maal ebbe moeten heerschen.

   Verder zagen wij, dat de vloed naar het oosten, de ebbe naar het westen stroomt. Dit is in strijd met de gewone richting van de vloedgolf, welke zich met de maan van het oosten naar het westen beweegt. Echter heeft men hier een afgesloten zee, waar niet de directe vloedgolf, maar wel een vloedgolf, door kusten en eilanden teruggeduwd, binnen dringt. Voor de directe vloedgolf uit het oosten is de Banda-zee en de Soenda-zee aan die zijde afgesloten door Nieuw-Guinea, Nieuw-Holland en andere eilanden. Uit het zuiden kan door de nauwe en meestal ondiepe straten tusschen de kleine Soenda-eilanden en Java geen genoegzame hoeveelheid water doordringen, om in de Soenda- en Java-zee een vloed van eenige beteekenis te vormen. Ook de zeeën zelf zijn te klein in omvang om zelfstandig ebbe en vloed te doen ontstaan. Alleen van het westen blijft er dus nog toegang open en van hier dringt werkelijk de vloedgolf in de Java-zee door.
   Die vloedgolf is afkomstig uit de Zuid-Chineesche zee, en dringt van hier door de straten van Karimata en Gaspar naar het zuiden door. Dit wordt bevestigd door de haventijden. Aan de N.W. kust van Borneo te Seráwak bedraagt deze 5 uren, te Pontianak 8 uren, bij de Pelapi-eilanden 9 uren, te Soekadana 9 uren 30 min. en te Baravia 10 uren1. Uit die havengetallen kan tot een voortdringen der vloedgolf naar het zuiden besloten worden.

   In de Zuid-Chineesche zee nu bestaat volgens de waarnemingen een enkele vloed en ebbe per dag. (Zie Gezeitentafeln 1885.) Dit verschijnsel moet zeer waarschijnlijk verklaard worden uit de breedte, waarop de straat ligt, door welke genoemde zee hoofdzakelijk het vloedwater ontvangt. Dit is de straat tusschen Formasa en Luzon, welke op ± 20° N.B. ligt. In het zuiden is de Zuid-Chineesche zee zoo goed als afgesloten van den vloed, welke in den Indischen Oceaan ontstaat. Wanneer nu bij de grootste declinatie der maan de eene vloed (van de twee, die de maan op de tegenover elkander liggende deelen der aarde doet ontstaan) zich op 28° Z.B. het hoogst verheft, kan deze niet tot de Zuid-Chineesche zee doordringen. Alleen een gedeelte van het water dier vloedgolf op zuiderbreedte, dat ten oosten van N. Guinea zich verder noordelijk voortbeweegt en zich afgescheiden heeft van de eigenlijke vloedgolf, zal tot bij Formosa doordringen en een geringen vloed in de Zuid-Chineesche zee veroorzaken. Deze is echter zoo gering, dat ze alleen door wetenschappelijke waarnemingen geconstateerd worden kan. Door de onderzoekingen met Z.M. opnemingsvaartuig, de "Hydrograaf" is dit o.a. voor de Karimatastraat vastgestetd. Er bestaat hier wel twee vloedverheffingen des waters, doch de eene is zoo gering, dat ze gewoonlijk niet opgemerkt wordt.

   Die enkele vloed in de Java-zee is een voortzetting van dien uit de Zuid-Chineesche zee. Dit stemt ook hiermede overeen, dat de vloed aan de kust van Madoera (zie boven) naar 't oosten stroomt. Daalt het water weder, dan stroomt het naar 't westen terug, zoodat de ebbe een weststroom veroorzaakt.
   Hoewel de vraag dit niet verlangt, toch nog een enkel woord over den tijd van vloed. Tijdens den oost-moesson heeft men in de Java-zee hoog water vóór den middag, daling na den middag. Dit wordt veroorzaakt door den wind. De oost-moesson roept toch een sterke zeestrooming naar het westen te voorschijn, en tegen deze strooming en den wind moet de vloedgolf inloopen. Bij dag nu is de moesson het krachtigst, bij nacht slaapt hij dikwijls. Als dus die enkele vloed in de Zuid-Chineesche zee bij dag ontstaat, heeft hij geen kracht genoeg om tegen wind en stroom in te werken; alleen de vloed, die bij nacht ontstaat, zal daartoe in staat zijn. Deze laatste komt eerst des voormiddags in het oosten der Java-zee aan, en vandaar die vloed des voormiddags, terwijl de ebbe des namiddags onder begunstiging van den aanwakkerenden oost-moesson een weststroom veroorzaakt.

   Bij den west-moesson is het echter omgekeerd. In dit geval begunstigt de moesson den vloed, en bovenal bij dag is dit het best waar te nemen. Onder invloed van den westen wind komt dan de vloed reeds des namiddags aan in het oosten der Java-zee, terwijl de ebbe eerst des nachts bij het slapen van den W. wind terugkeert, wat tot den voormiddag voortduurt.
   Het verschijnsel van een enkelvoudigen vloed per dag is echter niet alleen karakteristiek voor deze zee. Ook te Papeete op Tahiti heeft men o.a. eenmaal per dag vloed. In 't algemeen zijn voor de noordelijke helft van den Grooten Oceaan de verschillen tusschen de dagelijkschen vloedhoogten kenmerkend. Na nauwkeurig onderzoek kunnen deze verschijnselen zeker alle uit de gepgraphische gesteldheid der plaatsen en de breedte verklaard worden. Tot dit onderzoek, dat helaas op veel plaatsen ontbreekt, kan niet genoeg aangemoedigd worden.

   Amsterdam 19 Sept. '85. Dr. H. Blink.

1 Zie: "Gezeitentafeln für das Jahr 1885" en "Gids voor het bevaren van straat Karimata", door M.C. v. Doorn, Batavia 1884.


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline