|
|
De Teak- of Djattiboom.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 April 1885 - 5e jaargang |
Onder de boomen van het vaste land van Indië en den Maleischen archipel neemt stellig de teakboom de eerste plaats in, want zijn hout wordt niet alleen in zijn vaderland maar ook in Europa als werkhout, vooral voor den scheepsbouw zeer veel gebruikt. Ook in ons vaderland wordt het teakhout veel gebruikt niet alleen als scheepstimmerhout, maar in den laatsten tijd vooral ook bij den huizenbouw, zoowel voor den gevel als voor de inwendige betimmering.
Reeds vroeg heeft de teakboom de aandacht getrokken. Rheede van Drakenstein beschrijft hem onder de naam van Theka en Rumphius als Jatus of Kiateboom. Thans heet de boom in Engelsch Indië algemeen Teakboom, terwijl hij in onze bezittingen naar het Maleisch of Javaansch Djattiboom genoemd wordt.
De Djattiboom, zooals wij hem voortaan zullen noemen, behoort tot de plantenfamilie der Verbenaceeën. Een aanzienlijke grootte bereikt hij niet; boomen van 40 meter hoogte zijn een zeldzaamheid en de omvang van den stam bedraagt op 2 meter hoogte hoogstens 1,5 meter. De djattiboomen munten niet door statigen, rechten wasdom uit; zij zijn zeer dikwijls krom gegroeid en dragen ver uiteenstaande takken.
De eironde, gaafrandige bladeren bereiken gemiddeld een lengte van 60 tot 70 en een breedte van 50 centimeter, hoewel men niet zelden bladeren van bijna een meter lengte vindt. De witte, welriekende bloemen staan in trossen, en de vrucht is een steenvrucht van de grootte van een hazelnoot.
De Djattiboom behoort tot de weinige gezellig levende boomsoorten der tropen; hij vormt onder gunstige omstandigheden, bijna geheel alleen uitgestrekte bosschen. De geografische verspreiding is tot Voor- en Achter-Indië en den Maleischen Archipel beperkt. In Malabar vindt de boom het gunstigste klimaat en van daar komt ook het beste timmerhout, doch door het woeste en onoordeelkundige vellen der boomen neemt de uitvoer van daar sterk af. Langs het Ghat-gebergte strekken zich uitgestrekte Djattibosschen uit, waarvan het hout langs de verschillende rivieren met vlotten naar de kust, vooral naar Bombay gevoerd wordt. Ook op de oostkust van Voor-Indië worden groote Djattibosschen aagetroffen. In Achter-Indië vindt men vooral in Pegoe, Siam en Kambodsje uitgestrekte bosschen, waaruit veel hout even onoordeelkundig als in Voor-Indië gekapt wordt. In den laatsten tijd hebben de Engelschen in laatstgenoemd land een geregelde boschcultuur ingevoerd, tengevolge waarvan de bosschen weder in omvang beginnen toe te nemen.
In den Maleischen Archipel is Java het land der Djattibosschen; op de drie andere groote Sunda-eilanden is de Djattiboom, voor zoover bekend niet te huis. Op Sumatra werd hij wel op verschillende plaatsen aangeplant, doch nergens met gunstig gevolg. Ook op Celebes worden hier en daar kleine Djattibosschen aangetroffen, doch deze zijn door kolonisten, die van Java kwamen, daar aangelegd. Op enkele der kleine Sunda-eilanden vindt men kleine Djattibosschen. Op de meeste eilanden is de cultuur beproefd, maar nergens hebben de resultaten de verwachtingen vervuld. Op Java omvat het tegenwoordige gebied van den Djattiboom nog slechts een klein deel van het vroegere; vooral in Midden- en Oost-Java werden vroeger veel uitgestrekter Djattibosschen aangetroffen, dan thans het geval is.
De samenstelling van den bodem is voor den groei van den Djattiboom van weinig beteekenis; hij neemt elke grondsoort voor lief, behalve een moerassigen bodem, waarop hij in het geheel niet opschiet. Op Java wordt de Djattiboom in de residentie Pekalongan op een drogen, ijzerhoudenden kleigrond aangetroffen; in Dewak en een groot deel van Rembang groeit hij op een kalk- en mergelhoudenden bodem of op een kalkachtigen zandgrond; op andere plaatsen treft men hem aan op een met donkere klei bedekten trachytbodem, of op fijn vulkanisch zand. Op een kalkbodem tiert hij echter het best.
De Djattiboom heeft de eigenaardigheid andere boomsoorten uit zijn nabijheid te verdringen, en dikwijls maken deze gaarne plaats voor hem, omdat hij zich met den slechtsten grond vergenoegt. In vertikale richting heeft de Djattiboom slechts een beperkte verspreiding, zijn uiterste grens wordt op 600 meter boven de zee aangetroffen.
Men kan een aantal bewijzen bijbrengen voor de vroegere, groote uitbreiding der Djattibosschen op Java. Aan de noordkust tusschen Cheribon en Soerabaja zijn zij door bouwland en woeste gronden vervangen. De beide grootste rivieren van Java, de Solo en de Brantas stroomden eenmaal van het zuiden der residentie's Soerakarta en Kediri tot hun monding aan de noordkust bijna onafgebroken door groote Djattibosschen; thans raken deze nog slechts op enkele plaatsen de oevers van beide rivieren. Ook in Rembang is de uitgestrektheid der Djattibosschen veel geringer dan vroeger. Mijlen ver is de vlakte thans met alang-alanggras begroeid, waar men nog enkele verstrooid staande Djattiboomen aantreft, als laatste overblijfselen van de vroegere groote bosschen. In geen enkel deel van Java is echter de uitroeiing der Djattibosschen van zoo nadeeligen invloed op de welvarendheid der bewoners geweest als in de residentie Rembang. Onder het bestuur der O.I. Compagnie vonden op de scheepswerf te Rembang honderden Javanen ruime verdiensten en ook op vele andere, kleinere kustplaatsen werden talrijke handelsvaartuigen en visschersbooten voor het Indische scheepsverkeer gebouwd. Thans echter zijn de bosschen zozeer gedund, dat die geheele industrie ten gronde gegaan is.
Om aan dezen toestand een einde te maken, heeft de Indische regeering in 1865 een geregelde boschkultuur ingevoerd, waarvan de gunstige gevolgen meer en meer merkbaar worden. De bosschen staan thans onder staatstoezicht en het vellen der boomen geschiedt volgens vaste regels. De regeering trekt thans uit de bosschen aanzienlijke inkosten; deze bedroegen in de laatste jaren gemiddeld een millioen gulden.
Een Djattibosch biedt in de verschillende jaargetijden eengeheel verschillenden aanblik aan. Bezoekt men het in den drogen moesson, dan vindt men de boomen geheel kaal. De Djattiboom behoort namelijk tot de weinige tropische boomen, die in den Oost-moesson hun bladeren verliezen. De weinige struiken tusschen de boomen zien er dan, omdat zij van schaduw verstoken zijn, treurig uit; en deze aanblik wordt nog treuriger, wanneer de Javanen volgens gewoonte het gras en het onderhout der Djattibosschen in brand steken, om den bodem van onkruid te zuiveren, het verkeer gemakkelijker te maken, en de dieren te verjagen.
Hoe geheel anders is de aanblik van een Djattibosch in den aanvang van den West-moesson. Zoodra de eerste regens den verschroeiden grond verfrisschen, ontspruiten de aanvankelijk bruine, later donkergroene bladeren. De Djattiboom draagt wel is waar geen zoo dichte bladerkroon als andere tropische woudboomen, maar de bladeren bereiken een zoo aanzienlijke grootte, dat het geheele bladerendak toch voldoende schaduw geeft. Lang blijft evenwel het bosch niet met zijn rijken bladerendos getooid. bijna ieder jaar verschijnt in deze bosschen een donkergrijze of zwarte rups, die van de jonge Djattibladeren leeft. In weinige dagen kunnen deze rupsen de jonge bladeren over groote uitgestrektheden zoozeer vernielen, dat nog slechts de bladstelen en nerven overblijven. De boomen blijven echter niet lang zoo kaal, daar zij in den regel spoedig weder bebladerd zijn, nadat de rupsen, als zij volwassen zijn, zich van de boomen hebben laten vallen, om zich op den bodem in te spinnen.
In November begint de bloeitijd. De groote, witte bloemtrossen staan zeer sierlijk en verspreiden een aangenamen geur. De bloeitijd duurt tot Mei, waarop in Juli en Augustus de kleine, ronde steenvruchten rijpen. In een Djattibosch treft men bijna altijd eenige andere boomsoorten aan, die voor hetzelve kenmerkend zijn, en aan het anders vrij eentonige bosch eenige afwisseling en verscheidenheid verleenen. Meestal echter is dit optreden van vreemde boomsoorten in een Djattibosch afhankelijk van den aard van den bodem. Hoe meer deze bij uitstek geschikt is voor den Djattiboom, des te geringer is het aantal vreemde boomen, die men er tusschen aantreft. Hierdoor wordt het uiterlijk van een Djattibosch in verschillende streken zeer verschillend. Er is nauwelijks een vergelijking te maken tusschen de eentoonige Djattiwouden in Rembang en de schoone Djattibosschen vol afwisseling, welke men in de residentie Samarang aantreft. Hetzelfde verschil is natuurlijk op te merken tusschen de struiken en kruiden, die den bodem bedekken. Terwijl deze op een kalkachtigen, droge bodem weinig afwisseling aanbieden, is hun verscheidenheid daarentegen des te grooter, daar waar een dikke humuslaag hun een voldoend voedsel verschaft.
Daar de Djattibosschen op een drogen grond groeien, is de lucht daar in den regel niet ongezond. De temperatuur is daar wel is waar dikwijls zeer hoog, maar de lucht is droog en zuiver. Men kan echter in nauw verband met de plaatselijke omstandigheden, groote klimatische verschillen aantreffen. De gloeiende hitte van de op een laag gelegen kalkbodem groeiende Djattibosschen in eenige districten van Rembang of in de afdeeling van Demak, vormt een scherpe tegenstelling met de steeds koele lucht der hooger gelegen bosschen in het zuiden van de afdeelingen Kendal en Samarang.
Drukkend is de lucht ook soms bij het begin van den West-moesson in October en November, wanneer zich in den namiddag onweerswolken tezamen trekken en de zon haar verzengende stralen daartusschen door zendt. Het onaangename wordt wordt dan nog verhoogd door het heirleger van kleine steekmuggen, die zich in dit jaargetijde, hoewel slechts gedurende korten tijd in de Djattibosschen vertoonen. Aan hen gaan vooral in de kwntering van den moesson groote zwermen van grijze vliegen vooraf, die door hun hevige steken voor ruiter en paard lastig worden.
De dieren, die een Djattibosch bewonen, bieden geen groote verscheidenheid aan. De plantengroei levert meestal zoo weinig voedsel op, dat grootere dieren zich niet uitsluitend in deze bosschen kunnen ophouden. Het in den regel heerschende gebrek aan water noodzaakt ze bovendien spoedig, weder andere plaatsen op te zoeken. In uitgestrekte, samenhangende Djattibosschen treft men daarom ook veel zeldzamer grootere dieren aan, dan daar, waar de Djattibosschen met alang-alangvelden of andere bosschen afwisselen. Het meest komen de wilde zwijnen voor, die zich voeden met allerlei soort van voedsel, dat in de bosschen voorkomt, en die den grond omwoelen, om wortels, vooral van alang-alang, op te zoeken. Herten houden zich zelden in de Djattibosschen op. Zij zoeken meestal de kleine, welige boschjes op, die tusschen de grasvlakten verstrooid liggen, en zij begeven zich slechts naar de Djattibosschen om gedurende het heetste gedeelte van den dag beschutting tegen de hitte te zoeken. Een klein hertsoort, de Kidang (Cervus Muntjac) treft men hier nog het meeste aan, en ook de wilde stier of Banteng verschijnt somtijds in de Djattibosschen van Rembang. Door de toenemende vermindering van het woudgebied is dit schuwe dier uit vele plaatsen, waar het zich vroeger ophield, geheel verdwenen. Tijgers en andere kleinere roofdieren treft men er alleen dan aan, wanneer er zich de bovengenoemde dieren, de herten en zwijnen, ophouden, waarmede zij zich voeden.
Meer leven geven de apen, die soms in grooten getale in de toppen der boomen rondspringen, aan de overigens zwijgende Djattibosschen. In zuivere Djattibosschen worden zij zeldzamer aangetroffen, maar des te menigvuldiger in die, waarin andere boomen met welker vruchten zij zich voeden, tusschen de Djattiboomen verspreid staan. Het meest ziet men den gewonen, grijzen aap, Ceropithecus Cynomolgus dikwijls in groote troepen bijeen, zoowel in de toppen der boomen, als op den bodem. Ook de zwarte slankapen, Semnopithecus Maurus, ziet men soms in de Djattibosschen, doch meer in de koelere bergstreken dan in de vlakte.
Onder de weinige vogels, die men soms in een Djattibosch aantreft, is vooral de pauw te noemen, die vooral dáár veel voorkomt, waar het bosch met kleine grasvlakten afwisselt. Des daags verbergt hij zich tusschen het gras en de struiken, en des nachts in de toppen der boomen.
Het Djattihout wordt ook in Europa als hout voor den scheepsbouw hoog geschat. Zoo worden op de Schotsche werven, langs de Clyde, jaarlijks groote massa's verwerkt van dit hout, dat uit Engelsch-Indië komt. Ook onder Nederlandsche vlag varen een aantal zeeschepen, die uit Djattihout gebouwd zijn.
Goed Djattihout is vast en trekt niet, waarom het vooral geschikt is voor bedekking van zulke schepen, die aan den afwisselenden invloed van verschillende klimaten zijn blootgesteld. In de laatste jaren is het Djattihout hoe langer hoe meer bij den bouw van pantserschepen in gebruik gekomen. Het hout bezit de uinemende eigenschap om het roesten van het ijzer te voorkomen, wat o.a. bij eikenhout niet het geval is.
Niettegenstaande zijn groote hardheid en vastheid laat zich het Djattihout zeer gemakkelijk, ja zelfs beter dan eikenhout bewerken, en met het oog op het draagvermogen overtreft het het eikenhout. De waarde van het Djattihout wordt echter nog verhoogd door zijn gering soortelijk gewicht.
De meest geschatte eigenschap van het Djattihout is zijn buitengewone duurzaamheid, waarom het op Java en in Engelsch-Indië en ook in sommige Europeesche landen voor balken en dwarsliggers voor spoorwegen gebruikt wordt. Van de groote duurzaamheid van het Djattihout kunnen talrijke bewijzen geleverd worden. Zoo werd in het jaar 1822 op de ook thans nog belangrijke scheepswerf te Bantjarledok op de noordkust van de residentie Rembang op Java een oorlogsfregat "de Javaan" geheel uit Djattihout gebouwd; nadat het schip bijna 40 jaar lang als oorlogschip dienst gedaan had, werd het in Nederland verkocht, en voer nu nog jaren lang als koopvaardijschip tusschen ons land en onze Oost-Indische bezittingen. Ook deelt Marsden (History of Sumatra, 1811) mede, dat vele in Indië uit Djattihout gebouwde schepen reeds zóó lang voeren, dat niemand zich den tijd kon herinneren, waarin zij van stapel geloopen waren.
De schepen, die in vroegeren tijd uit Djattihout gebouwd werden, munten in het algemeen meer door duurzaamheid uit, dan die, welke in de laatste jaren gebouwd werden. De grond hiervan is daarin te zoeken, dat vroeger slechts werkelijk volwassen boomen geveld werden, en het hout bovendien eerst dan gebruikt werd, als het volkomen droog was. Deze tijden zijn voorbij; de tegenwoordige toestand der bosschen laat niet meer toe, dat alleen volwassen boomen worden omgehakt; boomen van allerlei ouderdom worden geveld en het hout wordt in nog verschen staat voor den scheepsbouw of voor andere doeleinden gebruikt. De gevolgen blijven niet uit; want terwijl luchtdroog Djattihout van volwassen stammen door de gevreesde termieten niet wordt aangegrepen, worden jeugdige, versch gevelde stammen door deze schadelijke insecten niet ontzien.
Versch geveld Djattihout heeft een goudgele kleur, die langzamerhand in bruin overgaat, een zuurachtigen smaak en een aromatischen reuk, die beide eerst lang na het vellen verdwijnen. De aromatische reuk wordt door een vluchtige olie veroorzaakt, die in Birma zelfs uit het hout gewonnen wordt en in de geneeskunde gebruikt wordt. Het Djattihout heeft groote poriën, die meestal verstrooid, en zelden in groepen bijeen liggen, zij zijn talrijker en grooter in het kernhout dan in het splint.
De waarde van vele Djattiboomen wordt dikwijils verminderd door de vele holten in het inwendige van oude stammen. Deze eigenaardigheid, die de Djattiboom met andere tropische boomen gemeen heeft, wordt waarschijnlijk door de veelvuldige boschbranden veroorzaakt; echter kunnen ook de gaten, welke de larven van kevers in de stammen boren, de oorzaak van het ontstaan van groote holten zijn.
De bladeren worden door de inboorlingen tot borden, tot het inpakken van allerlei voorwerpen en tot bedekkng van hun hutten gebruikt; bovendien kan daaruit een schoone, roode kleurstof verkregen worden. |
| W. |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
↑ |
|