Desinfectie [I]


← overzicht
Inhoud
Start
Desinfectie [I].

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Juni 1885 - 5e jaargang


   Van de vele ontdekkingen door onzen landgenoot Leeuwenhoek, nu ongeveer twee eeuwen geleden, met zijn sterke vergrootglazen gedaan, is zeker die der uiterst kleine wezentjes, welke in rottende stoffen worden aangetroffen, een der voornaamste. Om de schijnbaar willekeurige beweging dezer organismen noemde hij ze "dierkens," en hun aanwezigheid wist hij niet anders te verklaren, dan door aan te nemen, dat zij uit de rottende stoffen zelven zouden zijn ontstaan.
   Scherpzinnige en nauwkeurige proeven hebben later aangetoond, dat dit niet het geval is, dat de kiemen dezer wezentjes steeds in de dampkringslucht voorhanden zijn en dat deze, wanneer ze met stoffen in aanraking komen, die in rotting verkeeren, oogenblikkelijk in staat zijn om zich te ontwikkelen en sterk te vermeerderen.

   Het altijd optreden dezer diertjes, zooals men ze nog steeds noemde, in rottende zelfstandigheden bracht sommigen op het vermoeden, of ze ook de oorzaak der rotting konden zijn, vooral ook, omdat men had opgemerkt, dat stoffen, die volkomen van de lucht waren afgesloten, niet in rotting overgingen. Deze nieuwe zienswijze had vele voorstanders, doch vond ook vele bestrijders, die zich door de proeven niet lieten overtuigen.
   Tot deze laatsten behoorde ook de beroemde scheikundige Justus von Liebig, die de rotting voor een scheikundige werking hield en het optreden der diertjes zeer natuurlijk vond, daar zij in de ontbindingsproducten alle voorwaarden voor hun voeding en ontwikkeling bijeen vonden. Het gevoelen van hen, die de diertjes als oorzaak aanzagen, vergeleek hij bij het inzicht van een kind, dat den snellen val en loop van den Rijn aan de vele watermolens bij Mainz toeschrijft, welke door hun raderen het water met geweld naar Bingen stuwen!

   De onderzoekingen van Spallanzani, Schwann, Pasteur en anderen hebben echter duidelijk en afdoende bewezen, dat deze kleine wezentjes niet het gevolg, maar de oorzaak der rotting zijn, en de verschillende methoden die men volgt, om organische stoffen voor rotting te bewaren, berusten dan ook alle op het wegnemen der kiemen uit de lucht of het tegengaan van de ontwikkeling daarvan.
   In de studie dezer zoogenaamde diertjes is men, dank zij de betere hulpmiddelen, in de laatste jaren zeer vooruitgegaan. Ze worden niet meer tot de dieren, maar tot het plantenrijk gebracht, en wel tot dezelfde groep als waartoe de schimmelplantjes en de champignons behooren, tot de zwammen, die alle wegens het gemis van bladgroen, voor hun ontwikkeling organische zelfstandigheden behoeven.

   Nägeli gaf hen, met het oog op de eigenaardige wijze waarop zij zich vermenigvuldigen, den naam van Splijtzwammen, terwijl men ze algemeen ook met de namen van Bacteriën, Bacillen en Vibrionen aanduidt, al naar den vorm waaronder zij zich voordoen.
   Toen men tot de ontdekking kwam, dat bij zeer vele ziekten evenals bij de rotting steeds lagere zwammen optreden, en dat in het bloed en de uitwerpselen van aan besmettelijke ziekten overleden menschen en dieren bacteriën in groot aantal voorkomen, kwam men op het vermoeden, of deze ziekten ook door bacteriën zouden kunnen veroorzaakt worden. Dit vermoeden klom tot zekerheid, toen men waarnam dat besmettelijke ziekten door middel van bacteriën bevattend bloed of lympha door inenting konden worden overgebracht, terwijl inentingen van bloed van besmette dieren, nadat het van te voren nauwkeurig van bacteriën was bevrijd, geen schadelijke werking uitoefende. Ontelbare proeven zijn reeds en worden nog steeds met veel zorg genomen en meer en meer wordt men er van overtuigd, dat de bacteriën de eenige oorzaken zijn van alle besmettelijke ziekten.

-----------

   De Bacteriën vindt men steeds in aanzienlijk hoeveelheden bij eljaar en wanneer de voorwaarden gunstig zijn, kunnen zij zich in korten tijd buitengewoon vermenigvuldigen. Nadat ze eerst een insnoering verkregen hebben, verdeelen zij zich in tweeën en elk gedeelte is na korten tijd weer in staat om dezelfde bewerking te ondergaan. Deze deeling gaat onafgebroken voort zoolang er voedingsstof voldoende voorhanden is. Om een denkbeeld te geven van de ontzaglijke vermeerdering dezer kleine wezens, haal ik de volgende berekening aan uit een verhandeling van Cohn over de Bacteriën1.
   "Wij nemen aan, dat een bacterie zich binnen een uur in twee deelen verdeelt, deze weder in een uur in vier, na drie uur in acht deelen, enz. Na 24 uur bedraagt het aantal bacteriën reeds meer dan 16½ millioen; na twee dagen zou dit tot het ongelooflijk aantal van 281½ billioen, na drie dagen tot 47 trillioen aangegroeid zijn, na een week zou dit aantal slechts door een getal van 51 cijfers uit te drukken zijn."

   "Om deze getallen gemakkelijk voor het begrip te maken, willen wij het volume en het gewicht berekenen van de nakomelingschap van één bacterie. De meest gewone soort van staafjes-bacteriën (Bacterium Termo) heeft de gedaante van een korten cilinder van 1/1000 mM. in doorsnede en ongeveer 1/500 mM. lengte. Een kubiek mM. zou volgens de zooeven aangegeven verhoudingen door 633 millioen staafjes-bacteriën zonder tusschenruimte opgevuld worden. Na 24 uur zouden de bacteriën, uit één enkele ontstaan, ongeveer het veertigste deel van een kub. mM. opvullen; maar reeds aan het eind van den volgenden dag zouden zij een ruimte innemen, die gelijk staat met 442,570 zulke dobbelsteenen, of wat hetzelfde is met ongeveer een halven liter. Wanneer men aanneemt, dat de oppervlakte die de wereldzee beslaat, 2/3 der aardoppervlakte is, en haar diepte gemiddeld een mijl, dan bedraagt de geheele inhoud van den oceaan 928 millioen kubiek mijlen; bij een regelmatig voortgaande vermeerdering zouden de van een individu afstammende bacteriën reeds na minder dan vijf dagen den geheelen oceaan volkomen vullen.

   "Nog verrassender zijn de gewichtsverhoudingen. Stellen wij het specifiek gewicht van bacteriën gelijk aa dat van water, iets dat niet veel van de waarheid afwijken zal, dan volgt uit de te voren aangevoerde cijfers, dat een enkel staafje 0,000000001571 milligram, of dat 636,000 milliarden één kilogram zullen wegen. Na 24 uur zou het gewicht der bacteriën ongeveer 1/40 mill. gram, na 48 uur bijna 1/2 kiligram, na 3 dagen ongeveer 7 1/2 millioen kilogram bedragen."
   Het spreekt van zelf, dat deze berekening alleen gemaakt is, om een denkbeeld te kunnen geven van de snelle vermeerdering in het gunstigste geval, wanneer er namelijk voedingsstof genoeg voorhanden is en de ontwikkeling niet door andere invloeden wordt tegengewerkt.

   Behalve deze voortplantingswijze hebben de meeste bacteriën nog een andere door middel van broedcellen of sporen, doch de vorming daarvan schijnt slechts in te treden, wanneer er gebrek aan voedingsmateriaal komt. Deze sporen kunnen beter dan de bacteriën zelven wederstand bieden aan allerlei nadeelige invloeden en zij bezitten een langeren levensduur. Hun afmetingen zijn ook zeer gering en de vorm is meestal rond of ovaal. Zoodra ze rijp zijn, kunnen ze ontkiemen op de wijze als dat van de sporen van andere cryptogamen bekend is.
   Over het algemeen hebben de splijtzwammen zeer weinig noodig om in het leven te blijven, doch water is voor hun ontwikkeling een hoofdvereischte, zonder dat ze evenwel in deze vloeistof alleen tot ontwikkeling kunnen geraken; daarvoor zijn organische zelfstandigheden noodzakelijk. Zij sterven niet door uitdroging, ook niet door bevriezing en zelfs niet bij gebrek aan zuurstof. Hun meer of minder snelle ontwikkeling hangt af van de temperatuur, doch door een hoogen warmtegraad worden ze gedood. De broedcellen of sporen van sommige kunnen evenwel een hitte van 110° verdragen, zonder het ontkiemingsvermogen te verliezen.

   Men verdeelt de splijtzwammen tegenwoordig in twee groepen, de eerste of Saprophyten ontwikkelen zich hoofdzakelijk in doode organismen en de tweede, die men Parasieten noemt, zijn aan levende, dierlijke of plantaardige organismen gebonden.
   De saprophyten vindt men in menigte in modderslooten, poelen, mestvaalten, in reservoirs van waterleidingen, ook in bedervende spijzen, in uitwerpselen en in vochtige teelaarde. Zoolang al deze broedplaatsen vochtig genoeg blijven, komen de bacteriën niet gemakkelijk in de atmospheer, zoodra ze echter uitdrogen, worden ze door luchtstroomingen medegevoerd. Daaruit kunnen ze weder geraken op andere stoffen en wanneer deze voor hen een geschikt voedingsmateriaal opleveren, beginnen zij zich obmiddellijk weder te vermenigvuldigen.
   De lucht nu bevat ontelbare bacteriën en sporen, die als zonnestofjes daarin ronddwarrelen. Bij elke ademhaling geraken er een menigte in ons lichaam, of zij vallen op de spijzen en in de dranken, die wij gebruiken en komen daardoor in de spijsverterings-organen.

   In het lichaam van levende planten of dieren gekomen, zullen zij trachten zich ook daar te vermeerderen, natuurlijk ten koste van de weefsels, waarin zij zich hebben vastgezet. Gelukt dit hun niet, dan gaan ze te gronde, doch wanneer de krachten, die hun in de levende cellen worden tegengesteld, niet toereikend zijn om hun ontwikkeling tegen te gaan, - behouden ze in den strijd voor het bestaan de overhand - dan beginnen ze hun sloopingswerk en kunnen ze de oorzaak worden van de meest gevreesde besmettelijke ziekten.
   De onschuldige saprophyten kunnen, wanneer ze in een levend organisme geraken en de omstandigheden gunstig zijn, de gevaarlijkste parasieten worden. Volgens Nägeli ontstaan alle parasitisch in dierlijke en plantaardige organismen levende splijtzwammen uit gewone onschadelijke saprophyten. Dat deze bewering niet ongegrond is, hebben de onderzoekingen van Büchner bewezen, die met zekerheid heeft aangetoond, dat de miltvuur-bacterie (Bacterium anthracis) die voortdurend onzen veestapel teistert, afstamt van een geheel onschadelijk soort, de zoogenaamde hooizwam (Bacterium subtile).

   Denzelfden onderzoeker is het ook gelukt de miltvuur-bacterie zijn parasitische eigenschappen te doen verliezen en weder in de onschadelijke hooizwam om te zetten.
   Ook pleit voor de bewering van Nägeli, dat dezelfde bacterie niet bij dieren van verschillende soort dezelfde ziekten veroorzaakt. De miltvuur-bacterie der runderen verwekt bij den mensch een gevaarlijk soort van uitslag onder den naam van Pustula maligna bekend.
   Van verscheidene, zoo niet de meeste, besmettelijke en aanstekende ziekten zijn de zwammen, die de infectie veroorzaken, reeds bekend en heeft men de wijze, waarop en de voorwaarden, waaronder zij zich het beste ontwikkelen, opgespoord. Doch ook van vele verkeert men nog in het onzekere; maar het is buiten twijfel of de volhardende pogingen van hen, die meestal met doodsverachting de epidemieën op de plaatsen van hun oorsprong gaan bestudeeren zullen spoedig ook een helder licht over de nu nog onbekende verspreiden.

   Bij alle besmettelijke ziekten heeft men waargenomen, dat de ziekte niet onmiddellijk op de besmetting volgt, er is een korteren of langeren tijd noodig voordat de bacteriën hun invloed kunnen doen gelden, en er verloopen soms dagen voor dat zij de organen zoo hebben aangetast, dat er storingen in de functiën het gevolg van zijn. Maar als ze eenmaal de overhand hebben verkregen, kunnen ze in ongelooflijk korten tijd het krachtigste lichaam sloopen.
   Wanneer de bacteriën of hun sporen nu in ons lichaam geraken, kunnen zij daarin bij voor hen gunstige omstandigheden ziekte verwekken. Van sommige, die de contagieuse ziekten veroorzaken en daarom ook contagiën worden genoemd, zijn er slechts zeer weinige noodig; de geringste hoeveelheid is voldoende tot besmetting. Daar ze in het zieke lichaam ontstaan en in de afschilveringen, het zweet, het slijm, den etter en de uitwerpselen aanwezig zijn, kunnen ze van den eenen persoon op den anderen, zelfs op groote afstanden worden overgebracht, zooals dat met pokken, mazelen en roodvonk dikwijls het geval is.

   De smetstoffen, die de miasmetische ziekten veroorzaken, de zoogenaamde miasmen, ntstaan op of in de aarde, en werken minder energiek op het menschelijk lichaam, zoodat er een groot aatal noodig is om aansteking te bewerken/ Ze gaan ook niet van het eene lichaam op het andere over en verspreiding zich niet over groote uitgestrektheid. Iemand bv., die een geruimen tijd op een bodem heeft vertoefd, waar zich zulke miasmen ontwikkelen, kan de tusschenpoozende koorts krijgen, doch hij blijft vrij, wanneer hij op gezonden bodem, onmiddellijk aan bovengenoemde grenzende, woont.
   Volgens Nägeli zouden alleen de smetstoffen, die door middel onzer ademhalingsorganen in het lichaam geraken, in staat zijn zich te ontwikkelen. Die welke in den spijsverteringstoestel komen, zouden geen kwaad kunnen doen, daar het zure maagsap hun de levensvatbaarheid doet verliezen. Alleen de in de lucht zwevende, uitgedroogde, zouden dus te vreezen zijn, terwijl de andere, die niet in dien toestand verkeeren, voor ons geen gevaar zouden opleveren. Zij kunnen nooit in de longen geraken, en of ze al met het voedsel werden ingeslikt, dat zou slechts hún dood en niet de onze zijn.
   Deze bewering gaat echter niet door, want bij verschillende epidemiën, vooral van typhus, heeft men bevonden, dat juist het water de verspreider der smetstoffen moet geweest zijn en ook bij cholera kan men met zekerheid zeggen, dat onder de invloeden, die de ziekte kunnen overbrengen, het water al de andere in intensiteit overtreft.

   De proeven van Pasteur hebben bewezen, dat de miltvuur-zwam zeer goed ziekte kan veroorzaken als ze met voedsel in het spijskanaal geraakt, vooral wanneer tegelijk stekelige plantendeelen genuttigd worden. Het ontstaan van miltvuur bij het vee zou in de meeste gevallen aan besmet voedsel zijn toe te schrijven.
   Hetgeen ik hierboven mededeelde aangaande onze kennis der smetstoffen is zeer onvolledig, ik raad daarom hem die meer op de hoogte daarvan wil geraken aan, de oorspronkelijke stukken van Nägeli, Cohn, Koch en anderen te raadplegen, of indien hij daartoe niet in de gelegenheid is de verschillende artikelen te lezen door dr. Lubach in de jaargangen 1878 en '81 van het Album der Natuur geplaatst. Ik geb echter gemeend tot goed begrip van het volgende, dit korte overzicht der smetstoffen aan de leer der ontsmetting of desinfectie, te moeten laten voorafgaan.

   Het aantal middelen, tot welke men in den loop der tijden zijn toevlucht heeft genomen, om de smetstoffen te vernietigen, is zeer groot. Dat kan ons niet verwonderen, want daar men voortdurend te doen had met een onzichtbaren vijand, waarvan men eigenlijk niets wist en wel het allerminst de kwetsbare zijde, kon men moeielijk met eenige zekerheid zich daartegen verdedigen. Men zocht de oorzaak der besmetting hoofdzakelijk in schadelijke uitwasemingen en stinkende gassen. Vooral ook werden plaatsen, waar veel organische stoffen in rotting verkeerden, die een verpestende lucht verspreidden, en niet ten onrechte, als broeinesten van bemesting aangezien.
   Men trachtte door het ontwikkelen van gassen de lucht te zuiveren en door sterke vergiften de smetstoffen te vernietigen. Voorwerpen, die met een lijder aan besmettelijke ziekten in aanraking waren geweest, zooals beddegoed, kleederen, meende men ontsmet te zijn, wanneer ze eenigen tijd aan chloor- of carboldampen waren blootgesteld geweest of wanneer ze in een omgeving hadden vertoefd, die met azijnzuur of zwaveligzuurdampen bezwangerd was. Het gebruik van chloor en zwaveligzuur was daarop gegrond, dat zij een ontledende werking op organische stoffen uitoefenen en vooral kleur- en reukstoffen vernietigen.
   Doch ook zeer veel middelen werden tot ontsmetting gebruikt, alleen omdat zij een sterken geur verspreidden, zonder dat zij eenige ontledende werking op de gassen zelven konden uitoefenen. Zij bedekten dus door hun sterken geur den stank, zonder dien weg te nemen.
   Het spreekt van zelf, dat hier van ontsmetting geen sprake kan zijn en van luchtzuivering evenmin.
   Tot deze middelen behooren: gebrande koffie, houtteer, azijn, eau de cologne, carbolzuur, salpeterzuur, petroleum, enz.

   Nog andere hadden ten doel schadelijke gassen op te slorpen en men maakte dus gebruik van die, waarvan men wist, dat zij deze eigenschap bezaten, zooals: houtskool en beenderenkool.
   Ook liet men stoffen verbranden of verdampen om den rook desinfecteerend te laten werken, of om het ozongehalte der lucht te vermeerderen, want vooral aan ozon werd een sterke werking toegeschreven. De meeste dezer middelen zijn bij het desinfecteeren nog in zwang, ofschoon men toch hoofdzakelijk zijn toevlucht neemt tot chloor en carbolzuur.
   Nu in den laatsten tijd onze kennis der smetstoffen zoo sterk is toegenomen, kan men op een meer rationeee wijze te werk gaan en moet men onder desinfectie verstaan: het vernietigen van de besmetting veroorzakende splijtzwammen en hun sporen, of het overbrengen van deze in een vorm, die ze onschadelijk maakt voor de gezondheid.
   Nägeli, die van de onderstelling uitging, dat alleen de splijtzwammen, door de ademhaling in ons lichaam geraakt, besmetting veroorzaakten, noemde ook desinfectie het verhinderen der splijtzwammen, om in den drogen toestand over te gaan. Doch nu wij zeker weten, dat ook smetstoffen door voedingsstoffen in het lichaam geraakt de ziekten kunnen overbrengen, kan men dit niet als desinfecties blijven aanmerken. Wel zal het geraden zijn zooveel mogelijk te verhinderen, dat de splijtzwammen in de lucht geraken, want de kans op besmetting is veel grooter door de ademhalingsorganen dan door het spijskanaal.

   Daar de levensvoorwaarden der pathogen zwammen2 niet alle gelijk zijn en ook het ontwikkelingsvermogen der sporen zeer verschillend is, zal men ook de desinfectie-middelen moeten wijzigen naar den aard der smetstoffen.
   Slechts een wijze van onschadelijk maken, die voor alle geldt zonder onderscheid, is bekend, en deze is het aanbrengen van een hooge temperatuur, veel hooger dan die van kokend water. De meeste bacteriën gaan reeds te gronde bij een lageren warmtegraad, maar sommige, en vooral hun sporen, verliezen het ontwikkelingsvermogen niet, al worden ze geruimen tijd aan de kookhitte blootgesteld. Eenige worden pas gedood bij een temperatuur van 140°C.
   Dit desinfectie-middel is in de meeste gevallen niet toe te passen, want de meeste stoffen zijn tegen zulk een sterke hitte niet bestand, te meer niet, omdat ze minstens drie uur daaraan moeten worden blootgesteld. Bovendien hebben de onderzoekingen van Koch en Wolffhügel aangetoond, dat het verhitten van bundels kleederen en van kussens tot 140° zóó dat zelfs het inwendige daarvan die temperatuur heeft aangenomen, een veel langeren tijd vereischt.

   Betere resultaten heeft men verkregen door het behandelen der besmette zaken met heeten waterdamp. Alle bacteriën en zelfs hun sporen worden gedood, wanneer zij eenigen tijd aan waterdamp van 100° worden blootgesteld. Ook hier heeft men echter weer het bezwaar, dat alle voorwerpen zulk een vochtige hitte niet kunnen doorstaan en dat bij bundels kleedingstukken enz. de hitte zoo langzaam doordringt. Om in dit laatste bezwaar te gemoet te komen, heeft men inrichtingen bedacht, waardoor de werking zeer wordt bespoedigd. \een der eenvoudigste is zeker de volgende, die door Koch is aan de hand gedaan. Op een open pan van 50 cM. hoogte en 50 cM. wijdte wordt een blikken cilinder van ongeveer 2 meter hoogte vastgekit. Deze is van boven van een blikken verlengstuk voorzien, dat kegelvormig eindigt met een opening van 6 cM. De cilinder en de kegel worden door een mantel van vilt omgeven, ten einde de afkoeling van den damp te verhinderen. In de pan wordt een chloorcalcium- of keukenzout-oplossing aan het koken gebracht, en de voorwerpen, die men ontsmetten wil, in den cilinder op de meest geschikte wijze bevestigd.

   Het gelukte Koch door middel van dezen toestel met sporen besmette aarde, in een rol linnen van 50 cM. hoog en 40 cM. doorsnede gepakt, binnen den tijd van drie uren te ontsmetten. Het inwendige der aarde had zelfs een hoogere temperatuur dan 100° verkregen.
   Nog eenvoudiger kan men de smetstoffen vernietigen, door de stoffen, welke geinfecteerd zijn, gedurende eeinigen tijd in water te koken. Waschgoed, kleederen, lepels, vorken, aardewerk en porselein minstens een half uur met water gekookt, (niet met kokend water overgoten en dan een half uur laten staan) kan men als gedesinfecteerd beschouwen.

   Vroeger meende men dat ook sterke koude vernietigend op de smetstoffen werkte, en daarvoor bestond wel eenigen grond, omdat men waarneemt, dat sommige besmettelijke ziekten verminderen, wanneer het koude jaargetijde intreedt. De proeven van Koch en vooral van Pictet en Jung hebben echter aangetoond, dat vele bacteriën een sterke koude kunnen weerstaan zonder het vermogen om zich te ontwikkelen te verliezen. De cholera=microben verdragen een koude van -10° en andere dezer lage organismen worden zelfs niet gedood, al vertoeven ze vier uren achtereen om een temperatuur van -100° tot -130°.
   Het verminderen eener epidemie bij groote koude moet daaraan worden toegeschreven, dat de splijtzwammen op een lage temperatuur ophouden met zich voort te planten, zonder daarom dit vermogen te verliezen, want zoodra de temperatuur weder stijgt, begint de ontwikkeling opnieuw.
   De ontwikkeling der bacteriën heeft altijd plaats tusschen bepaalde temperatuur-grenzen, worden die overschreden dan houdt alle groei op, om dadelijk weer in te treden als de temperatuur tusschen de grenzen is teruggekeerd.
   In den laatsten tijd hebben eenige geleerden, waaronder Koch, Wolfhügel, Proskauer, Schill en Fischer zich bezig gehouden met het onderzoek der meest gebruikelijke desinfectie-middelen, met het oog op hun vernietigende werking op bacteriën. Zij hebben bevonden, dat er onder de groote menigte maar enkelen zijn, die met recht als ontsmettingsmiddelen kunnen worden beschouwd; wanneer men namelijk als zoodanig aanmerkt die stoffen, welke in niet te langen tijd (ongeveer 24 uren) de ziekteverwekkende zwammen, hetzij als bacillen of als sporen, vernietigen of onwerkzaam maken.

   De proeven zijn zeer nauwkeurig genomen met miltvuur-bacteriën en sporen daarvan. Zij bezitten van alle bekende ziektekiemen het grootste weerstandsvermogen, en men mag dus aannemen dat een middel, dat in korten tijd deze bacterie kan dooden, ook bij dezelfde concentratie in ongeveer denzelfden tijd alle andere pathogene splijtzwammen zal vernietigen.
   Uit de groote lijst door hen in de Mittheilungen d. Kais. Gesundheitsambt gepbliceerd, neem ik in het kort slechts de ons meest bekende over. De daarachter gevoegde cijfers geven aan, hoeveel dagen de stoffen hebben ingewerkt, terwijl door een - teeken is aangegeven, als de desinfectie niet is geslaagd. Dus alleen die stoffen, waarachter het + teeken staat, hebben in het daarvoor geplaatst aantal dagen het ontwikkelingsvermogen der sporen en ook dat der bacteriën weggenomen.

   

Desinfectiemiddelen. Dagen. Uitwerking.
Alcohol (absoluut) 110 -  
Alcohol (1 dl. met 1 dl. water) 110 -  
Alcohol (1 dl. met 2 dl. water) 110 -  
Aether 30 + na 8 dagen was het ontwikkelingsvermogen reeds
minder geworden.
Zwavelkoolstof 20 -  
Chloroform 100 -  
Benzol 20 -  
Petroleum aether 5 -  
Terpentijn olie 5 + op den eersten dag was de invloed te bemerken.
Chloorwater (versch bererid) 1 +  
Broom (2% in water) 1 +  
Jodwater 1 +  
Zoutzuur (2% in water) 10 +  
Ammonia 10 -  
Keukenzout (geconc. oplossing) 40 -  
IJzerchlorid (5% in water) 6 + na twee dagen was de invloed te bemerken.
Sublimaat (1% in water) 1 +  
Arsenik (1% in water) 10 +  
 
Desinfectiemiddelen. Dagen. Uitwerking.
Kalkwater 10 -  
Chloorkalk (5% in water) 5 + na twee dagen was het ontwikkelingsvermogen zeer verminderd.
Zwavelzuur (1% in water) 10 - het ontwikkelingsvermogen was wel sterk verminderd.
Zinkvitriool (5% in water) 10 - het ontwikkelingsvermogen was wel sterk verminderd.
Kopervitriool (5% in water) 10 - het ontwikkelingsvermogen was wel sterk verminderd.
IJzervitriool (5% in water) 6 -  
Aluin (4% in water) 12 -  
Overmangaanzure kali (5% in water) 1 +  
Overmangaanzure kali (1% in water) 2 -  
Chloorzure kali (5% in water) 6 -  
Osmiumzuur (1% in water) 1 +  
Boorzuur (5% in water) niet geheel opgelost 10 - ontwikkelingsvermogen wel verminderd.
Borax (5% in water) 15 -  
Zwavelammonium 5 +  
Mierenzuur (s.g. 1.12) 4 +  
Azijnzuur (5% in water) 5 -  
Azijnzure kali (geconcentr. oplossing) 10 -  
 
Desinfectiemiddelen. Dagen. Uitwerking.
Azijnzuur lood (5% in water) 12 -  
Kalizeep (2% in water) 12 -  
Chloorpikrin (5% in water) 6 +  
Chinine (1% in water met zoutzuur) 10 +  
Jodium (1% in alcohol) 2 - ontwikkelingsvermogen wel verminderd.
Thymol (5% in alcohol) 15 -  
Salicylzuur (5% in alcohol) 15 -  
Salicylzuur (2% in olie) 80 -  
Pepermuntolie (5% in alcohol) 12 -  
Chloorzink (5% in water) 30 -  
Carbolzuur (2% in water 5 - ontwikkelingsvermogen eenigszins verminderd.
Carbolzuur (5% in water) 2 +  
Ruwe houtgeest onverdund 20 +  
Ruwe houtazijn onverdund 2 +  
Houtteer onverdund 20 -  
Steenkolenteer onverdund 20 -  
Carbolzuur (5% in olie) 110 - Miltvuur-sporen niet vernietigd.
Carbolzuur (5% in alcohol) 70 - Miltvuur-sporen niet vernietigd.
Carbolzuur (5% in olie) 6 + Miltvuur-bacillen vernietigd.
Carbolzuur (5% in alcohol) 6 + Miltvuur-bacillen vernietigd.


   Men ziet uit deze lijst, dat zeer vele middelen, die tot nog toe bij desinfectie een groote rol speelden, als niet afdoende uit de gelederen moeten worden geschrapt, terwijl andere, geschikt om de sporen te dooden, om den langen tijd, dien zij daartoe behoeven, als ontsmettingsmiddelen niet in aanmerking kunnen komen.

   (Wordt vervolgd). Dr. J.E. Rombouts.
1 Dr. F. Cohn, Bacteriën, de kleinste levende wezens, vertaald door Joh. F. Snelleman.
2 Pathogene=ziekteverwekkende.


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline
→