|
|
De inrichting van een bliksemafleider.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 April 1885 - 5e jaargang |
Door drie leden van de Zwitsersche Bonds-commissie voor de meteorologie is de volgende ontwerpinstructie opgemaakt, ten behoeve van het publiek, om de zekerste waarborgen te verkrijgen bij het inrichten van bliksemafleiders.
1. Als een elektrische ontlading plaats heeft tusschen een wolk en den grond, schijnt deze ontlading, die zich gewoonlijk vertoont in den vorm van een bliksemstraal, den weg te volgen. die den minsten weerstand biedt. De verklaring der voornaamste nuttige werking van de bliksemafleiders berust op dit feit van waarneming.
2. Een bliksemafleider bestaat uit een of verscheidene metalen stangen, boven het te beschermen gebouw uitstekend, onderling en met den grond verbonden door een stelsel van metalen geleiders; als de afleider goed gemaakt is, biedt hij een geringeren weerstand tegen de ontlading dan elk ander gedeelte van het gebouw.
3. Men onderscheidt de drie volgende deelen bij een bliksemafleider: 1° het stelsel van stangen, die boven het gebouw uitsteken; 2° het stelsel van geleiders, die naar den grond loopen; 3° de verbindingen der geleiders met den grond.
4. De stang van den afleider is van ijzer; haar hoogte hangt af van den aard en den vorm van het te beschermen gebouw, alsmede van het aantal stangen, dat men voornemens is op te stellen. Men kan aannemen, dat een gewoon gebouw, welks noklengte niet grooter is dan 15 meter, kan beschermd worden door een stang van 5 meter, in het midden geplaatst. Ingeval de lengte grooter is dan 15 meter, moet men twee of verscheidene stangen plaatsen op een afstand van elkander, die niet grooter is dan 4 malen haar hoogte; de twee stangen echter, die bij de einden staan, zullen niet verder van die einden verwijderd mogen wezen dan 1½ maal haar hoogte. Over het algemeen is het, als de vorm van het gebouw het toelaat, voordeeliger het aantal stangen te vermeerderen, dan haar hoogte grooter te maken. Het is van belang het aantal stangen te vermenigvuldigen op de huizen, die van binnen groote metaalmassa's bevatten.
5. De stang moet zeer stevig bevestigd wezen aan het geraamte van 't gebouw; om het indringen van regenwater te voorkomen langs den voet van de stang naar de balken, plaatst men een metalen kegel, in den vorm van een omgekeerden trechter, aan den voet der stang en zorgvuldig daaraan gesoldeerd.
6. De stang eindigt met een verzinkt ijzeren spits of wel men schroeft aan haar einde een vergulde of vernikkelde koperen spits vast. Deze spits moet dik zijn, kegel- of piramidaalvormig, de hoek der spits mag niet te scherp wezen. Als men een spits van een ander metaal op de stang bevestigt, moet het einde van de stang voorzien zijn van een schroefgang, die tot binnen in den kegel doordringt. Men kan ook de ijzeren stang zelf in een spits laten uitloopen, en op 30 centimeter van het einde, 3 tot 5 ijzeren spitsen vastklinken van 20 centimeter lengte ongeveer en van de centrale stang afwijkende; deze soort van stralende spits moet goed verzinkt zijn.
7. De geleider vormt een doorloopende metalen geleiding tusschen den voet der stang en den grond. De beste geleider is die van koper; men moet voor een enkele stang twee koperdraden van 5 millimeter dikte gebruiken of wel twee ijzerdraden van 8 millimeter dikte. Deze geleiders loopen naar den grond, na twee verschillende deelen van het gebouw gevolgd te hebben. Als men slechts één geleider wil gebruiken, kan men een koperdraad van ongeveer 8 millimeter dikte nemen, of een ijzerdraad van 12 millimeter in middellijn, als het ijzer rond is, of van één vierkanten centimeter doorsnede, als het staafijzer is. De genoemde cijfers veronderstellen, dat het koper van de geleiders een geleidbaarheid heeft gelijk aan 70 percent van die van zuiver koper. Als men een ijzeren geleider maakt van aaneengeklonken staven, moeten alle klinkplaatsen met soldeer bedekt worden; het gebruik van looden platen tusschen de geklonken deelen is slecht en kan in geen geval het met soldder bedekken der verbindingsplaatsen overbodig maken.
Welk stelsel ook worde gekozen, men zij indachtig, dat het van het grootste belang is, dat de metalen geleider onafgebroken doorloopt. Het gebruik van kabels van koper- of ijzerdraad is slechts nuttig, als men volle geklonken en gesoldeerde geleiders kan krijgen; de kabel moet in dit geval uit een enkel stuk zijn. Kabels van geel koperdraad moeten niet gebruikt worden.
8. De geleider moet zorgvuldig met de stang verbonden worden, men kan hem tusschen twee schroeven klemmen; de aanhechting moet bedekt worden met soldeer; men moet in geen geval een kabel met de stang van den afleider verbinden door middel van een eenvoudigen ring.
9. Als er verscheidene stangen op hetzelfden gebouw staan, worden zij onderling verbonden door een nokgeleider, waaraan de geleiders gehecht zijn, die naar den grond loopen. Het aantal van deze laatste moet toenemen met het aantal spitsen; men mag de volgende verhouding aannemen: voor 2 tot 6 stangen, gebruike men 3 geleiders, gelijk aan die welke onder no. 7 vermeld zijn; voor 6 tot 9 stangen, 4 geleiders en van dit getal af, voor elke 3 stangen een geleider meer. Alle metalen deelen van het dak behooren verbonden te wezen met de geleiders, die naar den grond loopen en men moet vermijden, deze geleiders zeer dicht langs vensters of balcons te laten loopen.
In geval het gebouw inwendig groote metaalmassa's bevat, moet men ze aan de beide einden verbinden met de geleiders, die met den grond gemeenschap hebben. Dicht bij den grond behoort de geleider tegen beschadiging beschermd te worden door een ijzeren buis of door een houten omhulsel tot twee meter boven den grond. De geleider moet op het dak en langs de muren door middel van ijzeren haken bevestigd worden; men mag hem vooral niet sterk spannen bij het aanleggen.
10. De gemeenschap van het net van geleiders met den grond is een der belangrijkste deelen van de opstelling eens bliksemafleiders.
Als er in de nabijheid van het gebouw een aanzienlijke, geheel metalen water- of gasleiding bestaat, verbinde men den geleider met deze leiding. Daartoe moet met den geleider verscheidene malen om de buizen winden, na het metaal schoon gemaakt te hebben en over een groote uitgestrektheid vastsoldeeren. Men bedekt vervolgens het soldeer met vernis of teer.
Als er geen gas- of waterleiding is, kan men den geleider met het ondergrondsche deel van een metalen pomp verbinden, indien er een in de buurt is, onder voorwaarde dat de zuigbuis van de pomp in een niet gecenenteerden put staat. Bij afwezigheid van eenige metaalvlakte, die in voortdurende gemeenschap is met vochtigen grond of met water, moet men een metalen aardplaat aanleggen voor elken geleider. Deze plaat moet met een zoo groot mogelijk oppervlak in aanraking zijn met vochtigen grond. Men kan een goede aardplaat verkrijgen door een plaat van één vierkanten meter oppervlak van verzinkt ijzer, als de geleider van ijzer is, of van rood koper, als de geleider van koper is; deze plaat wordt op ten minste 2 meter van het gebouw af in den grond gelegd en wel in het meest vochtig blijvend gedeelte, dat men vinden kan.
In plaats van een ijzeren plaat kan men een waterleidingbuis nemen van één vierkanten meter oppervlakte; de uitschotbuizen zijn geschikt voor dit gebruik. De geleider moet op verscheidene plaatsen aan de plaat gesoldeerd zijn. Een merk boven de plaats, waar de aardplaat ligt, zal deze gemakkelijk kunnen doen weervinden. Men moet alle drie jaren ten minste onderzoeken of de inrichting goed gebleven is. Als de bliksemafleider door den bliksem getroffen mocht worden, moet men terstond onderzoeken of hij niet geleden heeft. |
| H. |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
↑ |
|