Hooge venen


 overzicht
Inhoud
Start
Hooge venen.

Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Augustus 1884 - 4e jaargang


   Over het ontstaan dezer eenigszins geheimzinnige bergen van turf, die op verschillende plaatsen in onze oostelijke en noordoostelijke heidevelden, alsook in Hannover worden aangetroffen en gezamenlijk een oppervlakte van bijna 200 vierkante geographische mijlen bestaan, heerscht nog heden ten dage groot verschil van meeningen.
   Wel is waar zijn de natuuronderzoekers, die zich met dit vraagstuk hebben bezig gehouden, allen tot een gevestigde opinie daaromtrent gekomen, en hebben zij voor hun theorieën zeer aannemelijke bewijsgronden aangevoerd, doch deze zijn zoodanig met elkander in strijd, dat men hun geschriften lezende, geneigd is te gelooven, dat niet alle hooge venen denzelfden oorsprong hebben gehad, mogelijk ook, dat een of andere belangrijke factor, die tot het ontstaan dier venen aanleiding heeft gegeven, voorbij gezien is.
   De voornaamste schrijvers over dit onderwerp, die wij naar tijdorde aanhalen, zijn:
   De Fransche geleerde De Luc, de Göttinger professor Grisebach en Dr. Staring, de bekende schrijver van het werk: "De bodem van Nederland."
   De Luc beschouwt de hooge venen als te zijn ontstaan:
   "op gronden, die door kleine bronnen bevochtigd, zeer geschikt waren voor iederen plantengroei, en planten voortbrachten, die tot een begin van turfvorming aanleiding gaven.
   Naarmate de turflaag dikker werd, drongen de boomen meer en meer met hun wortelen daar in door, zoodat eindelijk de wind ze kon ontwortelen en de turf, voortgroeiende, ze geheel bedolf.
   Dit is het eerste en kenmerkende tijdperk in alle groote hooge venen, want, wanneer men de turf er tot een zekere diepte uitgraaft, vindt men de stammen, takken en wortelen van die boomen daarin terug, terwijl van dat tijdperk af er geen boomen op de meeste dier venen zijn gegroeid.
   Al voortgroeiende, heeft de turf groote uitgestrektheden land, verre van de plaatsen, waar hij oorspronkelijk ontstaan is, overdekt. Indien hij op heuvelen was ontstaan, zakte hij langs hun hellingen af, terwijl hij in de vlakte ontstaande, zijn eerste grenzen achtereenvolgens overschreed en in sommige plaatsen zelfs tegen de heuvelen opgroeide. Overal, waar deze spons kleine bronnen aantreft, die haar vochtig houden, blijft zij in dikte en oppervlakte aangroeien."
   Omtrent deze beschouwing moet aangemerkt worden, dat de bodem, waarop de meeste hooge venen groeien, niet geschikt is voor iederen plantengroei en vaak evenmin, vooral niet op de heuvelen, door kleine bronnen bevochtigd wordt. Men leze dien aangaande in Staring's Bodem van Nederland bladz. 96-99, waar onder anderen de navolgende zinsneden voorkomen:
   "In plaats van met vereende krachten voor afwatering der hooge venen te zorgen en het voor verturven ongeschikte veen te bewaren tot het vormen van den vruchtbaren bouwgrond, wordt alles verbruikt en de kale, onvruchtbare zandgrond blijft achter."
   "Van den buitenrand bij zeer vele hooge venen is dit het geval, en niet minder bij een menigte kleine veentjes, die zich thans als onvruchtbare heidevlakten voordoen."
   Geheel anders is de meening van Grisebach, die na een nauwkeurig onderzoek van de samenstelling der Emser venen bij Papenburg, tot de slotsom komt, dat zij ontstaan moeten zijn in bekkens of kommen, die geen voldoende afwatering hadden, en waarvan de bodem geheel voor water ondoordringbaar werd gemaakt door den harsachtigen afval der heidekruiden, die er op groeiden.
   Deze afval, gemengd met zand, vormt volgens Grisebach een voetdikke, waterdichte, zwarte laag op den witten zandbodem, die hij de Zool (das Sohlband) noemt, waarop de turf zich kan ontwikkelen en het noodige vocht behouden.
   Sprekende van het Kehdinger veen in Hannover, hetwelk zich te midden der "marschen" (lage, moerassige weilanden) van de Elbe ter eene, en van de Oste ter andere zijde over een lengte van circa 25 kilometer uitstrekt, zegt hij: "dat het de geest (hooge, zandige streek) volkomen bedekt zonder aan weerszijden op de marschen neer te glijden.
   Midden in het veen is de geest, waarop het rust, 12 voet boven den waterspiegel verheven, terwijl de turf daarover in een boog van 37 voet hoogte uitgespannen ligt.
   Hij vermoedt, dat de "geest onder het Kehdinger veen komvormig is en betreurt het, dat hem geen nivelleeringen ten dienste staan om dit vermoeden te staven, doch is het overigens met De Luc eens: "dat dit veen een massieven turfheuvel vormt tusschen twee marschen."
   De vraag ligt hier voor de hand, waarom die turf niet in de ter weerszijden liggende "marschen" is gegroeid, waar hij veel meer reden van bestaan zou hebben dan op een 12 voet boven water verheven, onvruchtbaren zandgrond, en doet het vermoeden rijzen, dat de aanleiding tot het ontstaan van dit veen een andere moet zijn dan de geschiktheid van den bodem, waarop het ligt.
   Wij komen hierop later terug, doch merken op, dat het vermoeden, als zoude die bodem komvormig zijn, veel van zijn waarschijnlijkheid heeft verloren, sedert de nauwkeurige waterpassing bekend is geworden van den ondergrond van het veen in de Peel (prov. Noord-Brabant.) Deze waterpassing, door middel van boringen op onderlinge afstanden van circa 100 meter verricht, heeft plaats gehad ten behoeve van den aanleg der spoorbaan Helmond-Venlo, dwars door het midden van de Peel van W.N.W. naar O.Z.O., zijnde dezelfde richting, waarin tal vanm boomen en planten in en onder het veen bedolven liggen. De Peel heeft daar ter plaatse eenbreedte van 8 kilometer, en nu is gebleken, dat het veen niet in een bekken ligt, maar tegen, op en over een heuvelrug, die, beginnende van de W.N.W. zijde, zich tot in het midden van de Peel geleidelijk van 29,02 tot 32,20 +A.P. verheft, dan over een lengte van 2 kilometer daalt tot op 29,17, terwijl de bodem over de twee laatste kilometers weder eenigszins rijst, en het veen tegen een hoogte van 31,27 +A.P. op niet uitloopt.
   Deze uitkomst, die, wat de ligging van het veen betreft, met de beschouwingen van De Luc overeenstemt, is derhalve in lijnrechte tegenspraak met het door Grisebach geuite vermoeden, en, met welke nauwkeurigheid en scherpzinnigheid deze geleerde ook de samenstelling van de Emser venen heeft onderzocht, zoo kan toch zijn theorie omtrent het ontstaan der hooge venen, althans niet op alle van toepassing zijn.
   Dr. Staring is dan ook overtuigd, dat die theorie onjuist is (bladz. 100, Bodem van Nederland) en spreekt als zijn gevoelen uit, dat ondergrgane bosschen de naaste aanleiding tot het ontstaan der hooge venen hebben gegeven.
   Hij kiest als voorbeeld, om die meening te staven, de zoogenaamde Drieschicht in Twenthe, en gaat de ontwikkelingsgeschiedenis van dit veen na, waarbij het Beekberger Oerwoud, door Dr. Wttewaal beschreven, als voorbeeld van het ontstaan van genoemd veen aangehaald wordt.
   Langs dezen, van De Luc's en Grisebach's beschouwingen geheel afwijkenden weg, komt hij tot aan het tijdperk, waarin de laatste boomen, op het veen groeiende, omvallen en ver zinken, en besluit aldus:
   "Het is nu dit laatste tijdperk der verandering van bosch in veen, waarin alle hooge venen verkeeren. De oorsprong, de aanleidende oorzaak zijn bosschen geweest, maar daarna hebben heide en veenmos met sekgrassoorten de bestanddeelen opgeleverd, waaruit verreweg het grootste deel der veenmassa's bestaat."
   Deze zienswijze wordt intusschen door De Luc en vooral door Grisebach ten stelligste weersproken. "Niet het veen is op de bosschen, maar deze zijn op het veen gegroeid," zegt hij, en ten bewijze daarvan voert hij aan, dat de boomen in de venen met stammen, takken en wortelen geheel in het veen bedolven liggen, terwijl het vinden van afgebroken boomstammen in de venen van Drenthe, waarvan de wortelen nog in den ondergrond vast zitten, door hem als een omstandigheid van lokalen aard wordt beschouwd, waaraan hij weinig gewicht hecht.1
   Wij zien dus, dat omstrent den eersten oorsprong der hooge venen de meest uiteenlopende meeningen voorgestaan worden. Omtrent den verderen groei en uitbreiding er van heerscht echter geen verschil van opvatting en is de slotsom eenstemmig: dat water- en moerasplanten zich op het eenmaal gevormde veen konden ontwikkelen en daarop in alle rictingen konden blijven doorgroeien, zoo lang dit slechts het noodige vocht konde behouden.
   De vraag, of omtrent het ontstaan der hooge venen niet meer eenstemmigheid en zekerheid te verkrijgen is, meent schrijver een schrede nader tot haar oplossing te kunnen brengen, op grond van waarnemingen, die hij gelegenheid had te doen in de reeds genoemde Peel, nabij Helenaveen. Evenals bij de hooge venen elders, vertoont zich het veen in de Peel als eeb uitgestrekte vlakke heuvel, op een schier grenzenlooze heide.
   Aan de kanten slechts dun, verkrijgt de turflaag op eenigen afstand naar het midden toe een dikte van 3 tot 5 meter.
   De overgang van heide in veen is nauwlijks merkbaar, en beide zijn metezelfde heideplanten begroeid.
   Op den grens van beide staande, zoekt men te vergeefs naar de verklaring, waarom die turfmassa juist hier en niet ginds op de heide ligt; we weten immers, dat, wanneer al het veen weggenomen wordt, er dan een even onvruchtbare heide als die er nu aan grenst, achterblijft, en als van zelf rijst de vraag, of de massa's moeras- en waterplanten, op die hooge en dorre heide liggende, daarop gegroeid kunnen zijn.
   Wie de heide kent - vooral die heide, waarop de peelturf ligt, ontkent de mogelijkheid daarvan ten stelligste, doch dit is niet voldoende, zoolang niet bewezen kan worden, dat die planten althans voor een deel van elders zijn gekomen. Daartoe stelt ons echter de Peel in staat.
   Schrijver had gelegenheid den bodem van dit veen nabij het dorp Helenaveen te onderzoeken, terwijl er een kanaal werd gegraven voor den afvoer van turf en landbouwprodukten en voor den aanvoer van meststoffen. Van weerszijden zag hij de drie meter hooge veenlaag in vertikale doorsnede, die aldaar van buitengewoon grove structuur is en levendig herinnert aan de samenstelling van de door Staring beschreven drijftillen.
   Deze bestaan grotendeels uit plompen, scheeren lischdodden, lisschen, riet, biezen, waterzuring en andere waterplanten; vormen in onze lage, westelijke streken uitgestrekte, drijvende venen, en verplaatsen zich bijwijlen in groote massa's.
   De constante W.O. richting, waarin die nog duidelijk zichtbare plantenvezels en wortelen eenigszins horizontaal in de middelste en onderste lagen van den peelturf lagen, deed vermoeden, dat ze dáár niet gegroeid, maar bij hooge vloeden uit het westen aangespoeld moeten zijn. Bij de beschouwing van den bodem, waarop het veen gelegen had, werd dit vermoeden bevestigd en vond schrijver dezelfde planten, die thans nog op de aangrenzende heide groeien, in hoofdzaak struik- en dopheide, als ook een daar ter plaatse gegroeide, 10-jarige den (Pinus Sylvestris) in goed geconserveerden staat terug. Alle waren nog met de wortelen in den grond bevestigd, doch in O.Z.O. richting omvergedreven en ter aarde gestrekt.2 Hoe is het verschijnsel, dat die planten, plotseling in haar groei gestoord, en in dien goeden staat teruggevonden worden, anders te verklaren dan dat ze, onder de drijvende plantenmassa's bedolven en, zorgvuldig van de lucht afgesloten, bewaard zijn gebleven?
   Immers, wanneer het veen op die plaatsen van lieverlede gegroeid ware, dan zouden die planten geheel of gedeeltelijk vergaan moeten zijn en de overblijfselen er van rechtstandig terug gevonden moeten worden.
   Wel is waar wordt algemeen aangenomen, dat de boomen door noordwestelijke stormen omvergewaaid en door het syyeds aangroeiende veen bedolven zijn, doch een 10-jarige den waait niet om, veel minder nog de planten van struik- en dopheide; ze buigen voor den wind, doch als hij bedaart, staan ze weer op en vertoonen geen spoor meer van zijn geweld.
   Al deze verschijnselen tezamen nemende, kan met volkomen zekerheid de gevolgtrekking gemaakt worden, dat het veen in de Peel op sommige plaatsen niet gegroeid, maar van elders aangespoeld is. Men zou zich echter vergissen, indien men meende, dat de bodem van de Peel overal hetzelfde karakter droeg; het tegendeel is waar, en schrijver heeft dien bodem op menige andere plaats onderzocht, zonder de oorspronkelijk daarop groeiende heideplanten terug te vinden, terwijl hoogstens nog de houtachtige stengels en wortelen er van te herkennen waren.
   Op zulke plaatsen draagt het veen echter ook geheel andere kenmerken, is er van aangespoelde planten geen spoor te ontdekken, en vertoont het zich als een nagenoeg amorphe massa hoofdzakelijk uit veenmos bestaande.
   Dit ongelijke voorkomen van het hooge veen zoowel als van den bodem, waarop het ligt, heeft ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de verschillende beschouwingen omtrent zijn ontstaan, en ware schrijver niet getuige geweest van de duidelijke kenmerken, die het veen in de Peel draagt van gedeeltelijk te zijn aangespoeld, hij zou zich gereedelijk met de meening van anderen vereenigd, en geen poging aangewend hebben, om een nadere verklaring te zoeken.
   Zeer waarschijnlijk zullen ook in het Kehdinger veen wel aangespoelde drijftillen gevonden worden, de de eerste aanleiding tot de vorming van hoog veen hebben gegeven. De ligging van dat veen tusschen twee rivieren en uitgestrekte "marschen", waar het ontstaan van drijvende venen natturlijk te achten is, spreekt voor deze veronderstelling.
   Wanneer eenmaal zich een drijvend veen op een hooge zandvlakte heeft afgezet, is de doorgaande veenvorming licht verklaarbaar.
   De planten toch, waaruit het bestaat, bevatten een verbazemde hoeveelheid water, die van tijd tot tijd door den regen gevoed, het uitdrogen er van onmogelijk maakt.
   Door den gestadigen toevoer van vocht en van de bestanddeelen, die de langzaam vergaande moerasplanten afgeven, wordt de zandgrond een vruchtbare bodem, waarop mos en andere veenvormende planten kunnen groeien.
   Ieder laagte, waarin het vocht zich kan ophoopen, wordt door die planten in betrekkelijk korten tijd opgevuld, en hieruit verklaart zich de effene, eenigszins bolvormige gedaante van alle hooge venen, die, zoolang ze geen gevaar loopen te verdrogen, in alle richtingen, zoowel vertikaal als horizontaal, bllijven doorgroeien.
   Is echter dit tijdstip aangebroken, dan houdt de groei van mos en andere moerasplanten in de hooge venen op, en vertoonen ze op hun oppervlakte niets meer dan heideplanten, waarvan de afval wel is waar nieuwe veenlagen vormt, die echter slechts langzaam in dikte toenemen.
   Uit het bovenstaande te willen afleiden, dat alle hooge venen op dezelfde wijze zijn ontstaan, is niet mogelijk, zoolang ze niet over hun geheele uitgestrektheid onderzocht zijn.
   Het is bovendien mogelijk, dat er streken zijn, waar, zooals De Luc beweert, een spontane groei van veenvormende planten kan plaats hebben; ook dat er venen ontstaan zijn in groote komme zonder voldoende afwatering, zoowel als op ondergegane bosschen, doch gesteld, dat zulke voorbeelden bestaan, zoo kunnen zij toch, zooals wij aantoonden, niet als algemeene regelen gelden, en het doel van schrijver zal bereikt zijn, wanneer hij de opmerkzaamheid heeft gericht op de drijvende venen, die zooals met duidelijk schrift op den bodem van de Peel staat te lezen, ongetwijfeld tot het ontstaan van dit en mogelijk ook van andere hooge venen aanleiding hebben gegeven.
Oisterwijk F.A. Holleman.


1 Zeer opmerkelijk is het, dat die stammen menigmaal op eenigen afstand van de stompen, waarmede ze vroeger geheele boomen vormden, teruggevonden worden.
2 In mijn "Handleiding voor Heideontginners" met een enkel woord vermeld. H.


webdesign & copyright
© 2001-2004 Eveline