|
|
De elektrische verlichting der magazijnen van den Printemps te Parijs.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 December 1884 - 4e jaargang |
| Het modemagazijn van den Printemps te Parijs is algemeen bekend. De ondernemende directeur Jaluzot heeft indertijd niet nagelaten de wederverrijzing zijner in 1881 verbrande magazijnen wereldkundig te maken. Hij en zijn architect Paul sédille oordeelden terecht, dat, waar zooveel kunst en weelde ten toon gespreid zouden worden, ook de beste verlichting een vereischte was. Het zal dus niemand bevreemden, dat hier de elektrische verlichting werd toegepast, die de bezoekers in de gelegenheid stelt om ook des avonds de kleuren der nouveautés met juistheid te beoordeelen. |
Gezicht op de stoom- en dynamo-machines voor de elektrische verlichting der magazijnen van den Printemps te Parijs.
[Klik op de afbeelding voor een vergroting.] |
De nevenstaande gravure doet ons een blik slaan op de stoom- en dynamomachines, welke in een der kelders van de uitgebreide inrichting geplaatst zijn, om aan de talrijke zalen en gaanderijen het elektrisch licht te leveren.
Drie stoommachines, elk van 120 paardekracht, naar de laatste type van G.H. Corliss gebouwd, drijven niet minder dan 21 dynamo-machines. Als het geheel voltooid is, zullen er vier zulke machines zijn. Thans dient nog een kleinere compound-machine, type Pilon, van 20 paardekracht, afzonderlijk om de ondergrondsche lokalen des daags te verlichten. De stoomketels Belleville staan in een naburig lokaal. In 't geheel zijn er 24 Gramme-machines aanwezig, elk voor 20 kaarsen; deze onderhouden 265 Jablochkoff-kaarsen van 4 millimeters, 18 van 6 millimeter dikte, 150 gloeilampen volgens Maxim, 50 volgens Edison, 55 volgens Swan en 4 regulateurs (booglampen met regulateur).
Deze aanleg is in zoover te laken, dat men niet in plaats van zulk een groot aantal, betrekkelijk kleine dynamo-machines, eenige wenige groote heeft verkozen, daar het reeds lang bewezen is, dat de grootere machines voordeeliger werken en de kansen voor ongevallen daarbij geringer worden.
Gewoonlijk plaatst men bij de aangenomen type van dynamo's, 5 Jablochkoff-kaarsen achter elkander in elk der vier stroomloopen; maar deze inrichting heeft het nadeel, dat de stroom, door het uitgaan van een der kaarsen, wordt afgebroken en deze dus alle 5 tegelijk uitgaan. Om dit bezwaar te ontgaaan, heeft men de geleiddraden laten kruisen, zoodat in een galerij, waar zich twee rijen lampen bevinden, twee achtereenvolgende lampen van een zelfde rij door verschillende dynamo-machines gevoed worden. Door deze schikking kan een der stoommachines stilstaan, zonder dat een gedeelte van het gebouw daardoor in het duister geraakt.
Als de magazijnen gesloten zijn, blijft nog eenig personeel gedurende eenigen tijd, nu eens in het eene, dan weder in een ander gedeelte van het gebouw; er moet daar licht blijven branden en natuurlijk met behulp van een zoo klein mogelijk aantal machines. Dit geschiedt door gebruik te maken van een dubbelen commutator, door Juppont, den ingenieur der magazijnen bedacht, in de eerste plaats dienende voor de algemeene otsteking bij het begin en in de tweede plaats om de stroomen te verwisselen, zonder dat het licht uitgaat.
Kaarsen van 6 millimeter dikte staan ten getale van 6 in de vestibule, 8 in den hall en 3 buiten; de vitrines worden verlicht door een kaars van 6 millimeter en de 4 regulateurs, 2 volgens het stelsel Mersanne en 2 volgens Gérard.
De verlichting door de gloeilampen kon eenvoudiger worden ingericht. De lampen zijn twee aan twee in afleidingen geplaatst; als dus bij de draden van een dezer lampen een contact ontstaat, krijgt de andere een te sterken stroom, die haar kooldraad verbrandt, waardoor de stroom in de afleiding is afgebroken, zonder dat de andere lampen door dit ongeval lijden. Op deze wijze wordt echter het bezwaar slechts gedeeltelijk overwonnen. Wanneer toch een zeker aantal afleidingen op denzelfden stroomloop geen stroom meer ontvangen, wordt de totale weerstand kleiner en dit zou ten gevolge kunnen hebben, dat de overige lampen een te sterken stroom ontvingen en dus verbrandden. Om hierin te voorzien, maakt men gebruik van een enkelen, dubbelen of drievoudigen stroombreker; de stroom gaat door een draad van licht smeltbaar metaal; wordt hij bovenmatig sterk, dan smelt de draad af en de stroom is afgebroken; door het insteken van een stop wordt de stroom, nadat de lamp hersteld is, nu door een tweeden, licht smeltbaren draad gevoerd,
die zich voor de lamp verhoudt als de eerste; mocht ook deze afsmelten, dan is nog een derde draad beschikbaar; maar het zal niet licht gebeuren, dat drie ongevallen achtereenvolgens op dezelfde plaats voorkomen, zoodat men met drie draden genoegzaam zeker is. Bovendien zijn bij elke machine twee proeflampen opgesteld, die den stand van het licht op de bovenverdiepingen verraden; gaat een van deze uit, dan weet de machnist, dat een looddraad gesmolten is; hij voert dan terstond een grooteren weerstand in, over welken hij steeds kan beschikken en maakt daarna de verandering in den stroomwisselaar, terwijl de lichtbewakers in het magazijn de verbrande lampen door andere vervangen. Een zelfwerkenden regelaar, waarnaar een onzer lezers onlangs vroeg, heeft men dus ook hier nog niet kunnen vinden.
Omtrent de gravure dient te worden opgemerkt, dat de teekenaar om de machines te doen uitkomen, een muur met glasramen heeft weggelaten, die de localiteit der machineriën afsluit van de ruimte, waar de op den voorgrond aanwezige bezoekers zich bewegen.
Over de kosten van aanleg en onderhoud der hier beschreven verlichting heeft Delahaye in een vergadering van gasfabrikanten een verslag gegeven, waaraan wij de volgende cijfers ontleenen: |
 |
Hiermede vergelijkt Delahaye de jaarlijksche kosten eener gasinstallatie. Volgens hem zouden 3000 gasbekken van één cacel een voldoende verlichting geven voor de 12612 vierkante meter, die de magazijnen beslaan. Bij een verbruik van 125 liter gas per bek en per uur, vindt hij, dat de gasverlichting jaarlijks 221,625 fr. zou kosten, als de prijs van een kubiek meter gas niet op 30, maar op 39,4 centimes wordt gesteld, wegens interest van het kapitaal, onderhoud, personeel en assurantie.
Om de gasverlichting even sterk te maken als de elektrische, zouden 1,968000 kubiek meter gas vereischt worden en deze tegen den genoemden prijs berekend, zouden 775,392 fr., dus ongeveer 3 1/2 maal zooveel kosten als de thans bestaande elektrische verlichting. Zulk een sterke gasverlichting zou intusschen niet aangebracht mogen worden, omdat zij de magazijnen onbewoonbaar zou maken, wegens de warmte en het luchtbederf, door de verbranding van zooveel gas veroorzaakt. Men zou haar minstens tot op de helft moeten terugbrengen, en dan zou zij jaarlijks nog ruim 70 perc. meer kosten dan de elektrische verlichting met een veel slechter licht, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid.
De nadeelige uitkomst van deze berekening voor de gasverlichting is blijkbaar het gevolg van den hoogen prijs, dien de berekenaar voor den kubiek meter gas stelt; als men de kosten van beide verlichtingen wil vergelijken, dan dient men uit een praktisch oogpunt, niet te vragen, hoevvel een gasinstallatie zou kosten, maar voor welken prijs men een voldoende gasverlichting kan verkrijgen en dan zal men voor de meeste plaatsen den aangegeven prijs wel met de helft kunnen verminderen.
Van den anderen kant is de kostbaarheid van het elektrisch licht ook hier vooral toe te schrijven aan het gemengd gebruik van gloei- en booglicht. Het is algemeen bekend, dat het gloeilicht veel, zeer veel duurder is dan het booglicht. Neemt men dit in aanmerking, dan zullen we toch uit de bovenstaande berekening wel mogen afleiden, dat een verlichting met enkel booglicht voor particulieren goedkooper kan geschieden dan met gas. |
| H. |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
↑ |
|