|
|
De vorm der bliksemstralen.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 September 1884 - 4e jaargang |
Naar aanleiding van een opstel in dit Tijdschrift, pag. 68 afl. 3,1884 [artikel Fotografie van bliksemstralen], zij het mij vergund het volgende mede te deelen.
Niet alleen onlangs, maar ook vroeger, heb ik dikwerf, als de gelegenheid daarvoor gunstig was, gedurende een onweder, dat zich boven of in de nabijheid van deze stad ontlastte, met opmerkzaamheid den bliksem gadegeslagen.
Na de lezing van genoemd opstel, vroeg ik mij zelven af: Zou mijn gezicht mij dan zoo menigwerf bedrogen hebben, dat ik mij steeds verbeelden kon te zien groote zigzagvormige stralen, terwijl deze in werkelijkheid in een geheel andere gedaante uit het luchtruim naar de aarde schoten? Ik legde mij echter neder bij de opgaven van anderen en van meer deskundige waarnemers, mij voorstellendem dat het gezicht mij meer dan eenmaal had bedrogen. In dit denkbeeld werd ik versterkt, toen ik ll. Woensdag (2 Juli) gedurende het onweder, dat elders zeer hevig is geweest en ook hier, al ware het betrekkelijk slechts kort, woedde. Ik heb gedurende dien tijd (tusschen acht en negen ure) minstens vijf à zesmaal den bliksem gezien in een vorm - als ik mij zoo eens uitdrukken mag - geheel overeenkomende met de heliographische afbeeldingen voorkomende in dit tijdschrift. Ik heb daarna het opstel nogmaals gelezen en den inhoud grootendeels overeenkomstig de waarheid bevonden.
Gisteren-avond (Zaterdag 5 Juli) bemerkte ik omstreeks negen ure in het Westen een tamelijk ver uitgestrekte, zwarte wolkenlaag, en ik werd daarbij spoedig verrast door een sterk weerlicht ter plaatse, waar deze wolk in het luchtruim langzaam zijwaarts trok. Ik heb vervolgens gedurende ongeveer een half uur mijn aandacht op deze veraf zijnde donderwolk gevestigd gehouden, en daarbij, behalve het bekende sterke weerlichten, waarbij juist geen eigenlijke bliksemstralen worden waargenomen, minstens vier maal zeer duidelijk groote, scherphoekige, zigzagvormige gele, en eenmaal roode bliksemstralen gezien, gelijk aan die, welke schilders en teekenaars gewoon zijn op hun tafereelen af te malen, en in gedaante geheel verschillende met die, welke drie dagen te voren zoo bijzonder mijn aandacht hadden opgewekt. Ik verkreeg hierbij de voldoende zekerheid, dat er nu aan geen gezichtsbedrog mocht gedacht worden.
De donderwolk was en bleef zeer ver verwijderd en het rommelend dondergeluid was slechts nu en dan en nauwelijks hoorbaar waar te nemen. Omstreeks tien uur hoorde ik, en ook andere personen met wie ik er later over sprak, slechts één donderslag, na alvorens door een sterk weerlicht daarop opmerkzaam gemaakt te wezen. Omstreeks elf uur of half twaalf heeft het in dezelfde richting nog geonweerd; althans de zwarte wolken en het daarbij zichtbare weerlicht hebben zulks voldoende aangetoond.
Uit deze waarnemingen is mij voldoende gebleken, dat de bliksemstralen niet altijd in hoofdzaak een gelijke gedaante hebben, maar dat zij zich zoowel zigzag- als slangvormig kunnen vertoonen. De wetenschappelijke landman, die zijn oog over een meer uitgebreide ruimte van het hemelruim dan de stedeling kan laten gaan, zou hierover een nog meer afdoende getuigenis kunnen geven. |
| Amsterdam, 6 Julij 1884 |
J.F.F. Steenbergen |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
↑ |
|