|
|
De baroskoop.
Uit: De Natuur,
Populair Geïllustreerd Maandschrift,
gewijd aan de natuurkundige wetenschappen en hare toepassingen.
15 Mei 1884 - 4e jaargang |
Het weerglas, dat tegenwoordig onder dezen naam bekend is, en vroeger ook wel stormglas genoemd werd, is niet nieuw, het is alleen verdoopt geworden. Meer dan 40 jaren geleden werd dit apparaat bekend gemaakt onder de benaming van »Wonderglas". Toen copiëerde ik, uit een misschien nu reeds lang vergeten tijdschrift, waarvan ik mij den titel zelfs niet meer herinner, de beschrijving er van, en, toen nu dit weerglas bij herhaling in »de Natuur" werd besproken, gevoelde ik wel de lust om die eens mede te deelen, doch ik waande toen mijn daarvan gehouden aanteekeningen reeds vele jaren verloren, en zie, dezer dagen vond ik het blad papier terug, toen het uit een boek viel, dat slechts zelden door mij wordt ter hand genomen. Om het oorspronkelijke van deze beschrijving, meen ik aan de lezers van dit tijdschrift geen ondienst te doen, wanneer ik haar hier mededeel, en er daarna eenige mijner beschouwingen, omtrent dit mijns inziens niet geheel zonder waarde zijnde weerglas, op laat volgen.
Copie.
Het wonderglas, uitgevonden op de Academie te Florence.
Neem 1/2 lood camfer, 1/8 lood salpeter en 1/8 lood salmoniac, wrijf die fijn, en doe ze in een witte heldere eau de coloneflesch, en vul deze nagenoeg tot aan den hals met spiritus; sluit dezelve met kurk en blaasje, en hang haar tegen het noord-oosten, en men zal uit de navolgende teekenen het weder kennen: |
| Indien zich een ijsboom vertoont |
|
Wind, onstuimig weer. |
| Wanneer aan de oppervlakte een ondoorschijnende wolk hangt |
|
Regen; 's winters ook sneeuw of mist. |
| Bijaldien die wolk of veertjes zich druipende vertoonen |
|
De regen os sneeuw is hier of in den omtrek van 2 of 3 uren, kort ophanden. |
| Als er niets aan de oppervlakte hangt |
|
's Zomers warmte. |
| Alles gesmolten zijnde |
|
Onweder. |
| Korrels in den klaren spiritus |
|
Hagel. |
| Sterretjes in den klaren spiritus |
|
Vorst. |
| Indien zich de oppervlakte dekt met een huid |
|
Vorst. |
| Deze huid met kleine droppeltjes voorzien |
|
De vorst zal niet lang duren. |
| Wanneer zich van onderen in den spiritus veeren vertoonen |
|
Mooi weer. |
| Bijaldien die veertjes vlak gaan liggen |
|
Het weer zal binnen 24 uren veranderen. |
Bij het lezen van deze copie zal men aanstonds opmerken, dat de oorspronkelijke opgave zeer onvolkomen was, door te spreken van spiritus, zonder de sterkte er van op te geven, want, bij de opgave eener bepaalde hoeveelheid der overige middelen, was dit alleszins noodig, om bij de vervaardiging wel te slagen. Ik herinner mij, dat ik in mijn jeugd naar dit voorschrift een wonderglas maakte, en gewonen wijngeest gebruikte, doch dat het hoegenaamd geen veranderingen aantoonde, tot dat ik op het denkbeeld kwam om er water bij te voegen, en ik er zoo lang, dan eens een weinig water, en dan weder eenige droppels spiritus, bijvoegde, tot ik eindelijk door toeval een werkzaam weerglas bekwam, doch de verhouding tusschen wijngeest en water, door dat geknoei, niet had kunnen nagaan. Met dit mengsel vulde ik naar het voorschrift een witte heldere eau de cologneflesch. De flesch, die daarmede bedoeld werd, ziet men niet meer; zij was een lange dunne cylindervormige flesch, die toen het kenteeken heette van den »echten Jean Marie Farina", en waarvan de mindere kwaliteiten in gewone flesschen van denzelfden vorm verkocht worden.
Later heeft men wel getracht nauwkeuriger voorschriften omtrent de sterkte van den spiritus aan te geven, doch het is mij gebleken, dat men zich aan den graad van sterkte niet behoeft te binden, indien men slechts zorgt, dat de et water verdunde spiritus volkomen verzadigd is met de bijgevoegde zouten. Dat het verzadigingspunt gewijzigd wordt door den warmtegraad van het vocht is bekend, en dit veroorzaakt, dat een wonderglas, dat des winters goed werkt, gedurende den geheelen zomer niets dan een klare vochtkolom vertoont. Dit bracht mij op het denkbeeld om drie wonderglazen te maken, en ik nam, geheel willekeurig, als hoogste warmtegraden aan: voor den winter 40, voor de lente en den herfst 65, en voor den zomer 90 graden Fahr.
Ik nam toen drie groote reageerbuizen, verdeelde daarin de voor elk weerglas benoodigde hoeveelheid spiritus, zooals ik dien voor de spirituslamp gebruikte, en die toen nog niet gemethyleerd werd; ik verdunde dien met gedistilleerd water tot op 100% van den toenmaligen Rijks-vochtweger, die ongeveer gelijk stonden met 50% van den tegenwoordigen weger. In elk glas loste ik 1/2 lood camfer op, en verwarmde eerst No. 1 in een waterbad op 40º Fahr., en wierp daarin toen, bij kleine hoeveelheden te gelijk, een vooraf gereed gemaakt mengsel van gelijke gewichtsdeelen salpeter en salammoniac, zoolang daarmede voortgaande, tot het vocht iets meer dan verzadigd was. Dit glas bestemde ik voor winterweerglas. Op dezelfde wijze, doch op een temperatuur van 65º Fahr., maakte ik een lente- en herfstglas, en evenzoo, doch op 90º Fahr., een zomerglas. Ik sloot daarop de drie wonderglazen, door er eenvoudig een stukje varkensblaas over te binden, en ik prikte met een naald daarin een klein gaatje. Ik verwerp elk voorschrift om de flesch hermetisch te sluiten, omdat ik geloof dat niet alleen de temperatuur, maar dat ook de luchtdrukking, de vochtigheid van den dampkring, en de windrichting invloed uitoefenen op de veranderingen, die zich in dit weerglas vertoonen. Het was mij toen gelukt drie weerglazen te vervaardigen, die zich in volgorde aan de verschillende jaargetijden vrij doelmatig aansloten.
En wat nu mijn bevinding aangaande de werking van dit weerglas is geweest? Deze: dat wel voor het oog van den oppervlakkigen beschouwer de van het vocht afgescheiden massa, zoo wel boven als onder in het glas, dikwijls dagen achtereen in vorm en hoedanigheid dezelfde blijft, doch dat het oog van een meer nauwkeurigen waarnemer, de vormen der kristallen, vooral die welke onderaan de boven in het glas drijvende massa afhangen, vaak ziet veranderen; dat bij vochtig weder die bovendrijvende massa het voorkomen heeft van smeltende sneeuw, met een vuilachtig grauwe kleur, en deze bij fraai weder een meer heldere witte kleur verkrijgt, evenals men in de zoutziederijen op in het oogloopende wijze de vochtigheid, of droogte van den dampkring aan het gestorte, geraffineerde zout kan waarnemen; dat een troebele massa, uit het vocht afgescheiden, dan eens boven drijvende, dan weder gezonken op den bodem, en soms ook zwevende in het midden van de vochtkolom wordt gezien; dat die bovendrijvende massa dikwijls van onderen regelmatige kristallen heeft, die somtijds als veêren naar beneden hangen; dat wanneer des winters de wind onverwacht noord-oostelijk, of oostelijk is geworden, men dit terstond in het glas gewaar wordt, doordien er dan, door de geheele vochtkolom, op alle hoogten, sneeuwwitte regelmatige kristallen, blijkbaar van hetzelfde soortelijk gewicht als het vocht, waarin zij zich bevinden,
uren lang op dezelfde hoogte blijven zweven, totdat de temperatuursverhooging op het midden van den dag ze vaak doet smelten en verdwijnen; dat ditzelfde verschijnsel ook des zomers bij prachtig weder met een hoogen wind wordt waargenomen, en de kristallen zijn zoo fraai gevormd, dat ze kunnen worden vergeleken bij de sneeuwkristallen, die men, op een lap laken, onder den mikroskoop gebracht, met zoo veel bewondering kan aanschouwen, en eindelijk, dat, wanneer men op een heeten zomerdag, bij broeiige lucht, de meening uit »dat er wel onweder zal komen", het zeker is, dat men alles in het glas gesmolten zal vinden.
Ik beken, dat ik door al het vorenstaande weinig licht over de wetenschappelijke waarde van dit weerglas heb verspreid; ik zou voor het doen van een opzettelijk nauwkeurig onderzoek dan ook geen tijd kunnen vinden, dan met opoffering van andere natuurkundige studiën, die mij meer boeien, doch ik meen toch voldoende te hebben aangetoond, dat, indien iemand, die de gave bezit een fijn opmerker te zijn, lust en tijd mocht hebben om dit wonderglas aanhoudend gade te slaan, hij zal eindigen met er meerdere waarde aan toe te kennen dan dit tot hiertoe werd gedaan, en hij mogelijk zal instemmen met het gunstige oordeel in het weatherbook van den Admiraal Fitz Roy", in 1862 of 1863 in druk verschenen, alwaar dit instrument onder de meteorologische toestellen een plaats wordt gewezen naast den barometer en thermometer, en aan zijn aanduidingen groote waarde wordt gehecht. |
| J.C.S.A. van den Bergh. |
webdesign & copyright © 2001-2004 Eveline |
→ |
↑ |
|