 |
Jonggehuwden, in deez' stonde
breng U elk zijn wenschen toe.
Nu gij door den echt verbonden,
't hart vol hope wel te moe,
De eereplaats hier moogt bekleeden,
Wil ik ook met blij gemoed,
Met den wensch U nader treden;
Dat 't U wel mag gaan en goed.
Leef gelukkig, leef tevreden!
Altijd één in lief en leed;
Moogt ge Uw pad steeds blij betreden,
Waar ge ook immer gaat of treedt.
Leef gelukkig, Echtelieden!
Leeft in voorspoed en genot,
Onder al wat moog' geschieden,
Oog en hart gericht tot God.
Jonge man! wees de echtgenoote
die haar lot aan 't uwe bond
steeds terzijde, onverdroten,
Waar tot steun in elken stond.
Laat uw kracht haar altijd schragen,
Effen 't pad, dat zij moet gaan.
Vindt in haar uw grootst behagen,
Tot aan 't eind der levensbaan. |
Jonge vrouw! wees steeds de vreugde
van den man, die U verkoos,
Als uw liefd' hem eens verheugde,
Dan vermag zij 't licht altoos.
Blijft geheel uw hart hem geven,
Strooi hem bloemen op z'n paân,
Wil ze hem door 't leven weven,
Zoolang gij hier tezaâm moogt gaan.
Moge U eenmaal 't zilver sieren;
Wachte U dan een blij festijn!
Moogt ge ook 't gouden Echtfeest vieren,
En zoo blij als heden zijn.
Wachte U in het huwelijksleven,
Niets dan welvaart en genot,
Moge U liefde steeds omzwerven,
Als het schoonst geschenk van God.
Uw nichtje
Gerrie Houweling. |